Summer Bummer, die jaarlijkse hoogmis van vrijheid en improvisatie, is alweer aan zijn elfde editie toe. Na de driedaagse feesteditie van vorig jaar, keert de organisatie voor deze editie terug naar de klassieke tweedaagse. Een mooie vaststelling: het lijkt een zeer drukbezochte editie te worden. Al van bij opener Kabas Sun Dog zit de grote zaal van Trix mooi vol, en als we morgen zullen aankomen, zullen we meteen te horen krijgen dat er vooraan de zaal een extra rij stoelen is bijgezet, om de capaciteit op te drijven tot tweehonderd zitplaatsen.
KABAS SUN DOG
Het Gentse Kabas mag de festiviteiten openen, voor de gelegenheid aangevuld met Jonathan Horne (Thor and Friends, Water Damage, Young Mothers) en Karen Ng (Do Make Say Think, The Weather Station) om het materiaal van hun meest recente plaat ‘Sun Dog’ naar nieuwe hoogten te tillen. Het sextet begint redelijk abstract aan hun set: geen drums, wat bescheiden elektronica, drie gitaren en Karen Ng spaarzaam op saxofoon. Langzaamaan introduceert Thijs Troch, die vandaag geen piano zal aanraken, een licht melancholische gitaartokkel. Horne gaat zijn Mosrite-gitaar te lijf met een strijkstok. Stilaan keert de band terug naar de abstractie, met hoorspelachtige geluiden. Tot alweer een dromerig tokkelpatroon opstijgt uit de nevelen van de abstractie: een bijna zoete en bedwelmende akkoordenreeks. Daelman haalt een fluit boven met een rietachtige klank… Die wisselwerking tussen melodie en abstactie herhaalt zich nog een keer of twee, terwijl je doorkrijgt wat Kabas-plus aan het doen is. Ze hebben gestaag een spanning opgebouwd, die héél traag en geduldig toewerkte naar het moment waarop Evrard, die al die tijd van achter zijn drumkit verschillende snaarinstrumenten bespeelde, eindelijk tot een sierlijk ritme komt, met weinig meer dan hihat en snare…Nils Vermeulen voegt een viooldrone toe, Troch doet iets op een banjo en Jan Daelman speelt snelle riedels op dwarsfluit. Dat alles samen evolueert naar een heerlijke dreun, samengehouden door Evrards drum. Karen Ng treedt met haar sax steeds meer op het voorplan, aanvankelijk nog ingehouden, maar steeds meer shreddend, terwijl Horne distorted wildemanslicks verkent in de hogere regionen van zijn gitaarhals… Die traag opgebouwden spanning mag nu eindelijk van de rails… Evrard heeft duidelijk zitten snakken om zijn drums… Het concert eindigt alsof Sonic Youth op een scandinavische trip getrokken is, met wilde dwarsfluit-uithalen als extra exotisch ingrediënt.
JOHN MCCOWEN
Voorafgaand aan het concert van John McCowen zien we Jakke Jalink – de jongste telg in het Summer Bummer team – naarstig aan het werk. Hij loopt rond met A4tjes waarop wordt geafficheerd dat het concert van McCowen een stille affaire zal zijn, en dat er dus van de bezoekers van het Trix-café enige medewerking in de vorm van volstrekte stilte wordt verwacht. Met gaffa-tape kleeft hij die papiertjes op zowat elk oppervlak dat groot genoeg is, nét niet op het voorhoofd van elke aanwezige. Maar het weze gezegd: Jalinks voortvarende actie heeft effect, want wonderlijk genoeg verstomt het geroezemoes en kan McCowen in het aan het café palende podium in alle rust, en ongelofelijk ingehouden aan zijn basklarinet-exploratie beginnen. Wat McCowen vervolgens neerzet is niet minder dan spectaculair. De mand vond zijn instrument, de basklarinet, opnieuw uit en maakte er warempel een polyfoon instrument van. De beheersing die hij daarbij aan de dag legt is indrukwekkend. Er zijn momenten waarop hij met één mondstuk en één klarinet tegelijkertijd liefst drie klanken tevoorschijn tovert. Die klanken gaan van uiterst meditatief, tot heftig distorted of een bijna elektronisch aanvoelende drone – McCowen krijgt regelmatig de vraag waar hij die laptop verstopt heeft. Nu en dan blijft McCowens klarinet secondenlang resoneren, terwijl hij niet meer blaast, als een traporgel dat nog een beetje leegloopt. Wellicht is dat volgens de wetten van de fysica niet mogelijk, maar we hebben het gezien en gehoord. Naar het einde van zijn set gooit McCowen heel even alle subtiliteit overboord om rücksichtlos te skronken. Indrukwekkend.
DAUGHTERDAUGHTER
DaughterDaughter is het kraakverse project van Camilla Nebbia (tenorsax) Amalie Dahl (altsax), Sun-Mi Hong (drums) en Elisabeth Coudoux (cello).
Na een korte intro waarbij alle spelers mekaar met korte, staccato noten aftasten, gaat de energie al snel omhoog, om een constant niveau van hoge intensiteit te bereiken, zonder per se de drempel van overdrive te passeren. Zo gaat het een poos door, tot we plots een bijna bucolische passage krijgen voorgeschoteld, met kringelende saxlijnen van Nebbia en Dahl, Mi-Hong die haar drum bijna streelt en Coudoux die zalvende noten uit haar cello strijkt. Het tafereel komt tot zijn eind wanneer de saxofonisten samen een thema spelen, en Coudoux daar een cellodrone vol overtonen aanbreit.
Het blijkt de opmaat voor een vurige passage waarbij Nebbia en Dahl naar de sterren reiken. Krijgen we daarna nog: een repetitief stuk dat dient als bedje voor een sax-thema dat zo in het grote songbook kan, en een dolle solo van Dahl.
COMPOSITE MASHWORKS
Cath Roberts en Tullis Rennie zijn samen Composite Mashworks en bouwden in de Centrum-ruimte van Trix met veel instrumenten en een hoop fluorescerend karton hun Temporary Art Habitat, een ruimte waarin ze het publiek uitnodigden om deel te nemen aan hun activiteit. Tijdens de hun aangekondigde performance – waarbij ze zich bedienden van sax, trombone, elektronica allerhande en een hele tafel aan percussief speelgoed – leek er wat koudwatervrees te zijn bij het publiek om zich actief met de muzik te bemoeien – we blijven Belgen, meneer – maar lokale legende en Radio Centraal-voorzitter Daniël De Botanicus doorbrak die vierde muur wél. Doorheen de rest van het festival was het iets makkelijker om bij te dragen aan Composite Mashworks’ biotoop, want er waren de hele tijd opnamsets beschikbaar, waarmee je op de terreinen van Trix kon rondtrekken om er je eigen veldopnamen, slurpgeluiden, gedichten en toogpraat op te nemen en deze voor altijd toe te voegen aan Rennie’s en Roberts’ geluidenuniversum. Daar heeft zelfs ondergetekende, fameus voor zijn aversiteit aan publieksparticipatie, zijn bescheiden bijdrage aan geleverd.
DAS B
Op Jazz Middelheim 2015 zagen we Joe Lovano en Chris Potter samen met Lawrence Fields, Cecil McBee en Jonathan Blake John Coltrane’s ‘A Love Supreme’ live brengen. Dàt mag je dus nooit doen, ook als je Joe Lovano heet. Een plaat die zo in het collectieve geheugen zit gebeiteld, en op een halve namiddag is opgenomen, quasi op de milliseconde komen herproduceren is ongeveer het equivalent van tweehonderd gepensioneerden die in Waterloo De Slag Bij komen re-enacten. Als er geen bloed vloeit is het niet écht.
Zulks waren Das B, dan ook niet van plan. Het Berlijnse superkwartet (Mazen Kerbaj, Magda Mayas, Tony Buck en Mike Majkowski) serveerden heel andere koek. De enige manier om die quintessentiele Coltrane-plaat te eren, was in de geest ervan te spelen, maar de partituur ervan in het archief te laten rusten. Dat er geen saxofonist op de loonlijst stond hielp ook. Mazen Kerbaj bespeelde zijn trompet bovendien zoals we dat ondertussen van ‘m gewend zijn: grotendeels met een soort tuinslang tussen mondstuk en instrument, en vaak tussen zijn benen gekneld, zodat de beker kon dienen om allerlei experimenten uit te halen met voorwerpen die hij op een klein drumvel of een tamboerijn kon laten stuiteren en klinken.
Majkowski bespeelde zijn bas op minimale wijze, alsof ie een paar noten uit Jimmy Garrisons tracks had gekozen, die hij herhaalde totdat ze zouden resoneren met het origineel. Pianiste Mayas leek voor een vergelijkbare aanpak te gaan: vaak repetitief en minimaal, maar met meesterschap dat zich niet liet verbergen. In bepaalde passages dook Mayas in de buik van haar piano, waar ze met draden een distorted geluid opwekte. En als ze dan al eens een paar noten aansloeg die misschien naar ‘A Love Supreme’ zouden kunnen verwijzen, speelde ze die beslist niet in de originele volgorde. Bij Buck zat de Coltrane-link misschien in de manier waarop hij met zijn cymbalen – zachter dan gewoonlijk – en drumvellen – soms zelfs met zijn vingers – omging.
Maar eigenlijk is het onzinnig om de gedachtengang van Das B te interpreteren. Als niemand had geweten dat het hier om een deconstructie van die plaat ging, had er beslist iemand geroepen “de geest van Trane is in the house!” En dat was ie zeker, want de band speelde zichzelf én het merendeel van het publiek gestaag in trance..
INTEGRAL
Als Julien Desprez zijn ding solo doet, is dat doorgaans een feest voor oog en oor: Desprez danst over zijn gitaarpedalen, en strooit daar wondermooie zanglijnen overheen. Dat gitaarspel is best heftig – Desprez dient kletsen uit aan zijn instrument die zelfs onder toestemmnde volwassenen questieus zijn – maar met Integral erbij worden alle sluizen opengezet. Lucas König drumt radicale ritmes alsof hij in een ultratechnische hardcoreband geschoold is, Christine Abdelnour blaast alles kapot, en Claire Gapenne vult de eventueel opengebleven gaatjes dicht met haar elektronica. Over die bak superieure herrie zingen Desprez en Gapenne, op ontwapenende wijze prachtige melodieën, in een prachtig soort Engels dat enkel Fransen in zich hebben.
Voor het concert zaten we in ons hoofd met een vergelijking met Robert Wyatt, tijdens het concert moeten we aan The Jesus and Mary Chain denken. Een vreemde vergelijking, maar de broertjes Reid deden eigenlijk net hetzelfde: prachtsongs begraven onder een vette portie dirt. Meer dient daar niet over gezegd. Integral était magistral.
EROSÃO SEPTET
Mariá Portugals plaat ‘EROSÃO’ ontstond uit sessies die ze opnam met Braziliaanse muzikanten, maar die ze na haar verhuis naar Duitsland – midden in de Covid-pandemie – elektronisch bewerkte, om tot een heel ander resultaat te komen. Met haar EROSÃO Septet trekt ze die collages opnieuw een improvisatiejasje aan. Het Septet bestaat, naast Portugal zelf op drums en percussie, uit uit een min of meer symetrische lineup van twee saxen (Lotte Anker en Angelika Niescier), twee trombones (Moritz Wesp en Matthias Müller) en twee bassen, waarvan één contrabas (Reza Askari) en één tuba (Carl Ludwig Hübsch). De blazers zetten het concert in van in de zijbeuk, nog voordat Portugal opwandelt en een betrekkelijk simpel ritme inzet. Portugal onderbreekt haar eigen drumspel om een lied in te zetten, maar Askari draagt de groove probleemloos met zijn bas, terwijl de verzamelde blazers op Portugals gezongen frases echoën of erop reageren. Lotte Anker is de eerste die aangeduid wordt om een heftig kringelende solo te improviseren. Na afloop van het eerste stuk is het secondenlang duidelijk dat dit het soort impro-concert is waarbij er tussendoor kan worden geapplaudiseerd.
Eens dat opzet duidelijk is geworden, is daarmee de blauwdruk voor de komende improvisaties gelegd, waar gelukkig voldoende van afgeweken wordt om het boeiend te houden. Zo onthouden we een mooie passage waarbij Wesp, Niescier en Müller op het voorplan treden om in het donker een minimale passage te spelen, een knappe improvisatie op basis van een song van Nelson Cavaquinho.
Maar ons hoogtepunt van het concert was wellicht wanneer Askari op contrabas en Hübsch op Tuba afwisselend een drone dragen en Portugal daarover met allerlei houten percussie-instrumenten aan de slag gaat, en het Septet nog het meest het elektronische klankpalet van de plaat benadert. Van de zinderende finale herinneren we ons vooral wild drumwerk van Portugal en een gloeihete saxsolo van Niescier.
Wat een dag. En morgen krijgen we er nog zo één.
