‘Wil je niet ook naar het festival?’ was wat de redactie me vroeg na mijn voorstel om een kaderstuk te schrijven over baile funk. Koning van de funk mineiro DJ Anderson do Paraiso was dit jaar namelijk op Meakusma 2026 en een interview met hem kon mijn grip op deze ongrijpbare partyscene uit Brazilië wellicht versterken. Dat is helaas niet gebeurd. Zijn muziek spreekt voor zich, dus hijzelf is eerder kort van stof. En in hoeverre je de funkscene ook mag willen aangrijpen met woorden, op de dansvloer vergaat je alle wil om te kletsen. De joelende, rondspringende meute die zich de zaterdagnacht van het festival gevaarlijk dicht rond zijn draaitafel dringt is daar het onwiskundige bewijs van.
Het aftellen voor het optreden was letterlijk dat: aftellen, en dat zegt veel over de dunne lijn tussen kunst en kitsch die baile funk bewandelt. Paraiso’s manager speelt een epische aankondiging af in het Engels, duidelijk gefabriceerd met een chatbot: ‘’From the sunny city of Belo Horizonte, DJ Anderson do Paraiso. Get ready to dance, 5… 4… 3… 2… 1…’’. Als niet-ingewijde vraag je je mogelijk wel af waar in godsnaam op wordt gedanst, want mineiro is een subgenre van funk dat amper drums gebruikt. Toch komt er ergens een puls vandaan en het publiek zit al snel gevangen in een strakgespannen net van bas, lage strijkers en… operazang. Paraiso haalt zijn samples rechtstreeks uit horrorfilms en omringt deze met percussie die valser klinkt dan een gemartelde kanarie. Het is geen getalenteerde deejay. Zo zegt hij in een interview dat hij simpelweg op de laatste tien seconden van ieder nummer de volgende inzet, maar de productietrucjes sturen het publiek richting het plafond. Twee maten lang een miami bassbeat, dan twee maten mineiro, waardoor je onvoorbereid weer die diepte in wordt gezogen; iets wat klinkt als trap mineiro en waarschijnlijk nog nooit eerder is gedaan; een nagelbijter van een opbouw die niet dropt maar gewoon nóg lager gaat. Het was vooral tijdens dit optreden dat de dansgekkies met slechte coördinatie zich lieten zien en voelen en volgens mij zegt dat veel.
Voor Demdike Stare kort daarna gold het omgekeerde. Het deejaywerk was meer leuk om naar te kijken dan luisteren, tevens omdat het duo soms meer dan twee minuten uittrok om fel achter de draaitafels te discussiëren, terwijl de technoloopjes doorbeukten. De resulterende muziek was niet meer dan dansbaar. Met meer dan vijftien jaar muziekproductie onder de riem, is het logisch om jezelf te willen uitdagen. De opdracht leek: hoeveel kun je variëren binnen de vier-op-de-vloer technomaat met drie draaitafels en een drumcomputer? Ontzettend veel natuurlijk als je Demdike Stare bent, maar wat het Britse duo op de vele albums en mixtapes ten gehore brengt is ritmisch, dynamisch, diep en past beter bij een festival gewijd aan muzikaal experiment.
Ibrahim Alfa Jnr maakt dezelfde fout, maar komt er slechter mee weg, omdat hier alle uitdaging zoek is. Zijn laatste album Infinite Black Inside is een schemerige mix van jazz, acidtechno en ambient. Dit zijn logge Boiler Room-vriendelijke houseskeletten die het vlees op ook mijn botten doen wegkwijnen. Als curator maak je nou eenmaal weleens de fout een geluidsarchitect, niet zozeer een live-artiest te boeken. Dit gebeurt ook bij Low End Activist op de vrijdagavond. Zijn ambient forward met samples van de Londense politie zet wel een toon en deze wordt op het album ‘Airdrop II’ vanzelfsprekend mooi uitgewerkt, maar tijdens het optreden klinken de stukjes telkens eenzaam uit, nooit ondersteund door enige progressie. Activist lijkt willekeurig snippers van zijn laatste werk af te spelen, waardoor alleen het geforceerde anti-autoriteitsimago – hij is immers activist – bij elkaar geraapt uit de samples over politiegeweld, overblijft.
Een gerelateerde curatiekwestie die ik vaak overpeins tijdens festivals, is wat live gezien moet worden en wat beter samengaat met je speakers in huis. De beide acts die ik nu ga noemen bestaan uit getalenteerde muzikanten, maar moeten net als curatoren keuzes maken over wat live boeit en wat niet. In een dergelijke setting staan ze al gauw met 1-0 achter, omdat ze een genre maken dat praktisch vernoemd is naar zijn compatibiliteit met verstrooide woonkamercontexten: ambient. Neem Antonina Nowacka op de zondagmiddag. Er valt veel te zeggen over de unieke kwaliteiten van haar stem. Over de tedere heesheid van haar scherpe ademhalingen die naadloos overgaan in feeërieke tremolo’s. De kerkakoestiek doet die klanken meer recht dan mijn stereo-installatie doet, maar haar zang kent maar een paar modulaties, er is geen tekst en er is geen op- of afbouw. Een uur aandachtig luisteren levert dus niet noodzakelijk heel veel op, terwijl ze wel muziek heeft gemaakt die wat verder gaat dan ambiance, zoals haar werk met Sofie Birch. Het Ictus Ensemble op vrijdag in het Jünglingshaus is ook live vaardig en voert met grote nauwkeurigheid een verzameling geluidsexperimenten op die doet denken aan een hoorspel zonder verteller. Alle instrumenten zijn helemaal zelf vervaardigd of gesloopt. Op de drie tafels, waarachter elk een muzikant, liggen de geraamtes van violen, piano’s, huishoudapparatuur en gereedschap. Het geheel klinkt als een vintage, uit elkaar donderende tekenfilm. Het rommelende getokkel en sputterende motorgeluid van een blaasinstrument dat eruitziet als het frame van een campingstoel klinken origineel. Ondanks groots instrumenteel vertoon is de gecreëerde atmosfeer veelal dezelfde, waardoor ik dit liever had gezien als installatie, bijvoorbeeld bespeeld door fabelachtige androïden.
Dezelfde avond geeft Suzan Peeters het perfecte voorbeeld van hoe je muziek aan te passen aan een live-setting. Haar ‘Cassotto’ is reeds veel te emotioneel beladen om ambient te mogen worden genoemd, alle bewuste stiltes en atmosfeerarchitectuur van het album niettegenstaande, maar wanneer Peeters inzet vrees ik het integraal naspelen van deze uitgave. Ze begint namelijk met albumopener ‘Jaco’. Gelukkig heeft Peeters een veel te theatrale ziel om met zoiets voorspelbaars te komen. ‘Cassotto’ is constant net op tijd terug te horen in de vele opgevoerde stukken, maar alles eromheen is ongehoord. Haar accordeon slingert de massieve boventonen gewelddadig door de kerk. Naast de livevariaties op ‘Cassotto’ en opzwepende minimalistische thema’s à la Steve Reich die uitmonden in spannende filmmuziek à la ‘Jaws’, is er een hoofdrol weggelegd voor een trilapparaat. Met haar been meer of minder gespannen op diens plateau wordt haar accordeon tot ronkende motor. Uitdagend scandeert ze de reclametekst van deze fitnessgadget door de kerk: ‘’deep penetrating vibrations’’. Dan gebeurt er iets magisch. Om precies negen uur valt ze stil en klinkt het eenzame klokkenspel van de kerk. Net voor het einde gaat ze nog gedurfd aan de haal met een circusmelodie, satirisch getransponeerd middels knoppen op de accordeon ingedrukt met haar kin. Ze luidt uit met een droevig, gezongen lied dat doet denken aan rokerige kroegen vol dronken barlieden; aantonend dat ze de accordeontraditie ten diepste begrijpt, maar ook durft te vernieuwen.
De ster van het festival is ongetwijfeld Valentina Magaletti. Op beide avonden dat ze optreedt dringt de menigte zich al een half uur van tevoren rond de dichte de deuren van de Kühlraum, die veel te klein is voor de hoeveelheid fans die Magaletti ondertussen heeft verzameld. Haar eerste keer met Maria Bertel is een opzwepende mix van free jazz, punk en doom metal. Het versterkte trombonespel van Bertel is rebels en rauw. Magaletti werkt er wiskundig op in met rollende toms, microritmes en herkenbare rockritmes aangevuld op manieren zoals alleen Magaletti dat kan. Het vrije format en de vrolijke, jonge podiumenergie van de beide artiesten maken het tot losbandig spektakel waar letterlijk op wordt meegejoeld.
Met YPY de volgende dag is het killer, zwaarder, dodelijker. De ritmes mogen dan hypercomplex zijn, het publiek bewijst dat ook deze cerebrale muziek voor het lichaam is. Het duo vat ieder nummer soortgelijk aan. YPY begint met bezwerende drumcomputerabstracties waarna Magaletti er een menselijke, doch even werktuiglijke geest aan toevoegt. In live-context komt het duale karakter van de muziek naar voren. De twee artiesten vallen nooit echt samen, lijken eerder de twee helften van een rits wier tanden in- en uit elkaar schuiven. YPY trekt extra mijn aandacht door af en toe als verhaspelde 909-house te klinken, geïnspireerd op het stotterende ongemak van een SND of andere Mark Fell-machinaties.
Naast de twee onvergetelijke optredens van Magaletti is het avondprogramma van Meakusma, vermakelijk, gevarieerd en goed op de hoogte van wat er speelt in experimentele muziekland. Overdag was het soms moeilijker bij de les te blijven. Veel acts voelden als opvulling, waardoor ik vaak zat af te tellen voor de avond. Gezien hoe klein hoofdlocatie der Alte Schlachthof is, waardoor het vaak dringen of sip buiten wachten was, vraag ik me af of een grotere locatie met een aantal acts minder geen betere optie was geweest. Dat daargelaten is Meakusma je geld waard. Er is veel te zien van kwaliteit, de sfeer is gemoedelijk, de camping is fatsoenlijk en rustig en de stad Eupen is ook een kijkje waard.
