Sarah Davachi bouwt al een decennium aan een oeuvre waarin tijd zelf het instrument is, en op ‘The Will Of Tongues’, twee en een half uur lang, verdeeld over orgel, koor, koperblazers, hout en strijkers, trekt ze die logica tot het uiterste. Vergelijk het met Éliane Radigue: lang uitgerekte tonen die millimeter voor millimeter van kleur veranderen, zonder dat er ooit iets gebeurt dat je een gebeurtenis zou noemen. Waar Radigue zich beperkte tot een handvol synthesizerkleuren, zoekt Davachi hetzelfde principe op in fysieke ruimtes: historische pijporgels in drie landen, opgenomen met onder meer de Sung Blood Players en Chamber Choir Ireland.
Die beperking van materiaal is precies waar de plaat haar kracht aan ontleent. In ‘The Rose Dialogues’ laat ze orgel en strijkers zo lang tegen elkaar aan schuren dat je vergeet te luisteren naar melodie en in plaats daarvan naar wrijving gaat luisteren, naar de zwevingen tussen bijna gelijke toonhoogtes. Dissonantie als compositorisch doel, niet als effect. Het driedelige koorwerk ‘Songs Of The Smile’s Fig’ heeft een tekst die opent met ‘Nothing expresses us beyond death’ en die door de akoestiek van een kerk vervaagt tot iets wat eerder klinkt als ademhaling dan als taal.
Davachi weigert hier iedere toegeving aan entertainment: geen opbouw in de traditionele zin, geen climax die je ergens naartoe leidt. Wat overblijft is puur proces: je hoort een orgel ademen, een koor oplossen in ruimte; verder niets. Dat vraagt om overgave, en 140 minuten is geen tijdsduur die je toevallig aanzet tussen twee andere dingen door. Het is gedurfd om zo weinig te doen en er zoveel mee te bereiken. In ‘The Will Of Tongues’ gebruikt Davachi de drone niet als sfeer maar als onderzoeksmethode, op een plaat die van de luisteraar evenveel geduld vraagt als zij er zelf in heeft gestoken.
