Peel Slowly and See heeft haar naam verkeerd gekozen. Met een kwinkslag naar de Velvet Underground suggereert de naam van het Leidse festival een gezapige ontdekkingstocht. Wij werden echter twee avonden getrakteerd op een spervuur aan contrasterende indrukken en acts die zich aan de rafelrand (of het voorfront zo je wil) van muziek (en soms ook theater) bevonden.
In stoet
De opening verliep in stoet. Marcherend door Middelstegracht trok het Friese Drumband Hallelujah Makkum Peel Slowly and See volks opgang. Eenmaal in de zaal werden ze vergezeld door dorpsgenoot Arnold de Boer (the Ex) en zijn muzikanten bij Zea. Hun nieuwe plaat ‘In Lichem Fol Beloften’ bevindt zich op het kruispunt van Friese poëzie, volksmuziek en avant-garde. Men zou vermoeden dat dat eerder botst dan klinkt, maar niets is minder waar. De klarinet en cello van Zea verzorgden soundscapes als soort verluchting bij de poëzie van De Boer. Zo haalden ze in ‘De Fûgel’ onomatopee-gewijs hun beste vogelzang-interpretatie boven. De drumband hield er ondertussen de pas in. Op nummers als ‘Wer in Dei Tenein’ kwamen de verschillende elementen samen in een hypnotisch muziekgedicht. Als de beste kleinkunst waren Zea & Drumband Hallelujah Makkum intens gegrond en groots in hun kleinheid.
En dan was het tijd voor de eerste culturele whiplash. Aansluitend op Zea werden we in het intens sarcastische ‘All About Us’ geworpen. Jonathan Bonny en Manuel Kiros Paolini gooiden in hun muziektheater queer-clichés en hyperpop in de strijd om de commerciële en politieke uitbuiting van queer-identiteiten aan de kaak te stellen. Onder het voguen en de glitter gingen trauma en pijn schuil van mensen wier identiteit een speelbal is.
Vrijplaats: tussen denken en voelen
Een groot deel van de vrijdagavondprogrammatie op Peel Slowly and See vond overigens plaats in Vrijplaats Leiden, een uitvloeisel van het rijke autonome verleden van Nederland en Leiden. Net als ‘All About Us’ vonden de andere acts van de avond makkelijk hun plek tussen de CNT-posters en de geest van solidariteit en horizontaliteit.
AKa Rinde deed de setting eer aan met de simpele boodschap van vrede in deze bloeddorstige tijden. Zijn grungy en misleidend eenvoudige gitaarsongs onderstreepten recht-door-zee teksten en Eddie Vedder-stem. Of hij het nu had over de vroegtijdige dood van een jeugdvriend of over hoe dikke oude witte mannen de pot op kunnen: hij was immer oprecht. Rauw, boos en groothartig ging hij steeds luider spelen.
Ook Rotterdams kwartet Bombstrap hield het punkethos hoog. Muzikanten in bivakmuts, Eva Kah (zang) met een wit geschminkt gezicht en in een tooi waarop in (hopelijk vals) bloed “Accept Suffering Humbly” was geschreven. De muziek bestond uit genrevaste hardcore, het waren de vocale kunsten van Kah die de voorgrond namen. Krijsend, schreeuwend en grollend plaatste Bombstrap eigenhandig de terror in terror punk.
Niet alles blies rechtdoor, ook de meer cerebrale kant van het muzikale spectrum kreeg deze vrijdag haar plek. Able Noise, een artrock-duo uit Den Haag, weefde baritongitaar en drum door elkaar in een vloeiende set. George Knegtel liet haar arpeggio’s ebben en vloeien en speelde met maatsoorten om haar muziek naadloos te laten versnellen en vertragen, te kruipen en sprinten. Able Noise wiegt je net niet in slaap om je snel weer te verrassen. Drummer Alex Andropoulos volgde schijnbaar moeiteloos en schakelde vlot tussen percussie en analoge noise. Zonder de snaarinstrumenten die het laatste album ‘High Tide’ kwamen versterken, verloor de muziek ietwat aan hypnotische kracht, maar kwam de klimopachtige improvisatie meer onder het voetlicht.
Ook lokale helden Space Siren denken na over hun muziek. Peel Slowly and See kreeg de eer hun allerlaatste show ooit te programmeren. De band bouwt haar muziek op dissonante lagen gitaar, gedrapeerd over een deik van een drummer, knallende baslijnen en de afstandelijke misleidend zoete stem van Gwendolien Douglas. Het geheel voelt als complexe shoegaze en werd technisch perfect uitgevoerd. Op het eerste gezicht leek elke muzikant zijn eigen (interessante) ding te doen, desalniettemin kwam alles steeds samen in een indrukwekkende geluidsmuur. Zoals het een zwanenzang betaamt, werden we door de discografie van de band gegidst. ‘Berlin’ van de laatste plaat zette aan het begin van de set (een kleine en hoekige) danspas, debuutsingle (en setafsluiter) ‘Verschwende deine Jugend’ uit 2006 verraadde dan weer meer de onmiskenbare invloed van My Bloody Valentine.
Uitslapen zat er zaterdag niet in. Op beide ochtenden van het festival mocht geluidskunstenaar Tim Shaw mensen door de stad gidsen. Elke bezoeker werd uitgerust met een koptelefoon waardoor Shaw de stadsgeluiden remixte. Elektromagnetische microfoons maakten de magnetische velden van lampen en elektriciteitskasten hoorbaar, hydrofoons dompelden ons onder in de Rijn en contactmicrofoons lieten metalen hekken luid resoneren. De geluiden die de gewone microfoons bereikten, konden worden versterkt, vervormd en geloopt. Het resultaat was een desoriënterende ervaring. De stadsgeluiden die we collectief negeren, kwamen opeens op de voorgrond en smolten samen tot een soort surrealistische herinterpretatie. Het voelde soms alsof we door de making of van een Läuten der Seele album wandelden.
Van verstilling naar lawaai
De tweede dag van het festival kreeg met Nobel en Scheltema een statiger onderkomen dan de eerste. Dat was ook nodig. Efterklang was veruit de bekendste naam op het programma, het publiek was dan ook een veelvoud van dat op vrijdag.
Het contrast tussen AKa Rinde of Bombstrap en de Denen was groot. Efterklang is de oerhippie: knuffelbaar, ongevaarlijk en ‘wholesome’. Het gewicht van de set lag logischerwijs bij laatste plaat ‘Things We Have In Common’. Efterklang liet de zeemzoete, gezapige indiepop het voortouw nemen, met synth-voorwaarts versies van onder andere ‘Everything Revolves Around Love’ en ‘Sentiment’. Zanger Casper Clausen behandelde het podium als zijn living en lag, hing, zat en stond (al dan niet met schoenen aan) waar hij wilde. De drummer werd getrakteerd op een massage en het publiek op veelvuldig oogcontact en interactie. De gitaar bleef daarbij veelal op stal. Microfoons en stemeffecten werden daarentegen veelvuldig gebezigd om de epische synthpop kracht bij te zetten. In de glansrol: Rasmus Stolberg en zijn bas. Zelden zo’n efficiënte bassist met zo’n consistent en effen geluid gezien. Wanneer de band dieper putte uit haar 25-jarige carrière kwamen haar scherpere (‘Black Summer’) of rijkere folk geïnspireerde (‘Cutting ice to snow’) soms kijken. Afsluiten deden de Denen met een zangstonde midden in het publiek. Het gevaar dat we gisteren in Vrijplaats hoorden was geweken.
Ook Michaelis Kouloumis & Tristan Driessens Duo waren allesbehalve gevaarlijk. Doorwinterde, gerespecteerde en gestuurde muzikanten die ze zijn, brachten ze composities voor viool, kanun en oed, gebaseerd op de Ottomaanse muziekstijl. In voor Westerse oren vreemde maatsoorten (7/8, 9/8, 11/8) dansten melodielijnen door elkaar tijdens Driessens composities. Wanneer Michaelis Kouloumis’ compositie als afsluiter de revue passeerde, kropen de verschillende instrumenten beurtelings in een begeleidende rol om de muziek wat meer te gronden.
Van verstilde Ottomaanse muziek vielen we in het hoofdtollend geweld van Głupi Komputer, Pools voor dwaze computer. Het drietal bracht een duizelingwekkende mix van stijlen: eurodance, drum and bass, loeiharde electro, big band… De rode draad was dat elk nummer klonk alsof het door de mangel werd gehaald door een, welja, domme computer. Waar de bassaxofoon en drum voor een krachtige backdrop zorgden, fietste de immer hyperactieve synth overal genadeloos door. Het is een extreem dansbare aanklacht tegen big tech en de uniformiteit van hyperkapitalisme. Ondanks de niet aflatende stroom aan indrukken en invloeden bleef de rode draad behouden, zelfs wanneer met ‘Kind of Deep Blue’ ineens Explosions in the Sky-achtige postrock wordt afgevuurd.
Wat als noise niet gebaseerd was op westerse rock of elektronische muziek, maar op cumbia? Het is de vraag die Colombiaan Julián Mayorga ons stelt. Cumbiabeats werden verhakkeld met abstract gitaarlawaai en vormde de muzikale basis voor schrille rants in nauwelijks verstaanbaar Spaans. Nooit nodigde abstract lawaai zo uit om te bewegen. Zelden staat de beste danser op het podium, maar Mayorga slaagde er tijdens dit alles in om te bewegen als een bezetene, uitgedost in een kleurrijk pak met een extra paar armen nog wel. De ‘chak chak chak chak chak’-onomatopee op het nummer ‘No te Comas las Blanquísimas Mofetas’ werd opgedragen aan het geluid dat ratten die uit de lucht vallen zullen maken wanneer ze rijke mannen verorberen. De passage veruitwendigt perfect het losgeslagen en absurde karakter van Mayorga’s muziek. Eclectisch, uitdagend, volstrekt uniek en overweldigend: het hoogtepunt van Peel Slowly and See belichaamde het soort programma dat het festival wil neerzetten.
Met als enige minpunt het wel heel overlappende blokkenschema, zette Peel Slowly and See een editie neer die zich stevig in Leiden en omstreken (sorry Den Haag) wortelde en van daaruit verder kijkt in werkelijk elke richting. De vreemde randen van muziek kregen een plek in een divers feest van outsidercultuur.
Geheel volgens dat ethos mochten lokale helden WAAN de tweedaagse afsluiten. Een al te overdachte funkjazz aanhef maakte geleidelijk plaats voor een maalstroom aan jazzy elektro. ‘1974’ en het titelnummer van laatste plaat ‘We Want WAAN’ trokken alle registers open. Ritmewissels en gonzende elektronische passen werden gepaard met saxlijnen die de epiek en bombast niet schuwden.