De eerste zichtbare verandering bleek het schrappen van het FAQ-festival voor elektronische muziek. Dat was altijd zelfstandig, maar werd enkele jaren geleden onderdeel van November Music, en is nu dus opgeheven. Verdwenen is ook de Kunstmuziekroute, waarin bezoekers op een zondag langs een groot aantal korte performances konden dwalen. Die was vervangen door SoundBites, korte optredens langs drie vaste wandelroutes. Verder haalt het festival geen toonaangevende buitenlandse ensembles meer naar Den Bosch.
Een volgende wijziging, vanaf volgend jaar, is het stopzetten van het jaarlijkse Bosch Requiem. Dit jaar was het geschreven door Meriç Artaç, een opdracht die Bert Palinckx nog verstrekt had. Terwijl elektronische muziek meer geïntegreerd is in het festival, onder meer met een optreden van Truus de Groot, zijn de andere maatregelen blijkbaar een kwestie van geld. Te duur, mede in verhouding tot het aantal bezoekers.
Requiem voor een Requiem
In het eerste weekend waren er twee concerten die Hopman nog niet geprogrammeerd had. Het eerste was Requiem for Mariza, van de Turks-Nederlandse componiste Meriç Artaç, dat het festival op vrijdag opende. Volgens Artaç volgt het werk vijf stadia van afscheid, van opstandigheid tot acceptatie. Daar kreeg je als publiek nauwelijks iets van mee. Mezzosopraan Carina Vinke als Mariza was bijna niet te verstaan, en er was geen boventiteling waarin je kon lezen wat ze zong. Haar partij drukte geen wisseling van emoties uit, en de vijf delen waren niet duidelijk van elkaar gescheiden. Daardoor werd het geheel ondoordringbaar. Daar stond tegenover dat het New European Ensemble de sterren van de hemel speelde, met glansrollen voor Zheng Sun op erhu (het Chinese strijkinstrument waarvan de tonen wrijvingloos omhoog en omlaag glijden), bastrombonist Brandt Attema en slagwerker Pepe Garcia, die zich schijnbaar moeiteloos heen en weer bewoog tussen alle instrumenten.
Regelrecht verbijsterend was Maayan Licht. Zijn stem overlapte in hoogte die van Vinke waardoor hij overtuigend optrad als alter ego van Mariza. Opvallend genoeg was zijn partij aanzienlijk interessanter dan die van haar. Bovendien bleek hij een virtuoos fluiter, wat Artaç grandioos in haar muziek verwerkt had.
Arooj Aftab-mismatch
Het andere concert dat niet uit de koker van Hopman kwam, was dat van de Amerikaans-Pakistaanse zangeres Arooj Aftab met het Metropole Orkest op zondag. Aftab had vorig jaar wegens ziekte verstek laten gaan, en haalde dat nu in als onderdeel van een korte tour door Nederland. Ze beschikt over een uiterst soepel meanderende stem en een prachtig zacht en hees jazzy timbre, dat helderder en feller wordt wanneer ze er krachtige gevoelens mee uitdrukt.
Dat heeft ze eerder al laten horen op haar albums, begeleid door haar eigen band. Twee leden daarvan, gitarist Gyan Riley (jep, zoon van Terry) en drummer Jamey Haddad, hadden de gelederen van het orkest versterkt. Maar terwijl de muziek met haar band, en eventueel toegevoegde gastmusici, uitmunt in transparantie en elegantie, klonk de samenwerking met Metropole log en zompig.
Met uitzondering van het openingsnummer, met herhaalde minimal-patronen op de vibrafoon, pasten de arrangementen naadloos binnen het Metropole-cliché van moddervette blazers en een dichtgeplakte strijkerssectie, en hier en daar een obligate solo. Het orkest en de arrangeurs wisten alle elegantie en diepgang van Aftab plat te slaan, te verzuipen in overdaad. Hoe complimenteus ze ook was naar het orkest, ik kon me niet aan de indruk onttrekken dat dat een plichtmatig gebaar was.
Ritueel zingen en zoemen
Wel indrukwekkend was de presentatie zaterdag in de Sint-Janskathedraal van Battles & Silences, ontwikkeld en uitgevoerd door Anthony Fiumara en Mathijs Leeuwis (die samen het duo Poulson Sq. vormen), en twee leden van slagwerkgezelschap HIIIT, Dirge Seçil Kuran en João Brito. Centraal in het stuk staat een klok, waarin patroonhulzen van een gesneuvelde Oekraïense militair verwerkt zijn. Fiumara en Leeuwis hebben uiteenlopende geluiden van de klok opgenomen en bewerkt.
Tijdens het concert speelde het duo die geluiden af vanaf band, en was het aan de slagwerkers om met behulp van over de ruimte verspreide objecten en instrumenten in geregisseerde bewegingen binnen het speelvlak klanken te produceren die correspondeerden met wat ze hoorden, van een bronzen galm tot luide explosies, ruis en gespetter. Die geluiden werden opnieuw bewerkt door Poulson Sq., en zo weer uitgestuurd naar de speakers. Uiteindelijk eindigden de spelers bij de bel. Met kalme gebaren klopten ze op het zoemend zingende metaal, en gaven ze de muziek een respectvol ritueel karakter.
Vereniging van vier vrouwen
Halverwege de week verzorgden sopranen Sterre Konijn en Michaela Riener, mezzo Rianne Wilbers, en alt Fanny Alofs van Storm in a Jar een lunchconcert in Willem Twee Toonzaal, een voormalige synagoge. Hoezeer het viertal op elkaar ingespeeld is, bleek in hun uitvoering van delen uit Love Fail van David Lang. Steeds opnieuw vielen daar stiltes in, en steeds opnieuw begonnen ze exact gelijk weer te zingen, een staaltje van perfecte timing.
In And One of the Pharisees maakten ze duidelijk dat Arvo Pärt niet geschaard mag worden onder de licht verteerbare neo-klassieke componisten. Schrille, wrange akkoorden belichtten een tekst over harde kritiek die Jezus uitte tegen Farizeeërs en hun schijnheiligheid.
Het meest ontroerend was Incantations van Karl Jenkins. Alofs zong een emotioneel geladen melodie met Oosterse toonbuigingen, begeleid op kistorgel en duduk (bespeeld door Konijn) en ondersteund door de zang van Riener en Wilbers. Met een tekst in het Arabisch is het onderdeel van een Stabat Mater. Gezongen in een voormalig Joods gebedshuis verenigde de uitvoering de drie grote monotheïstische religies.
Uit de hand gelopen primaat
Wat ik heb bijgewoond van de tweede helft van November Music kende absolute hoogtepunten, maar ook optredens die muzikaal gezien van bedenkelijk niveau waren.
Donderdag 13 november presenteerde zangeres en violiste Diamanda La Berge Dramm muziek van twee albums, Chimp en Inside Out (beide eerder besproken in Gonzo (circus)). Het eerste met eigen composities, het tweede met werken van John Cage en Johann Sebastian Bach. In Chimp ziet ze de mens als niet meer dan een uit de hand gelopen primaat. Een aap, en geenszins van hoge kwaliteit, op fysiek, mentaal en ethisch vlak. Haar stem, licht en helder articulerend, stond haaks op de duistere strekking van de teksten. Ze werkte behendig met een loopstation, zette er flarden in vast waarmee ze een complexe begeleiding opbouwde en die naar believen deels weer reduceerde. Ze speelde met zo groot en vanzelfsprekend gemak, dat je vergat hoe goed ze viool en zang beheerst. Bij haar uitvoering van Inside Out viel op hoe ze speelde met het contrast tussen de barokstructuren van Bach en de manipulaties die Cage van musici verwacht, zoals het kloppen en tikken op de klankkast. La Berge Dramm liet je heen en weer springen tussen twee muzikale tijdperken, een gymnastische oefening die een alerte, elastische geest vergde.
Oplichtende cellorobots
Diezelfde avond voerde Cello Octet Amsterdam muziek uit van verschillende componisten, onder wie Qasim Naqvi, Caterina Barbieri en Sarah Davachi, in een omgeving die vormgegeven was door Nick Verstand. Achter elke cellist stond een robotarm die boog en zich weer oprichtte, en waaruit lichtbundels en laserstralen de zaal in schoten. De opzet was om een verband te laten ontstaan tussen wat je zag en wat je hoorde, een mechanische dans op de muziek die het octet speelde. Maar aangezien ritme grotendeels afwezig was en de bewegingen van de armen nauwelijks correspondeerden met veranderingen in de muziek, werd het vooral een nietszeggend schouwspel, ook al doordat de lichtstralen weinig meer eraan toevoegden dan het rood kleuren van toneelmist en soms hinderlijk verblindend in de ogen schijnen. Bovendien was de muziek zelf vrij monochroom en contrastarm van karakter. Dat het publiek besloot om na afloop eensgezind op te springen voor een staande ovatie was te veel eer voor een concert waarin uiterlijk vertoon arm in arm ging met een erg magere inhoud.
Heroïek en wedergeboorte
Van een totaal andere orde was de combinatie van Luciano Berio’s Sequenza’s, een serie van veertien werken die hij tussen 1958 en 2002 schreef voor solo-instrumenten, met stukken die compositiestudenten in opdracht van November Music voor dezelfde instrumenten geschreven hadden. Georganiseerd naar aanleiding van Berio’s honderdste geboortejaar was het was een marathonprogramma, verdeeld over twee ochtenden. Het programma op zaterdag in de Willem Twee Kunstruimte begon met Gesti, een werk uit 1966 voor blokfluit dat geen onderdeel is van de serie, maar daar wel verwant aan is. Net als in de Sequenza’s vergt Berio het uiterste van de uitvoerder: grote sprongen in de melodielijnen, abrupte wisselingen in tempo en volume, een keur aan ongebruikelijke speeltechnieken.
Alle uitvoeringen waren van hoog niveau, maar een paar sprongen er speciaal uit, wat mij betreft. Sequenza XIII voor accordeon en Sequenza VI voor altviool. De eerste omdat die uitgevoerd werd door Teodoro Anzellotti, de Italiaanse accordeonist voor wie Berio het werk geschreven had. Hij speelde de muziek uit het hoofd, in diepe concentratie. Het is een van de meest melodieuze stukken in de reeks, waarin Anzellotti omhoog en omlaag bewoog, en weer naar boven om uiteindelijk op de hoogste toon te eindigen.
De Sequenza voor altviool, gespeeld door Emlyn Stam, was gedenkwaardig omdat hij er huizenhoog tegen opzag. Van tevoren had hij verteld dat de muziek tegen alles ingaat wat de altviool karakteriseert. ‘Het instrument moet knarsen, je moet met de strijkstok over de lengte van de snaren wrijven, in snelle opeenvolging wisselende technieken gebruiken.’ Wispelturige muziek. Stam bekende dat hij het stuk voor de zomer ingestudeerd had, maar in de loop van de zomer na de geboorte van zijn kind alles weer vergeten was, tot zijn niet geringe frustratie. Het was inderdaad een krankzinnig moeilijk stuk vol abrupte wisselingen, waarbij hij soms alle vingers van zijn linkerhand op de snaren moest plaatsen in steeds andere grepen. Een enkele keer hoorde je hem zuchten, hij raakte aan de grenzen van zijn vermogens. Het was een heroïsche onderneming, die Stam tot uitgeput en doorweekt een goed einde bracht.
Van die marathon moet ook Rinascita genoemd worden, een reactie van Antonio Biancaniello op Sequenza XIV voor cello, gespeeld door Maya Fridman. Terwijl de meeste reacties na de betreffende Sequenza volgden, begon Fridman met de reactie. Ze kwam zingend op met de cello nog in zijn kist. Ze speelde erop, terwijl het instrument er nog in lag, klopte op de klankkast, sloeg met de strijkstok op de snaren, haalde de cello vervolgens uit de kist. Zo liet ze het instrument, op instructies van Biancaniello, geboren worden. Een mooi commentaar op wat Berio in deze reeks deed: hij wilde instrumenten met een open blik benaderen, los van hun geschiedenis, ontdaan van clichés die ze met zich mee waren gaan torsen. Een wedergeboorte bewerkstelligen.
Flauwe pop en Mongoolse bossa Nova
De zondag opende met twee teleurstellende concerten. Een gehalveerd Ensemble Klang trad op met de Poolse componiste Ela Orleans, die in Night Voyager een werk met videoprojecties had gemaakt over de maanreizen. Als uitgangspunt had ze Night Thoughts van Edward Young genomen, een monumentaal gedicht over de dood uit 1740. De bedoelingen waren ongetwijfeld diepzinnig: een reis buiten de dampkring blijft een hachelijke sprong in het ongewisse, hoeveel waarborgen de mens ook probeert in te bouwen. Maar de muziek was zoetsappig en flauw, bij vlagen poppy en kitscherig, stond haaks op de intensiteit en kracht die het werk van Klang doorgaans eigen is. Een honingzoete, weinig diepgaande meditatie over gevaar en dood.
Enji werd aangekondigd als een zangeres uit New York die haar Mongoolse achtergrond inzet in de jazz die ze maakt. Haar muziek deed eerder denken aan de lome bossa nova van Astrud Gilberto dan aan de weidse steppen van Mongolië. Uit de gitaar van Paul Braendle en de bas van River Adomeit kwamen geen onvertogen klanken, maar het optreden was vooral erg vlak, en op den duur ronduit slaapverwekkend.
Afsluitende waanzin
De afsluiting van November Music was Recital I for Cathy van Luciano Berio, uitgevoerd door Het Muziek (het voormalige Ensemble Asko|Schönberg) en Eléonore Lemaire van vocaal ensemble Silbersee, dat zich specialiseert in muziektheater. Het werd voorafgegaan door The Usual, een nieuw instrumentaal werk van Karmit Fadael. Dat was ook uitgesproken theatraal, met de musici gezeten aan een tafel. Voor zich hadden ze een tablet met instructies. Het ging misschien niet eens zozeer om de muziek, maar eerder om onderling gedrag en uitingen van emotie, zoals verdriet en rouw, en om bewegingen rond de tafel. Een opstandige saxofoon keerde zich tegen een ‘manager’, waarop die gedwee ging zitten. Een klarinet en een contrabas rebelleerden, waarna het hele gezelschap uit het gareel liep. Tenslotte draaide iedereen zich met de rug naar het publiek, om uiteindelijk collectief de tafel en de stoelen van het speelvlak te verwijderen.Dat was het startsein voor Recital I for Cathy, een werk waarin Berio naast eigen composities een groot aantal fragmenten uit stukken van anderen verwerkt had, van Claudio Monteverdi tot Ich bin von Kopf bis Fuß auf Liebe eingestellt (bekend van Marlene Dietrich). Dat begon met Lemaire op een rode bioscoopstoel, terwijl de leden van het ensemble in processie opkwamen. Een van hen liep naar een klavecimbel voor openingsliederen van Monteverdi. De liederen werden afgewisseld met gesproken woord, waarin de zangeres commentaar leverde op wat er om haar heen gebeurde, soms hardop, soms in zichzelf mompelend. Dat gebeurde onder begeleiding van Berio’s muziek, terwijl ze steeds weer overging naar een volgend lied. Een uiterst merkwaardig en virtuoos heen en weer springen tussen twee muzikale werelden, alsof je razendsnel tussen verschillende radiostations schakelde, tot waanzin er onvermijdelijk op moest volgen. Het was een indrukwekkend besluit van November Music.
