De muziek van Great Falls wordt niet zozeer beluisterd als wel ondergaan. De band uit Seattle heeft inmiddels ruimschoots bewezen dat noiserock, sludge, hardcore en postmetal prima samenleven, zolang je ze maar in een veel te kleine kamer opsluit. ‘The Bite That Grows Up’ is een uitstekende titel voor de gecontroleerde waanzin die de band brengt, met tanden die alsmaar dieper het vlees ingaan, een beet als een berenklem. De positieve naarheid van bands als The Body en Oxbow is nooit ver weg.
De chaos wordt met chirurgische precisie opgebouwd om vervolgens met des te meer geweld in te storten. De gitaren klinken gruizig en dichtbij, veel te dichtbij. Ze lijken niet uit versterkers te komen, maar uit de muren zelf. De muziek drukt op het lichaam, op de geest, op het zijn. De zwaartekracht heeft hier een persoonlijke vete uit te vechten.
En dan die stem van Demian Johnston, die zingt alsof boosheid zijn enige resterende communicatiemiddel is. Chat Pile is er niets bij. De nooduitgang is al lang dichtgemetseld, maar Johnston probeert hem op pure wilskracht alsnog open te schreeuwen. Zelfs wanneer Great Falls gas terugneemt, blijft de dreiging bestaan. De stilte is geen adempauze, maar een dreigement. Een catharsis zonder verlossing. Dit doet pijn. Veel beter dan dit wordt het niet.
