Het dunk!festival heeft een traditie van ommezwaaien, radicale keuzes en vernieuwing, en dat was dit jaar niet anders, met de terugkeer naar de natuur in Velzeke. Russian Circles, Pelican en We Lost the Sea volgden gewillig.
Ja, het dunk!festival had weer iets uit te leggen. Na de covidcrisis werd de radicale keuze gemaakt om uit Velzeke weg te trekken en samen te werken met Viernulvier voor shows in de Gentse Vooruit. Met alle voordelen vandien, maar ook met heel wat ontgoochelde bezoekers die het festivalgevoel misten. En nu, zeven jaar later, was er plots de terugkeer naar de Velzeekse bossen. Met minder podia, en minder bands. Hoe zou het publiek deze keer reageren? Uiterst positief, zo bleek: het festival verkocht mooi op tijd uit.
Dag 1 – Donderdag
Het terrein was wat anders ingedeeld, zodat de bospaadjes nu het centrale klaverblad vormden tussen de metropolen ‘hoofdpodium’, ‘bospodium’ en het centrale plein. De grote tent met het hoofdpodium stond al mooi vol voor opener Aufhebung. Een Brusselse band met een nieuwe plaat, en een pletwalsgeluid dat door het dunk!publiek gretig onthaald werd. Bij wijze van afscheid gooide de drummer na afloop zijn drumstokken in het publiek – een gehavend exemplaar kwam op het hoofd van zijn echtgenote terecht, die er overigens heel blij mee was. Sterke worp! Die compenseerde de routineuze bindteksten, waar we bij Gonzo streng op zijn omdat iemand het moet zijn. Maar: prima opener van het festival.
Eén afrit verder, licht bergafwaarts langs de slingerende en (nu al) stemmig verlichte bospaadjes met Velzekes bekendste overhangende tak, ging het naar het Bospodium. Al was het een bospodium van de derde generatie: na een eerste geïmproviseerde versie met wat houten planken en het publiek rondom, lag het Bospodium jarenlang helemaal onderaan de heuvel, met een publiek dat theatergewijs plaatsnam zo hoog de heuvel strekte, tussen boomwortel en lage struik. Het podium was bescheiden in formaat en de wanden waren doorzichtig, zodat het bijna opging in de natuur. Niet zelden kon je tussen de nummers door de vogels horen fluiten. Niets van dat alles bij deze editie: het ‘bospodium’ stond in open veld, weliswaar omzoomd door bomen, en op licht hellend terrein, waardoor het zicht optimaal was maar de zittende bezoeker zeldzaam.
En als was het om de boodschap te geven dat niet alle bands op het dunk!festival met een half been in de postmetal staan, verscheen er op Bospodium 3.0 al meteen een buitenbeentje. Las 3 Marias – ooit drie man sterk, nu beperkt tot twee onafscheidelijke broers – lag mijlenver van wijdbeense powerchords, met flapperende gewaden, akoestische gitaar, excentrieke zang en aparte percussie en elektronica, min of meer harmonisch met elkaar verweven maar nu ook weer niet meer dan nodig. Intuïtie en gevoel primeerden op een vol geluid. Zo koud en strak de opener was, zo los en warm was band nummer twee. Al naargelang je stemming was dit zweverig, bezwerend, saai, hartverwarmend of lollig. Op zijn minst was dit een band die zeer blij op het podium stond, op een zeldzaam zonnig moment dan nog. Helemaal uit Chili naar het verre dunk!festival in Europa en er zelf mogen spelen: een droom.
Het Griekse We Own the Sky, opnieuw op het hoofdpodium, zei het zelfs letterlijk: spelen op het dunk!festival was een jeugddroom die in vervulling ging. De band smeedde in geen tijd een nauwe band met zijn publiek met betrokken en soms emotioneel geladen bindteksten. Drie keer handjeklap was hun deel – dat komt er dan van. Er werd zelfs één keer meegezongen (welzeker kan dat op instrumentale muziek: motivatie volstaat, ervaring niet vereist). Toch was het niet allemaal gesuikerd en boterzacht: muzikaal kwamen ze al eens ruwer uit de hoek, wat zorgde voor het nodige reliëf. We Own the Sky is bovendien een geöliede machine, die quasi achteloos van klankkleur kan wisselen – een troef voor postrock. Wij herinneren ons nog ‘Eclipse’ als straffe song, maar er waren er nog.
Heel wat meer rechtdoor ging het bij Skloss. Onder een zacht regengordijn werd er consequent naar voren gedrumd, wat ruimte liet voor de gitaar om vrijelijk te galmen, met een uitbarsting op tijd en stond. Ook zang à la Brutus passeerde de revue. Met Baulta stond er vervolgens weer een vintage-dunk!band op het hoofdpodium. Wij noteerden: uitstekend begin, met de nieuwe nummers verder in de set verslapte onze aandacht wat.
Helemaal uit het verre Amerika kwam het jonge Circus Trees om hier onder ouderlijk toezicht een soort rockrallyrock te spelen. Charmant en bij een deel van het publiek een topper, maar muzikaal was het in vergelijking met de andere bands op de affiche wel heel erg rechttoe-rechtaan.
Niet getreurd, echter: festivals zijn er ook om rond te lopen. De locatie voor de merchandise is altijd wat zoeken (te veel lawaai, te weinig plaats, te weinig passage, het is altijd iets), maar het zou wel eens kunnen dat het dunk!festival deze keer de perfecte locatie gevonden had: aan het centrale plein, in een ruime tent, zonder al te veel last van de live-shows.
Ook rondom het plein gepositioneerd: een mooie waaier aan eetgelegenheid. Niet dat de vrije markt hier perfect werkte – in de bubbel van een festival zijn de prijzen altijd hoger dan elders in de horeca – maar de keuze was voldoende ruim en met een vast restaurant in huis kon er zelfs fatsoenlijk gegeten worden – echte schotels, weet u wel – met mes en vork.
De tijd vliegt als er gekuierd, verbroederd en gegeten moet worden, en dus was het nu al aan het slottrio op de affiche. Dat Russian Circles en Pelican samen op tournee waren in deze periode was ideaal, want met die twee heb je meteen de sterkhouders die je nodig hebt. Pelican is intussen een vaste waarde op het festival, en dat wordt – zo bleek nog maar eens opnieuw – altijd geapprecieerd door band en publiek. Eerdere passages kon de band linken aan zijn verschillende levensfasen: de vroege periode, de hereniging met de tweede gitarist, de doorstart. Warme bindteksten, staalharde songs. We vreesden een beetje voor voorspelbaarheid na al die eerdere shows, en zelfs de setlist oogde achteraf bekeken niet zo aantrekkelijk, maar toch was dit verdorie weer een strakke show. Een verschroeiend ‘Drought’, een fenomenaal ‘Dead between the Walls’, ook al bleven de echte publiekslievelingen bleven achterwege. Als je het zonder ‘hits’ kunt, dan ben je een Grote Band.
Hoe perfect uitgelicht was het Bospodium! Pothamus stond als een levende kunstinstallatie opgesteld. Muzikaal begon het bezwerend, om dan langzaamaan op te bouwen naar een apotheose, alsof ze een monster gebaard hadden dat ze niet meer getemd kregen. Dolletjes!
En dan afsluiter Russian Circles. Anders dan hun gezellen van Pelican koos het postmetaltrio wél voor de hits. Hun muziek klinkt bij een eerste luisterbeurt hermetisch, maar de drie muzikanten hebben het talent, de virtuositeit en de precisie om hun geluidsmuren zo te bouwen dat alles perfect op zijn plaats valt en elk detail een maximale impact krijgt. De ‘hits’ zijn dan ook gewoon hun beste nummers die door het spaarzame gebruik van hun sterktes nooit gaan vervelen. Zowat al hun platen kwamen aan bod, met herkenningsapplaus bij zowat elke nieuwe song en totale euforie bij de intro’s van ouwe kleppers ‘Station’ en ‘Harper Lewis’. Ook te horen: een prima nieuwe song. Al moest je dat bijna raden, want Russian Circles sprak naar gewoonte geen woord tegen het publiek – in geen velden of wegen was er een microfoon te bekennen. Je zou kunnen zeggen: bindteksten halen het ritme uit een show, maar laat dat nu net de grap zijn: Russian Circles haalt consequent de vaart uit zijn sets door na elk nummer obsessief een minuut of langer te stemmen. Perfectie is hun handelsmerk, maar perfectie heeft een prijs. Niettemin: muzikaal wereldklasse, opnieuw.
Dag 2 – Vrijdag
Vrijdag: de dag waarop Las 3 Marias het woord ‘spiegelei’ feilloos leerde uitspreken, zowel in het Nederlands als het Duits. Maar ook: een even troosteloos weerbericht als gisteren. Het was bang afwachten hoe het terrein er zou bijliggen na meer dan duizend intensieve korteafstandswandelaars op een door water verzadigde ondergrond, maar dat bleek goed mee te vallen middels een product dat al eeuwenlang voor kwaliteit staat: stro.
Ook op Druilerige Dag 2 mocht een Belgische band openen, met het Mechelse Capitan. Net zoals Astodan dat tegenwoordig doet, legt ook Capitan een laag expressieve, nadrukkelijke zang bovenop zijn postmetal. Je bent ervoor, of je bent er niet voor – het is een kwestie van smaak. Capitan zit bij dunk!records, het zusterlabel van het festival, en dat geldt tegenwoordig ook voor het Antwerpse Onrust. Zij maakten vorig jaar indruk met hun tweede plaat ‘Van Woede tot Wanhoop’, die ze DIY-gewijs helemaal zelf opnamen en nu live mochten presenteren op het Bospodium. De regen hield er net op tijd mee op, maar toch was de setting niet ideaal: straightforward hardcoreshows kunnen perfect werken in daglicht, maar een band als Onrust gedijt beter in een donkere setting. Aan motivatie en spelplezier anders geen gebrek, het drumwerk was fenomenaal en ‘Wanhoop’ stond als een huis. De bindteksten gingen half de mist in – de zenuwen? – maar hielden zich ver van de Almanak van Angelsaksische Clichés, dus alsnog pluspunten. Ons advies: kom nog eens terug als het donker is, liefst snel.
Van L.O.E. zagen we enkel een (lange) finale, maar die maakte alvast indruk. Na de sample (sic) “thank you dunk!festival” ging het laag op laag van crescendo naar crescendo, en het publiek deed iets gelijkaardigs met zijn applaus. In de gaten te houden.
Hadden wij gezegd dat straightforward hardcore kan werken in daglicht? Welnu, Sotabosc zette de stelling om in de praktijk. Een obscure naam, maar het is het nieuwe project van Xavi Forné. Ook die naam zegt u niks, maar de goede man ontwerpt sinds jaar en dag de dunk!festivalaffiches, én speelt bij het rauwe, zuiderse Malämmar. Voor zijn nieuwste project doen er leden van Syberia mee – ook die band had niet misstaan op dunk!2026. Sotabosc maakte het muzikaal niet te moeilijk en dus ging dit er vlotjes in zonder memorabel te zijn.
Er was geen ontkomen aan, vandaag: met Celestial Wolves speelde al de derde dunk!recordsband. Een trouwe klant op de dunk!festivalaffiche, al was het nu wel erg lang geleden, na de lange muzikale pauze, de personeelswissels en uiteindelijk de nieuwe plaat. De nieuwe incarnatie laat wat extra klankkleur toe, met de toevoeging van blazers en piano, en dat werd gelukkig ook live waargemaakt. De ‘Meerwaardeblazers’ (een koppel koperblazers) waren aanwezig en mochten ‘Autumn’s Dew’ verder aankleden. Wat een prachtig nummer is dat toch! De rest van de set wisselde kringelende gitaren met roffeldrums af met harder werk. De songs kwamen meer uit de verf dan op plaat – goeie show dus.
Nog een belangrijk verschil met de dunk!edities in Gent: slechts twee podia hier die elkaar afwisselden, zodat je in principe niets hoefde te missen. Toch betekent dat niet noodzakelijk dat er geen overlappingen waren: parallel met Turpentine Valley was immers de paëlla geprogrammeerd. De paëlla, moet u weten, was tot 2019 een vaste waarde op het dunk!festival. Volgens de vervaagde herinneringen en de geromantiseerde overlevering werd er in de centrale cafetaria een reusachtige wok met paëlla binnengerold, omsingeld door een meute festivalgangers met een bord in de hand. Wat zeker is: dat was steevast op de laatste dag, toen iedereen nood had aan eens iets anders dan junkfood. Consternatie alom dan ook dat de paëlla vrijdag al op het menu stond. Organisatorisch was het in theorie een even grote ramp als vroeger, maar gezien het welopgevoede dunk!publiek vormde dat hoegenaamd geen probleem, zodat de 200 schotels op een beschaafde manier verdeeld konden worden in willekeurige volgorde. Nadien hadden we nog net de tijd voor een stukje restaurantmuziek met The Colour of Cyan, dat een strijkensemble had meegebracht – strijkensembles zijn duidelijk in hun sas in de Velzeekse bossen.
We Lost the Sea is een slowburner. Een stille kracht die puur op kwaliteit zieltje na zieltje wint en hier zo de status heeft opgebouwd van headliner. Aanleiding: de integrale uitvoering van hun magnum opus ‘Departure Songs’, dat talloze heruitgaven kreeg. Nu komst We Lost the Sea uit Australië, en als je dan toch van zo ver komt, dan kun je even goed twéé shows spelen. Vandaag de uitvoering van het recente ‘A Single Flower’, morgen de klassieker. Goede beslissing ook om voor vandaag de ‘afsluit’ aan Caspian te laten – twee keer headlinen ware wat te veel van het goede geweest. Viel al een hele tijd op, hoog tijd dat we het eens vermelden: het licht was weer prachtig. Met in de achtergrond: de vogel van de hoes. Voor de laatste (lange) song verlieten ze pro forma even het podium om daarna als frisse invallers de finale aan te vatten. De song valt uiteen in verschillende bewegingen, dus geen gebrek aan tussentijds applaus. ‘A Single Flower’ is geen meesterwerk maar wel een goeie plaat, en ideaal om live (verder) te ontdekken: in ideale omstandigheden, waarin de dynamiek beter tot zijn recht komt. Het is immers bepaald geen plaat die meteen zijn geheimen prijsgeeft.
Folk, we moeten daar eerlijk in zijn, is niet voor iedereen. Maar aangezien folk hip is tegenwoordig (Lankum, The New Eves, The Slow Country) kan dat geen bezwaar vormen. Her Name Is Calla speelt al heel lang in dit register, waarbij aan de traditionele muziek de nodige spannende dynamiek toegevoegd wordt die je als dunk!publiek mag verwachten. Al kwam aan die dynamiek een plots einde door een technisch probleem. Nu zou je denken dat elke caféband wel weet hoe de stilte op te vullen als er één instrument uitvalt, maar Her Name Is Calla stond er verbazend hulpeloos op te kijken. Gelukkig had toch één bandlid de goeie reflex om een paar totaal over the top oerschreeuwen het publiek in te jagen – hij kreeg een mooie retour. Het verlate einde konden we niet meer zien want, want afsluiter Caspian ging er stilaan aan beginnen.
Caspian, dat is een legertje gitaren op een vrij klassieke ritmesectie en een paar samples. Ze gaan al jaren mee en zijn op dunk!vlak stilaan incontournable – ze stonden dan ook al verschillende keren op de affiche, maar nu voor het eerst als headliner. Na het eerste nummer vervielen ze al in het Russian Circles-syndroom: pauze om te stemmen. Het zou toch niet? Ja hoor, werkelijk na elk nummer moest er gepauzeerd worden. Werkte het nog bij Russian Circles, dan haalde het hier de broodnodige vaart uit de show. Gelukkig zocht Caspian in tegenstelling tot Russian Circles wél contact met het publiek: geen clichés, maar authentieke dankbaarheid en bindteksten op maat van het publiek. Het was dan ook jammer dat we ze eerder al (veel) beter gezien hadden. Het hielp niet dat er de eerste drie kwartier geen echte kleppers in de set zaten. Gelukkig speelde het laatste trio nummers een divisie hoger, met ‘Arcs of Command’, een veelbelovend nieuw nummer (opnieuw onaangekondigd: wederom vreemd) en ‘Castles High, Marble Bright’. En nogmaals een pluim voor de knappe lichtshow, deze keer met omgekeerde cuberdons. Een knallende afsluiter van de dag werd het niet, maar wél is het uitkijken naar de nieuwe plaat, dit najaar.
Dag 3 – Zaterdag
Zaterdag! De laatste kans om festivalgewijs te verbroederen, en het beloofde voor het eerst zelfs een vrij mooie dag te worden. Dankzij een verse laag stro lag er amper modder op de wei die dienstdeed als parking: geen risico om je vast te rijden dus. Overigens opvallend: een mooie staalkaart van het Belgische wagenpark stond op de parking hier, van de goedkoopste deelwagen tot de duurste patserbak. Op het festivalterrein: meer stro! Op het meest centrale punt, recht voor de merchandise, waren bij wijze van zitbank volle strobalen gelegd, waar later op de dag verschillende mensen elegant over zouden struikelen. De weg naar de merchandise leek dan weer een glijbaan van stro. Naast de urinoirs, bij wijze van reserve: een wagen met stro en mestvork. Prachtige uitvinding, stro.
Maar we kwamen, zoals iedereen, voor de muziek. The Hazards of Swimming Naked mocht vandaag openen: niet de meest geniale melodieën, wel fijne baslijnen, en hun laatste song mocht er zijn. Ook tof: tijdens het stemmen sloegen ze gewoon een babbeltje met het publiek – kijk, zo eenvoudig is dat dus. O ja, het bestaat nog: de gesproken samples uit de beginjaren van Mogwai. Dat mag wel eens een upgrade krijgen. Wij stellen voor: haal iemand uit het publiek op het podium, en laat hem die tekst voorlezen. Dat brengt wat leven in de zaak.
Zoals bij Bloed! De zanger-bassist had er zin in. In wezen speelt de goede man hardcore op zichzelf, maar voeg zijn broer eraan toe en je hebt drum ’n bass à la Lightning Bolt, en voeg er zijn zus aan toe en je hebt er een laag elektronica bij. Een vol geluid was dit niet, maar wie zegt dat een geluid vol moet zijn? Ha, Glacier. Vol en strak. Vanaf noot één: de (eigen) vuist in de lucht, en blijven gaan. Drie gitaren, bas, metalige drums. Het geluid zit perfect, maar verwacht geen straffe melodieën of frivoliteiten: met het geluid moet je het doen. De opties zijn dus beperkt: drone-gewijs meedeinen op de muziek, ook al is het dan postmetal, of buiten een wandeling maken.
Al zijn die ook perfect te combineren: na de show brak de zon eindelijk door. En kijk, daar was meteen weer de festivalsfeer van weleer. Plots kwam je weer massa’s bekenden tegen, de mensen werden vrolijk, je miste een show, want ja, de zon schijnt, je komt bekenden tegen, de mensen zijn vrolijk.
Maar dan toch weer de tent in voor The Evpatoria report. Mooi verfijnd, warmbloedig, en de melodieën gingen ergens heen. Ook Las 3 Marias dook plots weer op, zij het deze keer vóór het podium. Waren zij niet te voet naar het station vertrokken voor een toeristische uitstap naar Brugge? Welja, en daar maakten ze bij nader inzien weer rechtsomkeer naar het dunk!festival. Velzeke-Brugge: 1-0. Ook dat is het dunk!festival.
Halverwege de derde dag en daar was eindelijk de obligate Chinese afvaardiging. De vorige edities passeerden al geweldige bands als Wang Wen, Zhaoze, Tation en An Corporation, geen toevalstreffers maar jaarlijks een zorgvuldig gekozen, veelal onbekende band. Het is dus altijd uitkijken naar de nieuwste vondst. Dit jaar op de affiche: Summer Fades Away, dat meteen Europees debuteerde op dunk! Hun entree kon al tellen: leek het onmogelijk je vast te rijden, dan slaagde de band er toch in dat te doen, door zonder veel nadenken recht het Velzeekse bos in te rijden. Een tractor bracht redding, en zo kon het viertal alsnog de rockster uithangen op het Bospodium. Want zo gaat dat: of je als Chinese band nu pop, metal of mathrock speelt, je speelt gitaar zoals Bon Jovi. En in dit geval: voor een zonovergoten weide boordevol pluisjes: het was weer lente! De rocksterattitude werd gecombineerd met puur vakmanschap én straffe songs, al durfden die bij tijd en wijlen al eens gevaarlijk dicht aanleunen bij het lichte genre. Was ‘Yuhua Pavilion’ een prachtig, intens, breedvoerig postrockopus in de stijl van Mono, dan klonk de melodie van afsluiter ‘In June’ als een instrumentale versie van een Vlaamse schlager – in het publiek werd gewag gemaakt van Bart Kaëll. Net erna volgde, netjes afgelezen, een tekst in het Engels met onder meer de woorden: “We do our best”. Voor de goede orde: dat was veel te bescheiden.
Dan weer een vaste dunk!klant, met Kokomo. Ooit trotse eigenaar van een DUNK-nummerplaat, ooit de eerste band op het Bospodium, en nu, na een lange stilte, eindelijk terug op hun favoriete festival. Alle platen komen uit op vrijdag, maar die van Kokomo op zaterdag, want: dan speelden ze op dunk! Vanaf de eerste nota ging de adrenaline pijlsnel de hoogte in. Directe impact. Elk rustpunt werd benut om contact te leggen met het publiek. De rest van de tijd: gitaarriffs, blastbeats en tegenwoordig ook geschreeuwde zang. Tussendoor, heerlijk om zien: het handmatige lichtmixen, als een extra muzikant, volledig met het ritme en de klankkleur mee. Wat ons betreft mocht Kokomo wat meer live-favorieten gespeeld hebben, maar we mogen niet klagen: ze zijn terug en kweten zich uitstekend van hun taak. Deden dat ook, op hun manier: de mannen van Huracán. Opdracht: het welopgevoede volk in beweging krijgen. Resultaat: 4 dikke rijen dansende mensen. Nog een laatste nummer, eigenlijk buiten de tijd, voor een circle pit, en dan was het gedaan. De muziek? Niet zo op gelet. Toundra was daarna zijn degelijke zelve, en betrok evenzeer het publiek bij de show.
Overhead the Albatross maakte vorig jaar (veel) indruk op het dunk!festival, als tweede band op de eerste dag, en kreeg prompt een promotie: vandaag mochten ze het Bospodium afsluiten. Alleen: er is sindsdien geen nieuwe muziek uit, en dus kreeg het publiek hetzelfde als vorig jaar. Dat is: de beste nummers vooraan, en als laatste nummer ‘Paul Lynch’, eindigend met de ietwat cheesy mantra “Farewell to you – we’ll meet again”. Je vindt het fantastisch of je loopt ervan weg, veel tussenweg is er niet. Maar dat ze de carrure en de songs hadden om daar te staan, als semi-afsluiter, zoveel is zeker.
En dan de afsluiter van het festival: nog eens We Lost the Sea, deze keer voor de integrale uitvoering van hun ‘Departure Songs’. De band heeft niet de bekendheid van Russian Circles, maar onderschat hun populariteit hier niet: de merchandisestand sprak boekdelen. Overigens sloot die nu, opdat zowat iedereen deze laatste show kon meemaken.Na een intro: de eerste cello-uithaal. Een klassiek ensemble links op het podium, mét dirigent. Dan: de band op het podium. Sterkhouder ‘Bogatyri’ zit vooraan op de plaat en er werd chronologisch gespeeld, dus dat hoogtepunt kwam vroeg: dit behoorde tot het strafste dat we dit weekend gehoord hebben. Verder in de set volgden, tussen de crescendo’s door, een aantal rustmomenten of zelfs pauzes, waarbij de band even verdween – gelukkig was daar nog het ensemble. Naar het einde toe even een zwak momentje waarop de aandacht verslapte en er geroezemoes hoorbaar was, maar dan: de apotheose. Uitzinnig publiek. Blije band. Maar vreemd genoeg, net zoals bij Russian Circles: geen enkele communicatie met het publiek. Het is wat het is.
Op muzikaal vlak waren er weinig echte uitschieters dit jaar, maar headliners Russian Circles en We Lost the Sea maakten hun rol waar, en doorheen de dag stond er genoeg kwaliteit en/of amusement op het podium. De omkadering was overigens prima: het licht was minder imposant dan het ooit geweest is, maar versterkte de shows waar het moest. Fouten in de geluidsmix hebben we niet gehoord, en het algemene geluidsvolume bleef relatief laag – wat zeker niet slecht is. Mooi meegenomen vanuit Gent: het praktische contactloos betalen zonder gedoe met bonnetjes of jetons. Verder was de organisatie weer wat een organisatie moet zijn: alles in de hand hebben zonder dat het opvalt. Een voorbeeld voor veel andere festivals: waar waren de vuile wc’s? Nergens gevonden. Stromend water, zeep en wc-papier: overvloedig aanwezig. Je wint er geen kiezers mee, maar: chapeau.
En ja, de festivalsfeer van weleer was weer terug. De Vooruit is een prachtig gebouw en op het terrein in Velzeke zul je nooit een show kunnen aanbieden zoals je dat in de Theaterzaal kunt doen, maar wat je mist aan architecturale grandeur en stedelijk comfort compenseer je hier met menselijke interactie. Het blijft verbazend hoeveel gemakkelijker je contact legt met onbekenden in een wei dan in een art nouveau-gebouw. Al stond er dit jaar wel een rem op door het slechte weer. Ook opvallend: niet toevallig kwamen we voor het eerst sinds 2019 oude bekenden tegen: koppigaards die enkel naar Velzeke wilden komen. De aanhouder wint! Al weten we ook: binnen enkele jaren schudt dunk! weer iets anders uit de mouw.
Gezien: dunk!festival, Velzeke, 14 tot 16 mei 2026.
