De Schotse componist Euan Dalgarno is een naam die je misschien nog niet kent, maar die al een bescheiden maar gewaardeerd oeuvre heeft opgebouwd bij labels als Modern Obscure Music en Frosti. Albums zoals ‘Uoying’ (2025) toonden een muzikant die elektronische texturen en akoestische elementen, op zoek naar perfectie, wist samen te smeden – misschien zelfs té rigoureus, zoals hij zelf inmiddels erkent. Vlak voor een ernstige val in het najaar van 2025 luisterde Dalgarno terug naar een recent album en raakte in paniek door een kleine fout: de muziek was een last geworden. Tijdens zijn herstel in het ziekenhuis besloot hij te stoppen. Een paar dagen later keerde hij toch weer terug naar de piano en de laptop.
Wat volgde was ‘Cliff Workshop’, zijn debuut voor het Britse label Bytes en zijn mooiste plaat tot nu toe. Het album begon als een reeks stille, solistische pianostukken, maar gaandeweg liet Dalgarno ze door een Korg MS2000 lopen, een synthesizer die hij in een interview beschrijft als aanvankelijk gesloten maar uiteindelijk verrassend veelzijdig. De piano verdween langzaam naar de achtergrond en warme, vervormde klanktexturen namen het over. Op nummers als ‘The Bealach’ en ‘White Moth’ zijn de oorspronkelijke toetsaanslagen nog ergens begraven, als een herinnering aan waar het allemaal begon.
Het resultaat is een plaat die zweeft tussen de serene ambient van Brian Eno, de orkestrale postrock van groepen als Mogwai en de broze schoonheid van modern-klassieke minimalisten – zonder in stijlkopieën te vervallen. Hoogtepunt vind ik ‘Ghostdust’, waar korrelige synth-texturen en vervagende gitaarruis samensmelten tot iets bijna onverdraaglijk moois: het soort track waarbij je halverwege beseft dat je bent opgehouden met ademen. De vocale bijdragen van Claire Shanley-Inglis, een vriendin uit zijn studietijd die de titels van schilderijen van de Schotse kunstenares Joan Eardley inspreekt, geven het album een geheimzinnige, literaire weerklank.
