Events

Ólafur Arnalds – ‘Kotsen in het gezicht van mijn ouders’


Toen we vrijdagavond de kille straten inruilden voor de donkere warmte van Het Depot, werden we opgewacht door het gemaskerde voorprogramma van Ólafur Arnalds.

Wie deze mysterieuze gedaante was werd nooit geheel duidelijk, op de website van de zaal was immers geen voorprogramma aangekondigd. Links en rechts werd gefluisterd dat Ólafur zelf achter het masker schuilging, maar helemaal overtuigd waren we daar niet van. Het verschil in lichaamshouding en speelstijl hadden we nog aan planmatige orkestratie kunnen toeschrijven, maar de opkomende bierbuik die niet volledig gemaskeerd werd door het los gedragen hemd deed ons van die denkpiste afwijken.

Piano spelen kon de man in ieder geval wel. Alleen leek die virtuositeit iets te zeer te primeren op de muzikaliteit. Bij momenten waren de Yann Tiersen-invloeden erg hoorbaar en was het meer dan genietbaar. Hier en daar hoorden we zelfs een vleugje Nils Frahm. Maar telkens wanneer we onszelf op mee-knikken betrapten, ging het daarna weer de verkeerde kant uit. Het deed ons denken aan een quote van Roland Turner (het personage van John Goodman in ‘Inside Llewyn Davis’, de nieuwste van de Coen broers): “in jazz we play all notes!”. Bewaar die noten wat ons betreft voor je eindexamen aan het conservatorium of voor de slaapkamer van je meisje. Geef ons dan maar de stukken waarbij de juiste akkoorden op het juiste moment de voorrang krijgen, want die zaten er zeker ook tussen.

Olafur Arnalds

Olafur Arnalds

Na de pauze (een change over was het de facto niet, aangezien er niet met instrumenten gezeuld moest worden) was het de beurt aan Ólafur zelf, geflankeerd door een violist en een cellist. Zijn twee podiumgezellen waren – zo lachte de IJslander – nog naar de voetbalmatch van zijn vaderland tegen Kroatië aan het kijken. En dus hadden we tijd voor het traditionele openingsexperiment van zijn live shows: het publiek mocht een C-noot ten gehore brengen, die via zaalmicrofoons geregistreerd werd om later tijdens de voorstelling in een nummer verwerkt worden.

Het eerste nummer werd vervolgens zo stil ingezet dat we onze buurman klaar en duidelijk aan zijn arm konden horen krabben (we verzinnen dit niet!). Sowieso is het moeilijk om muziek die eigenlijk bedoeld is om te beluisteren tijdens het naar buiten staren op een regenachtige herfstnamiddag live te brengen voor een volle zaal. Maar aan respect voor de artiest geenszins gebrek: iedereen bleef keurig verknocht aan de uitzonderlijk neergepote zwarte stoelen , terwijl menige blaas op de proef werd gesteld.

‘Poland’ werd aangekondigd als “a song I wrote in Poland, after having a bit too much of their delicious wodka”. En die inleiding bleek een uitstekende afspiegeling van het indrukwekkende arsenaal aan bindteksten waarmee de sympathieke IJslander zijn likeability nog wat wist op te krikken. Waar weinigen er dezer dagen nog in slagen om tussen twee nummers in een zinnig woord uit te brengen, had de – tegelijkertijd verlegen en oprechte – Arnalds op gezette tijdstippen een charmante anekdote voor zijn publiek in petto. Een ander voorbeeld: “my grandmother forced me to listen to Chopin, which I did out of respect for her. If my parents would have made me listen to classical music, I would have puked in their faces”.

Een aantal klassiekers passeerden de revue, net als een aantal nieuwe nummers uit ‘For Now I Am Winter’. Maar helemaal de verwachtte impact hadden de nummers toch niet. Misschien lag het aan de sobere belichting, misschien lag het aan de setting (die een soort bastaardkind was tussen een klassieke concertzaal en een poppodium, met een nochtans uitstekende akoestiek) en ongetwijfeld zat de drumcomputer er voor iets tussen (komaan Ólafur, volgende keer één vriendje extra optrommelen), maar een echt grote indruk heeft dit concert toch niet nagelaten. Slecht was het allesbehalve, maar de staande ovatie na afloop was misschien net een tikkeltje overdreven. Volgende keer kiezen we toch maar weer voor ‘met de koptelefoon uit het raam staren’, of misschien ziet hij een huiskamerconcert wel zitten. Ach, dromen mag. Tot volgend jaar, mijnheer Arnalds.

Gezien: Ólafur Arnalds, Leuven, Het Depot, 15 november 2013


Reacties