Musica
Blog

Markus Stockhausen is géén ‘vago’


Enige tijd geleden, tijdens een brainstorm voor een festival – niet het Holland Festival, overigens – liet ik de naam Markus Stockhausen vallen. Enkele clipjes op zijn website werden beluisterd en bekeken. De reacties waren ontluisterend. In sommige gevallen bijkans allergisch. Die Stockhausen junior was maar een ‘zwevert’, vonden mijn gespreksgenoten. Een ‘vago’. De term ‘new age’ viel zelfs.

Hoewel ik de respons als een nederlaag ervoer, kon ik mij er op basis van de betreffende fragmenten iets bij voorstellen. Daarbij daagt Markus Stockhausen in dat opzicht ook wel uit. Een jaar of acht geleden interviewde ik hem eens, waarbij – laat ik dat voorop stellen – het specifiek ging over zijn zogenaamde ‘inuïtieve muziek’. Muziek die hij, vooral sinds 9/11, veelvuldig in kerken speelde en die een sterk meditatief karakter had. Directe aanleiding voor het gesprek was een ‘intuïtief concert’ dat Stockhausen op het Utrechse Rumor-festival zou geven. En het moet gezegd dat tijdens dat interview van Markus’ kant wel bovengemiddeld vaak het woord ‘spiritueel’ viel, waarbij de trompettist refereerde aan de soefi-traditie en met name de door hem bewonderde Pakistaan Nusrat Fateh Ali Khan.

Maar de inmiddels vierenvijftigjarige Duitser heeft weldegelijk – en vooral – ook andere muziek gemaakt. Begonnen in de ‘school’ van zijn vader, Karlheinz, de man die het seriële componeren ongeveer heeft uitgevonden, was hij betrokken bij tal van diens ambitieuze, modernistische projecten. Maar de zoon ontwikkelde zich tot een muzikale omnivoor, die met tal van jazz-, wereldmuziek- en fusiongroepen speelde. Hij deed sessiewerk voor ondermeer Eurythmics en – toen hij blijkbaar even krap bij kas zat – The Kelly Family, maar speelt ook essentiële partijen op prachtige albums van ud-speler Dhafer Yousssef.

Markus Stockhausen (foto: Thomas Mothes)

Dat hij een virtuoos is op de trompet en de bugel staat buiten kijf. Maar juist omdat hij ondertussen ook de meest complexe partijen wel in de vingers heeft, gaat Markus’ interesse de laatste jaren steeds meer uit naar het componeren, benadrukt hij in interviews.

Dat maakte nieuwsgierig naar de vier stukken die het – ook al met opheffing bedreigde – Metropole Orkest zaterdag 25 juni tijdens het Holland Festival van hem uit zou voeren in het Muziekgebouw aan ’t IJ. Dat hij uitgerekend met dit ‘pop- en jazzorkest’ in zee ging is veelzeggend en een essentieel verschil met zijn vader die – zo zegt Stockhausen zelf in een kort praatje tijdens het concert – al de kriebels kreeg zodra hij in muziek ook maar een glimp van een ‘groove’ bespeurde.
In het programmablad bij het concert licht Markus de gespeelde stukken uitvoerig toe. En omdat een belangrijk deel daarvan op de Holland Festival website terug te vinden is heeft het weinig zin om dat hier allemaal te herhalen. Maar ook zonder op al die details in te gaan zijn er wel een paar interessante dingen te vertellen.
De twee premièrestukken bijvoorbeeld, ‘Yang’ en ‘Yin’ – en ook in die volgorde gespeeld – verhouden zich tot elkaar zoals de titels al suggereren. De eerste uitbundig, de tweede meer ingetogen. Beide werken duren een minuut of tien en Stockhausen zegt in zijn toelichting te hopen dat het orkest ze op het reguliere repertoire neemt. Daar is wat voor te zeggen, want ze zijn compact, op zichzelf staand en pakkend genoeg.
Vooral ‘Yang’ spreekt onmiddellijk aan. Het heeft de sfeer van filmmuziek. Maar dan zo, alsof Ennio Morricone de score bij een Kung Fu-productie uit Hong Kong geschreven heeft, om het vervolgens een Amerikaanse ‘swing’ mee te geven. Een beetje sixties-cult in de ‘Hawaii Five-O’-traditie. Met soloruimte voor een handvol musici.
‘Yin’ is minder uitbundig. Eveneens met een Ter Veldhuis-achtige toegankelijkheid. Niet revolutionair; wel aangenaam.

Het spannendste stuk van de avond is het ruim een half uur durende en vijf delen tellende ‘Symbiosis’ uit 2007, waarin Stockhausen en zijn vrouw Tara Bouman samen soleren. Markus op trompet en flugel en Tara op klarinet en basklarinet. In zijn toelichting zegt Stockhausen ook nadrukkelijk het stuk geschreven te hebben als vehikel voor Tara en zichzelf.

Tara Bouman (foto: Dima Brickman)

Het verklaart de verschillen tussen de vijf delen waardoor als bij een vijfkamp in de sport de ambachtelijkheid van alle zijden beproefd wordt. ‘Willen imponeren’ is misschien niet altijd het beste uitgangspunt in de kunst, maar als het goed gedaan wordt heeft het wel impact. En Tara en Markus zijn beiden virtuozen op hun instrument.
In het vierde van de vijf delen dreig het even op ‘mooispelerij’ uit te draaien. Maar dan is het ook werkelijk mooi. En de lang aangehouden unisono slotnoot van het duo – een ‘G’ volgens de toelichting – klinkt werkelijk als een ‘statement van eenheid’.

Het mooiste stuk van de avond is echter het eveneens uit 2007 stammende ‘Tanzendes Licht’, waarin Stockhausen naar eigen zeggen de blij makende glinstering wil vangen die je op de golven van de zee ziet als de zon bijna onder gaat. De trompettist is zelf wederom solist in het stuk. Zeker tijdens de delen waarin Stockhausen zelf speelt klinkt het als een soort orchestrale ECM-muziek. Altijd is er een onderhuidse, lichte ‘beat’ hoorbaar. Te geraffineerd voor ‘easy listening’. Eerder het soort ‘lounge’ dat pakweg vijftien jaar geleden een regelrechte Café de la Mar-hit geweest zou zijn. Met een cocktail bij de hand languit aan het strand op Ibiza.
Markus Stockhausen zelf zit zichtbaar midden op het podium te genieten van de wijze waarop het Metropole zijn compositie uitvoert. Niet zonder reden. Het is aangename muziek. Welluidende muziek. Muziek waar je, in tegenstelling tot het werk van bijvoorbeeld Varèse, Xenakis of papa Karlheinz, naar kunt luisteren zonder je voortdurend te hoeven inspannen om het te volgen.
Markus Stockhausen componeert ‘lichte muziek’. Maar dat zegt eigenlijk ook weinig. De muziek van bijvoorbeeld Morton Feldman is eveneens vederlicht – plusjes klank op een vrijwel windstille avond. Toch laat de muziek van Feldman zich nauwelijks met die van Stockhausen junior vergelijken. Het is grappig dat na afloop van het concert in het Muziekgebouw een aantal bezoekers – gestaalde modernisten wellicht – wat moeite hebben om spontaan in een uitbundig applaus uit te barsten. Klachten over de speltechnische prestaties van orkest en solisten kunnen ze onmogelijk hebben. De uitvoeringen zijn subliem. De aarzeling moet de composities betreffen. Het ‘genre’. De toegankelijkheid van de stukken van Markus Stockhausen, die je echter ook onmogelijk van ‘Kitsch’ kunt betichten. Kitsch roept bij ‘hardcore’-muziekliefhebbers doorgaans wrevel op door het banale gebruik van cliché’s en daarvan is hier, en zeker in een stuk als ‘Tanzendes Licht’, geen sprake. Het is een verwarring die Jacob ter Veldhuis soms ook oproept met zijn muziek. Daarmee is het werk van Markus Stockhausen nog steeds niet bevredigend geduid. Maar één ding toont hij in het Muziekgebouw overtuigend aan: Hij is géén ‘vago’.

25 juni 2011, Muziekgebouw aan ’t IJ, Holland Festival


Reacties