Blog Magazine

Lucas Maassen


Designer/kunstenaar Lucas Maassen maakt vaak liever problemen dan dat hij oplossingen bedenkt. Begin mei opent in New York een retrospectief van het werk dat hij samen met zijn jonge kinderen maakte, die daarbij netjes binnen de regels voor kinderarbeid bleven, maar daarom wel zo efficiënt mogelijk moesten werken.

Lucas Maassen (1975) en ik spreken elkaar in Eindhoven, de stad waar een Design Academy staat – waaraan hij zelf studeerde – en jaarlijks de Dutch Design Week wordt gehouden. Maassen begon zich tijdens zijn studie al af te vragen of hij wel ontwerper moest worden. “Alsof er nog niet genoeg dingen waren en worden gemaakt.” In een ander interview stelde hij eens: “Een stoel waar je op kunt zitten, vind ik verdacht.” Ik vraag me hardop af of die houding hem wel in dank wordt afgenomen in designstad Eindhoven.
Maassen: “Er zijn mensen die er niet goed tegen kunnen, maar die nemen zichzelf veel te serieus. Vaak denk ik: wat maakt het uit of je het wel of niet maakt? Ik vind het belangrijk dat er ruimte is voor humor en relativering. Ik heb kunst hoger in achting staan dan design. Vroeger liep kunst vooruit op de samenleving, maar veel hedendaagse kunst is zo ingewikkeld geworden dat het niet meer interessant is voor een groot publiek. Design is dat wel: lekker even een tentoonstelling bekijken met allerlei nieuwe tafels en stoelen. Maar kunst stelt levensvragen als ‘Waarom zijn we hier?’, design meestal niet – dat is te veel gericht op problemen oplossen. Ik maak juist graag problemen, om regels en concepten ter discussie te stellen.”
Die kritische insteek lijkt Maassens basishouding te zijn. De projecten die hij maakte terwijl hij zijn designstudie afrondde hebben iets heel dwars. Een daarvan is een fotoserie van een jong meisje in een keuken uit de jaren 1970. “Die is gemaakt voor een vrouw met dwerggroei. Zij en het meisje zijn precies even groot. Maar als je een kind in die omgeving plaatst, klopt er eigenlijk iets niet meer. Het klopt wel, maar ook weer niet. Dat project was een van de uitingen van mijn interesse in het ontwerpen van een soort niet-fysieke omgevingen. Ik voegde bijvoorbeeld een fragment uit een boek van Italo Calvino toe aan een boek van Georges Perec. Die passage moest deel uit gaan maken van Perecs verhaal, zonder dat de lezer het zou merken. Ik heb het hele boek – dat ik bij de bieb had geleend – uit elkaar gehaald en in precies hetzelfde lettertype het deel van Calvino toegevoegd. Volgens mij heeft niemand het gemerkt.”

Nutteloos

Een ander afstudeerproject trok veel aandacht, tot in New York aan toe. Het MoMA was geïnteresseerd in zijn ‘Sitting Chairs’: een serie stoelen waarop andere stoelen zitten. Die laatste zijn een soort gestileerde, tekenfilmachtige figuurtjes waarin je zowel het meubel als een menselijk lichaam herkent – al is het eerste natuurlijk een soort afgeleide van het tweede. “Doordat de stoel zijn eigen functie uitvoert, diskwalificeert hij zichzelf. Dat roept de vraag op of het nu design is of kunst. De stoelen beginnen zo hun eigen leven te leiden; ze zijn een soort tableaux vivants.” Ze doen mij bovendien direct denken aan een beroemde opmerking van Oscar Wilde: ‘All art is quite useless.’ Je zou met die uitspraak in het achterhoofd kunnen stellen dat Maassens stoel niet langer design is, maar een kunstwerk: juist omdat je er niet op kunt zitten.
Een extreme versie van een ‘nutteloze stoel’ is de ‘Nano Chair’, die op nano-grootte is geprint en alleen zichtbaar is met een dure ionenmicroscoop. “Ik vond het fascinerend om iets te maken dat er wel is, maar dat je niet kunt zien. Toen ik ’m ergens liet exposeren, werd er op de dag van de opening in paniek gebeld: de post was te laat, de stoel was nog niet gearriveerd. Ik zei: ‘Je kunt ’m toch niet met het blote oog zien, dus zeg maar gewoon dat-ie er is.’ Zo’n microscoop is bovendien toch veel te duur om daar neer te zetten. Ik krijg ook vaak de vraag of ik die stoel echt heb gemaakt, of doe alsof.”

Banaliteit

Maassen bleef onorthodox omgaan met stoelen, die hem fascineren: “Het is een archetypische vorm van design. En het heeft natuurlijk poten en een rug.” Er volgden onder meer stoelen in yogahoudingen, een stoel in ‘Second Life’ waarvan de twee helften boven elkaar zweven, en stoelen die tegen bezoekers begonnen te praten over hun schoenen. “Voordat je als bezoeker iets over de expositie kon zeggen, begon de tentoonstelling over jou te praten.” Ook maakte Maassen een ‘Singing Chair’: een stoel met een ingebouwd tv-scherm – waarop twee lippen te zien zijn – en luidsprekers. De stoel brengt liedjes van Woody Veneman (onder meer bekend van Woody & Paul) ten gehore. “De ‘Singing Chair’ heeft zelfs een lp gemaakt en is op tournee geweest. Maar de meeste mensen trokken zo’n zingende stoel na vijf minuten niet meer. (Lacht.) Dan hadden ze toch de hele tijd het gevoel dat ze naar een ding zaten te kijken.”
Daarna volgde ‘Sitcom’, een expositie/performance die was opgezet als een typische aflevering van een comedyserie. Het grote verschil: alle rollen werden gespeeld door pratende stoelen. “De rekwisieten zijn de acteurs geworden. De andere props die te zien waren – om de sitcomachtige locaties als keuken en bar aan te kleden – waren ontwerpen van vrienden. Veel van hen spraken ook de stemmen van de personages in. Het publiek werd actief betrokken bij de expositie, die trouwens in het kader van een designevenement werd georganiseerd. Daarvoor wilde ik de banaliteit van zo’n designexpositie onder de loep nemen; daar ageerde ik toen nogal tegen. Er kwam een spreekstalmeester op die het publiek alvast liet oefenen met klappen en lachen. Hij liet ze in feite applaudisseren voor het getoonde design.”

Efficiënt

Rond 2011 kwam er een omslag in Maassens werk en houding: hij ging toch ‘dingen maken’. “Ik won een aanmoedigingsprijs en van dat geld huurde ik een grote studio. Ik had al zo vaak geroepen dat dingen produceren me niet interesseerde, dat ik het eigenlijk van mezelf toch eens moest proberen. Maar dan wilde ik wel aan massaproductie gaan doen. Samen met mijn kinderen heb ik toen Lucas Maassen & Sons opgezet, want het leek me interessant om hen erbij te betrekken. Dat leverde nog een hoop gedoe op omdat er in Nederland een wet is om kinderarbeid te voorkomen, maar zolang je kinderen maximaal drie uur laat werken is het oké. Ik wilde eens kijken of ik de concurrentie kon aangaan met kinderen in Aziatische landen die producten in elkaar zetten. Mijn drie zoontjes verfden stoelen die ik produceerde. Per stoel kregen ze een euro. In plaats van verf gebruikten ze vloeibare waterverf, wat het verven lastig maakte. Ons unique selling point was ook echt dat de stoelen zo slecht geverfd waren.” Maassen zegt lachend: “Maar ja, mijn kinderen moesten natuurlijk wel zo snel mogelijk werken om zo veel mogelijk geld te verdienen.” Voor wie zich zorgen maakt: ze vonden het een leuke bezigheid – al gingen ze een aantal keer met hun vader in onderhandeling over hun vergoeding.
De volgende stap van Lucas Maassen & Sons was kijken wat er zou gebeuren als de kinderen zelf dingen zouden ontwerpen. Er werd een video gemaakt waarin de jongens uitleggen hoe de klok eruit moet zien die ze voor ogen hebben. Vervolgens zijn dertig fabriekswerkers uit China aan de slag gegaan met die vaak nogal summiere of onhandige instructies, die tot verrassende resultaten leidden. “Net zoals mijn kinderen niet gewend zijn om te ontwerpen, zijn die Chinese fabrieksarbeiders niet gewend zelf beslissingen te nemen over het eindresultaat – om een eigen inbreng te hebben in het lopendebandwerk. Sommigen werden er heel creatief van; anderen juist erg chagrijnig.”

Paardenvlees

Tijdens de laatste Dutch Design Week, afgelopen oktober, werd in een leegstaand gebouw in het centrum van Eindhoven Wall Street geopend: een creatieve ontmoetingsplek met onder meer een expositieruimte, een werkplaats en een restaurant. “Kunstenaars zijn vaak niet zo goed in geld verdienen. Wall Street moet echter het financiële centrum van Eindhoven worden. Samen met andere kunstenaars en ontwerpers en met studenten wordt hier een restaurant gerund. Ook worden delen van het pand verhuurd aan de Design Academy.” Maassen haalt FOOD aan, een restaurant waar kunstenaars in het New York van de jaren 1970 goedkoop konden eten en waar ze ook konden werken om wat te verdienen. In FOOD kun je een voorloper van de idealistische gemeenschapskunst zien, maar Maassen vat het doel van Wall Street met enige humor samen: “We doen gewoon keihard mee aan het kapitalisme. De eerste opdracht aan de studenten: verdien in één week duizend euro – een onderneming heeft startkapitaal nodig –, maakt me niet uit hoe. Er werd tweehandskleding verkocht, een bierkratophaalservice opgezet en zelfs gebedeld.”
Wall Street en Lucas Maassen & Sons doorbreken de grenzen tussen leven en kunst, op eenzelfde manier zoals in Maassens vroegere werk het onderscheid tussen kunst en design heel troebel kon worden. Wat dat betreft moet ik denken aan toen ik voor het eerst hoorde over ‘The Fat Pony’, een pop-uprestaurant dat onder andere door Maassen werd opgezet en waar gerechten werden geserveerd die paardenvlees bevatten. In 2016 was er veel te doen over paardenvlees dat werd verkocht als bijvoorbeeld rundvlees. Ik las over ‘The Fat Pony’ in de krant: niet op de cultuur-, maar op de binnenlandpagina’s. “Het begon als onderzoek naar paardenvlees. Eerst hebben we onderzoek gedaan naar hoe paarden eruit zagen, hebben we ze getekend, en toen hebben we er een geslacht. Mensen willen eigenlijk geen paardenvlees eten, terwijl het goed vlees is – heel gezond ook. We werkten ook met hele goede koks samen. Ook hebben we het hele concept ‘restaurant’ gefileerd. Het is eigenlijk een soort performatieve ruimte waarvan we eerst onderzochten hoe die werkte.”

Retrospectief

Wall Street past bij een dergelijke onderzoeksgerichte en gemeenschapskunstachtige benadering. “We proberen onszelf te onderhouden, zonder subsidie. De houding is praktisch, niet intellectueel zoals bijvoorbeeld bij het ‘Van Abbe’ – dat is trouwens geen kritiek. Het eten is een tijdje gratis geweest, gewoon om te onderzoeken of dat kon, maar dat leverde niets op. Er hebben een tijdje vluchtelingen gewerkt, die eigenlijk geen baan mochten hebben maar door een rare maas in de wet konden ze hier toch aan de slag. Momenteel werken we met een Thaise vrouw van wie het visum bijna verloopt. Samen met haar worden er Thaise, politieke etentjes georganiseerd, rond thema’s als ‘Wil ik hier wel blijven?’”
Zelf zal Maassen Eindhoven tijdelijk verlaten. Op 11 mei opent namelijk in de New Yorkse designgalerie kinder MODERN ‘Before and Beafter’, een retrospectief van Lucas Maassen & Sons, op de site treffend omschreven als ‘a design/life collaborative’. “Mijn zoons zijn nu ouder, bereiken de puberteit en pakken de zaken nu ook anders aan. Mijn jongste zoon is vorig jaar geopereerd aan zijn hart, waar een gat in zat. Volgens hem en zijn broers is er nu sprake van een ‘voor en na’. De titel hebben ze trouwens zelf bedacht; ze zijn niet heel goed in Engels. Wat we tot nu toe samen hebben gemaakt is er te zien, maar ook nieuw werk – dat overigens vaak geïnspireerd is door gaten – dat ze zelf met de galerie aan het bedenken zijn; ik geef ze daar nu meer ruimte voor. Ik vind het belangrijk om met mijn kinderen te werken, want dat helpt me om het leven te begrijpen.”

Comments


Dit artikel verscheen eerder in GC #145.

Koop deze editie in onze webshop!

Reacties


Geen facebook? Reageer hier

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.



%d bloggers liken dit: