GC #143 Blog Geluid Recensies

De naam van de Amerikaanse producer en installatiebouwer Greg Kowalsky duikt ondertussen op in de discografie van kwaliteitslabels als Kranky, Root Strata en Digitalis Recordings; en nu ook bij Mexican Summer, de eclectische uitvalsbasis van onder meer Oneohtrix Point Never, Jefre Cantu-Ledesma, No Joy, Tamaryn, Light Asylum, True Widow, Ariel Pink en Allah-Las. Op zijn vorige plaat ‘Movements In Marble And Stone’ werkte Kowalsky samen met de Nederlandse avant-garde luitspeler Jozef Van Wissem; op ‘L’Orange L’Orange’ zit hij, voor het eerst in acht jaar, opnieuw alleen achter zijn laptop. Optimisme en zonlicht zijn de boodschap, vandaar ook luchtige titels als ‘Tonal Bath For Bubbles’, ‘Maliblue Dream Sequence’ en het titelnummer. Als bronmateriaal gebruikte Kowalsky, zoals eerder, zijn analoge synthesizers en dat zorgt voor een warm, korrelig geluid. De pluchen ambient op ‘L’Orange L’Orange’ pruttelt, zoemt, kraakt, bromt, knispert, zucht en wriemelt als de lieve deugd. Zachte drones en ijle soundscapes kleuren het geheel, dat bij momenten aansluiting vindt bij het oeuvre van Thomas Köner. Een echte indruk nalaten doet ‘L’Orange, L’Orange’ echter niet; daarvoor is allemaal wel héél erg braaf. Te braaf om te boeien eigenlijk.

GC #128 Blog Geluid Recensies

Op hun derde album blaast zangeres Tamaryn de spinnenwebben weg en ruilt het vertrouwde shoegaze-geluid in voor synthpop die zo in de jaren ’80 gemaakt had kunnen zijn. Ze verruilde de Amerikaanse westkust voor New York City, en haar oude bandleden voor nieuwe kameraden Shaun Durkan (Weekend) en Jorge Elbrecht (Violens, Ariel Pink). Dat betekent synthesizers en drummachines in plaats van gitaren en fuzzboxen. Voor de hand liggende ijkpunten zijn The Cure, New Order en Depeche Mode, maar het geluid is nergens opzettelijk retro. Helemaal verdwenen zijn de shoegaze-elementen trouwens niet. Zo zwengelt de gitarist op het titelnummer aan zijn tremolo-arm a la My Bloody Valentine, maar die gitaar zit wel zo diep in de mix dat het amper opvalt. Daarnaast doet Tamaryns stem me nog steeds sterk denken aan Curve’s Toni Halliday, en komt zo nu en dan de geest van de Cocteau Twins uit de galm tevoorschijn. De eerste keer vond ik het allemaal wel erg gladde wegwerppop, maar na een paar keer draaien begonnen sommige nummers te groeien, al had het allemaal wel iets meer uitgesproken gemogen. Een leuke plaat, al is een vooraarde denk ik wel enige affiniteit met het geluid van de jaren ’80, in al zijn naïviteit en lompheid.

GC #115 Abonnees Geluid Recensies

Zet ons een muzikant voor die goeie muziek combineert met een mysterieus, ongrijpbaar imago en we zijn verkocht. In ieder geval voor een paar uurtjes, druk surfend. Soms is daarna de lol er weer vanaf, afhankelijk van de houdbaarheid van de muziek. Sean Nicholas Savage heeft ons inmiddels alweer een week te pakken. Savage is een man met snor en glad achterovergekamd haar, twee gebroken voortanden en een bezeten psychopatenblik, die aalgladde lo-fi popliedjes maakt. Stel uzelf Jandek voor die zichzelf heeft voorgenomen dat hij Bryan Ferry wil zijn. Hij past mooi in de lijn van artiesten als Ariel Pink, Grimes en Nite Jewel, die allemaal de mainstream popmuziek van jaren 1980-artiesten gebruiken voor wazige retromuziek. Maar Savages aanpak zet hem apart: zijn liedjes zijn zowel enorm onbeholpen als verdomd aanstekelijk, en hij brengt ze met zo’n bezetenheid en fanatisme dat van ironie beslist geen sprake kan zijn. Met veel gezucht en gekroel brengt hij teksten als ‘Like a grave growing daisies/You were so sweet and crazy’ en ‘Just like a baby/I want to know you from the inside out’ en een vol overgave gekreunde ‘yeeeaaah’, die in bijna al zijn liedjes terug komt. Zijn muziek zou makkelijk als een grote grap weg te zetten moeten zijn, maar toch luisteren we deze ‘Other Life’, zijn zevende plaat, nu alweer een week bijna onafgebroken. Er is zelfs al een tribute-plaat voor de man gemaakt, door artiesten als Mac DeMaro en Doldrums. Volkomen terecht!

GC #114 Abonnees Geluid Recensies

Sacred Bones heeft Chili ontdekt, of beter; het Chileense label Blow Your Mind Records: opgezet door de leden van Föllakzoid een open deur naar de Chileense psychedelische scene, waar Föllakzoid zelf een grote rol in speelt. Eerder al bracht het label uit New York het debuut van de Chilenen, Föllakzoid opnieuw uit, nu brengt het toonaangevende label ook de opvolger van deze eerste ep. Vijf nummers in vijfenveertig minuten die simpel en toepasselijk om zijn gedoopt tot ‘II’. Rakend aan de psychedelische wateren waarin Wooden Shjips en Disappears ook rond varen, biedt Föllakzoid op ‘II een eigen visie op krautrock. Een drummer die zes, zeven of vijftien minuten lang het klapwieken van de propeller van een helikopter probeert te benaderen terwijl zang, synthesizer en gitaren daar vrij en meditatief over heen echoën. Invloeden van Spacemen 3, Neu! en Suicide galmen door in het geluid van Föllakzoid zonder dat geluid te kapen. Vijfenveertig minuten lang trip je mee in de trance van de Chilenen om vooral in de vijftien minuten durende afsluiter ‘Pulsar’ even helemaal een te worden met de Chileense kosmos. Een kosmos waarin ook The Holydrug Couple rond dwarrelt. Eveneens afkomstig uit Chili, eveneens geïnspireerd door de psychedelische kant van de jaren 1960, 1970 en 1980 met eerdere release op Blow Your Mind Records en ook ondergebracht bij Sacred Bones. ‘Noctuary’ is de tweede plaat op het Amerikaanse label en baadt in dezelfde galm als Föllakzoid. Niet geheel verrassend, Ives Sepúlveda, de meest actieve helft van The Holydrug Couple is ook actief in Föllakzoid. Maar daar houdt de  overeenkomst wel op. The Holydrug Couple houdt het kort. Meer leunend op San Fransisco dan op Duitsland in de jaren 1960, houdt het tweetal het – met een enkele uitzondering – op korte zonnige popliedjes die soms aan Kurt Vile met de lsd van Syd Barrett doen denken, maar ook aan de meer toegankelijkere kant van Ariel Pink en de psychedelische pop van Tame Impala. Tien luchtige popliederen, die – ondanks de korte lengte – soms net iets te lang doorgaan, maar in andere nummers zoals ‘Follow Your Way’ en ‘It’s Dawning’ prachtige pakkende psychedelische pop zonneschijn uit de speakers werpen. 

GC #113 Abonnees Geluid Recensies

Als drummer gaat Chris Cohen al enkele jaren de weg op met Deerhoof, Cass McCombs, Ariel Pink, Danielson en nog een hele handvol door Gonzo (circus) graag geziene bands. Een ervaren muzikant, die echter niet alleen in dienst kan staan van anderen, maar ondertussen ook aan eigen materiaal werkte. ‘Overgrown Path’ is daarvan het resultaat, een debuut dat – niet geheel verrassend – in de lijn en in het midden van bovenstaande artiesten ligt. Zoals hondjes op hun baas gaan lijken (of andersom), is het ook onvermijdelijk dat samenwerkende artiesten in hun innige samenwerking elkaar aansteken en beïnvloeden. Daarmee is het debuut van de eind dertiger echter geenszins een overbodige oefening. Want hoewel er een link valt te leggen naar alle bovenstaande artiesten is de psychedelische singer-songwriter veel meer dan een optelsom van zijn (voormalige) werkgevers en zeer zeker in staat om een eigen avontuurlijk geluid neer te zetten. Een lichte klap van de molen in de arrangementen en de nodige tijd om lijn op lijn te stapelen zorgen voor een verrassende fijne plaat, die soms doet denken aan Jens Lekman, maar dan wel met Haunted Graffiti in de begeleiding en de gitaar aan de waterpijp.

GC #113 Abonnees Geluid Recensies

Volgens de bio verbindt de collagekunst en psychedelische pop van de 22 jarige Lionel Williams landschappen, multireligieus symbolisme en het bovennatuurlijke tot een paradoxale draaikolk van mysticisme en sonische matrixen. Om eerlijk te zijn hebben wij geen flauw idee wat daarmee wordt bedoeld. Het leest echter wel fijn weg en prikkelt de nieuwsgierigheid bovengemiddeld. Dat laatste is waarschijnlijk het doel en heeft inderdaad de uitkomst dat we Vinyl Williams rap voorrang geven op de rest van de stapel. Iets dat zeker niet tot teleurstelling leidt. De vroeg twintiger uit Los Angeles weet een betoverende psychedelische wolk over de luisteraar heen te werpen. Caraïbische ritmes gecombineerd met verschillende melodielijnen van zang en synthpartijen die samenvlechten tot een dansend geheel dat inderdaad het nodige mysterie in zich bewaart. Een mysterie dat in geluid en aanpak bij momenten doet denken aan Ariel Pink en Washed Out. Laag over laag knip -en plakwerk waarbij de ruis als dankbaar bijproduct soms even centraal komt te staan en waarin een hang naar nostalgie onontkoombaar is. Plus een hang naar herhaling, funky baspartijen in een hypnotiserende loop badend in echo en delay. Teksten die haast meditatief worden herhaald, Vinyl Williams komt hier met een eenentwintigste eeuwse kijk op krautrock en andere psychedelische varianten en weet daarmee een vergelijkbare verdovende en geestverruimende sfeer neer te zetten. Het gevaar is echter wel dat ‘Leminscaat’ op den duur in de achtergrond verdwijnt. Want met al de psychedelische elementen, Afrorockgitaarriedels en zweverige “outerspace” synthpartijen ontbeert het momenten waarin Vinyl Williams er even een strijker in gooit. Door alle nummers heen kabbelt hij voort, van begin tot eind bijna in vrijwel het zelfde ritme. Mooi voor momenten van rust, waarin je toch gaarne even weg wilt dromen. 

GC #112 Abonnees Geluid Recensies

Hauschildt zit op Kranky niet alleen in het gezelschap van critics’ darlings als Tim Hecker, Jessica Bailiff en Disappears, maar heeft zich met Emeralds door een eindeloze stroom releases opgewerkt tot een van de meest geliefde bands van de hedendaagse (experimentele) elektronische muziek, naast Oneohtrix Point Never. De drie Emeraldsleden houden er ook een eigen carrière op na, maar het is Hauschildt die nu met het merendeel van de pluimen gaat lopen. Amper een jaar na het goed onthaalde ‘Tragedy & Geometry’ komt die nu op de proppen met ‘Sequitur’, een verse analoge trip door primitief robotland, waarmee zowel een hommage gebracht lijkt te worden aan pioniers als Tangerine Dream, Klaus Schulze en Popol Vuh, als aan een latere generatie, met door de muziekgeschiedenis net iets minder respectvol behandelde artiesten als Jean Michel Jarre, Kitaro en Vangelis. Het zijn nog steeds pulserende arpeggio’s, fonkelende klankenstroompjes, en synthesizergezucht vermomd als pseudo-erotisch gehijg uit de Kosmische school die de orde van de dag uitmaken. Hoor je hier en daar een foute riedel die zo verwerkt kan worden in het werk van camp queen Ariel Pink of de vaag verwante Gary War (‘Constant Reminders’, met z’n vervormde zangpartij), dan moet je elders onvermijdelijk denken aan een soundtrack bij Duitse docu’s over designmeubelen uit de jaren 1970. Nu dergelijk analoog spul voor een tijdje het snoepje van de dag is, valt er voor sommigen best wat te genieten, al geven we zelf toch de voorkeur aan het rijkere klankenpalet van de moederband.

GC #112 Abonnees Geluid Recensies

Psychedelica galore op het debuut van de jonge Mancunians Egyptian Hip Hop waarbij het muzikale stadsverleden ongewild naar voren komt, maar de band ook verder kijkt dan zijn eigen regio. Twee jaar geleden debuteerde het viertal met een door Hudson Mohawke-geproduceerde ep ‘Some Reptiles Grew Wings’. Zanger Alex Hewett trok niet veel later de wereld rond met Conan Mockasin en Charlotte Gainsbourg. De wereld veroveren met Egyptian Hip Hop wilde hij toen nog niet. Twee jaar lang heeft de band zijn songs laten rijpen in een rijkelijk gevuld lsd-bad. Het heeft hen deugd gedaan. Egyptian Hip Hop vindt op zijn debuut de gulden middenweg tussen pop en experiment. Melodieën werden omgedraaid, zang met echo overladen en de synthesizer neemt het roer in handen. Bedeesd nemen de jongens het startschot door eerst de single ‘SYH’ te droppen. Honger wordt aangewakkerd en ‘Good Don’t Sleep’ wordt in de winkelrekken gesmeten met een keurstempel van R&S Records. Terwijl het wachten is op het debuut van Vondelpark, mag Egyptian Hip Hop het ijzer smeden. En dat doen ze op een intrigerende wijze. ‘Good Don’t Sleep’ is plakkerige psychpop opgesmukt met dromerige elektronica, slijmerige gitaarpartijen en onderhuidse tintelingen. De jongens experimenteren met ritmes, soundscapes en drones. De bij Awesome Tapes ontdekte Malinese zanger Yoro Diallo krijgt van de band een prikkelend, een polyritmische popsong volgens het afgeschaafde Ariel Pink’s Haunted Pink Graffiti-boekje, overladen met een tikje Talking Heads. Afsluiter ‘Iltoise’ start als een vage Mogwai-klassieker en bewaart een subtiele aangehouden intensiteit die de Schotse band al lang niet meer typeert. Nooit barst de bom en dat terwijl Egyptian Hip Hop elk nummer overlaadt met spanning. De luisteraar wordt gepest en het lang uitgesponnen en als een versleten cassettebandje klinkende ‘Snake Lane West’ met zijn vele tempo- en stemmingwissels is het strafste moment.

GC #111 Abonnees Geluid Recensies

Zat Gary War voor de release van ‘Jared’s Lot’ nog in het vaarwater van Animal Collective en Ariel Pink met eclectische, de rockgeschiedenis plunderende melomanenpop die even mainstream als avant-garde was, dan wordt met dit recentste werkstuk een kitscherige wending gegeven aan het verhaal. Deze keer regeert immers de elektro en dan is het voor een keer niet de moderne glitchvariant of een update van de Warpsound, maar een überkitscherige tussenvorm die flirt met de grenzen van de krakkemigheid en duffe spelconsolejingles. In het geval van opener ‘Thousand Yard Stare’ levert dat nog enigszins plezante resultaten op – denk aan een versnelde Visage, gekruist met O.M.D. en Ariel Pinks ‘Fright Night’, doe er vervolgens nog een Frans vernislaagje en wat Giorgio Moroder op en je geraakt in de buurt -, maar elders, bij pakweg ‘Superlifer’ en ‘Care Less’, is het twijfelen tussen luidop schateren of bekennen dat zo’n kitschpervertering eigenlijk wel knap in elkaar gestoken is. Naar verluidt wordt er een door technologie bezeten verhaal verteld, al valt dat met alle die vervormende effecten (vocoder meets Gibbytronix) amper te bevestigen. ‘Jared’s Lot’ vergt alleszins een hoge tolerantie voor ironische knipogen en retrofuturistische artpop die zich wentelt in slechte smaak, anders is het eenvoudigweg een marteling om gruweldaden als ‘Pleading For Annihilation’ en ‘Find Our Way’ uit te zitten.

GC #110 Abonnees Geluid Recensies

Na een resem cassettereleases en een handvol reguliere albums is het nog steeds onbegonnen werk om Blues Control een label op te plakken. Russ Waterhouse (gitaar, elektronica) en Lea Cho (toetsen) staan opnieuw garant voor een eclectische melange die nu eens aansluit bij de lo-fi pop van figuren als Kurt Vile (nog te horen op hun ‘Local Flavor’ uit 2009), maar net zo goed bij het arty primitivisme van Maher Shalal Hash Baz of een quasi-ironische update van allerhande foute toestanden. Drone, psychedelica, oerelektronica, lounge, artpop, ja zelfs boogie, het is allemaal optioneel en frequent terug te vinden in de instrumentale knutselmuziek van het duo. Op ‘Valley Tangents’, dat ze opnamen na een verhuis naar landelijk gebied, zou een meer organisch, pastoraal klinkende insteek verstopt zitten, maar dat is relatief. De songs klinken gedrogeerd en half geïmproviseerd als vanouds, het blijft zoeken naar een rode draad, terwijl het nooit helemaal duidelijk is in welke mate je kan spreken van maffe pastiches. ‘Love’s A Rondo’ zoekt een middenweg tussen de dansende jazz van Horace Silver en de wat meliger variant van Bill Wells, met kitscherige klank en schurend gitaarspel. ‘Iron Pigs’ zet nog sterker in op het artificiële, met marcherende stompritmes, euforische synths en iets dat klinkt als samples uit shoot ‘em up-games. Zet er een falsetto op en je komt terecht bij Ariel Pink. Nog? OK, ‘Opium Den/Fade To Blue’ lijkt een (wat flauwe) Pink Floydparodie, ‘Open Air’ breekt er radicaal mee door een air van spontane field recording uit te spelen en afsluiter ‘Gypsum’ gaat van start met een komieke pianogroove en vunzig slingerende bas, maar verzandt al snel in een richtingloze soep van jamrock, namaakexotica en gekunstelde bric-à-brac. Allemaal wel geinig rondtollend tussen mockjazz en knipoogshizzle, maar blijft er iets van bij? Niet echt, nee.

GC #109 Abonnees Geluid Recensies

Ramona Gonzales a.k.a. Nite Jewel was één van de opvallendste van de muzikanten die de afgelopen jaren aan de haal gingen met een genre waar we daarvoor weinig tot niets van wilden weten: gladde jaren ’80 synthpop. Wie dat genre een beetje kende, wist al dat onder alle glans van die radiohitjes vaak uiterst duistere emoties schuil gingen. Acts als Ariel Pink, Hype Williams en Nite Jewel benadrukten daarom de paranoia, wereldvreemdheid en waanzin die aan opvallend veel jaren 1980-muziek ten grondslag lag, met een opvallend goed werkende mix van misselijk-makende galm, zeezieke beats en mierzoete melodieën. Op haar nieuwe plaat heeft Gonzales echter alle dubbele bodems onder haar muziek vandaan getrokken. Openingsnummer ‘This Story’ is een schmierende ballade die zo een Olivia Newton John-cover had kunnen zijn. Het titelnummer klinkt daarna als een oprechte ode aan Roxy Music’s ‘More than This’. Ook in de rest van de nummers is er van een artistieke herwaardering van een verguisd popgenre geen sprake meer: Gonzalez mikt nu zonder enige ironie op een plaatsje tussen popsterren als Robyn en Beyonce. Weg zijn de productionele experimenten, weg de lo-fi mystiek. Ervoor in de plaats onvervalste disco, R&B en synthpop. Niet dat ze dat slecht doet. Een nummer als ‘She’s Always Watching You’ leent zich prima voor een quasi-ongeïnteresseerd dansje in een hippe club. En ‘No I Don’t’ is een dubstep-ballade waar Madonna stinkjaloers van zou moeten worden en die zo als sample op de volgende Kanye West kan terugkeren. We gunnen haar dus van harte de mainstream radio waar ze hier op mikt. Maar haar oude publiek kan zijn biezen nu wel pakken.

GC #104 Abonnees Geluid Recensies

Heeft iemand het colbertje met de enorme schoudervullingen en omgeslagen mouwen nog liggen? John Maus hoogstwaarschijnlijk wel. De synthpop-liefhebber speelde met Ariel Pink, Panda Bear en Animal Collective maar kan ook zelfstandig aardig uit de voeten. Op ‘We Must Become The Pitiless Censors Of Ourselves’ mengt Maus een dik eightiesgeluid met flarden van zo ongeveer alles wat hij verder leuk vindt. Van klassiek en 8-bit tot voorgangers die vooral experimenteerden op de synthesizers. Dit derde studioalbum klinkt lekker, al ligt de lulligheid geregeld op de loer. Door zijn stem flink te draaien, uit een zeer bekend vaatje te tappen en daar wat campy mee om te gaan, is het niet altijd even makkelijk dit album heel serieus te nemen. En dat is een groot minpunt voor iemand die tot zo veel in staat is. Het zou nog wel eens zo kunnen zijn dat die zware doemstem van Maus zelf de grootste boosdoener is op het album. En dan zou hij het dus met alleen zijn stem verknallen. Want dat hij het maximale uit synth, bas en ritmebox weet te halen bewijst John Maus hier wederom.

GC #104 Abonnees Geluid Recensies

Het verleden is hip. Net als zijn leeftijdsgenoten vertoont James Pants een vreselijk verlangen naar de jaren tachtig. In plaats van deze gewoon te kopiëren zoals de meeste bands doen, vangt hij de geluiden die hij als kind hoorde in een wereld bedolven onder Casio-synthesizers, grijsgedraaide cassettes en verwrongen geluiden. Met een oor nog halfgericht op Suicide, The Fall en Joy Division schudt hij het donkere juk van zijn platenkast en bedelft hij alles onder dikke lagen wazige synths. Dit is retro anno 2011. Het willen klinken als hoe het ooit was, maar intussen al te veel andere invloeden opgeslorpt hebben en deze in je geluid verwerken. Op ‘James Pants’ is dan ook alle coherentie zoek. Als een verveelde kameleon plukt James Pants ideeën uit zijn muzikaal geheugen en verbindt deze willekeurig bijeen in een song. Zelf zegt hij geïnspireerd te zijn door Twin Peaks. Welk nog het meeste terug te horen is op ‘Incantation’. James Pants begraaft zijn songs onder een sonische mist, enigszins vergelijkbaar met de vraagtekens die David Lynch zijn kijkers liet oproepen. Als luisteraar weet je ook niet meteen waar de songs heengaan en of je überhaupt wel je kostbare luistertijd aan wilt verknoeien. Het is net omdat je enig potentieel hoort dat je volhardt. Tot op een zeker moment waarop je de kenners moet laten voorgaan. Zij eren de man voor zijn ongrijpbare genremengelpot en roepen vergelijkingen op met Ween en Ariel Pink. (ks) vindt er echter geen zak aan.

GC #75 Geluid Recensies

Hoe pathetisch kan een albumopener klinken? John Maus begint zijn album ‘Songs’ met het nummer ‘Opening’ en gooit er meteen een indrukwekkend kerkorgel tegen aan. Om vervolgens moeiteloos over te vloeien in ‘Time Die’, dat voortdrijft op een repetitief enerverend melodietje. Dat we hierbij meteen moeten denken aan mensen als Ariel Pink komt als geen verrassing. Maus maakt dan ook deel uit van Pink’s Haunted Graffiti orkest (herinner u het barslechte optreden in de Brusselse Bunker vorig jaar) en daarnaast dolt deze dokter in de filosofie regelmatig met de jongens van het hippe Animal Collective. Lo-fi nummers met een groot gevoel voor dramatiek gestoken in een retro barrok jasje van synthesizers, bas en drumcomputers. Spijtig dat we zo weinig tijd hebben voor nostalgie.

GC #73 Abonnees Archief recensies Geluid Recensies

Toen Ariel Pink begin vorige zomer in de Bunker speelde was het toch wel lachen geblazen. Het was toen alweer een tijdje geleden dat we zo’n slecht optreden gezien hadden, hoewel Pink’s podiumcapriolen wel grappig waren, een maniakaal rondhuppelende kabouter die zijn teksten met volle overgave ten beste gaf. Aan enthousiasme ontbreekt het hem alleszins niet. In navolging van andere outsiders als R. Stevie Moore en Jad Fair neemt de uit L.A. afkomstige doe-het-zelver ook alles zelf thuis op met 8-track in zijn slaapkamer. De opnames op ‘House Arrest’ dateren alweer van een paar jaar geleden, want dit is een reissue van een album dat oorspronkelijk verscheen als dubbelalbum samen met ‘Loverboy’. Pink is een veelschrijver, en ook dit album nadert moeiteloos de zeventig minuten. Het is alsof je teruggekatapulteerd wordt in de tijd naar midden jaren tachtig waar Pink niet bestaande Top 40 hits van een eigen interpretatie voorziet. De eerste helft van de plaat is deze vrolijk ontsporende gekte zeker te genieten, maar naar het einde toe komt de vermoeidheid opsteken en worden Pink’s hersenspinsels te voorspelbaar.