Blog Columns Magazine

Het ritme van de regels


Voor zijn vijfendertigste Hoofd Stuk, lezend in een ambitieus geschrift door en over de wereldwijde beweging van ‘live coders’, artiesten die in juisttijd (real-time) op de computer hun muziek- en beeldperformances programmeren, verdwaalde Harold Schellinx in warrelend blinkende permutaties van reeksen nullen en enen, labyrinthen waarin ‘li.v.e’ met een enkele toetstik ‘li.f.e’ wordt.

Mijn bol is net zo min een Turing machine als dat mijn lijf een stoommasjien is.

Ik kan ‘m me nog maar moeilijk weerom voorstellen, de tijd waarin ik niet bijna ononderbroken binnen en buiten door beeldschermen ben omgeven, van heel klein tot heel groot, die me bestoken met teksten en muterende pixelwolken die van allerlei vorm suggereren. Ja, en met muziek en met ander geluid. Wat al die lichtvlakken voedt zijn ellenlange parades van bataljons enen en nullen die in, door en uit zwarte dozen stromen. Anen en uitjes: discrete, digitale informatie. Stromen van stippel naar stippel hinkende tijd: want ertussen is er altijd even . . . niks.

Turing

Het kostte maar een halve eeuw om vrijwel alle entertainment, communicatie, administratie en een leeuwendeel van ons culturele erfgoed te vernullen en te verenen, en het toe te vertrouwen aan een almaar groeiende hoeveelheden elektra slurpend leger van Turing machines. Niet zozeer voor ons aller bestwil, maar vooral uit het niets- en niemand ontziend winstbejag van een kleine club. (De Franse auteur Aurélien Bellanger beschrijft het overtuigend en meeslepend in zijn ‘La Théorie de l’Information’ uit 2012, een gedurfde kruising van geschiedschrijving, roman, en populair-speculatieve wetenschap, waarin de Franse industrie en de heel erg Franse ‘Minitel’ hoofdrollen spelen.)
Al onze computers zijn Turing machines. Algoritmes zijn het, formele systemen die met een in staal gegoten ritme, op de beat, in de maat, door lijsten van binaire regels draven.

Stardust

Het leidt geen twijfel dat er vandaag de dag in de wereld meer computers ‘runnen’ dan er mensen lopen. Lotgenoten. Het succes en de kracht van chips en processoren kreeg ons allemaal zo in de greep dat velen er rotsvast van overtuigd raakten dat ook ons bio-logische brein au fond zo’n binair-logische Turing machine is. Een ‘ordinair’ algoritme dus. En algoritmes zijn niet voor één gat te vangen. Die draaien op élke Turing machine, het maakt niet uit of die in Almere of in Vladivostok staat. Of dat-ie verdeeld (‘gedistribueerd’) is over de ‘clouds’ die onderhand alle continenten bestrijken. Je hebt welbeschouwd niet meer nodig dan de bitjes. En die lees je in principe net zo goed in het woestijnzand dat van ver waait en somtijds tot hier aan toe buitenmuren en balkonnetjes vuilgeel kleurt. Als je ze maar, bij wijze van spreken, allemaal op een rijtje hebt. Nog een stapje verder is elk algoritme, iedere Turing machine, niet meer dan wolken sterrenstof. Stardust. Daar liggen panpsychisme en misschien nog geen fysieke, maar wel virtuele, mentale, onsterfelijkheid in het verschiet: posthumanisme, het transhumane voorbij.

Permutaties

Al in 1994 nam de Australische hardcore sciencefictionschrijver Greg Egan die overtreffende trap in zijn fraaie ‘Permutation City’. In een niet zo heel verre laat-kapitalistische toekomst, in de greep van een meer dan ooit florerende vrije markteconomie, laten de heel rijken tegen het einde van hun aardse leven hun brein scannen om vanaf een gegeven tijdsstip als een conforme digitale kopie (dat heeft zijn prijs, je betaalt je blauw; maar als onsterfelijke virtueel blijf je natuurlijk gewoon je kapitaal beheren, investeren en vergróten) op een Turing machine dóór, en zo de dood een loer, te draaien. Als een Harold II, bijvoorbeeld, die eeuwig in een digi-Gonzo zijn Hoofd Stuk blijft schrijven; en dan misschien ook nog wel een III, en een IV en een en zo voorts. Elke kopie heeft haar eigen binaire toekomst, maar ‘denkt’ van stippeltje naar stippeltje op de tijdlijn van haar universum volgens precies dezelfde regels die ook in het oorspronkelijke biologische brein golden, zij het met een ‘rate’ die in de meeste gevallen voor de kopie zeventien keer zo traag is als die van onze humane klokken, dat is een kwestie van grenzen aan de rekenkracht. Maar als kopie merk je daar niks van. Ook niet wanneer de jou emulerende machine tussen twee van die stippeltjes een heel jaar, een eeuw, een millennium zou worden stopgezet. Zo gaat dat bij een Turing machine. Zo zijn haar manieren. Nou ben ik weliswaar persoonlijk van mening dat de grijze massa in mijn bol net zo min een Turing machine is als al dat wat er onder zit een stoommasjien. Maar stel. Stel dat elk zich van een ‘zelf’ bewust brein onverhoopt toch zo’n Turing machine blijkt te zijn, dan wordt al die speculatieve sciencefiction plots zo gek nog niet. Dan is het zo ver niet meer gegrepen dat elk van ons, overal en nergens, talloze malen, én bewust, figureert, elk een vat vol van alle denkbare permutaties van een uniek, heel groot, getal. Elk zijn eigen.

Hyperbool

Het feit dat de multinationale grootindustriëlen de eigenlijke Turing machines voor ons, alledaagse gebruikers, al maar ongrijpbaarder maken, krijgt zo dat onmiskenbare dystopische en apocalyptische smaakje. De algoritmes, de codes waar het allemaal om draait, worden al dieper en dieper in hermetisch gesloten zwart glimmende dozen verstopt. In Pandoravaten. Neem bijvoorbeeld een OpenAI. Enkel de suggestie al dat er misschien toch weleens iets een beetje in de buurt van die geduchte ‘superintelligentie’ uit de miljarden verzengende training van neurale taal modellen zou kunnen komen, maakte dat het adjectief ‘Open’ door gitzwarte dollarsymbolen kwijlende aandeelhouders ondertussen snel tot een lachertje werd verklaard…

Boemdenken

Een halve eeuw geleden was er nauwelijks nog sprake van de codes die ons nu tot tranens toe bestoken. De doem zat ‘m toen vooral nog in de potentiële boem van kernkoppen. De angst daarvoor werd weggepogood tijdens lange nachten in kraakpanden, op de no future tonen en fuck the system teksten van soms steeds weer een andere en vaak toch ook dezelfde punkband. Of weggepraat in bizarre disco’s en ultramoderne galerietjes, tijdens een opening of na een concert van groepjes experimentele post-punkers, voor wie de lessen van de avant-gardekunst van een net wat eerdere generatie niet aan dovemansoren waren besteed, en voor wie bij het destijdse op-de-vulkaan-gedans, al dan niet bewust, teksten als William Burroughs’ ‘The Electronic Revolution’ (uit de ‘Boy Scout Manual’, die ik een paar jaar terug, in Gonzo #148, al ter sprake bracht) tot ideologisch handvat dienden. Hoe machteloos uiteindelijk zelfs de extreemste, ieders ziel en zaligheid verzengende, tegenbeelden en -geluiden blijken als het er om gaat onze wereld daadwerkelijk te veranderen, doet aan hun belang niks af. Ook met zicht op ‘het eind van alles’ blijven muziek en kunst ons geweten.

Handleiding

Hoewel natuurlijk van deze tijd en dus gelukkig op een heel andere leest geschoeid, is ook het nog niet zo heel lang geleden bij MIT verschenen ‘Live Coding. A User’s Manual’ zo’n handleiding voor media-revolutionairen (open source – Creative Commons – en als ebook helemaal gratis te krijgen). De titel verwijst naar ‘La vie mode d’emploi’ (‘Life: A User’s Manual’), George Perecs oulipiaans-combinatorieke meesterwerk uit 1978, dat in kunst, taal en regels vol versleuteling het leven ont-sleutelt van bewoners en personen aanwezig in of gelieerd aan een pand in een fictieve straat in Parijs, op de vroege avond van 23 juni 1975.
De schrijvers van het boek, Alan Blackwell, Emma Cocker, Geoff Cox, Alex McLean, en Thor Magnusson, zijn sleutelfiguren in de ‘live coding’-beweging, een fabuleuze stroming binnen de elektronische computermuziek, die alle hoeken en kantjes van dat gebied (van dance tot uiterst speculatief) omvat, en die voor mij (al dan niet in hyperbool, je zegt het maar), fakkeldrager is van de essentie van ‘het alternatieve’ in pop en kunst, zoals die ooit in de psychedelische underground werd ontstoken en vervolgens door is blijven branden in punk, de latere experimentele post-punk, de beep- en bling-kunst op de allereerste home-computers, de DIY, in een aantal facties van de synth- en technotrends, in de vrije elektroakoestische improvisatie, bij de circuit-benders, en zo voorts.

Geschiedenis

Zij het in symbolische zin: live coders kraken de zwarte dozen die onze computers zijn geworden. Ze toveren in de zaal en op het podium hun elektronische partijen op het scherm te voorschijn met open source, ja, vaak zelf geschreven, software en algoritmes. Regel voor regel. In tekst-mode wordt de machine handmatig getemd (zoals dat ook vroeger gebeurde, in de tijd dat onze computerbesturingssystemen nog geen ‘bureau’ hadden, maar zo’n ‘console’ is tegenwoordig vrijwel enkel nog werkblad van specialisten, hackers en programmeurs). Er wordt niks niet op knopjes of toetsen gedrukt om onkenbare orakels aan te roepen. De live coder hanteert haar scherm en de Turing machine daarachter als een wever zijn weefgetouw. En dat is méér dan enkel een fraaie metafoor. De toehoorder kan op wandbrede projecties van de schermen in alle detail volgen hoe de muzikanten met schering en met inslag, met fouten en glitches, scripts schrijven én denken en zo hun muzikale spinsels doen groeien. En let wel, dat het hier geen eendagskuiken betreft heeft de geschiedenis bewezen: de eerste performance die als ‘live coding’ in het boekje staat vond al in 1985 plaats. Bij STEIM in Amsterdam natuurlijk. En in 2014 stond Gonzo (circus) (in nummer 124) er uitgebreid bij stil hoe voor het eerst ook in Nederland op live codes werd gedanst, en, tja, waar anders dan in de OCCII had die eerste Nederlandse algorave kunnen zijn?

Toekomst

Als een echt nieuwe, alternatieve (pop)muziek, en wij, nog toekomst hebben, dan speelt de computer daar een hoofdrol in. Dan zijn hackers, de vrijesoftwarebeweging en live coders er de helden. ‘Live coding’ is ook, stel ik, dé ultieme, zuivere, en misschien wel de enige politiek correcte, manier om de computer als instrument in vrije improvisatie te betrekken; om van die binaire klankenschepper een luid artistiek, maar ook politiek en sociaal statement maken. De publieke dans van nullen en enen, desnoods mét, maar vooral ook zonder technobeat, vind ik onweerstaanbaar. Voor wie in de ‘Live Coding’ wegwijs worden wil is de open source ‘User’s Manual’ van Alan Blackwell en zijn maatjes een must; door haar breedte, de schat aan referenties en verwijzingen, maar ook door de vaak bewuste vaagheid, alle omtrekkende bewegingen; én ondanks (of misschien wel dankzij) de niet onaanzienlijke delen vol academische blaaskakerij.
Want het is natuurlijk nog maar een begin.
Enkel wie het ritme van de regels kent, kan die regels breken.


Dit artikel verscheen eerder in GC #179.

Koop deze editie in onze webshop!

Lees meer

Lees meer over algorave en live coding
in GC # 124
Lees meer over boemdenken
in GC # 148
Lees meer over lijvige taalmodellen in GC # 176

Reacties