Blog Magazine Nieuws

Glenn Branca: “Ik ben een fuckin’ componist”


Begin jaren 1980 brak hij als componist door met overrompelende lawines van gitaargeluid. Daarna maakte hij met ‘noise voor orkesten’ faam in klassieke kringen. Dertig jaar later is Glenn Branca geen angry young man meer. Hoewel,angry is hij nog steeds.


In September 2012 speelde onze medewerker Harold Schellinx met zijn band DIKTAT op het Sonic Circuits Festival in Washington DC. Die band zat daar in de kleedkamers van het Atlas Performing Center met Glenn Branca om de tafel te drinken en te roken. Wat er daarbij toen allemaal werd besproken, kun je hier nog eens beluisteren.


Glenn Branca – Foto: Michel Mees

“Ja, Steve Reich ken ik uit de jaren 1980,” zegt Glenn Branca ergens halverwege het gesprek. “Ik ken iedereen in New York en iedereen kent mij. Ik ben een fuckin’ componist, weet je wel… En zo moet je ook naar mijn muziek luisteren: als fuckin’ gecomponeerde muziek!” Voor de zoveelste keer draait hij de dop van het plastic colaflesje dat hij in zijn hand houdt. Een flesje dat overduidelijk méér bevat dan alleen cola.
Daar zit hij dan, in de backstage-rookruimte van het Haagse Paard. De New Yorkse legende. Een beetje onderuitgezakt. Het is nacht. Tegen enen. De kamer staat blauw van de rook. In een hoekje zit Branca’s vrouw, Regina Bloor, die het tafereel gadeslaat zonder een woord te zeggen. Branca lijkt in gepeins verzonken, starend naar de bruine vloeistof in het flesje alsof het koffiedik is. Dan lijkt hij zich bewust van de situatie, tilt zijn hoofd op en richt zijn blik weer op de interviewer.

Woest

Een kleine drie uur eerder. Op het State-X New Forms festival presenteert Glenn Branca zijn huidige ensemble – bassist, drumster en vier gitaristen, onder wie Regina Bloor – in de grote zaal van ’t Paard. Stoelen, want een serieus ‘concert’. Het is lang geleden dat de New Yorker in ons land was, zeker een jaar of dertien.
Met een plastic tasje in de hand komt hij het podium op en nestelt zich achter zijn lessenaar. Hij oogt wat morsig. Verkreukeld colbert, laag hangende jeans, ongeschoren. Associaties met Wim de Bies legendarische televisiecreatie Walter de Rochebrune dringen zich op.
Hij mag zich dan graag als ‘klassieke’ componist presenteren, het optreden in Den Haag start zo rock-’n-roll als je het maar hebben kunt. Aftellen – ‘One, two, three, four’ – en whaaammm!!, de band knalt erin. Keihard en strak.
‘The Tone Row that Ruled the World’ heet het stuk. Staccato gitaren, opgezweept door de geweldige drumster Libby Fab. Branca zelf staat als een bezetene achter zijn lessenaar te dansen, zwaait zijn vuisten en priemt zo nu een dan een vinger in de richting van een muzikant als er een wissel in de partituur staat. Want inderdaad, waar Branca zich in het verleden nog wel eens van een soort fantasienotenschrift in de vorm van letters of cijfers bediende, spelen de musici nu stuk voor stuk van vellen met traditionele notenbalken.
Branca’s huidige muzikanten hebben een degelijke conservatoriumopleiding achter de kiezen. Maar rocken kunnen ze. In Den Haag wordt integraal het in 2010 verschenen album ‘The Ascension: The Sequel’ uitgevoerd, het vervolg op ‘The Ascension’ uit 1981, dat destijds werd opgenomen in dezelfde instrumentale bezetting – hoewel met andere muzikanten – en dat doorgaans als een van Branca’s beste platen wordt beschouwd.
Na het eerste stuk rommelt de dirigent wat in het meegebrachte plastic tasje en haalt een flesje bronwater en het plastic colaflesje tevoorschijn. Hij kijkt even naar het water – je ziet hem aarzelen – en neemt vervolgens een ferme slok uit de colafles. Dan slaat hij een pagina om in de grote multomap op zijn lessenaar, kondigt het volgende stuk aan, ‘Carbon Monoxide’, tikt af en whaaammm!!, daar gaat-ie weer. Hakketakkehakketakke. Prachtig is het. Al staat Branca na die slok uit zijn colaflesje wel wat te zwabberen op zijn benen. Maar de musici houden de blik strak op de partituur gericht en weten waar het stuk heen gaat. De speldiscipline is indrukwekkend en de muziek kent een dynamiek die met geen huiskamerinstallatie te benaderen valt.
Branca dirigeert heftig. Knieën tegen elkaar gedrukt, het achterwerk naar het publiek schuddend. Oppervlakkig beluisterd heeft de muziek wel iets weg van postrock, maar in de stukken van Branca is de spanningsopbouw veel subtieler dan bij een gitaarband als Explosions in the Sky, die in feite recht op het doel af gaat. Branca bewandelt sluipwegen.
Nog twee- of driemaal grijpt hij naar het colaflesje. De muziek is intens; zo ervaart het publiek het ook. Op een gegeven moment gaan in de zaal zelfs twee mannen op de vuist. Spanning die afgereageerd moet worden, blijkbaar. Het stuk ‘Lesson No. 3’ is een eerbetoon aan Steve Reich. Heel monotoon en minimaal, maar langzaam maar zeker uitwaaierend tot complete noise. In de finale worden Branca’s bewegingen zo woest, dat zijn knalroze leesbril van zijn hoofd vliegt en op de grond valt. De componist-dirigent ijsbeert nu dreigend over het podium, gooit een paar muzieklessenaars en het halve drumstel om en beent dan de coulissen in – echter niet zonder eerst zijn colaflesje te pakken – het publiek in verbijstering achterlatend.

Theoretical Girls

Dertig jaar eerder, in maart 1981, was Branca voor het eerst met een vergelijkbare groep in ons land. Toen speelde hij in de Amsterdamse Melkweg zijn debuutplaat als ‘componist’, ‘Lesson No.1’, en liet een al even verbijsterd publiek achter. Zoiets was in Nederland nog niet te horen geweest. Sonic Youth en Swans waren op dat moment in hun New Yorkse oefenhokken met de allerprilste repetities bezig.
Hij kwam niet zomaar als een noise-engel uit de lucht vallen, Glenn Branca. Vanaf 1976 had hij zich al geroerd in de New Yorkse downtown-scene. Hij was vanuit Boston naar Manhattan gekomen om daar zijn Bastard Theater voort te zetten. In New York ontmoette hij Jeff Lohn, een allround-kunstenaar die zich zowel met theater en muziek als met beeldend werk bezig hield. Terwijl ze bezig waren met de voorbereidingen voor een klein theatertje maakten ze ook muziek, wat begin 1978 zou uitmonden in The Theoretical Girls.
De groep, die naast de gitaristen Branca en Lohn bestond uit bassiste Margareth Dewys en drummer Wharton Tiers, speelde tot begin 1979 een sleutelrol in de New Yorkse no wave-beweging, die bekendheid zou krijgen met de door Brian Eno geproduceerde en in 1978 verschenen lp ‘No New York’. Op die plaat opnamen van James Chance & the Contortions, Teenage Jesus & the Jerks, DNA en Mars, maar curieus genoeg geen Theoretical Girls. “Bands als Teenage Jesus & the Jerks hadden hem (Eno, pb) ervan overtuigd dat zij the real thing waren. Zij waren East Village, wij waren kunstsukkels uit Soho,” zou Branca in 2006 zeggen in een interview met LA Weekly.
No wave was rock die hoekig, staccato, droog en op een bijna atonale wijze melodieus klonk en dat gold beslist voor The Theoretical Girls. In het fraai uitgegeven en zeer informatieve boek ‘No Wave Post-Punk. Underground. New York. 1976 – 1980’ van Thurston Moore en Byron Coley uit 2007 wordt de centrale rol van Branca’s Theoretical Girls – en trouwens ook van zijn andere band The Static, die hij later in 1978 oprichtte – goed beschreven. Van beide groepen verscheen in de periode 1978-1979 één single. Zowel The Theoretical Girls als The Static zijn in beeld en geluid terug te vinden op de muziekdocumentaire ‘135 Grand Street New York 1979’ van Ericka Beckman, die in 2010 door Soul Jazz Films op dvd werd uitgegeven.
Een andere gitarist in dezelfde New York downtown avant-gardescene eind jaren 1970 was Rhys Chatham, die ook in voornoemde film van Ericka Beckman te zien is. In 1977 schreef hij zijn stevig in de minimal music gewortelde stuk ‘Guitar Trio’, dat hij uitvoerde met Glen Branca als één van de gitaristen.
In 1979 waren zowel The Theoretical Girls als The Static uiteen gevallen. Branca kreeg een uitnodiging om te spelen op een festival in de befaamde club Max’s Kansas City rond de paasdagen dat jaar. Hij schreef ‘Instrumentals for Six Guitars’. Het begin van zijn carrière als componist.

Miles Davis

Glenn Branca werd 6 oktober 1948 geboren in Harrisburg, Pennsylvania. Geen stad waar je snel met avant-gardemuziek in aanraking kwam, zou hij later verklaren. Goed, als tiener raakte hij opgewonden toen hij werk van Messiaen hoorde, maar daar bleef het bij. Op zijn vijftiende begon hij elektrische gitaar te spelen. Rock. Maar theater was Glenns werkelijke passie. Dus ging hij in de vroege jaren 1970 studeren aan het Emerson College in Boston, een particuliere universiteit voor communicatieve en creatieve vakken. In zijn vrije tijd werkte hij in een platenwinkel. Toen hij daar alle relevante rockalbums beluisterd had, kwam hij via Miles Davis en Weather Report bij de twintigste-eeuwse componisten uit. “Toen ik Philip Glass en Steve Reich hoorde was dat alsof ik eindelijk thuiskwam,” verklaarde Branca in het eerder genoemde interview met de LA Weekly.
In Boston begon hij samen met John Rehberger het Bastard Theatre, waarvoor hij ook zelf de muziek schreef. In 1976 besloot hij het Bastard Theatre in New York voort te zetten – maar dat verhaal is al verteld.
Toen Branca rond 1980 eenmaal zijn ‘rockbands’ achter zich had gelaten en zich als ‘hedendaags componist’ presenteerde, ging het snel – al speelde hij niet direct in het gevestigde circuit van de kunstmuziek. Popjournalist Joost Niemöller recenseerde het concert in de Amsterdamse Melkweg in maart 1981 voor Haarlems Dagblad: “Hij leidt zijn groep als een dirigent, blijkt elke noot uitgeschreven te hebben en brengt geen songs maar stukken. Toch heeft zijn muziek niets te maken met verwaterde vormen van symfonische rock, maar alles met de essentie van de rockmuziek.”
De banden van Branca met de rockmuziek zijn begin jaren 1980 inderdaad nog sterk. Hij richt zijn eigen Neutral Records op, waarop in 1982 onder meer het debuut van Sonic Youth verschijnt. Gitaristen Lee Ranaldo en Thurston Moore van de Youth spelen in de vroege jaren 1980 nog regelmatig mee in de ensembles van Branca, net als Michael Gira van de Swans en Page Hamilton, die later de groep Helmet opricht.
In hetzelfde jaar van het Melkweg-concert verschijnt ook Branca’s album ‘The Ascension’, misschien wel zijn beroemdste en beste plaat uit de gitaarperiode, waarop onder meer Ranaldo te horen is.

Xaviera Hollander

Branca begint echter te begrijpen dat hij zijn imago moet veranderen om in ‘klassieke’ kringen serieus genomen te worden. Hij bouwt een serie nieuwe snaarinstrumenten, bestaande uit kasten met daarin via toetsen door hamertjes beknopte snaren, geïnspireerd door de microtonale ideeën van de Amerikaanse componist Harry Partch. Daarnaast – misschien nog wel belangrijker – begint hij zijn stukken ‘symfonieën’ te noemen.
Het werkt. In 1983 toert Branca met zijn ensemble langs de belangrijke concertzalen in Europa om zijn ‘Symphony No. 4’ te laten horen. In Nederland is de groep op 1 juni 1983 in Carré in Amsterdam als onderdeel van het VPRO-programma ‘Aanvallen van Uitersten’ in het kader van het Holland Festival. Het levert een regelrechte rel op. Leden van het Omroeporkest, dat deel uitmaakt van hetzelfde programma, verlaten tijdens Branca’s concert demonstratief de zaal, evenals een deel van het publiek. Ik was erbij. Op de rij pal voor mij zat Xaviera ‘happy hooker’ Hollander. Ik zie haar nog opstaan – ze oogde een beetje als een enorme lampenkap – en richting uitgang schuifelen, onderwijl luid en hoog ‘Schande! Schande!’ roepend.
Vrijwel overal elders wordt Branca echter bejubeld. Hij begint compositieopdrachten te krijgen van prestigieuze festivals en dansgroepen. In 1989 schrijft hij zijn eerste orkeststuk: ‘Symphony No. 7’. In 1990 gaat in het Amsterdamse Muziektheater ‘The World Upside Down’ in première bij het Noordhollands Philharmonisch orkest in opdracht van de Elisa Monte Dance Company. Meer orkeststukken volgen. In 1998 is Branca weer te gast op het Holland Festival als het Radio Symfonie Orkest – nota bene een voortzetting van het Omroeporkest dat in 1983 nog bij Branca in Carré was weggelopen! – in de Beurs van Berlage zijn ‘Symphony No. 11’ uitvoert. Een indrukwekkend stuk van onderling refererende klanken die samen een driedimensionaal geluidsbeeld oproepen.
Na de eeuwwisseling lijkt de Amerikaanse componist echter een beetje uit beeld te verdwijnen. Hij schrijft nog een stuk voor honderd gitaristen – zijn ‘Symphony #13’, die in de Verenigde Staten het afgelopen decennium een aantal keren uitgevoerd is – en in 2008 gaat bij het St. Louis Symphony Orchestra een deel van Branca’s ‘Symphony No. 14’ in première. Maar het lijkt allemaal wat moeizamer dan in de jaren 1980; ook wat releases op lp en cd betreft. Des te verrassender is het verschijnen van het zonder meer erg sterke album ‘The Ascension: The Sequel’ in 2010, dat Branca met zijn ensemble eind 2011 ook in Den Haag uitvoert. Muziek die erg veel lijkt op wat hij in de vroege jaren 1980 componeerde. De cirkel weer gesloten, lijkt het.

Penderecki

“Oké, ik ben er klaar voor,” zegt Branca nadat hij een pakje sigaretten heeft klaargelegd op de tafel in de backstage-rookkamer van ’t Paard. Hij is zichtbaar goedgeluimd. Na afloop van zijn concert heeft hij toch minstens anderhalf dozijn cd’s gesigneerd en verkocht. Mooi meegenomen.
Een opmerking over dat beruchte Carré-concert in 1983 blijkt voldoende voor een spraakwaterval van minstens tien minuten. “Natuurlijk herinner ik mij dat nog. Ik had zoiets nog nooit eerder meegemaakt, dat er mensen kwaad wegliepen; zo massaal niet althans. Het was ook de eerste keer dat ik in een programma speelde waar ook een traditioneel orkest geprogrammeerd stond. Dat stuk van destijds, ‘Symphony No. 4’, is overigens nog nooit als album uitgebracht.”
“Ik geloof trouwens niet dat dat stuk zo revolutionair was. Ik geloof eigenlijk helemaal niet dat er iets revolutionairs is aan mijn muziek. Ik beschouw mijzelf gewoon als componist van new music. Het probleem is echter dat nog levende componisten gewoon geen aandacht krijgen. Ik wil niets liever dan voor orkesten schrijven. Maar de orkesten zijn alleen maar geïnteresseerd in oude muziek. En dat is fout. Een hele domme fout. De zalen waar oude muziek wordt gespeeld raken namelijk leeg en zullen alleen maar leger worden.”
Hij buigt zich voorover en vertelt over een serie opiniestukken die hij in 2007 voor de website van de New York Times schreef en die gelinkt staan op zijn eigen website. “Ik geef daar onder meer een jaarprogramma voor een symfonieorkest met alleen maar twintigste- en eenentwintigste-eeuwse muziek. En ik weet zeker dat het publiek dat prachtig vindt! Ik geloof ook niet dat het publiek alleen maar popmuziek wil horen. Natuurlijk, het werk van Bach en Beethoven blijft prachtig. Maar er moet toch een orkest kunnen bestaan voor de muziek van Penderecki, Ligeti en bijvoorbeeld de schitterende filmmuziek van componisten als Bernard Herrmann en John Barry?”
“Ik ben eigenlijk nooit enthousiast geweest over de twaalftoonsmuziek van Schönberg en die hele seriële traditie. Dat heeft volgens mij meer stukgemaakt dan opgeleverd. Het publiek wilde dat niet. Dat zag je onmiddellijk toen de minimal-componisten die traditie doorbraken. Toen het werk van Steve Reich voor het eerst in het New Yorkse Lincoln Centre te horen was, toen was die zaal afgeladen. Het publiek vond het prachtig!”
Hij zwijgt even om een sigaret op te steken en een flinke slok uit zijn fles colaplus te nemen. Gelegenheid om het gesprek naar Branca’s eigen muziek terug te leiden. Ziet hij ‘The Ascension: The Sequel’ zelf als een terugkeer naar zijn componeren van de vroege jaren 1980? Hij begint te lachen – een beetje schamper, dat wel. “Weet je, mensen hebben mij gesmeekt om het originele repertoire van ‘The Ascention’ uit 1981 weer te gaan spelen. Je weet wel, zoals rockgroepen tegenwoordig voortdurend wordt gevraagd om hun classic albums integraal uit te gaan voeren. Maar ik heb daar absoluut geen zin in. Ik wil nieuwe muziek brengen. En dat kan best muziek zijn voor eenzelfde soort ensemble als dertig jaar geleden. Kijk, toen ik in 1989 voor symfonieorkesten ging schrijven dachten de mensen ook dat ik de gitaren achter mij had gelaten. Maar daarna schreef ik toch weer mijn ‘Symphony No. 13’ voor honderd gitaren. Ik doe gewoon what the fuck I feel like!’ Maar het is tegenwoordig fuckin’ moeilijk om orkestopdrachten te krijgen. Zeker zolang er bij die orkesten nog altijd wordt gedacht dat Strawinsky nieuwe muziek is. Vorige week zat ik aan een diner met Phil Glass en zei: ‘Phil, heb jij ook niet de indruk dat het steeds moeilijker is om compositieopdrachten te krijgen?’ Hij reageerde in eerste instantie niet omdat er anderen bij zaten. Maar later fluisterde hij mij toe dat hij daar zelf ook veel last van had. Ja, opdrachten voor solopiano of zo. Dat lukte nog wel. Maar voor orkeststukken of opera’s, vergeet het maar!”
“Ach, ik ben eigenlijk nooit serieus genomen in de klassieke wereld. Ze hebben mijn symfonieën nooit als echte symfonieën beschouwd. Ik zie het zelfs bij de musici van mijn huidige ensemble. Hun brein is vervuild met alles wat ze op het conservatorium hebben geleerd. Het lijkt alsof jonge musici niet meer weten dat er door méér mensen is gecomponeerd dan alleen door die fuckin’ Bach. Niet dat ik iets tegen de muziek van Bach heb, hoor…”

Postrock

Adempauze. Even een woord als bliksemafleider: ‘boventonen’. Is dat nog steeds een belangrijke pijler binnen zijn muziek? “Hoe kom je dáár nu bij? Ik heb het nooit over boventonen gehad! La Monte Young wel, maar ik heb mijzelf geen aanhanger van de muziek van La Monte Young genoemd. Ik ben altijd bezig geweest met harmonische reeksen. Een heel complexe materie waarvoor ik destijds ook die eigen instrumenten heb gebouwd. Anderen zeiden daar toen over dat ze vals klonken. Maar hun muziek klonk juist vals, niet de mijne! We waren in die tijd eindeloos bezig om die instrumenten correct te stemmen…”
“Op een gegeven moment was ik zo diep in de mathematische en filosofische aspecten van die harmonische reeksen gedoken, dat ik moest besluiten of ik filosoof of componist wilde zijn. Het werd componist…”
Een volgende sigaret. Gelegenheid om een naam te laten vallen: Rhys Chatham, de collegacomponist die ook zoveel voor gitaarensembles schrijft en tegenwoordig in Parijs woont. Hoe is hun relatie nu? Branca reageert als door een wesp gestoken: “Ik ken die man niet!”
Maar hoe kan dat? Hij heeft immers zelf in Chathams gitaartrio gespeeld? Even een stilte. Dan kort en afgemeten: “Ik speelde ooit, als invaller, één keer één stuk van die man. Sindsdien liegt hij al dertig jaar over mijn relatie tot hem. Verder heb ik er niets over te zeggen.”
Weer een stilte. Nu wat pijnlijker. En dan, als zijn groep The Theoretical Girls ter sprake komt: “Die groep bestond eigenlijk maar heel kort. We waren binnen zes weken de meest succesvolle rockband van New York. En wat doe je dan, hè? Dan ga je nog maar even door. Ik was eigenlijk naar Manhattan gekomen om theater te maken, maar hoe idioter ik deed met die rockgroep, hoe mooier de mensen het vonden. Stuck my dick up their asses and they asked for more!
“Dat was echt hele primitieve muziek, die wij toen met The Theoretical Girls maakten. Wij braken de boel eigenlijk alleen maar af. Veel anderen zijn vanaf daar veel interessantere dingen gaan doen. Véél meer sophisticated.”
Op de vraag of hij in de postrocktraditie van de laatste twintig jaar invloeden hoort van zijn gitaarcomposities schudt hij het hoofd. Agressief bijna. “Absoluut niet! Dat wordt alleen maar gezegd vanwege de instrumentatie. Maar als ik toen stukken voor koor of orkest had geschreven, dan had niemand die vergelijking gemaakt.”
“Kijk, als jij ‘postrock’ noemt, dan wil ik het over ‘postmodern’ hebben. Want dáár moet je mijn muziek plaatsen. Het is klassieke muziek, maar dan wel als reactie op de seriële muziek van het modernisme. Alleen verdomt men in klassieke kringen om ernaar te luisteren. Hoe dom kun je zijn? Zeg nu zelf: hoe fuckin’ dom kun je zijn? Maar goed, Bruckner en Mahler werden ook pas na hun dood echt beroemd als componist. Dus geloof mij maar: over dertig, veertig jaar beginnen de mensen mijn muziek te ontdekken… .”

www.glennbranca.com

Comments


Dit artikel verscheen eerder in GC #108.

Koop deze editie in onze webshop!

Reacties


Geen facebook? Reageer hier



%d bloggers liken dit: