Blog

FRANKFURT vs FESTIVALS: Van ritueel naar resort


And I dreamed I saw the bombers
Riding shotgun in the sky
And they were turning into butterflies
Above our nation
(Woodstock – Joni Mitchell)

Het krantje lag al in stapels in de kroeg: ‘Dutch Valley’. Zaterdag 13 augustus 2011. ‘Het grootste festival van Nederlandse bodem’. Wie de pagina’s omslaat, komt de namen Kane, Di-Rect en Jan Smit tegen. Maar ook De Jeugd van Tegenwoordig, Bonnie St. Clair en Heideroosjes. En The Scene, Lee Towers en Jacques Herb. Het moment dat Jimi Hendrix op Woodstock ‘The Star Spangled Banner’ door de muzikale blender haalde, ligt ruim veertig jaar achter ons en Jimi zelf trouwens al veertig jaar in zijn graf. Anno 2011 zingen De Toppers Nirvana’s ‘Smells like Teen Spirit’ na. En dat is geinig. Niets anders dan dat.
Het is een item waar kranten en tijdschriften gretig op toehappen dit voorjaar: de populariteit van popfestivals. Uitverkocht voordat er nog maar een deel van het programma bekend is. Tegelijk lees je in veel recensies en hoor je van veteranen-muziekliefhebbers onder de bezoekers dat festivals oppervlakkiger worden. Vervreemdender. ‘Dat haal je de koekoek,’ zal de cynicus reageren. Populair en oppervlakkig zijn immers onlosmakelijk verbonden!
Maar dat is onzin. Te kort door de bocht. De paradox gaat dieper. We willen uniek zijn. Iedereen wil uniek zijn. Dus willen we als iedereen zijn. En: de ideologie is dood, maar we hebben nog idealen. Nu de ‘markt’ bij gebrek aan alternatieven tot enige ideologie is verworden, klampen de idealen zich daaraan vast. Maar uit de contradictie van het verlangen naar een persoonlijke identiteit en het monopolie van de markt komt de vervreemding voort.

Niche of algemeen

Illustratie: Maarten Donders

Festivals zijn niet nieuw. Zonder terug te gaan naar middeleeuwse jaarmarkten kun je stellen dat de hele twintigste eeuw culturele festivals heeft gekend. Maar de betekenis van festivals is de laatste decennia nadrukkelijk aan verandering onderhevig. Dat ligt minder aan de kunst of de kunstenaars dan aan de plek die festivals hebben in het veranderende maatschappelijke veld, dat zich heeft ontwikkeld van modern, via postmodern, naar postpolitiek. Dat laatste begrip komt van de Sloveense filosoof Slavoj Žižek en benadrukt hoezeer bestuurders en politici in plaats van uitvoerders en criticasters van ideologische systemen tot managers van een marketingmechanisme zijn verworden.
Vroeger was niet alles beter, maar wel was alles anders. Dat merk je bij festivals nadrukkelijker dan wanneer je een enkel concert bezoekt, een boek leest of door een museum wandelt. Maatschappelijke en politieke omwentelingen hebben een grotere weerslag op festivals dan op individuele cultuurbeleving, omdat festivals nu eenmaal een collectief gebeuren zijn. Festivals zijn de samenleving in het klein. Een veelheid van concerten of voorstellingen voor een groot aantal mensen, waardoor je een complex netwerk aan interacties krijgt. Nog nadrukkelijker zie je dat bij literatuur. Hoe hoog de oplage van een boek ook is, het lezen is op het moment van handeling een intieme één op één betrekking tussen auteur en lezer. Bij ‘literaire festivals’ gaat het om leesbeurten voor groot publiek, lange rijen bij signeersessies enzovoort. Dat alles maakt festivals dus al een ‘maatschappelijker’ gebeuren.
Uiteraard is het ene festival het andere niet. Sommige festivals zijn gevoeliger voor maatschappelijke veranderingen dan andere. Er zijn festivals die spectaculair meesurfen op de frontgolf van de tijdgeest. Dat maakt ze spannend, opwindend, maar ook kwetsbaar. Andere festivals wortelen veel meer in een traditie en zijn daardoor automatisch minder gevoelig voor trends. Dat laatste geldt bijvoorbeeld voor typische ‘nichefestivals’: een ‘Vestdijkfestival’, ‘Festival van het Politieke Lied’, slideguitar-festival of cello-festival. Relatief klein en drijvend op een bodem die puur inhoudelijk is. Bezoekers vinden elkaar op basis van hun interesse in Vestdijk of de cello – ongeacht hun sociale, economische of politieke achtergrond. Of er wellicht ook sociale, economische of politieke overeenkomsten te ontdekken zijn in de achtergrond van mensen die van het werk van Vestdijk of van cellomuziek houden, is een tweede.
Daarnaast zijn er algemenere festivals die niet die inhoudelijke samenhang hebben, of in ieder geval een veel vagere focus, en vooral op een bepaalde sociale doelgroep gericht zijn. Daarbij wordt die doelgroep doorgaans graag zo breed mogelijk genomen. Dat kunnen hogeropgeleiden zijn, hangjongeren, Christenen, Haarlemmers, motorrijders, Bijlmerbewoners; liefhebbers van hits, of van rockmuziek of dance in de meest brede zin. Deze ‘algemenere festivals’ zijn het meest gevoelig voor politieke en maatschappelijke omwentelingen – omdat het publiek zich verhoudt en gedraagt ‘als de maatschappij zelf’.

Authenticiteit

Illustratie: Maarten Donders

Woodstock was destijds nog zo’n ‘algemeen’ festival, in augustus 1969. Maar in een heel andere tijd, waarin pop/rock nog een betekenis had die de entertainment oversteeg. Voor de goede orde: het Woodstock dat symbolisch werd – vanaf de vroege jaren 1970 reeds – is niet het festival zelf, maar de ingedikte en herschikte versie ervan die een eigen leven is gaan leiden in de succesvolle Woodstockfilm en op de al even legendarische Woodstockalbums. Film en albums hebben vele miljoenen bereikt; op het festival waren slechts enkele honderdduizenden aanwezig, waarvan de meerderheid weliswaar de – modderige – sfeer proefde, maar nauwelijks muziek heeft gehoord of gezien omdat de geluidsinstallatie en het zicht op het podium niet toereikend waren. Ook de ‘three days of love’-boodschap is in het door film en albums gevormde beeld van Woodstock behoorlijk ‘gestroomlijnd’. De interpretatie van de werkelijkheid door de filmmakers – of je die nu artistiek of journalistiek noemt – heeft in het geval van Woodstock de plaats van het ‘Ding an sich’ ingenomen.
Afgezien van die kanttekening was drie dagen naar rockmuziek luisteren in die tijd op zich al een daad van anti-establishment. Dat gold niet alleen voor Woodstock, maar ook voor andere ‘vroege’ rockfestivals als Monterey (juni 1967) en The Big Sur Folk Festival (1964-1971). Woodstock promoveerde echter tot icoon, dankzij het door Marshall McLuhan geformuleerde idee ‘the medium is the message’. Daarmee krijgt het motto van Mitchell boven dit artikel – bommenwerpers in vlinders veranderen – een nadrukkelijke en absoluut niet ironische betekenis.
Je kunt de wijze waarop rockfestivals in de jaren 1960 werden beleefd koppelen aan ‘authenticiteit’ zoals Walter Benjamin dat begrip gebruikt in zijn klassieke studie ‘Het kunstwerk in het tijdperk van zijn technische reproduceerbaarheid’. “De unieke waarde van het ‘authentieke’ kunstwerk heeft haar fundering in het ritueel, waarin het zijn oorspronkelijke en eerste gebruikswaarde had,” schrijft Benjamin. Hoewel hij beslist niet op festivals, laat staan rockfestivals doelde, is er een duidelijke parallel. Rockfestivals waren in de jaren 1960 een ritueel waarmee een deel van een nieuwe generatie een onmiskenbaar standpunt innam ten aanzien van de nog traditioneel verzuilde gevestigde orde van die tijd. Die authenticiteit vormt een essentieel onderscheid met de festivals van vandaag.
De grote maatschappelijke ommezwaai van de afgelopen drie decennia heeft ervoor gezorgd dat de vertikaal verzuilde maatschappij – waarbinnen je de ‘Woodstockbezoekers’ ook als een soort links-liberale zuil zou mogen beschouwen – is vervangen door een samenleving van horizontale ‘bevolkingslagen’ die zich van elkaar onderscheiden door scholing, economische draagkracht, maatschappelijke weerbaarheid en culturele bagage en niet door ‘ideaal’. Met name Evelien Tonkens, hoogleraar burgerschap aan de UVA, heeft dit thema regelmatig benadrukt.
Voorbeelden van die lagen zijn dan bijvoorbeeld ‘de gewone, hardwerkende mensen’, ‘de hoge heren’ en ‘de linkse elite’. Binnen die ‘lagen-samenleving’ is het traditionele, aan ‘ideaal’ of zuil gekoppelde ritueel verdwenen. Enerzijds wordt de relatie tussen de verschillende maatschappelijke lagen gemanipuleerd door populisten door sluimerende rancune aan te wakkeren – maar dat valt verder buiten het bestek van dit festivalverhaal. En anderzijds maakt het ontbreken van nadrukkelijke ideologische tegenstellingen – het postpolitieke tijdperk van Žižek – dat het amorfe marktkapitalisme, met ‘trends’ en ‘lifestyle’ als verleiders, als voldongen feit wordt geaccepteerd.

Marktconform

Illustratie: Maarten Donders

Het onvermijdelijke gevolg is dat in de eenentwintigste eeuw de festivals – afgezien van het handjevol met een heel specifiek inhoudelijke focus – zich bij gebrek aan een in ideologie geworteld ritueel automatisch overleveren aan het marktsysteem. Vanzelfsprekend dat dan ook marketingtechnieken worden gebruikt om de potentiële bezoekers te verleiden. Trends en lifestyle-iconen worden ingezet – waarbij ‘lifestyle’ zelfs als nieuwe vorm van ‘ritueel’ zou kunnen worden gezien. Maar dan wel een ‘surrogaat-ritueel’. Daarmee belanden we echter op een zijpad van het festivalbetoog. Waar het om gaat is dat de festivalbezoeker gewoon ‘consument’ is geworden.
Tekenend is dat steeds meer festivals reeds uitverkopen voordat het programma bekend is. Iets dat niet onopgemerkt aan de media voorbij gaat, al blijven de verklaringen doorgaans wat aan de oppervlakte. The Observer publiceerde onlangs een verhaal van Miranda Sawyer waarin de overvolle festivalterreinen werden geplaatst tegenover de lege badplaatsen die in het verleden nog uitpuilden van de vakantiegangers. Conclusie: in de zomer met je tentje en je creditcard weekend na weekend van festival naar festival gaan, is het nieuwe vakantie vieren. En dan doet het programma van zo’n festival er nauwelijks nog toe. Het festival is, net als de vakantie voorheen, een tijdelijke vlucht uit het saaie dagelijkse bestaan en niet zozeer het verlangen naar een substantiële culturele verrijking.
Tot eenzelfde conclusie komt John den Braber in Nieuwe Revu, in het artikel ‘Uitverkocht? Het geheim achter het onstuitbare succes van de muziekfestivals verklaard’. Hij laat onder meer massapsycholoog Jaap van Ginniken aan het woord, die de ‘enorme drang naar authenticiteit’ signaleert. En in die behoefte proberen de festivals te voorzien – al maakt de marktwerking van deze authenticiteit automatisch een surrogaat-authenticiteit. De markt kan immers alleen maar surrogaat-rituelen produceren: ‘trends’. Maar de postpolitieke hand is snel gevuld.
Naarmate festivals meer marktconform worden, gaan ze ook meer op elkaar lijken. Waarin onderscheidt een festival met Anouk, Kane en Ilse DeLange zich nog van een festival met Anouk, Kane en Go Back To The Zoo? En waarin onderscheidt laatstgenoemde zich van een festival met Kane, Ilse DeLange en Go Back to the Zoo? Of van een festival met Racoon, Ilse DeLange en Anouk? Ondanks verschillende ‘namen’ laat een groot deel van het festivalaanbod in Nederland zich vergelijken met de ‘technische reproduceerbaarheid’ van het kunstwerk’ zoals door Walter Benjamin beschreven. De ‘aura’ of ‘echtheid’ verdwijnt volledig. En daarmee verdwijnt ook de authenticiteit waarnaar de festivalbezoeker zo hartstochtelijk op zoek is. En als die honger niet met het artistieke programma of ideologische eensgezindheid kan worden gestild, dan moet het maar met de middelen van de markt: ‘De unieke sfeer’, ‘de uitstekende faciliteiten’, ‘de onvergetelijke ervaring’.
Interessant is dat Benjamin zijn essay schreef in 1935, tegen een achtergrond van politieke omwenteling, het opkomend fascisme, en met de technologische revolutie van fotografie, film, radio en grammofoonplaat nog als heel recent gegeven. Nu, vijfenzeventig jaar later, zitten we in een vergelijkbare situatie met het opkomend populisme als politieke – of beter: ‘maatschappelijke’ – omwenteling en een technologische revolutie in de vorm van digitalisering en internet – met sociale media als immense maatschappelijke spin-off.
Terwijl het beeld en imago dat van Woodstock de wereld overging een interpretatie van het werkelijke festival was, in de vorm van een film en een album, betrof het wel een heel specifieke interpretatie. De hedendaagse festivals komen langs een veelheid aan wegen bij de ‘thuisblijvers’. Twitter en blogs, maar ook via traditionelere media als televisie. Een almaar groeiend aantal festivals genereert zo een lawine aan indrukken en stimuleert dat ook door Twitterwalls te plaatsen en journalisten van heinde en ver op de gastenlijst te plaatsen. Maar wat moet ik met een verslag op de website van Oor van een festival in Polen, Griekenland of Italië waar in principe hetzelfde staat als op Lowlands of Pukkelpop? Voor de ‘thuisblijver’ onderscheidt het ene festival zich alleen nog door de naam, die steeds meer als een ‘merknaam’ in de markt wordt gezet. Bezoekers herinneren zich een specifiek festival omdat ze uitgerekend daar hun grote liefde ontmoetten of hun portemonnee werd gerold. Maar dat zijn louter particuliere ervaringen die weinig met het festival zelf, laat staan de programmering ervan, te maken hebben.

Totalitair

Hoog tijd voor wat relativering. Uiteraard is het bovenstaande gechargeerd en zijn er nog genoeg ‘algemene’ festivals waar voor de gemotiveerde muziekliefhebber veel moois te halen is. Lowlands, Pukkelpop en onlangs het Spaanse Primavera, om maar drie voorbeelden te noemen, bieden genoeg muziek die de grauwe en risicoloze commercie ontstijgt. Tekenend is de euforie die Joost Heijthuijsen beschrijft op het Incubate Blog over het concert van zijn jeugdhelden Pulp op het Primavera-festival in Barcelona.
Het onderstreept dat festivals die zich niet op een ideologisch of artistiek ‘ritueel’ richten zich daarom nog niet per se aan de ‘grootste gemene deler’ hoeven te spiegelen. Als de doelgroep marketingtechnisch groot genoeg is, kan men zich beperken tot een ‘Ons Soort Mensen’-publiek. Zo trekt bijvoorbeeld Into The Great Wide Open een ander publiek dan Het Zwarte Cross Festival. Of je anno 2011 ‘typische Lowlandsgangers’ – afgezien van hun collectie polsbandjes – nog op straat kunt onderscheiden is de vraag, maar menigeen is daarvan overtuigd. Ook bij de ‘Ons Soort Mensen’-festivals is de muziek niet eenduidig te ‘focussen’ en gaat het vooral om samen zijn met mensen uit dezelfde sociale klasse, niet om een gezamenlijk ‘doel’. En nog minder om een individueel doel. Bezoeken van een festival lijkt meer op een vrijgezellenavond dan op de voettocht naar Santiago de Compostella – ook als je die voettocht met een groep vrienden onderneemt.
De honger naar authenticiteit die als een marketingmagneet de mensen naar een festival lokt, vraagt om een beetje ‘avontuur’. Maar niet meer dan een beetje en vooral risicoloos. We willen wel onze smartphone erbij op de camping. Illustratief in dit verband zijn de plekken op festivalterreinen waar je je smartphone kunt opladen. Alsof we daarmee nieuw leven tanken. Het hele idee van een offer brengen om iets nieuws te ervaren, is vrijwel onmogelijk geworden in een wereld waarin internet centraal staat. We kennen alles al. Hebben alles al eens ervaren. We gaan naar een festival om ons veilig te laten verrassen: we weten wat er komt en toch gaan we er volledig in op. Omdat we niet anders kunnen. Gevangenen van ons eigen systeem. Festivals, of de gecontroleerde ervaring, spelen daarin een essentiële rol. Zo wordt ontsporing voorkomen. Dat lijkt op het totalitaire regime dat Marcuse in de ‘One-Dimensional Man’ beschrijft.
Ook dit is wellicht wat gechargeerd gesteld. Natuurlijk is niet iedere festivalliefhebber volstrekt blind voor de mechanismen of slaaf van het systeem. Menigeen voelt dat er zaken wringen, al leidt dat nog niet direct tot revolte. Van verwarring en vervreemding kan echter zeker sprake zijn, zoals prachtig beschreven in het eerder genoemde verhaal van Heijthuijsen. Hij voelde zich op het Primavera-festival in een soort ‘vakantieresort’. Buiten het festivalterrein ontwikkelt zich in Spanje een steeds harder wordende werkelijkheid; op Primavera prevaleren euforie en consumptie. En Heijthuijsen zal niet de enige zijn die het zo ervaart. Toch wordt dat gevoel maar zelden herkend en publiek geuit.
Walter Benjamin sluit daar naadloos bij aan als hij schrijft: “Het conventionele wordt kritiekloos genoten; het werkelijk nieuwe wordt met tegenzin gekritiseerd.” Goed, hij doelde op de afnemende maatschappelijke betekenis van kunst, driekwart eeuw geleden. Maar ook hier zijn de parallellen helder. Hoe groter de festivals, hoe meer ze model staan voor de maatschappij zoals Marcuse die beschrijft. Daarin zijn kritiek en aarzeling naar de marge verdrongen, net als de verwarring zoals Heijthuijsen die ervaart. Wat uiteindelijk resteert is de radicale middelmaat. En hoe radicaal die kan zijn, bewijzen De Toppers door ‘Smells like Teen Spirit’ te coveren en ‘Het grootste festival van Nederlandse bodem’ dat zonder ook maar een spoor van gêne of ironie Peter Pan Speedrock naast Wolter Kroes en The Scene naast Albert West programmeert.

We are golden
Caught up in the devil’s bargain
And we’ve got to get ourselves
Back to the garden
(Woodstock – Joni Mitchell)

Peter Bruyn en Theo Ploeg

Comments


Reacties


Geen facebook? Reageer hier

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.



%d bloggers liken dit: