ESSAY Met kop noch staart

Als uit elke creatieve vorm van subversie trok de bovenwereld ook uit elke vorm van hacking (van het oud-Engelse haccian en ons hakken) de politieke angel. Reden voor Harold Schellinx om op de internationale conferentie Music and Hacking die er weer – een beetje – in te steken.

Als uit elke creatieve vorm van subversie trok de bovenwereld ook uit elke vorm van hacking (van het oud-Engelse haccian en ons hakken) de politieke angel. Reden voor Harold Schellinx om op de internationale conferentie Music and Hacking die er weer – een beetje – in te steken.

 

Kort geleden, op 8 en 9 november van het vorige jaar, zat ik twee dagen lang in de fraaie cinemazaal, helemaal onder in het Parijse Musée du quai Branley – Jacques Chirac, ook wel het musée des arts et civilisations d’Afrique, d’Asie, d’Océanie et des Amériques geheten. Het Parijse Tropenmuseum, zou je kunnen zeggen. Denk ik. Maar hou een slag om de arm. Want hoewel ik in Amsterdam heel lang bijna op de hoek van het Tropenmuseum woonde, kwam ik er – net als in alle musea – maar heel mondjesmaat. Enkel de gamelans, die bleef ik me herinneren.

Enkel naar kijken, aankomen niet

In het fraaie Parijse museum, gelegen in de schaduw van de Eiffeltoren, is het hoe dan ook allemaal meer dan een paar maatjes groter. En muziek staat er, heel letterlijk, centraal. Waar elders dit soort verzamelingen vooral in kelders en catacomben worden bewaard, is hier de volledige en adembenemende collectie van zo’n tienduizend niet-westerse muziekinstrumenten voor iedereen zichtbaar opgeslagen in een zes verdiepingen en zeshonderd en twintig vierkante meters tellende donkere glazen toren, die het gebouw doorsnijdt over een hoogte van drieëntwintig meter.
Maar nee, bespelen kun je ze niet, horen doe je niks. De kleuren, het licht, de adrenaline, het ritme en de muziek, je moet het er allemaal zelf maar bij verzinnen. Al dat wonderlijks, al die pracht, al dat handwerk… Je mag er alleen maar naar kijken, maar aankomen niet.

Kom daar nu nog maar eens om

Ik wentelde eromheen, de diepte in. Want die twee dagen in november toog ik voor de muziek naar de Quai Branley, zij het voor een muziek van een weliswaar marginaal en globaal maar in oorsprong toch uitgesproken westers soort. Hoe merkwaardig het in eerste instantie ook moge klinken: een etnografisch museum organiseerde de internationale wetenschappelijke conferentie ‘Music and Hacking: Instrumenten, gemeenschappen, waarden’, een gezamenlijk project met het prestigieuze Institut de recherche et coordination acoustique/musique, alom beter bekend als het IRCAM, dat in 1969 werd opgericht door componist en dirigent Pierre Boulez op verzoek van de toen net tot president van de republiek verkozen Georges Pompidou, een groot liefhebber van de moderne kunsten. Pompidou vond dat zijn Frankrijk – waar er voor zo veel culturele deelgebieden door de staat ruim gesteunde instituten zijn – ook hard aan een gloednieuw instituut voor actuele muziek toe was. Kom daar nu nog maar eens om!

Gemene interesses en een overlap

Toch floreert natuurlijk ook hier in een veel breder veld een grote groep creatief marginalen, welke veelal zonder vaste baan, zonder beurzen en zonder subsidies muzikaal steeds weer tot fijne en grootse dingen komen, maar voor wie, ondanks vaak evidente gemene interesses en een partiële overlap ook in artistieke praktijk, de deuren van ivoren toren instituten als het IRCAM gesloten blijven. Want veel sterker dan die partiële overlap is er het binnen/buiten-antagonisme, het inside/outside dat veel dieper reikt en voor een belangrijk deel natuurlijk politiek van aard is. Het IRCAM geldt dan hier vooral ook als een pars pro toto, waarbij in de Franse sferen het toto waar het muziek betreft vaak wordt omschreven als de Bouleziaanse muziekpraktijk. Omdat die verwijzing naar de vorig jaar overleden Franse muziek tycoon misschien niet alle Gonzo (circus) lezers direct zal aanspreken, en omdat ik echt zo snel geen Nederlands equivalent voor de man kan verzinnen – dat bestaat, denk ik, niet – kunnen we het ook ruimer en minder nationalistisch de academische muziekpraktijk noemen. Hoewel dat etiket de lading maar halfjes dekt.

Biertjes en verbreakte beatjes

In onze jarenlange praktijk van speculatief musiceren in de Franse hoofdstad en elders gaat, op een handjevol individuele en incidentele ontmoetingen met componisten en onderzoekers na, onze enige eerdere directe confrontatie met het IRCAM al meer dan twaalf jaren terug. In die dagen zochten we op gezette tijden de Parijse publieke ruimte op om er op de meest markante plekken als ‘Anti-Kabaal Commando’ in wisselende bezettingen met gecircuitbende of anderszins gehackte geluidsspelletjes en elektronische instrumentjes te concerteren, net zolang tot er door ordezakers of politie een eind aan werd gemaakt. In 2005 deden we dat op de stoep van het IRCAM, schuin tegenover het Centre Pompidou, op de Place Igor Stravinsky op het hoekje van de vrolijk-wulpse fontein met water spuwende mechanische sculpturen van Niki de Saint Phalle en Jean Tinguely. Heel erg hard was het kabaal nooit, want alles wat we gebruikten was draagbaar, van plastic en draaide op batterijen. Fris verstorende toy elektronica, avant-garde met verbreakte beatjes, dat zal het geweest moeten zijn, maar ik betwijfel of toen iemand daar binnen de IRCAM-toren iets van mee heeft gekregen, want na nauwelijks negen minuten maakte de politie al een eind aan ons statement. Niet omdat de speculatieve niet-Bouleziaanse performance hen tegen de officiële borsten stuitte, maar omdat een tweetal jonge meisjes afkomstig uit de in die jaren in Parijs heel actieve micromusic-gemeenschap onze verrichtingen volgden met opengetrokken blikjes bier. In de hand en aan de lippen. Publiek kabaal maken is tot daaraan toe, maar in het openbaar een biertje consumeren is, zo werd ons medegedeeld, op de Place Stravinsky en rond het Centre Pompidou, verboden. Oprotten dus.

Waarden

‘Hackerwaarden’, zo staat er te lezen in het programma van de conferentie, alsook in de eerdere oproep tot bijdragen, ‘omvatten het zich toe-eigenen en naar eigen inzicht aanpassen van technologische consumptiegoederen en een focus op het gebruik van vrij toegankelijke, gemeenschappelijke knowhow, gecombineerd met het plezier van serendipiteit, subversie en manipulatie. Kortom, hacking vormt de basis van een disparate, discrete vorm van sociaal protest: een reactie op een genormaliseerde, geglobaliseerde commerciële en industriële cultuur.’ Hacken, muziek hacken, dat is iets uitgesproken niet-Bouleziaans. Zou je zeggen. Toen de oproep tot bijdragen een paar maanden geleden via internet verspreid werd, waren de schampere reacties en steken vanuit de Parijse hackerswereld niet van de lucht.

Andersheid

Ik ga niet proberen om die discussie hier inhoudelijk te verduidelijken. Daarvoor is de rol die lokale verwijzingen en incidenten daarin spelen te groot; het zou een boek, boekje of op zijn minst een pamflet vergen. Maar de kern van de verwoorde schamperheid was dat het de Boulezianen en de conferentie niet zozeer te doen was om een overzicht van en inzicht in de artistieke, technische en creatieve verworvenheden van de niet-Boulezianen. De conferentie was vooral bedoeld als een antropologische casestudie, een studie van de niet-Bouleziaanse muziekpraktijk, van de onderwereld op de hoek, en wereldwijd. Vandaar natuurlijk ook dat we in cinemazaal van het etnografische Musée du Quai Branly aanschoven. Want in deze tijden van globalisering schuiven in cultureel-antropologische studies niet-Bouleziaanse culturen, in brede zin, steeds vaker in het gezichts- en aandachtsveld van hen die voorheen, wanneer het om ‘andersheid’ te doen was, zich vooral op het niet-westerse concentreerden.

Aliens

En wat wordt er dan zoal door zo’n nieuwe generatie sociologen en antropologen ontdekt, die zich breeduit in het niet-Bouleziaanse veld stort? Het had achteraf allemaal weinig kop, ook geen staart en zeker geen body, behalve dan dat ik misschien voor het eerst een beetje leerde hoe het moet voelen om de Zwarte Piet te zijn. Terwijl de doctoren en doctorandussen op hun powerpoints de niet-Bouleziaanse praktijk van een aantal van onze Parijse vrienden/collega’s probeerden door te lichten en te duiden, aan de hand van citaten, fragmenten uit interviews, een enkel stukje video, werd gaandeweg duidelijk dat veel van dat zogenaamde ‘onderzoek’ uiteindelijk vooral bar slechte journalistiek is. “Het lijkt wel alsof ze het over aliens heeft”, fluisterde ik Nic Collins in zijn oor, een oud-leerling van Alvin Lucier en schrijver van een klassieke handleiding om zelf elektronische instrumenten te bouwen (‘Handmade Electronic Music. The Art of Hardware Hacking’), die een beetje Nederlands verstaat, omdat hij in de vroege jaren 1990 als artistiek (co-)leider in Amsterdam bij STEIM werkte.

Topologie

Zoals het ons de afgelopen jaren regelmatig lukte om met een bijdrage rond onze visie op de niet-Boulezianisme (sub)cultuur wetenschappelijke bijeenkomsten ‘te hacken’, steeds vanuit weer andere muziekwetenschappelijke en/of multidisciplinaire invalshoeken, waren Magister Rébus en ik ook dit keer als sprekers in het Musée du Quai Branly genodigd, als altijd gestoeld op de kracht van een in galmende taal gesteld en zwaar intellectualistisch abstract: drie zinnen over anderhalf A4-tje. Dit keer was de titel ‘Theory and practice of musical, cultural and social hacking outside the manufactured normalcy field’ (theorie en praktijk van muzikaal, cultureel en sociaal hacken buiten het geprefabriceerde normaliteitsveld). En ook dit keer werd er weer veel en hard gelachen tijdens ons met passie en (soms gespeelde, soms echte) verontwaardiging gepresenteerde betoog in de vorm van een grotendeels geïmproviseerde duoperformance, die ondanks de vorm toch een heel serieuze poging was om ‘de muziek buiten de muziek’, de music outside music, te situeren op de mentale kaart die de Franse wiskundige René Thom ooit van het culturele landschap schetste, langs assen van (on)Waarheid en (on)Beduidendheid, maar waarop merkwaardigerwijs elke verwijzing naar muziek ontbreekt.

Ontologie

Hoewel de wortels grotendeels bij Russolo, Satie, Dada, Duchamp en – jawel – Piet Mondriaan zijn te vinden, is het vooral na de Tweede Wereldoorlog, dat het niet-Boulezianisme vorm en volume krijgt. In conceptuele en technologische zin. Onze theorie baseert zich daarbij met name ook op het artikel ‘Postmusic’, een essay voor een nieuwe muzikale ontologie, dat Nam June Paik in 1963 publiceerde in zijn Monthly Review of the University for Avant-garde Hinduism. ‘Music for the long road,’ schrijft Nam June Paik, ‘and without audience’ en ook ‘Music for the large place … and without audience’. De verwijzing naar unPublic-concerten zonder publiek ‘avant-la-lettre’ moge duidelijk zijn.

De Praktijk

UnPublic is dan ook de praktijk in onze voortdurende studie. Die vormt het kader voor de topologie waarbinnen we de open topografie van het weidse en het voortdurend uitdijende ‘terrain vague’ tekenen en onderzoeken dat – in even vage termen – enerzijds de werelden van de academische en institutionele cultuur verbindt, anderzijds die van de reguliere commerciële en pop(ulaire) cultuur, een woestenij die sinds Nam June Paik en het midden van de jaren zestig ontgonnen wordt door een wereldwijde anarchistische gemeenschap van kunstenaars die ervoor kiezen om te werken, parttime of fulltime, binnen wat wij in ons onderzoek voor een belangrijk deel weten te identificeren als de folkloristische toe-eigening van ideeën, methoden en prestaties van avant-garde kunst en (academische, experimentele, elektronische) muziek.

Gemeenschap en netwerk

Het is een gemeenschap en netwerk dat de afgelopen halve eeuw bleef groeien en bloeien, zonder steun of erkenning van de gevestigde culturele instellingen en zonder veel meer dan incidentele ad-hocfinanciering. Gegeneraliseerde collage en h[ij]acking, gestimuleerd door de opkomst van digitalisering en internet, zijn er de kern en het kloppende hart. Het heeft geleid tot de geboorte van een groot aantal afgeleide technieken en hun verschillende combinaties, in cut-up, noise, instrument building en design, circuitbending, turntablism, sampling, glitch, frippertronics (live-looping), allemaal ondenkbaar zonder voortdurende toe-eigening, deconstructie en ‘détournement’, in de zin van de Lettristen en de Situationisten.

Vertrouwen

Er ontbrak na afloop van onze succesvolle performance (‘U bent zo ontzettend lollig,’ glunderde een Chinese studente, ‘u lijkt heel erg op Mr. Bean!’) enkel nog een voorbeeld. Dat kwam er een dag later, met de achtenveertigste unPublic die – met toestemming van de directie – plaatsvond in de ivoren toren, in Studio 5 van het IRCAM-gebouw. Het was een klein niet-Bouleziaans accentje binnen maar vooral ook buiten de heel Bouleziaanse 24 uurs Music Hack Day die het IRCAM als toetje bij de conferentie organiseerde.
Veel geschreeuw, en heel veel gehackte en analoog modulaire elektronica. Maar de majestueuze concertvleugel die in de studio stond, die was stevig aangesnoerd en ingepakt. Daar mochten we alleen naar kijken.

Helemaal vertrouwen deed de directie het toch niet.

Nog meer nieuws krijgen over muziek en kunst?

Schrijf je in op de Gonzo (circus)-nieuwsbrief!