Interview: Marina Herlop

Na doorbraakplaat ‘Pripyat’, is de nieuwe lp van Catalaanse pop-excentriekeling Marina Herlop meer bedaard en uitgesponnen. ‘Het gaat erom dat je weet waar je die gekte kwijt kunt, daar waar je wil dat de aandacht van de luisteraar terechtkomt,’ vertelt ze aan Ruben van Dijk in onze nieuwste editie. Het resultaat is een album dat zachter, wat meer popachtig klinkt, en vooral stabieler is.
Marina Herlop - (c) Angelo Guttadauro

Bijna drie jaar lag de doorbraakplaat van Marina Herlop, ‘Pripyat’ (2022), op de plank. Ook ‘Nekkuja’, de florissante nieuwe lp van de Catalaanse pop-excentriekeling, ziet pas na lang wachten het daglicht. In de tussenliggende periode heeft Herlop haar artistieke zienswijze nader vorm gegeven.

Ik denk dat ik een spiritueel persoon aan het worden ben.

Werd de hoes van ‘Pripyat’ gesierd door een slak, dan toont het artwork van ‘Nekkuja’ de hele tuin. Op haar vierde album – het tweede sinds haar koerswijziging van klassieke pianomuziek naar cryptische avant-pop – is de groei die Marina Herlop heeft doorgemaakt onmiskenbaar. Waar ‘Pripyat’ lichtjes neurotisch was, klinkt ‘Nekkuja’ veelal bedaard en uitgesponnen. Het is een album dat als een ecosysteem is vormgegeven, compleet met veldopnames, en waarin Herlop de rol van tuinier vervult. Met elk voorbijgaand seizoen leert ze meer over haar ambacht – en dan te bedenken dat er sinds het maken van ‘Nekkuja’ al meerdere winters zijn verstreken.

Ik spreek Herlop via Zoom, enkele dagen voor ze naar Zuid-Amerika vertrekt voor wat voorlopig haar laatste liveoptredens zullen zijn. Na de release van ‘Pripyat’ toerde ze veelvuldig, oogstte ze lovende kritieken en had ze naar eigen zeggen het genoegen om middels interviews haar levensbeschouwing verder uit te diepen. Ook tijdens ons gesprek lijken bepaalde overtuigingen in real time tot haar te komen. Ouder en wijzer staat Herlop te popelen om zich weer volledig op de muziek te storten.

Rendement

Je creatieve weide was vergiftigd, schreef je over de periode waarin ‘Nekkuja’ ontstond, en dit album was een manier om je van die kanker te ontdoen.
‘‘Pripyat’ was al in 2020 klaar, maar het bleek heel moeilijk om de plaat uit te brengen. Ik voelde me futloos en hopeloos, dus uit een soort copingmechanisme stortte ik me op allerlei zaken die niets met mijn werk of mijn muziek te maken hadden. Het leven, weet je wel. Maar toen kwam de quarantaine en dacht ik: waar ben je mee bezig? Je moet verder gaan met je werk, je moet nieuwe muziek maken! Weet je, wij muzikanten – en alle mensen die een ambacht beoefenen – hebben geluk, want als er iets misgaat in het leven kunnen we altijd dáárheen. We hebben een vriend die ons nooit in de steek zal laten. Het kan zijn dat je een album maakt dat je geen succes oplevert, maar dat betekent niet dat het niet iets anders oplevert. Op innerlijk niveau betaalt het artistieke werk zich altijd uit. Alles dat je in de muziek stopt, geeft de muziek je terug. In 2020 wist ik: ik moet terug naar mijn piano. En dat heb ik nu ook – om dezelfde reden. Het is een heftig jaar geweest en ik kan niet wachten om me aan dat alles te onttrekken en weer de nerd uit te hangen. Terug m’n hol in.’
Voor ‘Pripyat’ voelde je een enorme druk vanuit je familie en vanuit de maatschappij in bredere zin om carrière te maken, las ik. Je hebt sindsdien twee albums uitgebracht, je bent dertig geworden. Ga je nu beter met die druk om?
‘Ik ben er steeds meer van overtuigd dat de zakelijke kant – hoe je je muziek uitbrengt, de erkenning die je ervoor krijgt, je ‘carrière’ – niets met muziek te maken heeft. Muziek zit van binnen. Voor ‘Pripyat’ uitkwam wist ik al dat het goed was. Datzelfde geldt voor ‘Nekkuja’: ik wist niet wat de gevolgen zouden zijn en of mensen het mooi zouden vinden. Als mensen het mooi vinden, dan ben ik blij, want natuurlijk geef ik daar om, maar mijn lot is bezegeld, ik ben tevreden. De ironie is dat, nu ik heb bewezen wat ik altijd al wilde bewijzen, ik vrede heb met wat er van mij verwacht wordt. Doordat ik zo hard heb gewerkt, heb getoerd en me heb bezig gehouden met de zakelijke kant, merk ik dat ik nu de muziek een schuld vereist ben.’

Puppy

In vergelijking met ‘Pripyat’ is ‘Nekkuja’ een heel sereen album, zonder per se minder vooruitstrevend te zijn. Waar kwamen in die periode tussen wal en schip deze hoopvolle gevoelens vandaan?
‘Toen ik met mijn muziek begon was ik heel terughoudend in het gebruiken van bepaalde elementen of akkoordprogressies die met popmuziek of sentimentele muziek te maken hadden, omdat ze de reden zijn dat veel muziek hetzelfde klinkt. Het was persoonlijk voor mij niet zo interessant. Ik maakte me niet druk om de structuur van een nummer, of had misschien een heel ander, veel losser idee van wat structuur is. ‘Pripyat’ was het eerste album waar ik zelf echt muziek aan het produceren was en ik voelde me een soort dwaze wetenschapper. Ik bleef maar tracks toevoegen in Ableton en had geen idee waar ik mee bezig was. Mijn creatieve proces was om er een bende van te maken, vervolgens boos op mezelf te worden omdat ik er zo’n bende van gemaakt had en dan de boel proberen op te ruimen. Alsof een puppy het huis overhoop haalt, waarop je bij thuiskomst alles weer op z’n plek moet zetten.’
En jij was zowel de puppy als de schoonmaker?
‘Zeker weten. Die twee kanten horen erbij als je muziek maakt. Maar des te wilder die eerste fase is, des te uitputtender is het tweede deel. Als je geen enkel plan hebt maar wel erg ambitieus bent, dan zit je voor je het weet met honderdvijftig tracks die allemaal 25 minuten duren. Het wordt chaos. En dat is wat er met ‘Pripyat’ gebeurde. Het was hard werken om daar iets van te maken. Dus toen ik met ‘Nekkuja’ begon, dacht ik: houd je vast aan dat wat onmisbaar is. Soms is dat dapperder dan proberen om zeven thema’s in één nummer te verwerken. Je moet dapper zijn om te zeggen: nee, dit is de énige melodie en ik ga die gewoon drie keer herhalen. Nu ik een tijdje muziek maak en niet meer zo angstig ben, voel ik niet meer die noodzaak om super experimenteel en opzienbarend te zijn. Ik wil nog steeds goede muziek maken, maar dat betekent niet dat ik de hele tijd gekke akkoordprogressies hoef te bedenken. Het gaat erom dat je weet waar je die gekte kwijt kunt, daar waar je wil dat de aandacht van de luisteraar terechtkomt. Ik ben me van dat alles wat bewuster en dat heeft inderdaad geleid tot een album dat zachter, wat meer popachtig klinkt, maar dat vooral stabieler is. Het voelt allemaal wat logischer. Daar hoop ik in de toekomst een stapje verder mee te gaan. Ik denk dat het volgende album veel experimenteler gaat zijn, maar op een volwassen manier.’

Holistisch

Een groot deel van dit album lijkt vanuit het perspectief van een soort archetypische tuinier geschreven, wat in zekere zin ook een heel creatief beroep is. Ben je zelf tuinier?
‘Haha nee, helemaal niet. Maar het is een treffende metafoor. Ik vind het een mooi idee dat een tuinier niet de nadruk legt op diens eigen creatieve behoeften. Je moet ook dat wat er in je omgeving speelt in acht nemen: wat voor een klimaat heb je, wat zijn de eigenschappen van de fysieke ruimte? Je geeft een ruimte vorm en natuurlijk doe je dat op jouw manier, daar ontsnap je nu eenmaal niet aan. Je doet dingen altijd zoals jij ze doet. Maar met name vanuit de popcultuur ligt er zoveel nadruk op de unieke stijl van een artiest, terwijl dat eigenlijk bijzaak is. Misschien is deze metafoor daarom een soort manifest om de nadruk op het kunstwerk te leggen, niet op de kunstenaar. Op de tuin en niet de tuinier. Als artiest is het belangrijk om je vooral op je werk te richten en om te beseffen dat het niet om jou draait. Het draait om dat wat je doorgeeft en dat doe je op jouw manier, maar dat is niet iets waar je trots op hoeft te zijn of je voor hoeft te schamen. Er is nu eenmaal geen ontsnappen aan.’
Op basis van dit album en dit gesprek lijk je met ‘Nekkuja’ een meer spirituele kant op te zijn gegaan. Toen het album uitkwam, schreef je op Instagram: ‘Ik zie een album als een offer aan de goden. Toen ik dit werk af had, was ik er geheel van overtuigd dat ik een prachtige vogel gevangen had voor de goden – en zo voelt het nog steeds’. Aan Pitchfork vertelde je begin dit jaar nog ‘niet een heel spiritueel persoon’ te zijn.
‘Ik denk dat ik een spiritueel persoon aan het worden ben. Toen ik als 25-jarige begon met het maken van muziek werd iets in mij langzaam aangewakkerd. Ik denk dat het er altijd al geweest is, maar dat ik me er nu pas bewust van word. Want als het er niet al was, denk je dat ik dan in staat was geweest om vier albums te maken, gewoon omdat het moest? Natuurlijk wilde en probeerde ik carrière te maken. En natuurlijk is er zoiets als je avatar, je persoonlijkheid. Maar als je al die tijd hetzelfde doet, dan betekent dat dat daar iets diepers aan ten grondslag ligt. Anders was ik wel iets ander gaan doen, had ik een bedrijfje opgericht. Er is iets, hoe moeilijk en pijnlijk het soms ook is, dat maakt dat dit werk zich op een meer betekenisvolle manier uitbetaalt.’

Nog meer nieuws krijgen over muziek en kunst?

Schrijf je in op de Gonzo (circus)-nieuwsbrief!