Interview: Pauline Curnier Jardin

Losse vrouwenhuiden die rondom naakte mannen dansen en een korte film over een zestiende-eeuws klooster voor oudere nonnen en sekswerkers: voor Pauline Curnier Jardin zijn het manieren om de onderbewuste lagen van verhalen te verbeelden. Ze is ‘altijd op zoek naar hoe de smerige kanten van de Europese samenleving toch altijd weer doorbreken, wat het christendom daar ook tegen probeert te doen,’ vertelt ze in onze nieuwste editie aan Maarten Buser. Via ons interview maak je kennis met deze excentrieke kunstenaar, wiens werk tot en met 21 april in het Centraal Museum te zien is.
Interview - Pauline Curnier Jardin / GC179

Van een klooster met een videoclip-esthetiek, tot losse vrouwenhuiden die rondom naakte mannen dansen: Pauline Curnier Jardin (Marseille, 1980) heeft verschillende zalen van het Centraal Museum (Utrecht) helemaal naar haar hand gezet. Maak kennis met een kunstenaar die gefascineerd is door onder meer lichamelijkheid en het Italiaanse katholicisme.

Ik verbeeld de onderbewuste lagen van verhalen.

‘De manier waarop ik tot de kern van mijn thema’s kom, lijkt eerder op dromen dan op studeren. Ik vertel verhalen en verbeeld de onderbewuste lagen daarvan.’ Die associatieve wijze van werken is niet verbazingwekkend, als je het oeuvre van Pauline Curnier Jardin ook maar een beetje kent. Ze maakt korte films, installaties en werken in een keur aan andere vormen, waaronder reliëfs en schilderijen. Al even divers zijn de soorten beeldtaal waarop ze zich beroept: van barokke versieringen (‘Babou fait la mort’, 2014), tot kitscherige Valentijnsdagreclames, inclusief een overdaad aan rozen (‘Qu’un sang impur’, 2019). Dan heb je het nog niet eens over de inhoud gehad: Curnier Jardin koppelt bijvoorbeeld in een en dezelfde video uitbundige heiligenverering aan de angst voor vrouwen in de overgang (‘Sebastiano Blu’, 2018). Je kunt met al deze kanten van haar oeuvre kennismaken tijdens ‘Hot Flowers, Warm Fingers’ in het Centraal Museum in Utrecht (tot en met 21 april): een solo-expositie met een prikkelende mix van katholicisme, surrealisme en feminisme.

Toneeldecor

Dit is weliswaar Curnier Jardins eerste museale overzicht in Nederland, maar haar kunst was er al vaker te zien. Ook studeerde ze hier aan de postacademische Rijksakademie van Beeldende Kunsten, wat deels haar binding met het land verklaart. Ze had verschillende kleinere solo-presentaties in dit land en is een graag geziene gast tijdens het International Film Festival Rotterdam. Ook de musea hier hebben haar inmiddels ontdekt. In 2018 stond er bijvoorbeeld een grote hand in het Cobra Museum (Amstelveen), die óók dienst deed als een soort grot waarin je naar een psychedelische film kon kijken over nonnen (‘Grotta Profunda Approfondita’, 2017).
Ook in het Centraal Museum maken de video’s deel uit van een ruimtelijke omgeving, die je als bezoeker het gevoel geeft in een soort toneeldecor te zijn beland. ‘Het begint voor mij altijd met het verlangen om een film te maken. Vervolgens bedenk ik daar een eigen architectuur omheen; de bioscoop als het ware. Ruimtes spelen een belangrijke rol in mijn maakproces, want die zijn een gereedschap om bezoekers onder te dompelen in een bepaald universum. Maar ze zijn ook een onderzoeksmethode, bijvoorbeeld om verhalen en hun personages bloot te leggen.’ Denk bijvoorbeeld aan ‘Adoration’ (2022-2023), dat prominent aanwezig is in de expositie. Dit is een korte film over een zestiende-eeuws klooster voor oudere nonnen en sekswerkers, die hier uit sociale druk intraden.
Curnier Jardin maakte de video en de bijhorende installatie – vol associatieve muurtekeningen – samen met een aantal inzittenden van een vrouwengevangenis. Die is net als het klooster in Venetië gevestigd – en zo ontstaat er bijna als vanzelf een verhaal. De kunstenaar stuitte tijdens haar onderzoek bovendien op een opmerkelijke geschiedenis: de nonnen konden tijdens het carnaval in de stad even ontsnappen aan de rol die hen werd opgelegd doordat ze verkleed een toneelstuk mochten opvoeren. In ‘Adoration’ krijgt dat theater een videoclipachtige esthetiek mee, inclusief lichteffecten en hoge hakken. ‘Het theater is mijn voornaamste inspiratiebron, zelfs nog vóór film. Ik heb het gevoel dat alleen toneel en dans zich kunnen meten met de literatuur als het gaat om catharsis; ook in groepsverband.’

Sint-Sebastiaan

Curnier Jardin mocht voor ‘Hot Flowers, Warm Fingers’ ook werk uit de verzameling van het museum tonen, waar ze een zaal mee vulde. ‘Dat was de eerste keer dat ik zoiets deed. Ik vond het erg grappig dat ik uit de archieven en depots mocht shoppen. Mijn keuze ging aanvankelijk hoofdzakelijk uit naar heiligen en religieuze rituelen. Vervolgens ontdekte ik twee fantastische schilderijen van Sint-Sebastiaan in de collectie.’ Voor de niet-katholieke lezers: deze martelaar werd vanwege zijn christelijk geloof vervolgd door de Romeinen, en ten slotte doorzeefd met pijlen. Mede doordat hij vrijwel altijd naakt werd afgebeeld, slechts bedekt met een lendendoek en gepenetreerd door fallussymbolen, groeide hij uit tot een homo-icoon. ‘In de kunstgeschiedenis en popcultuur is Sint-Sebastiaans lichaam ongelooflijk gefetisjeerd. Toen ik die schilderijen had uitgekozen, lag het bijna voor de hand om ook een kunstwerk van Joop Moesman uit te kiezen.’
De keuze viel op ‘Aangekomene’ uit 1933, een voor Moesman – de enige Nederlander die door surrealismepaus André Breton tot de stroming werd gerekend – enigszins atypisch doek, omdat het een mannelijk naakt betreft. Hij staat juist bekend om zijn schilderijen van vrouwen, die enigszins gedateerd seksistisch aandoen: het vrouwelijk lichaam als een soort ontmenselijkt landschap. Deze drie ontklede kerels worden in de tentoonstelling omringd door ‘Peaux de Dame’ (vanaf 2018), een serie zachte sculpturen. Dat zijn vrouwenhuiden van kunstleer, die ogen alsof ze door iemand uitgetrokken zijn (en die je in gedachten zelf zou kunnen dragen; over theater gesproken). ‘Deze zaal is voor mij een vreugdevolle omkering van de mannelijke blik: een furieuze dans, een theepartijtje, een euforische koepelgevangenis van vrouwenvlees rondom mannelijke naakten. Die combinatie zegt volgens mij veel over mijn relatie tot zowel genderkwesties als het surrealisme.’

Associaties

Curnier Jardins oeuvre wordt overigens nogal eens in verband gebracht met het surrealisme, vanwege eenzelfde vervreemdende karakter en soms psychedelische beeldtaal. Ze vertelt dat Leonora Carrington en Claude Cahun weliswaar ‘haar mentale metgezellen zijn, vanwege hun serieuze humor’, maar niet per se omdat ze tot deze stroming gerekend worden. Ook is wat van hun interesse in (vrouwelijke) seksualiteit en genderrollen te herkennen in Curnier Jardins eigen oeuvre. ‘Ik vind het zelf moeilijk om een lijn te trekken tussen mijn werk en de surrealisten uit België en Frankrijk: hun kleuren en emoties, hun relatie tot het lichaam, ze lijken me zo afstandelijk.’ De overeenkomst is eerder ontstaan door gedeelde inspiratiebronnen: ‘Mijn kunst is sterk beïnvloed door de psychoanalyse en esoterische praktijken. Ik vertrek inderdaad vanuit de vrije associatie en hou van eindeloze woordspelletjes. Daarnaast ben ik altijd op zoek naar hoe de smerige kanten van de Europese samenleving toch altijd weer doorbreken, wat het christendom daar ook tegen probeert te doen.’
Daarmee is ze aangekomen bij een veel belangrijkere inspiratiebron: de manier waarop in Zuid-Europese landen, en dan met name Italië, invulling gegeven wordt aan het katholieke geloof. Onder meer processies ter ere van heiligen zijn een belangrijke bron van inspiratie voor haar, zoals bijvoorbeeld te zien is in de oudere video ‘Explosion Ma Baby’ (2016). Die maakt helaas geen deel uit van de tentoonstelling, maar was wel langere tijd in het Centraal Museum te zien, als onderdeel van de collectiepresentatie. Curnier Jardin legde een processie ter ere van Sint-Sebastiaan vast met een eenvoudige handcamera, maar het resultaat oogt niet zozeer als een documentaire, maar eerder als een koortsdroom, dankzij overbelichting en close-ups van gespierde mannen en krijsende baby’s, die richting een standbeeld van de heilige worden gehouden. Zulke grootschalige, intensieve evenementen fascineren haar: ‘Je wordt dan helemaal ondergedompeld in ongelooflijke collectieve opvoeringen: euforische en extatische rituelen, waarin het lichaam een enorme macht heeft.’

Lichamelijkheid

Al die lichamelijkheid is gelijk een bruggetje naar haar eigen werk: ‘In mijn kunst zijn lijven altijd prominent aanwezig, zowel als onderdeel van een collectief, als op het niveau van losse details: huid, bloed, handen, ogen, enzovoort. De tactiele en visuele aspecten daarvan vormen het fundament van mijn oeuvre. Uit mijn films spreekt een aantrekkingskracht tot het lichaam in al zijn aspecten; zelfs tot dat van een varken. Er zijn ongetwijfeld talloze theoretische verklaringen voor deze voorliefde, en ik kan zo een aantal referenties en invloeden opnoemen. Maar bovenal probeer ik om op basis van die aantrekkingskracht verhalen, personages en werelden te scheppen.’

Behalve de rituelen en de lichamelijkheid, fascineert ook de beeldtaal van het zuidelijke katholicisme haar mateloos. ‘Die is overvloedig, kitscherig en barok, vol details en toespelingen. Dat levert zulke rijke en tegenstrijdige werkelijkheden op. Die verbeelding is ontzettend flamboyant.’ Die invloed is ook duidelijk te zien in haar eigen werk, bijvoorbeeld in een serie muurreliëfs waarin ze onder meer een scène uit ‘Explosion Ma Baby’ weergeeft. Ook de verzameling kaarsen van ‘Miracle Ma Baby’ (2023) komt je direct bekend voor als je ooit in een katholieke kerk bent geweest, met als vervreemdende twist dat de objecten niet kaarsrecht zijn, maar ogen als lange, gekromde vingers of zelfs penissen. Curnier Jardin concludeert enigszins plagerig: ‘Ik zou zelfs durven zeggen dat wanneer je het zuidelijke katholicisme kent, je helemaal geen surrealisme nodig hebt.’

Nog meer nieuws krijgen over muziek en kunst?

Schrijf je in op de Gonzo (circus)-nieuwsbrief!