Interview: Kasper De Vos

De Belgische beeldhouwer Kasper De Vos (1988) vergelijkt zijn sculpturen met een droom waarin je meegenomen wordt. Tegelijkertijd houdt de materiaalkeuze je in het hier en nu. Die speelse dubbelzinnigheid valt vanaf december te beleven in het Middelheimmuseum en vanaf januari in de PLUS-ONE Gallery, beide in Antwerpen.
Kasper De Vos

De Belgische beeldhouwer Kasper De Vos (1988) vergelijkt zijn sculpturen met een droom waarin je meegenomen wordt. Tegelijkertijd houdt de materiaalkeuze je in het hier en nu. Die speelse dubbelzinnigheid valt vanaf december te beleven in het Middelheimmuseum en vanaf januari in de PLUS-ONE Gallery, beide in Antwerpen.

‘Kunst is inmiddels geïndustrialiseerd.’

Met een grote glimlach vertelt Kasper De Vos over een voorval in zijn studententijd: ‘Ik liep door het bos, met flinke honger en een lichte kater. Daar ervaarde ik een soort fata morgana: een tak van een dennenboom deed mij in een flits aan een gebraden kippendij denken. Het was de eerste keer dat ik zo’n sterke ervaring had. Ik nam dat stuk hout mee naar het atelier en bevestigde mijn trip door dat stuk vlees eruit te beeldhouwen.’

De Vos ziet dat object als een studentenwerk, maar sindsdien zijn zulke plotselinge transformaties vaker terug te zien in zijn speelse oeuvre, dat bij nadere beschouwing behoorlijk gelaagd blijkt. Zijn kunst was in België onder meer te zien in Museum Dhondt-Dhaenens (Deurle), in het M HKA, het Middelheimmuseum en de PLUS-ONE Gallery. Op die twee laatstgenoemde plaatsen laat hij deze winter nieuw werk zien. Ook had hij in 2018 zijn eerste Nederlandse solotentoonstelling, in Vlaams Cultuurhuis de Brakke Grond in Amsterdam.

Combineren

Het oeuvre van De Vos, die vooral sculpturen maakt, zit vol gedaanteverwisselingen waarbij iemand de pauzeknop heeft ingedrukt. Een bescheiden selectie: een enorm uitvergroot ei dat steunt op een pallet en op zijn plaats gehouden wordt door spanbanden (‘Spinning The Self’, 2018); een eveneens forse walnootschil waarvan de twee helften gescheiden worden door dwarsbalkjes (‘Groeimal’, 2020), rustend op schragen; diverse beelden van losse lichaamsdelen die een afwezig lichaam tonen, en slechts op hun plaats gehouden worden door een gebruiksvoorwerp (onder meer ‘Strike’, 2018). Je voelt aan dat de kunstenaar veel plezier heeft beleefd tijdens het maakproces, met al die knappe, humoristische oplossingen, waar je zelf ook heel vrolijk van wordt.

Tegelijkertijd wringt er toch iets: de visuele elementen van de beelden zijn uiterst herkenbaar, maar de manieren waarop ze gecombineerd worden zijn allerminst vanzelfsprekend. Zodra eieren en walnoten niet alleen vergroot worden, maar ook nog eens worden vergezeld van bouwmaterialen, zijn ze opeens een soort architecturale constructies geworden. Je voelt een frictie tussen enerzijds een romantisch verlangen en anderzijds de industriële realiteit.

Combineren en transformeren lijken bij De Vos hand in hand te gaan. ‘Hoe meer je bezig bent met verbeelding en het bedenken, hoe meer je dingen gaat herkennen die er – nog – niet zijn. Als je bijvoorbeeld vaak hongerig bent, herken je regelmatig voeding in de materialen waarmee je werkt. Wanneer je sculpturen maakt, word je geconfronteerd met de ruimte om je heen en de relatie tot het object dat je daarin toont. Zodra het kunstwerk gemaakt is, zoekt het naar de ideale manier om zich te presenteren en te communiceren of te verleiden. Aan materialen en kleuren hangen herinneringen en associaties. Door die met elkaar te combineren en te contrasteren ontstaan er nieuwe verhalen in het hoofd van de kijker. Zo kun je een beeldverhaal maken waarin je de toeschouwer probeert mee te nemen.’

Droomfabriek

De Vos vergelijkt zijn maakproces met een scène uit een beroemd boek van Roald Dahl: ‘De Grote Vriendelijke Reus vangt dromen in een onderwereld en bewaart ze in flessen. Ik vind dat een heel mooi idee. Zo zou een ideaal atelier er ook uit kunnen zien voor mij, waarin ideeën rijpen in groeimallen, op grote rekken, zoals kazen die liggen te rijpen. Als een idee volgroeid is, kan het van de mal ontdaan worden; een soort droomfabriek. Dit klinkt misschien nogal romantisch, maar kunst is ondertussen óók geïndustrialiseerd. Ik probeer door het materiaalgebruik altijd wel een vorm van realisme in mijn werk te stoppen. De voorstelling van het beeld neemt je als het ware mee in een droom. Maar door de materialiteit blijf je tegelijkertijd in het hier en nu.’

Wat ook opvalt aan De Vos’ oeuvre is de grote diversiteit qua voorstellingen, maar ook qua media: van traditioneel boetseren tot het gebruik van gevonden voorwerpen. Hij combineert zulke werkwijzen ook regelmatig. ‘Daarom was dat boek zo fijn, omdat het liet zien dat er tegelijkertijd verschillende thematische sporen waren ontstaan, ondanks mijn intuïtieve werkwijze.’ Hij heeft het over de monografie ‘UNO’. In 2021 zat De Vos tien jaar in het vak en daarom werd zijn volwassen oeuvre – zoals dat dan heet – tot dan toe samengebracht in dit boek. Dat de speelsheid nooit verloren is gegaan, is terug te zien in die publicatie. Die is ingedeeld op basis van de vierkleurenkaart van ‘UNO’, een kaartspel.

‘De kleuren op die kaart komen vaak terug in mijn werk. Die werken zeer primair en helpen mij met het vertellen van een beeldverhaal. Ze komen bijvoorbeeld voor in bewegwijzering en in andere industriële toepassingen, maar ook in de voedingsindustrie en reclame wordt deze primaire kijkervaring toegepast om te verleiden en te sturen. In het boek gebruik ik de vierkleurenkaart als een samenkomst van vier thema’s die sterk in mijn werk naar boven komen: natuur, voeding, architectuur en het menselijk lichaam. Deze thema’s zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden: architectuur is bijvoorbeeld vaak geïnspireerd op de natuur. Waar ze elkaar overlappen of snijden, ontstaat een mogelijk idee voor een sculptuur.’

Associaties

De Vos’ werk vertoont een bepaalde uiterlijke verwantschap met het surrealisme, hoewel de insteek verschilt. ‘De surrealisten staan voor mij als groep toch vooral voor de tijdsgeest van toen. Ik denk dat de hele maatschappij inmiddels surrealistisch is geworden. Alles daarin komt uiteindelijk uit de natuur, maar dat besef drijft steeds verder weg.’ Hij hoeft niet per se die afstand te overbruggen of toeschouwers een les bij te brengen, merkt hij op. Het gaat hem eerder om het naar boven brengen van associaties die hij ervaart. ‘Onlangs was ik regenwormen aan het boetseren, deels vanuit de kinderlijke ervaring van het vinden van zo’n worm: dat was toch altijd wel een primaire ervaring.’

De wormen deden hem bovendien aan een andere interesse denken: ‘Ik heb altijd al een fascinatie gehad voor buizen die je tegenkomt op werven, waar de grond is opengesneden. Uiteindelijk zijn die buizen ook gewoon industriële wormen, die als darmen werken. Hierin komen voor mij veel dingen samen die iets over deze tijd zeggen: enerzijds een overlap tussen de natuur en de romantische herinnering daaraan, en anderzijds hoe kunstmatige systemen geïnspireerd zijn op menselijke en dierlijke anatomie. Op deze trip ga ik dan dieper in om een sculptuur of idee te ontwikkelen. Dat is denk ik toch anders dan bij de surrealisten, die twee heel verschillende dingen bij elkaar brachten om nieuwe associaties op te roepen.’

De Vos’ kunst heeft bovendien baat bij een zekere mate van herkenbaarheid. Hij hecht eraan dat je de materialen en het proces ervaart: ‘Ik wil geen magiër zijn; eerder een slechte goochelaar die laat zien hoe zijn trucjes werken. Het maakproces is voor mij zeer belangrijk en dat hou ik daarom graag afleesbaar. De meeste werken ontstaan ook vanuit het maken en de ervaring hoe iets groeit in het atelier, vandaar ook het idee voor het beeld ‘Groeimal’.’

Oernoot

Over walnoten gesproken: voor het Middelheimmuseum, een Antwerps beeldenpark, heeft De Vos recent een groot, bronzen exemplaar gemaakt: ‘Cast Of A Thought’. Dat zal vanaf december daar ergens in een boom hangen. Wil De Vos misschien met het werk net zo’n fata morgana oproepen als hij destijds in het bos beleefde? ‘Zo heb ik er nog niet over nagedacht. Het gaat mij om de verwondering. Het Middelheim is een zeer toegankelijk park; er komen ook gewoon joggers voorbij. Een schaalvergroting is een manier om mensen in een verhaal te trekken, omdat ze zich dan anders gaan verhouden tegenover het object dat ze al kennen.’

De Vos merkt op dat er in de relatie tussen park en beeld een totaal ander verhaal ontstaat. ‘Ik denk dat de noot een dankbare vorm is binnen deze context. Je zou die bijna als een modernistische sculptuur kunnen zien, waarin de natuur zodanig geabstraheerd wordt dat er enkel nog vormen overblijven. De omtrek blijft weliswaar sterk aanwezig, maar de uitvergroting roept ook de associatie op met enerzijds iets oerachtigs; de walnoot heeft trouwens ook de ijstijd doorstaan. Anderzijds krijgt de vorm ook iets futuristisch: je zou er bijvoorbeeld een ruimteschip in kunnen zien.’

Nog meer nieuws krijgen over muziek en kunst?

Schrijf je in op de Gonzo (circus)-nieuwsbrief!