Hoewel hij al twintig jaar in Japan woont en ook daar nog onvermoeid doorgaat met werken – hij beschouwt al zijn muzikale bezigheden in de eerste plaats als werk – blijft de ondertussen 56-jarige O’Rourke voor eeuwig geassocieerd met die vruchtbare experimentele Chicago-scene van de jaren 1990, toen hij onder meer furore maakte met Gastr del Sol en Brise-Glace. Niet alleen als muzikant, maar ook als producer en technicus drukte hij zijn stempel op bijna vier decennia muziekgeschiedenis. Hij is de stille kracht achter menig Smog-meesterwerk, werd voor enkele jaren aan boord gehesen bij Sonic Youth en leidde als een gediplomeerd verloskundige de geboorte van Wilco’s ‘Yankee Hotel Foxtrot’ in goede banen, wat de groep op een hoger creatief plan bracht. Tel daar nog zijn vele soloplaten en samenwerkingen met onder meer Illusion Of Safety, Tony Conrad, Keiji Haino, Nurse With Wound, Oren Ambarchi en Akira Sakata bij op en het mag duidelijk zijn dat in een interview met O’Rourke keuzes dienen te worden gemaakt. Het was aanvankelijk dan ook de bedoeling om O’Rourke en Ishibashi als duo te interviewen. Een uitgelopen doktersbezoek van die laatste veegde die plannen (en dus ook onze voorbereiding) op het laatste nippertje van tafel. O’Rourke stond ons dan maar in z’n eentje te woord vanuit zijn studio ergens in de Japanse Alpen. Gekleed in een t-shirt met daarop de hoes van Cecil Taylors ‘Unit Structures’ spreekt hij onder meer uitgebreid over de veelgelaagde samenwerking met Ishibashi, maar ook over musiceren met een laptop en een hardnekkig schuldgevoel dat hem parten speelt.
TECHNOLOGIE
Na enkele gelimiteerde cd-r’s, digitale releases en de soundtrack ‘Lifetime of a Flower’ is ‘Pareidolia’ het eerste echte album van jullie als duo. De plaat is het resultaat van een Europese tournee enkele jaren geleden waarbij de muziek via een specifiek proces tot stand kwam. Hoe zit dat juist in elkaar?
‘De voorbije twee jaren zijn we wat afgestapt van pure improvisatie. Ik organiseer het materiaal op voorhand in stukken van ongeveer tien minuten. Ik kan daarbinnen improviseren, maar enkel met die beperkte materialen die ik heb geselecteerd. Op een rare manier maak ik dus een soort setlist. Zo had ik voor die tournee ongeveer tien stukken voorbereid. Ik wil het eigenlijk geen songs noemen, want dat zijn het ook niet, maar ik vind moeilijk een ander begrip. Dankzij die ‘songs’ kregen de concerten een structuur opgelegd, wat niet vaak gebeurt bij geïmproviseerde muziek. We speelden altijd met hetzelfde materiaal en maakten daarmee andere versies. Op de plaat zijn uiteindelijk vier of vijf van die versies te horen. Eiko improviseert daarbij wel alles, maar het eerste deel van ‘Pareidolia’ speelden we op haar vraag wel telkens aan het begin van elk concert, omdat het als een startpunt klinkt.’
Persoonlijk vind ik dat nogal een donker en somber stuk. Heel apart om mee te beginnen.
‘Vind je? Waarschijnlijk zijn we ook sombere mensen (lacht).’
Je selecteert en organiseert de materialen, maar het muzikale verloop is een verrassing voor beiden?
‘Zeker, want ik weet niet hoe Eiko zal reageren. Zij weet op haar beurt wel welke materialen ik kan inzetten, maar op welke manier ik dat zal doen hangt af van het moment. Sommige dingen zijn herkenbaar, zoals een ritmisch element, maar ze zullen telkens op een andere manier worden verminkt. De machines die ik gebruik om deze dingen te maken neem ik niet mee op tournee. Daarom moet ik al mijn geluidsmateriaal op voorhand prepareren. Live ga ik niet synthetiseren, maar gaat het om processing, knippen enzovoort. Eiko gebruikt dan weer effecten, pedalen en een laptop, maar ze speelt ook fluit en mondharmonica.’
Ik vroeg me inderdaad al af welk instrumentarium jullie hanteren. De fluit en mondharmonica zijn herkenbaar, de rest wat minder. Wat gebruik jij?
‘Ik heb ook mijn laptop en dit ding hier dat voor mij heel belangrijk is(toont een grote controller, jc). Het heeft ongeveer tachtig draaiknoppen die ik kan toewijzen aan elementen binnen de software die ik schrijf voor de muziek.’
Is dat ook het materiaal dat je in alle omstandigheden verkiest of ga je voor een tournee kijken naar de meest praktische oplossing?
‘Wat ik niet mee kan nemen, ook omdat ik het live niet goed vind presteren, is Kyma, een combinatie van software en nogal dure hardware. 95% van alles wat ik de voorbije jaren heb gedaan was met Kyma. Het is eigenlijk echt iets voor in de studio, je maakt en programmeert er iets mee. Live gaat het meer om arrangeren en het veranderen van het geluid met de software die ik heb geschreven.’
Technologie creëert heel wat mogelijkheden, maar kan ook verlammend werken. Ik was vroeger best creatief met een drumcomputer, maar met de opkomst van muzieksoftware wist ik niet meer waar te beginnen.
‘Grappig dat je dat aanhaalt. Het doet me denken aan de vroege jaren 1990, toen ik al optrad met een laptop, wat zeer uitzonderlijk was. Later vormde ik met Christian Fennesz en Peter Rehberg het trio Fenn O’Berg. We stonden elk met onze laptop op het podium en kregen wel eens bierflesjes naar onze hoofden geslingerd. Ik gebruikte toen nog de software Max, wat in de jaren negentig nog iets totaal anders was dan nu. Ik kan je daarom wel volgen als je zegt dat er te veel opties zijn. Er hangt gewoon veel te veel aan vast. Een tijdje geleden heb ik opnieuw moeten stroomlijnen hoe ik die computer wilde gebruiken in een live context. Een gedeelte van dat werk bestond erin om dingen op voorhand te prepareren, zoals ik dat nu dus doe voor ons duo. Dat moest je in de jaren 1990 natuurlijk ook wel doen. Je moest bijvoorbeeld je samples klaar hebben, hoewel je door het beperkt geheugen in die tijd al geluk moest hebben als die vijftien seconden lang waren (lacht). Het blijft hoe dan ook een zoektocht, ik ben nog niet waar ik wil zijn wat betreft het gebruik van een computer in deze context.’
Gooien met bierflesjes ga ik niet vergoelijken, maar ik moet wel even advocaat van de duivel spelen: het is ook niet altijd zo interessant om naar laptopconcerten te kijken, toch?
‘Ooit heeft een nijdige Oostenrijker mij op een festival een stomp in de maag gegeven. Ik wist eerlijk gezegd niet dat het nog steeds zo’n issue was. In Japan is dat alleszins niet het geval.’
Het is voor veel mensen moeilijk te vatten wat iemand op zijn laptop doet in tegenstelling tot bijvoorbeeld een drummer.
‘Als mensen daar problemen mee hebben, dan is dat maar zo. Ik vind het een simplistische manier van redeneren. Persoonlijk vind ik het vervelender om naar een muzikant te kijken die freakt op zijn instrument en die vooral wil laten zien dat hij er helemaal in opgaat. Dat leidt me meer af dan iemand die naar zijn scherm tuurt.’
SCHULDGEVOEL
Eiko en jij werkten al samen in verschillende contexten en in uiteenlopende rollen. Hoe zou je jullie muzikale relatie omschrijven?
‘Ik zeg altijd dat ik de huistechnicus ben. Want ook al maakt Eiko zelf dingen, uiteindelijk belandt alles altijd hier in mijn studio. We spelen natuurlijk ook regelmatig, hoewel vooral in andermans bands of projecten. Eigenlijk is dat voor ons vooral een manier om eens op een andere plek in Japan te komen en daar te kunnen eten (lacht). We werken beiden enorm veel, meestal zo’n twaalf tot veertien uur per dag. Samen concerten spelen is voor ons dan ook een soort vakantie.
Op vakantie gaan is voor veel koppels al een relatietest. Samen touren gaat misschien nog een stapje verder?
‘De voorbije achttien jaar heb ik Japan misschien drie keer verlaten voor een verre tournee. Als we samen concerten kunnen spelen en ergens naartoe kunnen spreekt ons dat altijd wel aan. Wat we als duo doen werkt ook niet in een studio-omgeving. Om progressie te kunnen maken, moeten we concerten spelen. Daarom bestaat een groot deel van alle geïmproviseerde muziek uit liveopnames. De sfeer, de situatie, je tijdsgevoel zijn allemaal anders dan wanneer je in een studio zit.’
Jullie componeerden beiden ook muziek voor films. Hoe begin je daar eigenlijk aan?
‘Eiko is iemand die veel met de regisseur praat en overlegt. Ze heeft bijvoorbeeld een goede relatie met Hamaguchi die ‘Drive My Car’ maakte. Enkele jaren geleden schreef ze de muziek voor een animatieserie en ik weet dat ze toen demo’s maakte en die besprak met de regisseur. Tegenwoordig is het schrijven van muziek voor films een soort bandwerk geworden, een industrie, maar dat is voor ons een andere wereld. Wanneer wij filmmuziek schrijven, doen we dat omdat een regisseur ons wil en niemand anders. Persoonlijk hou ik er eigenlijk niet van, hoe vreselijk dat ook klinkt. Het belangrijkste voor mij is het uitkiezen van de instrumenten. Van zodra dat is gebeurd en ik de combinatie met de film zie werken, schrijft de muziek zich quasi zelf. De regisseurs laten me gelukkig ook mijn ding doen. Ze zullen wel weten dat ik niet graag aanwijzingen en opmerkingen krijg. Dan kunnen ze beter iemand anders inhuren. Mijn houding ten opzichte van het maken van filmmuziek is dus wat dubbel. Ik zou liever een film maken, dan de muziek schrijven.’
Waarom doe je dat dan niet?
‘Omwille van mijn Iers Katholiek schuldgevoel. De enige reden waarom ik geen filmmaker ben geworden is omdat ik het moeilijk vind om mensen te vragen iets voor mij te doen. Dat zorgt voor een enorm schuldgevoel. Ik zweer het, ik zou liever films maken dan muziek, maar het gaat gewoon niet. Natuurlijk maakte ik al wel video’s voor anderen, maar dan doe ik alles helemaal zelf, zodat ik me niet schuldig hoef te voelen. Misschien moet ik in de toekomst een soort tussenweg proberen te vinden, waarbij ik film en muziek combineer.’
Dan heb je waarschijnlijk wel wat favoriete regisseurs en soundtracks?
‘Soundtracks interesseren me niet zo, maar ik heb Michael Small altijd heel goed gevonden. Hij schreef de muziek voor ‘The Parallax View’ en ‘Klute’ maar is veel te vroeg gestorven. Meer recent vond ik Albert Serra’s ‘Pacification’ heel goed. Bertrand Bonello is heel goed in het schrijven van muziek voor zijn eigen films. Zijn laatste, ‘La Bête’ is fantastisch! Maar jullie hebben daar toch ook een geweldige regisseur? Hij maakte ‘Borgman’ en ‘Nr. 10’. (denkt na) Alex van Warmerdam! Ik kan trouwens echt genieten van de technische bekwaamheid van een filmmaker. Van een goed dolly shot bijvoorbeeld, daarvoor hoeft de film zelfs niet heel goed te zijn.’
Wanneer en op welke manier is improvisatie in jouw leven gekomen?
‘Ik kom uit Chicago maar mijn ouders zijn Iers. Toen ik jong was gingen we wel eens naar Ierland en ook naar Londen. Ik zag daar al vrij vroeg improvisatieconcerten en begon maniakaal platen te kopen, vaak van die moeilijk verkrijgbare dingen. Die muziek was een beetje mijn zuurstof op dat moment. Het duurde niet lang of ik speelde al zelf met Derek Bailey en anderen, hoewel ik amper ervaring had.
Ik hou het deksel van mijn archief liefst dicht.
CHICAGO
Voor velen ben je voor eeuwig verbonden aan die waanzinnig vruchtbare Chicago-scene van de jaren 1990, waar muren tussen genres als rock, improvisatie en freejazz werden gesloopt. Ook nu is er daar nog veel interessants gaande. Volg je het nog een beetje?
Eerlijk gezegd niet. Ik ben al vierentwintig jaar weg uit Chicago en ben ook niet zo’n veelvraat meer qua muziek luisteren. Ik sta wel nog in contact met vrienden uit die tijd. Met Ken Vandermark speelde ik hier vorig jaar nog. Chicago was volgens mij bijzonder om de buurten waar een grote concentratie was van clubs die breed programmeerden om rendabel te kunnen zijn. In die tijd was het normaal om de ene dag Peter Brötzmann te presenteren en de volgende dag een Cubaans percussiebandje. Er verhuisden ook veel mensen naar Chicago omdat het er zo goedkoop was. De enige echte Chicagoan die ik ken, naast mezelf dan, is Sam Prekop (The Sea and Cake, jc).
Het blijft een fascinerende tijd, waar ook jij veel in betekend hebt.
‘Zo lijkt het vooral, denk ik. Steve Albini, John McEntire (Tortoise, jc) en ik waren de geluidstechnici waar je moest zijn in die tijd. Steve en John waren echte professionals. Ik was wat goedkoper en vaak zelf gratis. Zij hadden ook een echte studio, ik niet. Maar op die manier werd mijn naam wel verbonden aan heel uiteenlopende dingen, ook al was het vaak gewoon werk.’
Met je Steamroom-pagina op Bandcamp, ben je enkele jaren geleden in je archief gedoken.
‘Oh ja, dat was ik al bijna vergeten. Ik moest toen wat rekeningen betalen (lacht). Normaal gezien probeer ik het deksel van mijn archief dicht te houden.’
Nochtans was er vorig jaar ook die verzameling archiefopnames van Gastr del Sol, ‘We Have Dozens Of Titles’. Daarover las ik overal enthousiaste reacties.
‘Echt? Het heeft me nochtans redelijk wat werk gekost om de fouten te herstellen die ik jaren geleden had gemaakt. Ik sta echt niet te springen om dingen uit mijn archief te halen. Die Bandcamp-pagina was leuk omdat ik op die manier muziek naar buiten kon brengen zonder dat die per se gelinkt was aan iets, zoals een nieuwe plaat of tournee. Ik wil daar ook niet meer betekenis aan geven dan dat. Als je het wil horen, dan vind je het daar. Er zijn dingen waar ik veel langer aan werk, zoals de plaat die ik maakte voor GRM enkele jaren geleden, ‘Shutting Down Here’. Daarin zitten drie of vier jaren van mijn leven.’
Je schreef recent ook een strijkkwartet, een compositieopdracht van het Londense hedendaagse ensemble Appartment House. Doe je zoiets wel vaker?
‘Dat is nog maar een handvol keren in mijn carrière gebeurd. Ik ben te weinig aanwezig in die wereld. Ik ben nogal een kluizenaar, moet je weten. Na mijn muziekstudies wist ik al dat ik geen deel wilde uitmaken van heel dat gebeuren. De meeste muziek die ik heb beluisterd in mijn leven is verbonden met die scene, maar ik vind het voor de rest prima om daar compleet buiten te staan.’
Het toont aan hoeveel uiteenlopende dingen je hebt gedaan. Heb je die diversiteit nodig om het fris en boeiend te houden?
‘Ik zie dat niet meteen als verschillende dingen. Er zijn een paar fundamentele esthetische aspecten die alles met elkaar verbinden Je wil die aspecten uittesten in verschillende situaties. Het is dus niet zo dat ik opeens interesse heb om met die specifieke instrumenten en dat ritme te gaan werken, het komt echt van binnenuit. De laatste muziek die ik maak is dan altijd een soort verslag daarvan, een stand van zaken.’
Dat betekent ook dat je nog steeds voldoende magie en mysterie in muziek kan terugvinden? Ik heb de indruk dat dat door het ouder worden toch wat wordt aangetast.
‘Daar ben ik zeker niet immuun voor gebleken. Misschien heeft het te maken met het feit dat ik niet meer in Tokio woon, maar ik heb ook niet langer het gevoel dat ik met alles mee moet zijn. Mensen zeggen me voortdurend dat ik dit of dat zeker moet beluisteren. Als iets echt heel goed is, zal het er binnen enkele jaren ook nog wel zijn. Dan zal ik het misschien wel ontdekken. Ik kijk veel liever naar een film dan dat ik een plaat opzet. Ook studeer ik graag, serieus! Wiskunde en fysica, dat motiveert me heel erg en zorgt ervoor dat ik nieuwsgierig blijf.’