Met de vierdubbele cd/lp-box ‘1975-1978’ komt een einde aan drie decennia tastbare stilte. Oosterlynck heeft in zijn kunst steeds met geluiden gewerkt: geprepareerde piano, stemexperimenten, muzikale installaties, enzovoort. Maar om tastbare releases heeft hij zich nauwelijks bekommerd.
Dat er in dertig jaar nauwelijks iets van Baudouin Oosterlynck op plaat of cd is verschenen, is geen groot cultureel onrecht, maar heeft alles te maken met een bewuste keuze van de kunstenaar.
Baudouin Oosterlynck (BO): “Ik gebruik inderdaad klanken en geluid, maar de manier waarop men mijn werk moet ervaren, is voor mij even belangrijk als de muziek zelf. Ook bijvoorbeeld de lichaamshouding (soms liggend) is van groot belang. Mijn muziek is soms verborgen (Oosterlynck verstopt zijn sonore installaties en luisterprothesen soms in muren, glazen objecten of onder de grond, pv) en vergt van de luisteraar een extra inspanning om haar te bereiken. Enerzijds doe ik dit omdat ik vind dat er al genoeg lawaai is, anderzijds is dit een mooie manier om de intimiteit tussen luisteraar en ‘componist’ te vergroten. Ik maak bewust geen platen van mijn installaties, performances of luisterinstrumenten, want dat heeft gewoon geen zin: de manier waarop men de werken ontvangt is belangrijker dan de muziek zelf. Bovendien vind ik dat plastische kunstenaars het veel gemakkelijker hebben. Als het werk eenmaal voltooid is, hoef je het enkel nog uit de kast te halen. Musici moeten keer op keer hetzelfde herspelen, en daar heb ik geen zin in omdat het mijn evolutie belemmert. Sinds ik in 1978 begonnen ben met het maken van muziekinstallaties, breng ik deze vooral in een circuit van culturele centra, galeries en musea.”
Cage op kamers
Ondanks zijn lage profiel, is de eerste lp (1978) van Oosterlynck al jaren een fel begeerd collector’s item in kringen van noise-/industriële en experimentele muziekliefhebbers, tot enige verbazing van de maker.
BO: “Tot zes maanden geleden wist ik niet eens dat er zoiets als industriële/noise-muziek bestond! Ik kan dus niet zeggen of ik met dit genre enige affiniteit voel. Sorry voor al wie hier mee bezig is. Misschien moet ik maar eens een platenspeler kopen… en luisteren. Het is puur toeval dat Timo Van Luijk en Greg Jacobs (Metaphon, pv) mijn oude plaat hebben beluisterd. Pas na lang aandringen heb ik ze ook de rest van mijn werk laten horen. Van hen heb ik begrepen dat er nu belangstelling is voor deze muziek, en dankzij hen heb ik mijn eigen muziekstukken uit de periode 1975-1978 opnieuw ontdekt. Gelukkig hebben ze dit werk willen publiceren op cd en vinyl, anders zou het misschien vergeten zijn. Zelfs door mij!”
Waar industrial nog ontontgonnen terrein is voor Oosterlynck, heeft hij des te meer kennis over klassieke muziek. Hij verwijst steevast naar Beethoven, Debussy, Bach, Mozart enzovoort als ‘de Grote Meesters’. Ook de experimentele, elektro-akoestische en tapemuziek is hem zeer vertrouwd. Door de combinatie van geprepareerde piano en stiltes, is John Cage natuurlijk een onvermijdelijke referentie.
BO: “John Cage is als een grootvader voor mij, en ik ben heel trots dat hij een paar weken voor hij stierf het ‘Fifty Percent Mesostic’-gedicht over mijn oeuvre geschreven heeft. Nadat Eric De Visscher, de directeur van het Instrumentenmuseum in Parijs, hem een catalogus bezorgde van mijn werk over stilte, schreef hij ‘If seen is music unheard if heard shall we look at it afterwards’. Eind jaren 1960, begin jaren 1970 heb ik in Leuven aan de UCL nog concerten georganiseerd met Cage, Stockhausen, Kagel, Busotti enzovoort. Meestal was er een publiek van slechts vijf tot dertig personen, en moesten de artiesten in studentenkamers slapen. Voor ons was dat geen enkel probleem: we deden dit vanuit een innerlijke drang en het was zeer boeiend om in contact te komen met deze baanbrekende artiesten.”
Sleutelgeklingel
Baudouin Oosterlynck is net niet geboren in een piano, en hij is ook steeds nieuwsgierig geweest naar onorthodoxe gebruikswijzen van het instrument.
BO: “Thuis hadden we een Bechstein 3/4 vleugelpiano, en ik heb er vanaf mijn zesde levensjaar ook altijd op geïmproviseerd. Toen ik begin 1960 in Doornik op internaat zat, kreeg ik pianolessen, en wij gingen ’s avonds vier kilometer te voet naar Halles Aux Draps om klassieke concerten mee te maken. Het betrof natuurlijk alle klassiekers, maar evengoed Henri Pousseur. Toen we in de donkere nacht terugkeerden, liet de kapucijn die ons begeleidde de sleutels van het college tegen de deur klingelen en zei: ‘Ecoutons l’âme du bois.’ Iedereen genoot hiervan en het bood nieuwe luisterperspectieven. Zo ben ik met muziek in aanraking gekomen, en ik mag gerust zeggen dat ik ook als kind al op de snaren van de piano speelde. De paters hadden er geen enkel bezwaar tegen, alleen mijn vader zei dat ik te veel pedaal gebruikte! Pas later is mijn broer begonnen met mijn muziek via een bandopnemertje te registreren, en het was voor mij een ontdekking om mijn eigen improvisaties te kunnen beluisteren. Vanaf dat moment wist ik waar ik mee bezig was. Afstand is belangrijk om te kunnen oordelen.”
Luisteren naar stilte
Stilte (volgens sommigen de meest complexe vorm van muziek) is in het gehele oeuvre van Oosterlynck van groot belang. Hij verwijst naar verschillende soorten stilte, en onderneemt zoektochten naar stilte.
BO: “Stilte is complex en heeft vele facetten. Om te beginnen hangt ze af van de kwaliteit van jouw eigen oren. Ik had eerst een achttal dagen stilte nodig om mijn oren te laten rusten, opdat ze rijp zouden zijn om de variaties van stilte waar te nemen. Luisteren naar stilte impliceert dat er een stabiele lucht is zonder geruis. Luisteren naar stilte is luisteren naar de druk van de lucht op het trommelvlies. De kwaliteiten van de stilte zijn afhankelijk van de vochtigheidsgraad, de warmte/koude en de hoogte. Ook omgevingsfactoren (een berg, verbrande bossen enzovoort) spelen een rol. Elke klank hangt af van de stilte die hem draagt, en ik houd me bezig met de parameters van de muziek: stilte, tijd en klanktint.”
Er zijn ook mensen die beweren dat stilte niet bestaat, maar Oosterlynck is het niet met hen eens.
BO: “Er bestaan kamers zonder echo, waar je na verloop van tijd de lage tonen van jouw eigen bloedcirculatie en de hoge tonen van je zenuwbanen hoort, maar dit zijn slechte voorbeelden als je over stilte wilt spreken. Zeggen dat stilte niet bestaat is een foute, puur intellectualistische houding. Stilte is inderdaad veel complexer, en men kan haar pas ervaren als men de verschillende parameters tegemoet komt. Begin jaren 1990 heb ik, te voet en per fiets, vijftienduizend kilometer afgelegd om stiltes op te zoeken in de natuur. Ik heb tweeëndertig mooie stiltes gevonden. Ze zijn voldoende beschreven in mijn boeken, en ik kan alleen maar aanraden om op dezelfde data dezelfde plaatsen te bezoeken. Ze opnemen heeft geen enkele zin. Het is een totale fysieke ervaring die niet reconstrueerbaar is. Ik zet deze ervaringen zelf wel om in tekeningpartituren.”
Ondergrondmuziek
De manier waarop Oosterlynck tijdens exposities de toeschouwer bij zijn werk betrekt, is opvallend. In het boekje bij de retrospectieve vierdubbele lp/cd-set staan persoonlijke notities waarin hij overweegt om voetstappen toe te voegen aan een bepaalde compositie. Maar uiteindelijk besluit hij dat de luisteraar zelf maar deze stappen moet zetten. Voorbeelden waarin hij de luisteraar een actieve rol toebedeelt zijn legio.
BO: “In negentig procent van mijn werken na 1978 is er interactie met de luisteraar. Als de luisteraar zich niet aanpast, hoort hij gewoon niets, en soms is hij effectief de enige die iets hoort aan sommige luisterprothesen is zelfs een stethoscoop bevestigd voor individueel luisterplezier, pv). Ik verkies een intieme relatie. Muziek is een ontmoeting, en ik houd niet van concerten waar tussen de tweehonderd en de tienduizend mensen aanwezig zijn. De ontvankelijkheid van de luisteraar wordt verbroken door de aanwezigheid van anderen. Mijn werken zijn poëtische experimenten, en de luisteraar kan ze het best ervaren als hij zich in mijn positie plaatst. Ik heb veel tijd nodig gehad om te doorgronden waarom ik mijn muziek in muren, achter glazen wanden of onder de grond verstop. De voornaamste reden is mijn jeugd als Franstalige Vlaming (Oosterlynck werd in 1946 geboren te Kortrijk, pv). Ik moest verbergen dat ik Frans sprak, want anders werd ik met een vorm van sociaal racisme geconfronteerd. Ik heb me lang een buitenlander gevoeld in mijn eigen land, en daarom ben ik uiteindelijk in 1979 naar Wallonië verhuisd. Mijn buitenlandse hoedje dat ik altijd draag, refereert nog steeds aan dit gevoel.”
Verborgen taal
Een ander belangrijk element is de menselijke stem. De intuïtieve vocalen doen denken aan een Latijnse mis of Gregoriaanse gezangen. Soms is het stemgebruik tegelijk dreigend en naïef. Misschien is de vergelijking met een kind dat voor het eerst in zijn leven een Latijnse mis hoort, en nadien de gezangen imiteert, hier op zijn plaats. Andere stemmen zijn afkomstig van (of doen denken aan) ‘mentaal gehandicapten’. Oosterlynck vond de inspiratie in zijn katholieke opvoeding.
BO: “Ik heb mijn hele jeugd doorgebracht bij de kapucijnen in Doornik. De gebeden en gezangen begonnen om zes uur ’s ochtends en eindigden om negen uur ’s avonds. Er werd gebeden voor de aanvang van elke les, enzovoort. Ik denk niet dat een jongere generatie zich hier nog iets bij kan voorstellen, maar al mijn muziek is hiervan doordrongen. Soms is de link ernstig, een andere keer ironisch of naïef. In 1978 ben ik voor het stuk ‘Suite For A Bondage Room’ begonnen met zingen in een spontane, ter plaatse uitgevonden taal. Soms zal ik mijn stem versnellen of vertragen, zoals bij gestoorden die onbewust iets willen verbergen. Begin jaren 1970 werkte ik als kinesitherapeut voor hart- en longpatiënten aan de Universitaire St.Pieterskliniek. Ik ging regelmatig met hen naar het zwembad, en daar ontmoette ik soms mensen met een zware mentale handicap. Hun onbegrijpelijke taal interesseerde me enorm. Het leek alsof ze klanken konden maken waar gewone mensen niet toe in staat zijn. Bij sommige klanken was het zelfs onmogelijk te vatten of ze een vrolijke of trieste betekenis hadden. Nadien heb ik uren stemmenmateriaal verzameld in instellingen voor autisten en mensen met een mentale handicap, en ben ik met dit materiaal gaan experimenteren. Zo ontdekte ik bijvoorbeeld dat deze geluiden in de buurt komen van gewone taal als ze worden versneld of vertraagd. Ik ben nadien met mijn stuk ‘Refuge’ naar een instelling in Bosvoorde teruggekeerd. Het resultaat was fantastisch: iedereen kwam met zijn hoofd en gehele lichaam tegen de luidsprekers wrijven, en iedereen kroop over elkaar heen. Voor het eerst hoorden ze muziek die gemaakt was met hun stemmen, hun taal en hun emoties. Dit kan ook een reden zijn waarom ik mijn muziek in muren of onder de grond verstop: ik wil gewone mensen in een gelijkaardige houding manoeuvreren.”
Turnles voor het oor
Oosterlynck verwijst opvallend vaak naar het fysieke aspect van muziek maken (bijvoorbeeld piano spelen). In één van zijn bekendere citaten, zaait hij verwarring tussen alle mogelijke vormen van kunstenaarschap, om uiteindelijk te besluiten dat hij een turnleraar is.
BO: “Ik ben turnleraar en kinesitherapeut geworden omdat ik graag aan sport deed. Gedurende tien jaar heb ik deelgenomen aan atletiekcompetities. Natuurlijk had ik een beroep nodig om mijn brood te verdienen, en Beethoven heeft gezegd dat in de kunst het onderwijs het graf is van de inspiratie, daarom heb ik voor turnleraar gekozen in plaats van kunstonderwijs. Natuurlijk leg ik nog steeds lichamelijke houdingen op aan mijn luisteraars. Het gaat bij mij immers over oren die naar de muziek gaan, niet over muziek die naar de oren gaat.”
In het archief van Oosterlynck zitten nog talloze uren geluidsmateriaal, maar de kans dat de box op Metaphon een vervolg krijgt, schat hij klein in.
BO: “Ik denk niet dat er nog platen komen, want dat kadert niet in wat ik doe sinds 1979. Vanaf dan heb ik me toegelegd op de ecologie van de klank. Voor wie interesse heeft in mijn werk zijn er tien boeken, twee films, video’s, meer dan zestig muziekinstallaties, luisterinstrumenten en honderdtachtig partituurtekeningen. Tot zesentwintig oktober is er een BuitentenHoorstelling in Château de Seneffe (in de buurt van Nijvel, pv) in het kader van ‘Nature Des Sons’. Andere deelnemers zijn Christina Kubisch, Pierre Berthet, Paul Panhuyzen, Erik Samarkh en Bob Verschueren. Van vijfentwintig tot achtentwintig september komt er een tenHoorstelling in het theater van Château de Seneffe met de Prothesen, Aquafonen en luisterinstrumenten uit de periode 1994-2004. In september neem ik ook deel aan Happy New Ears te Kortrijk.”
Voor wie interesse heeft in het werk van Baudouin Oosterlynck is de vierdelige box (lp of cd, in een beperkte oplage van vijfhonderd exemplaren) op Metaphon een essentiële aankoop. De gepresenteerde werken geven een volledige beeld van het oeuvre (inclusief de legendarische lp) van deze geluidskunstenaar in de periode 1975-1978. Het geheel is stijlvol verpakt en een informatief boekje met persoonlijke aantekeningen en karakteristieke foto’s maakt het meervoudig zintuiglijk genot compleet.
“De kunstenaar beschouwt me als een verzamelaar.
De verzamelaar beschouwt me als een kunstenaar.
De beeldend kunstenaar beschouwt me als een beeldhouwer.
De beeldhouwer beschouwt me als een componist.
De componist beschouwt me als een visuele kunstenaar.
M.R. beschouwt me als een minnaar.
En als ik zeg dat ik een turnleraar ben,
lacht iedereen me uit!”
