Essay De smaak van urine en het vlot van de Medusa

Met in Parijs van de straten geraapte kartonnen verpakkingen bouwde de Nieuw-Zeelandse kunstenaar Michael Ghent in drie dimensies de allegorie na die schilder Théodore Géricault twee eeuwen eerder ontleende aan het navrante relaas van het Medusa-vlot. Harold Schellinx volgde de hekgolf van een schip der staten dat op ramkoers ligt. Nu actueler dan ooit!

Met in Parijs van de straten geraapte kartonnen verpakkingen bouwde de Nieuw-Zeelandse kunstenaar Michael Ghent in drie dimensies de allegorie na die schilder Théodore Géricault twee eeuwen eerder ontleende aan het navrante relaas van het Medusa-vlot. Harold Schellinx volgde de hekgolf van een schip der staten dat op ramkoers ligt. Nu actueler dan ooit!

Omdat de Fransen er het koloniale bestuur van de Britten zouden overnemen liet Lodewijk de Achttiende twee eeuwen her vier schepen zeil zetten richting Senegal: een fregat, een brik, een fluit en een korvet. Het flottielje dat op 17 juni 1816 het ruime sop koos vanuit de haven van Île d’Aix, een minuscuul stukje door zee omgeven land voor de Franse kust ten zuiden van La Rochelle, was als een fier kwartet, een vierkoppige band, met hun lokken wuivend in de windblaasmachine. Tenminste, voor wie er uit de verte naar keek. Als we inzoomen en het geluid een streepje hoger zetten, wordt die band al gauw een carnavalesk theater met orkest, dat eerder iets van de Ark van Noach heeft.
Het was een kleine volksverhuizing. Verdeeld over de boten gingen op en in het kielzog van het fregat de Medusa – met aan boord de vers benoemde gouverneur van de kolonie, Schmaltz, en zijn familie – onder meer acht klerken, twee pastoors, twee onderwijzers, twee apothekers, vijf chirurgijns en heelmeesters, twee ziekenhuisdirecteuren, vier bakkers, een ingenieur van het bergwezen, een ingenieur der aardrijkskunde, een landbouwer voor de Europese voortbrengsels, een landbouwer voor de koloniale voortbrengsels en een hovenier mee, naast een handvol utopisten en filantropen die in het onontgonnen Afrika hun toekomst zochten. Ook geleerden van divers pluimage waren van de partij, diplomaten, ontdekkingsreizigers en maar liefst drie compagnies soldaten met hun officieren, naar verluidt van het napoleontische soort. Er voeren ook een aantal vrouwen en kinderen mee, maar overwegend ging het om kerels. Een matrozenorkest misschien nog om op de eerste juli de rituelen bij het passeren van de Kreeftskeerkring luister bij te zetten? Dat zou helemaal mooi zijn geweest en omdat voor mij de wens soms best de vader van de gedachte mag zijn, wil ik het niet bij voorbaat uitsluiten.

Kermis-in-de-hel

De expeditie stond onder leiding van Hugues Duroy de Chaumareys, een aristocraat die in 1790 de Franse Revolutie ontvluchtte en zich vele jaren in Engeland schuilhield waar hij als contrarevolutionair actief was. Politiek gezien was het Frankrijk uit die tijd een chaotisch heen en weer, een kermis in de hel die, toen de revolutionaire rook weer wat was opgetrokken, Duroy de rang en de inkomsten van fregatkapitein bezorgden. Onder meer dankzij zwaar overtrokken en volgens sommigen blatant onware verslagen, die hij zelf schreef en verspreidde en die de loftrompet staken over zijn koningsgezinde contrarevolutionaire activiteiten. Hoewel Duroy al ruim een kwarteeuw aan geen enkele scheepsbemanning meer leiding had gegeven werd hij de kapitein van de Medusa en commandant van de expeditie. Een politieke benoeming, want zij ging ten koste van de bonapartist die tot die tijd aan het roer van het fregat had gestaan.
Duroy verzuimde zijn onkunde te verhullen door de veilige koers van de andere drie schepen te volgen. Omdat de nieuwe gouverneur hem achter de broek zat, had hij zich voorgenomen als eerste van het kwartet in Saint-Louis, de bestemmingshaven, te arriveren. Gesterkt door de bluf en de geveinsde expertise van een zelfverklaarde filosoof en filantroop genaamd Richefort – een gewezen marine-hulpofficier die er net tien jaar Engelse petoet op had zitten – sloeg de commandant alle bij het vertrek door het ministerie der Marine verstrekte instructies voor de te volgen route in de wind. Hij stevende linea recta met de Medusa op de Afrikaanse kust af en de tweede juli liep het fregat vast. Op een zandbank.

La Machine

Een kleine vierhonderd personen waren er aan boord van het schip dat niet meer of voor- of achteruit kon. Monarchisten en bonapartisten, gelovigen en ongelovigen, geletterden en ongeletterden, doeners en denkers. Een handjevol van een hogere, maar de meesten toch van lagere stand. Het was een aardige afspiegeling van het toenmalige Frankrijk, dat samen met de Medusa daar zo’n tachtig kilometers uit de Afrikaanse kust schipbreuk leed. Net als wij 21ste-eeuwse westerlingen nu, in een net zo gestrande en zich als schijndemocratie ontpoppende samenleving, dachten ook veel van de Medusers toen dat het allemaal zo’n vaart niet zou lopen. Het zat even tegen, maar het juiste windje zou vast snel opsteken om het schip weer vlot te blazen. Om daar een handje bij te helpen door met een tijdelijke opslag buitenboord van lading en levensmiddelen het schip wat lichter te maken, zette de bemanning de bijl in de boot. Met hout en balken van onder meer de masten werd langs de zijkant van het fregat in en op het zilte water een begin gemaakt met de bouw van een groot vlot dat uiteindelijk een honderdveertig vierkante meter mat; twintig in de lengte en zeven in de breedte. De passagiers, die zo goed en zo kwaad als dat ging hielpen bij de bouw van het vlot en het ontladen van de boot, hadden al snel een naam voor het ding: La Machine.

Macereren

Het beetje hoop dat na drie dagen nog restte werd de bodem ingeslagen toen een donkere storm onstuimige golven blies en midden in de nacht van de vierde op de vijfde juli de boot deed barsten. Toen de daaropvolgende ochtend het water metershoog in de kiel stond, werd in paniek besloten dat het tijd was het fregat te verlaten. Het was de opmaat tot een drama met een hoog horrorgehalte dat wereldwijd berucht werd als symbool van een falende samenleving en de laffe onbekwaamheid en desinteresse van haar dirigenten. De Machine was het schouwtoneel, want de zes kleine sloepen en boten met riemen waarover de Medusa beschikte konden maar een deel van de vierhonderd opvarenden meenemen. De aartslafaard Duroy zocht er als een van de eersten een veilig onderkomen en even later zaten vooral ook de andere gefortuneerden onder de reizigers comfortabel in de reddingsboten. Voor de ongeveer honderdzeventig overblijvers restte enkel De Machine. Zeventien van hen weigerden het schip te verlaten, maar zo’n honderdvijftig man en één vrouw pakten zich die vijfde juli samen op het vlot, zonder drinkwater en – afgezien van wat vaten wijn – zonder rantsoenen. Ze stonden er op een houten vlonder die door het gewicht van die aanzwellende kluit mens al snel niet meer op maar ónder het water dreef. Dat vind ik zelf het verschrikkelijkst: als de olifanten die Hannibal per vlot de Rhône wilde laten oversteken stonden die Medusers tot halverwege hun dijen in de Atlantische Oceaan te macereren.
De boten poogden in het begin nog het volgestouwde vlot aan touwen mee te slepen richting kust, maar toen na een kleine twee uur bleek dat men zo enkel pas op de plaats maakte, werden die navelstrengen zonder het minste pardon door de bazen gekapt.

Watermuziek

Terwijl de ongeveer honderdvijftig Medusers op de stuurloos tollende Machine achterbleven, velen tot hun middel in het water en continu doorweekt door de golven die in een onstuitbaar ritme het vlot overspoelden, verdwenen de zes boten achter de horizon. Verbluft en sprakeloos viel er een stilte waarin enkel nog de elementen klonken.
Omdat onderwateropera’s als genre tegenwoordig opgang maken, zouden we in een spektakelfilm voor breed publiek nu de muziek in kunnen zetten zoals het Deense ensemble Between Music doet, door als vissen in aquaria fraaie en ingenieuze onder water bespeelbare instrumenten te bespelen. Dat had het orkestje kunnen zijn. Of misschien toch liever een strijksextet als op de Titanic, dat ook hier maar door blijft strijken als de voor een keertje meedogende Poseidon met zijn machtige drietand het vlot onder in de touwen grijpt en het langzaam naar zich toe trekt, de diepte in. Dat scenario was voor de meeste Medusers een zegen geweest. Wat we dan horen is ‘The Sinking Of The Titanic’ van Gavin Bryars, muziek die in idee de ronde, donkere stilte onder water nog steeds het beste benadert, vooral in de versie zoals die in 1975 op Brian Eno’s Obscure-label verscheen. Een ode ook aan de speculatieve theorieën van Guglielmo Marconi, die ervan overtuigd was dat geluid dat ergens ooit heeft geklonken op die plek nooit helemaal zal verdwijnen, er enkel steeds zachter klinkt.
Maar nog voordat we hebben kunnen kiezen, heeft de verblufte stilte van de schipbreukelingen plaats gemaakt voor blinde woede en kraait het oproer op een plek waar daar absoluut geen ruimte voor is.

Schandaal

Het drama dat zich in de daaropvolgende dagen op de op drift geraakte Machine voltrok werd wereldkundig dankzij het gedetailleerde ooggetuigenverslag van twee van de overlevenden: de ingenieur der aardrijkskunde, Alexandre Corréard, en chirurgijn Jean-Baptiste Savigny, die een eerste versie schreef tijdens zijn terugreis naar Parijs, oorspronkelijk bedoeld als vertrouwelijk rapport voor de minister der Marine. Dat rapport werd – het blijkt van alle tijden – naar de pers gelekt. Corréard en Savigny veroorzaakten met ‘Le Naufrage de la Méduse’ een schandaal van internationale omvang, vooral door de kannibalistische passages waarin vlotgangers de flarden vlees van de kadavers van hun medepassagiers rukken en rauw verorberen. Of de regels die chirurgijn Savigny wijdt aan de smaak en dorstlessende kwaliteit van diverse soorten urine. Het komt niet veel later allemaal nog eens terug in zijn proefschrift ‘Observaties over de effecten van honger en dorst na het zinken van het koninklijk fregat Medusa in 1816’, waarop hij in mei 1818 promoveert tot doctor in de medicijnen.
Dertien dagen en twaalf nachten duurde de apocalyptische drift van Medusa’s Machine, maar al bij het aanbreken van de vierde dag was het aantal overlevenden geslonken tot nog slechts dertig. Van de andere honderdtwintig gooide een aantal zichzelf in de golven. De rest werd door medepassagiers afgemaakt en gedumpt tijdens twee nachtelijke slachtpartijen, aangewakkerd door wanhoopswaanzin, de wilde zee en grote hoeveelheden wijn. De morele vlekkeloosheid die Savigny zichzelf in zijn verslag toedicht is weliswaar verdacht, maar of er sprake was van een cynische berekening door degenen die het beste deel van de vlonder bezet hielden (het machtscentrum) blijft onduidelijk. Ook onwaarschijnlijk, gezien de onmenselijke omstandigheden die op het vlot voor iedereen golden. Wel kwam door die grote opruiming De Machine gedeeltelijk weer boven de waterspiegel te liggen en kregen de overlevenden een beetje meer kans om de aanhoudende beproevingen en deliria – door zee, dorst, honger en een kolkend brandende zon – te trotseren. Optimaliseren van de overlevingskans, die gelijk opging met de snel slinkende hoeveelheid wijn, was de reden dat op de zevende dag de sterksten alle zieke en nauwelijks nog levende zielen overboord keilden.
En toen waren er nog zeventien. Of zestien. Of vijftien.

Docu-fictie

Hoewel de Franse overheid er in eerste instantie alles aan deed om het gebeurde in de doofpot te stoppen, zorgden de getuigenissen van de overlevenden en vooral die van Savigny en Corréard ervoor dat Hugues Duroy de Chaumareys kort na zijn terugkeer in Frankrijk uit zijn functies werd ontheven en als verantwoordelijke voor drie jaar de gevangenis indraaide. Blijvende faam kregen de schipbreuk en de daaropvolgende helse drift van De Machine echter vooral door de allegorische docu-fictie-scène die de Franse romantische schilderster Théodore Géricault ontleende aan het ooggetuigenverslag van Corréard en Savigny, en die hij met hun hulp en een groot aantal studies van versneden lijken en ledematen met veel oog voor detail verbeeldde op een doek van ruim 35 vierkante meter voor de Parijse salon van 1819. Het afgebeelde moment is dat van de ochtend van 17 juli 1816, de dertiende dag van de drift, als de vlotgangers ver aan de horizon de masten van een schip ontwaren. Het is de brik de Argus, die later op de dag de vijftien man die de ontberingen op het vlot overleefden aan boord zal nemen.
Géricaults doek baarde in de salon veel opzien en oogstte zowel het gezochte schandaal als furore, maar werd als te controversieel en te politiek beladen beschouwd om voor de nationale collectie van het Louvre te worden aangekocht, met zijn impliciete aanklacht tegen de koningsgezinde commandant maar ook tegen de slavernij, vanwege de centrale plek die de schilder aan een zwarte schipbreukeling toebedeelde. Een jaar later ging Géricault daarom met zijn ‘Vlot van de Medusa’ naar Londen, waar het zes maanden lang een groot succes was en tienduizenden betalende bezoekers trok.
Kort na zijn vroege dood, in 1824, wordt het doek alsnog door het Louvre aangekocht. Daar is het steeds nog te aanschouwen.

Parodieën

Het is natuurlijk niet zozeer het journalistieke beeld dat de schilder schiep als fotomoment avant la lettre op jumboformaat van een dramatisch fait divers in de geschiedenis van de Franse zeevaart. Het is vooral het zinnebeeld van een samenleving die schipbreuk lijdt dat door de eeuwen heen tot de verbeelding bleef spreken. Die schipbreuk is ernst, en die dramatische ernst is ongetwijfeld de reden van de vele kopieën, varianten en parodieën in allerlei maten, soorten en materialen die er in de loop der jaren van Géricaults meesterwerk werden gemaakt. Ik zal niet de enige zijn die het vlot leerde kennen in Goscinny en Uderzo’s ‘Asterix en het 1ste Legioen’ (de oorspronkelijke Nederlandse vertaling van ‘Astérix légionnaire’ uit 1967; tegenwoordig is de Nederlandse titel ‘Asterix als legioensoldaat’).
En waar vandaag de dag hele volksstammen met gammele bootjes die lijken op vlotten over oceanen vluchten en ons schip der staten meer dan ooit op ramkoers ligt, stuurloos van door geldzucht gebaarde illusies van vooruitgang, is Théodore Géricaults monumentale allegorie weer actueel, misschien wel actueler dan ooit.
Met die actualiteit in gedachten was de tweehonderdste verjaardag van de schipbreuk van de Medusa in 2016 voor de Nieuw-Zeelandse kunstenaar Michael Ghent (Street Level Industries) aanleiding om anderhalf jaar lang te bouwen aan een meer dan levensgrote 3D-versie van de Medusa Machine, vervaardigd van in de Parijse straten opgeraapte kartonnen verpakkingen, hetzelfde materiaal dat hij in een eerder net zo monumentaal werk gebruikte voor de weergave van de eindeloze stroom slinkse motto’s en slogans die, met nauwelijks verholen cynisme, als black magic spells dag en nacht op ons worden afgevuurd door commercie, religie en politiek. (‘Trust Us’, 2016)

Vrieskou

Zijn Medusa Machine was eerder dit jaar, van 28 januari tot 4 februari, onder de titel ‘Dérive’ te zien in de resonante vrieskou van het Parijse La Générale Nord-Est, recht tegenover het stadhuis van het elfde arrondissement. Ik had er het voorrecht om op verschillende momenten bij, rond en onder het kartonnen vlot te mogen musiceren, met of zonder Michael Ghent, die ook bij tijd en wijle met klank werkt. In de kou die de klok sloeg leek de grote Générale-hal nog meer dan anders op een gigantisch aquarium waar al het water zojuist per aderlating uit was weggelopen.
De poorten naar de straat stonden open. Daar werd het hartje winter natuurlijk nog veel kouder door, maar dat was nodig, vond Michael Ghent, zodat ieder die er langsdreef ook naar binnen toe zou kunnen drijven. Soms gebeurde dat ook. Het leidde tot een aantal opmerkelijke ontmoetingen. Zo stond ik plotseling oog in oog met een muzikant die net vanuit Iran in Parijs was aangekomen en die een daf bij zich had: een lijsttrommel die in die contreien veel wordt geroerd.
Hij zei dat hij Ali heette.
Ik vertelde op mijn beurt over Michael Ghents kartonnen ‘Dérive’, over de Machine van de Medusa, het schilderij van Géricault en ook dat bijvoorbeeld de Duitse componist Hans Werner Henze in de late jaren 1960 een aan Che Guevara opgedragen oratorium had geschreven dat ‘Das Floß der Medusa’ heette, waarin het hele verhaal van Corréard en Savigny van A tot Z in het Duits te beluisteren was. In de revolutionaire chaos van die dagen leidde dat tot veel heibel toen het stuk op 9 december 1968 in Hamburg met sterren als Edda Moser en Dietrich Fischer-Dieskau in première ging.
Alsof de duivel ermee speelt was ook dat op mijn verjaardag.
Ich bin ein Meduser,” zei ik daarom tegen Ali.
Dat klonk misschien een beetje raar, maar het was natuurlijk waar.
Want Medusers zijn we allemaal.

Nog meer nieuws krijgen over muziek en kunst?

Schrijf je in op de Gonzo (circus)-nieuwsbrief!