Harolds Hoofd Stuk: De Man van Geluid

Voor zijn 22e Hoofd Stuk haalde Harold Schellinx ‘The Tuning Of The World’ uit de kast, het boek waarmee de Canadese componist, schrijver en onderzoeker Raymond Murray Schafer (1933-2021) zo’n 45 jaar geleden het idee van ‘soundscape’ (klank[land]schap, geluidslandschap) brede bekendheid gaf.
Harolds Hoofdstuk #22

Voor zijn 22e Hoofd Stuk haalde Harold Schellinx ‘The Tuning Of The World’ uit de kast, het boek waarmee de Canadese componist, schrijver en onderzoeker Raymond Murray Schafer (1933-2021) zo’n 45 jaar geleden het idee van ‘soundscape’ (klank[land]schap, geluidslandschap) brede bekendheid gaf. Het opende menig oortje.

Being is noise; nothingness is silence

Waar een wetenschap als de natuurkunde de waarnemer zo ver als mogelijk buiten beeld houdt in haar queeste om fysieke verschijnselen te verklaren, staat die waarnemer bij een psycholoog juist centraal. Die kan niet anders dan uitgaan van het feit dat onze buitenwereld uit waargenomen fenomenen bestaat. Wat wij kunnen kennen is zuiver ‘sensatie’: veranderingen die externe stimuli in ons zenuwstelsel ‎– het eeuwige schild tussen ons en de wereld ‎– teweegbrengen.

Lichaam en geest

Dat is de centrale these van het in 1905 verschenen ‘L’âme Et Le Corps’ van de Franse psycholoog Alfred Binet (1857-1911), bedenker van de eerste intelligentietesten: geen zintuig kan ons het wezen van de werkelijkheid waarlijk onthullen. Er zijn dan ook geen hogere of lagere zintuigen, en het visueel verklaren van iets dat je hoort (wat natuurkunde en andere wetenschappen doen, stelt Binet, door ‘dingen die trillen’ als oorzaak van geluid aan te wijzen) is even absurd als het klinkend uitleggen van iets dat je ziet.

Dat leidt hem tot het formuleren van een opmerkelijke omkering van onze visuele bias: ‘Vertrouw jij op je ogen? Ik vertrouw liever op mijn oren! Denk je dat het de stemvork is die je ziet trillen? Niks niet! Wat er écht gebeurt is dat de stemvork een geluid produceert dat op ons netvlies een idee van beweging veroorzaakt, een puur subjectieve gewaarwording; de externe oorzaak van het verschijnsel is: geluid! … De werkelijkheid is een magistrale symfonie van klank die verrijst uit de onmetelijkheid van de ruimte.’ En ik doe dan Binets intrigerende conclusie in het Engels, want daarin klinkt hij het lekkerst: ‘Being is noise; nothingness is silence.’

André`

Onder het pseudoniem Mark Anély ging de eveneens Franse schrijver, dichter, scheepsarts, etnograaf, sinoloog en archeoloog Victor Segalen (1878-1919; in Nederland vooral bekend als dichter/scheepsarts met een levensloop als die van onze Slauerhoff) de uitdaging van Binet aan, door er in de zomer van 1907 een opmerkelijk kort verhaal rond te schrijven: ‘Dans un monde sonore’ (‘In een wereld van geluid’; de eerste Engelse vertaling ooit verschijnt, samen met wat andere aan muziek gerelateerde teksten van Segalen en een essay van David Toop, dit najaar bij uitgeverij Strange Attractor).

Terug uit het verre Maleisië besluit de verteller zijn ouwe vrind, de natuurkundige André, op te zoeken. André heeft zijn baan aan de universiteit opgegeven en zich op het platteland teruggetrokken om daar in rust verder te werken aan zijn akoestische onderzoekingen. Maar het eerste dat André’s vrouw Mathilde hem bij aankomst in vertrouwen meedeelt: je vriend kreeg een klap van de molen. We volgen vervolgens de verteller met Mathilde de trap op naar boven, naar de grote, schemerige kamer waar haar gade meesttijds verblijft, in een galmend cocon van geluid dat een met klankkunst bekende hedendaagse lezer aan Alvin Luciers ‘I am sitting in a room’ zal doen denken.

Met twee grote harpen langszij, omgeven door resonerende vaten en mysterieuze zelfgebouwde apparatuur die enkel nog wat fijnstemming behoeft, ontpopt hij zich er tot: André, de man van geluid. Wanneer de vrouw de twee mannenbroeders alleen laat om het avondmaal te bereiden, onthult ook de man van geluid wat zijn hart bedrukt: Mathilde is van lotje getikt, die denkt dat ze enkel door haar ogen leeft. ‘In het donker hoort ze niet,’ voegt hij er bedrukt aan toe. De verteller raakt zo virtueel gevangen tussen twee werelden: een wereld van horen en een wereld van zien. ‘Is André een Orpheus en Mathilde zijn Eurydice? En welke wereld is de mijne?’ … En tot zijn eigen verbazing voelt hij zich in de loop van zijn bezoek steeds meer neigen naar de wereld van de man van geluid.

Klandlandschappen

Had het tijdsverschil er niet geweest, dan zou ik er een mooi centje om willen verwedden dat Segalen zich voor zijn verhaal niet alleen door Binet, maar ook door R. Murray Schafer had laten inspireren. Als er één naoorlogs componist is waarop het predikaat ‘man van geluid’ van toepassing is, dan is het de onlangs overleden Schafer. Ik las zijn ‘Tuning of the World’ de eerste keer in 1984. Schafer en zijn muziek werden dat jaar op het Holland Festival gepresenteerd. Het was ongetwijfeld de reden dat ik die zomer een microfoontje uit de ramen van mijn toenmalige woning in de Amsterdamse Derde Oosterparkstraat hing om het ‘soundscape’ buiten vast te leggen. Op twee cassettebandjes.

‘‘SOUNDSCAPE’ 1. Achter’ tikte ik met de typemachine op het omslagkartonnetje van het eerste. En daaronder: ‘Zondag 29 juli 1984, 16:17-17:17’. Nou nam ik al vele jaren lang overal, en ook buiten, geluiden op die me in het oor sprongen om ze bij het muziek maken te gebruiken, of om ze als eigenzinnige geluidsobjecten à la Pierre Schaeffers musique concrète te bewaren. Maar die zondag registreerde ik de geluiden in mijn dagelijkse omgeving voor het eerst op een manier die aan ‘documentaire’ deed denken. Het werd een weliswaar lo-fi maar ook ‘complete and unabridged’ klankschap in de geest van Schafer, dat zich vanaf een random beginpunt een uur lang ontvouwde.

Ik heb er nu, ruim 37 jaar later, voor het allereerst integraal naar geluisterd. Een hele ervaring. Ook ik ben een man van geluid: als het stil is zie ik niks, en ik heb nauwelijks visuele herinneringen aan hoe het er toen bijlag in Amsterdam-Oost, tussen de lange rijen van laatnegentiende-eeuwse arbeiderswoningen, gezien vanaf mijn aangebouwde en door vocht en mos half vermolmde houten terrasje. Maar met dat oude bandje kon ik bijna veertig jaren terug in de tijd kijken. Met mijn oren.

Gegil en gerochel

Wat vooral opvalt is een relatief harde, constant golvende ruis, als van een branding (hoewel de Noordzee toch ‎– nog ‎– niet in het Oosterpark aanspoelt). Was het water uit een brandslang of een sproei-installatie die op die fijne zomermiddag pal onder mij aanstond? Bij het schokbrekerbedrijfje dat de benedenruimte voor onduidelijk werkzaamheden op onduidelijk tijden gebruikte?

Er klinkt gegil en gegiebel van spelende kinderen van ver en dichtbij, metalige klanken als van rinkelende schroeven of sleutels, gepraat, muziek, geboor en getimmer. Her en der slaan af en toe driftig honden aan. Soms rochelt een windvlaag in het microfoontje en van ver waaien flarden verkeersgeluid over, een sirene loeit, auto’s toeteren en opgevoerde brommers ronken (het enige van de geluiden dat je nu in onze steden nauwelijks nog horen zult). Iemand zaagt hout met een cirkelzaag.

Een jongeman fluit ‘Last Night A DJ Saved My Life’ en zo rond 16:48 barst een vrouw uit in gezang. Iemand zet dan de radio aan, waarna het op de voorgrond ineens een komen en gaan van fluitende vogels wordt en er ook nog een helikopter overkomt. Na een uur slaat de cassettespeler abrupt af en die verre, voor mij steeds nog volledig beeldloze wereld, verdampt weer.

Geluidsbeelden

Schafers ‘The Tuning of the World’ (in 1994 heruitgegeven als ‘Our Environment And The Soundscape’) is een kolkende mix van historie, manifest, pamflet, essay, onderzoek en onderzoeksprogramma, waarin ik destijds vooral de oproep las om de geluidsbeelden overal om ons heen te registreren, te bewaren en naar hartenlust artistiek te exploiteren. Inclusief – het essentiële verschil met Pierre Schaeffers musique concrète ‎– alle contextuele connotaties (sociaal, politiek, historisch, geografisch) die voor ons altijd zo nauw met wereldklank en geluidslandschap verbonden zijn.

Bij herlezing is het met name de lange bloemlezing van klankbeschrijvingen in de wereldliteratuur die nog steeds erg de moeite waard is. En zijn beschrijving van de evolutie van het klinken van onze wereld in de loop der eeuwen, van de oudheid tot na de ‘Elektrische Revolutie’ en de komst van geluidsregistratietechnieken, die ‘s mens kijk en grip op muziek en geluid totaal op zijn kop hebben gezet. We zijn sinds pakweg een eeuw niet meer aan louter beeld en woord gebonden om een klinkend slagveld als dat van Waterloo te herbeleven. We kunnen er nu ook ‘echt’ naar luisteren, zoals ik veertig jaar later met de ogen dicht weer op mijn terrasje achter de Derde Oosterparkstraat kan staan horen.

Geluidsoverlast

Vooral curieus voor de lezer van nu zijn de lange lijsten die een poging vormen tot classificatie van alle mogelijke ‘wereldgeluiden’, en de schema’s en tabellen om met het oor waargenomen geluiden te noteren te analyseren. Het is allemaal deel van een schets voor een analytisch instrumentarium dat door de tegenwoordig zo ruimschoots beschikbare digitale middelen volstrekt achterhaald is.

Ten slotte is er de geluidsoverlast, waar Schafer tegen ten strijde trekt (ook iets ‎– tussen haakjes ‎– dat aan mij persoonlijk wat minder is besteed). Bijna zeventig jaar later gebruikt hij daarbij vrijwel dezelfde woorden als Alfred Binet. Het zijn de woorden van een man van geluid: ‘[the soundscape of] the world [is] a huge musical composition, unfolding around us ceaselessly.’ Maar anders dan Binet legt Schafer er de nadruk op dat wij niet enkel toehoorders zijn van die wereldsymfonie, maar ook haar componisten en de uitvoerders. En dus verantwoordelijk. Het was de opmaat tot de nu in steeds diversere vormen en breed beoefende disciplines van akoestische ecologie en akoestisch design.

Patria

Zelf nam hij aan de verdere ontwikkeling daarvan maar heel mondjesmaat deel. Toen in 1975 het World Soundscape Project ten einde liep, liet Schafer, net als André, de man van geluid, de universiteit voor wat die was en trok hij zich, ook net als André, terug op het (in zijn geval meestal Canadese) platteland. Hij besteedde de rest van zijn leven vooral aan het kneden van en schaven aan een eigen compositie van de wereld: ‘Patria’ (‘Vaderland’), een grootse cyclus van locatieve muziekwerken, die een transformerende integratie van door mensen gespeelde muziek met het geluidslandschap van de Canadese wildernis nastreven.

Het gaat om veelal langdurige theatrale buitenrituelen, zoals de een volle week durende epiloog ‘And Wolf Shall Inherit The Moon’, waarbij de 64 in het wild kamperende deelnemers zowel maker, uitvoerder als publiek zijn. ‘Het belangrijkste doel van kunst is ons te veranderen,’ schreef de man van geluid er zelf over.

Van een week in de wildernis zou ik niet meer verwachten. Maar ook niet minder.

Nog meer nieuws krijgen over muziek en kunst?

Schrijf je in op de Gonzo (circus)-nieuwsbrief!