Essay: Dáár zit de muziek!

In zijn 24e Hoofd Stuk groet Harold Schellinx de op 30 December 2021 overleden componist, theoreticus en computermuziekpionier Gottfried Michael Koenig.
Harolds Hoofdstuk Gonzo (circus) #168

In zijn 24e Hoofd Stuk groet Harold Schellinx de op 30 December 2021 overleden componist, theoreticus en computermuziekpionier Gottfried Michael Koenig, die op het Utrechtse Instituut voor Sonologie in de vroege jaren 1980 zijn leraar en mentor was. Voor heel korte tijd. ‘Toch heb ik,’ zo schrijft hij, ‘van niemand anders ooit zoveel opgestoken.’

De eerste keer dat er in een concertzaal muziek klonk waarin ik de hand had, zonder dat ik daar zelf een geluiden voortbrengende rol bij speelde, was op dinsdagavond 4 december 1984. Ik zat in het Utrechtse Muziekcentrum Vredenburg een beetje achter in de zaal en kneep mijn handen dicht. Ik was doodnerveus.

Pendelaars

Het was toen al twee jaar geleden dat de vlam van het muzikale haardvuurtje dat bij ons Ultra heette en in haar wereldwijde vorm en versie jaren later door journalisten en doctorandi ‘experimentele post-punk’ werd gedoopt, met een sisser doofde. De periode van koude die volgde was vooral aanleiding tot bezinning en het zoeken naar een nieuwe start. ‘Waar is de muziek?’, was de vraag waarop ik met vriend, collega ex-Young Lion, buitenbeentje en briljant pianist-muzikant Ronald Heiloo een antwoord zocht.

Geen stip teveel, geen kruis te weinig was ons motto. We schreven achter de piano samen nootjes, naast, boven en onder van metafoor overlopende teksten, elk met als onderwerp een persoon die pendelde tussen ‘signifier’ en ‘signified’. Elk van die tien waren we zelf. Tenminste, als we in de spiegel keken, de diepte daar was grenzeloos. We maakten er met Dagmar Krause een vinylplaat van, die in eenvoud en kracht (dat mag best gezegd) omgekeerd evenredig was aan speeltijd. ‘Commuters’ waren onze tegentonen. Tégen Ultra-synthesizers, tégen ritmeboxen, tégen popmuziek. Dat riep trouwens meer vragen op dan het beantwoordde.

Pagina 21

Wat op die lang verleden en door iedereen vergeten decemberavond in Utrecht klonk, was nóg korter dan ‘Commuters’: een heel precies in partituur uitgeschreven wandel rond twee vleugelpiano’s. De uitvoering van ‘Page 21’ duurde niet langer dan zes minuten. De twee pianisten spelen afwisselend op de toetsen en in de snaren. Ze beginnen ieder achter hun eigen instrument. Dan zoekt de één de piano van de ander op en spelen ze samen. Waarna de ander op zijn beurt de gedeelde plek verlaat en naar het instrument van de ene vlucht, om vervolgens getweeën weer gescheiden verder te spelen. Die rituele wissel herhaalt zich nog een keer, en ten slotte zit en speelt elk weer op de plek waar het allemaal net even eerder van start ging.

De zij en hij in kwestie waren Agnès Benoist en Martijn Padding, allebei virtuoze, en toen net afgestudeerde pianisten. Maar vooral om die rituele rondgang was het mij te doen. Dáár zat de muziek. Want in ‘Page 21’ probeerde ik een relatie te verklanken die op de klippen was gelopen. ‘Discours: pratend, fluisterend, schreeuwend, bewogen’ staat er met potlood geschreven op de computervellen vol met de door Gottfried Michael Koenigs computerprogramma PR1 (Project 1) gegenereerde noten en getallen, die ik voor het schrijven van de partituur, in zeven korte delen, had gebruikt. Met Martijn was ik in die dagen bevriend, die wist er van, dat kon je horen. Maar of de betreffende ex er die avond in Vredenburg ook bij was, laat staan of ze het stuk doorzag, dat weet ik niet meer.

Sonologie

Het gebeuren in muziekcentrum Vredenburg was een ‘Electronisch Concert’, het derde van dat seizoen, georganiseerd door het Instituut voor Sonologie. Dat was toen een universitaire instelling, gevestigd aan de Utrechtse Plompetorengracht, maar maakte merkwaardigerwijs deel uit van geen enkele faculteit. Ik ging er in het najaar van 1983 studeren, en zette daar mijn destijds nog vrijwel onoverbrugbare wantrouwen tegen alle ‘academia’ voor opzij. Ook dat had ik aan Martijn Padding te danken, die sonologie als bijvak bij zijn studie muziekwetenschappen had gedaan.

Martijn bleef aandringen, en het was ongetwijfeld samen met hem dat ik in het voorjaar voor de eerste keer door de deur stapte van het bakstenen gebouw in Amsterdamse School-stijl, waar op de gevelrand boven de ramen van de tweede verdieping in grote witte letters ‘ATLANTA’ geschilderd stond (het schijnt een muurreclame geweest te zijn), pardoes over het daaronder nog vaag zichtbare ‘BOAZ BANK’ heen (eerder was Bongerer Assurantie Zaken er gevestigd). ‘Het is absoluut iets voor jou,’ zei Martijn, terwijl hij door grote vellen vol muziekbalken bladerde en mij de nootjes liet zien. ‘Koenig is een groot componist, en een bijzonder man. Als ik hem ergens mee moet vergelijken, zou ik zeggen: Koenig is de componist die nu het dichtst bij een Bach komt.’ Hij lachte flauwtjes, maar meende het.

Een Walhalla

Achter die deur aan de Plompetorengracht lag een Walhalla vol razend interessante en kostbare apparatuur, gedeeltelijk ter plekke ontwikkeld en gebouwd, betaald met overheidsgeld dat in de twee voorafgaande decennia nog ruimschoots beschikbaar was voor het aftasten en betreden van wegen naar het onbekende. Naar een toekomst, die toen zo uitnodigend leek, en stutte op de fundamenten van een wetenschap en technologie waarvoor geen zee te hoog ging. In Nederland werd de karavaan onderweg naar de elektronische muziek van de toekomst voor een groot deel getrokken door de uit Duitsland afkomstige Gottfried Michael Koenig.

Koenig wordt vaak neergezet als ‘vroegere assistent van Karlheinz Stockhausen’, maar dat is gemakzucht. Zo eenvoudig lag het niet. Die karakterisering doet bovendien geen recht aan zijn onmiskenbare originaliteit als theoreticus en als componist. (Wie de feiten beter op een rijtje wil, kan er Kees Tazelaars gedetailleerde geschiedschrijving op naslaan, ‘On the treshold of beauty’ (V2 Publishing, 2013/2020)). Koenig was vanaf de vroege jaren 1960 een vurig pleitbezorger voor het compositorische gebruik van de toen opbloeiende elektronische rekentuigen.

In 1964 kwam hij definitief naar Nederland om in Utrecht leiding te geven aan wat eerst nog STEM heette, maar in 1967 werd omgedoopt tot Instituut voor Sonologie. Hij kreeg het voor mekaar dat daar in 1971 een enorme metalen kleerkast vol met draden, knopjes en knipperende lampjes werd geïnstalleerd: een PDP 15 computer van Digital Equipment (DEC), zonder geheugen, maar wel met een prijskaartje van zo’n kwart miljoen. Die machine werd, naast de analoge studio, het creatieve hart van de Plompetorengracht.

en een wespennest

Toen ik er in 1983 terechtkwam was de tijd van melk en honing voorbij. De geldstromen werden eerst enkel nog scheutjes, toen druppeltjes, en in de aanzwellende droge schaarste gonsde steeds luider een sociaal en ideologisch wespennest. Ik had daar als student-nieuwkomer natuurlijk nauwelijks kijk op, hoewel ik me wel herinner dat iedereen het er aan zijn water voelde.

Ik zou willen dat die schaduwhistorie ooit nog eens door iemand die er participerend observeerde te boek wordt gesteld, zoals dat begin van de jaren 1990 bij het veel later dan Sonologie opgestarte IRCAM in Parijs door de Britse antropologe Georgina Born (ook muzikante, onder meer bij Henry Cow) werd gedaan, in een fabuleuze dissertatie: ‘Rationalizing Culture’ (University of California Press, 1995). Zelf heb ik er als haren op mijn hoofd spijt van dat er mij, afgezien van een doos met banden, stapels met noten volgekrabbeld muziekpapier en computerprints, zo weinig details zijn bijgebleven uit de twee, drie jaren dat ik er kind aan huis was en er alle weken wel een paar dagen rondhing.

Handgeschreven aantekeningen heb ik enkel nog van de cursus Geprogrammeerde Muziek die ik bij Koenig volgde. In een klasje met wat handjesvol medestudenten, waarvan ik me geen enkele naam nog kan herinneren, praatte hij honderduit, over zijn werken binnen de perken van het totale serialisme, over rijen, reeksen en hoe algoritmes ons de weg konden wijzen in de woeste jungle die uit niet meer dan een handjevol getallen – en alle daarvan denk- en maakbare permutaties, berekend of toevallig – kwam voortgesproten.

Waar zit de muziek?

Hij had het altijd over die getallen. Nooit ging het over de muziek, die daar als een donkere en rokerige mist, als een mogelijkheid (een dreiging wellicht), achter hing. Maar waar zit dan dat ‘verkennend samenstel van utopische momenten’, zoals Koenig ergens in één van zijn vele teksten de muziek benoemt? Die muziek, lieve lezers, zit in onszelf. Daar liet hij nooit enige twijfel over bestaan. Koenig gaf ons, studenten, enkel regels. De muziek moesten we zelf vinden. Hoe pijnlijk dat ook zijn mocht. Dat onuitgesproken pijnlijke moet de reden zijn geweest waarom hij er steeds zo veel nadruk op legde dat zijn uiteindelijke doel altijd het zo lang mogelijk vermijden, het uitstellen, van zelf componeren was.

Als onderdeel van de lessen beluisterden we in de klas het overgrote deel van zijn kleine, maar overweldigend integere, compromisloze en coherente œuvre, dat ook veertig jaar geleden al vrijwel compleet was. Het waren, op een enkel Stockhausen-stuk na, de enige voorbeelden die we analyseerden. ‘Klangfiguren’, ‘Essay’, ‘Terminus’, de ‘Funktion’ in al haar kleuren, een paar instrumentale stukken…

Maar er was dan ook niks vergelijkbaars. En wat we hoorden waren geen getallen meer. Het was muziek. Ongehoorde muziek. Muziek die knarste, wrong, schuurde, kerfde, kreunde, kermde, gromde, schreeuwde, jankte, en soms zowaar ook een beetje grijnsde. Muziek die mij toen, en nog steeds, overrompelde, en die in alles het tegendeel leek van de bescheiden en onopvallende man met het snorretje, die er bijstond en zwijgend toekeek. Een ambtenaar, dacht ik, of een boekhouder. Maar nooit van zijn leven een dichter of kunstenaar, laat staan een componist.

Geheime clubavond

Een kleine veertien jaar later, in het Duitse Kürten tijdens de allereerste Stockhausense zomercursus, droomde ik hoe op een geheime clubavond ook mijn werk weer gespeeld zou worden. Met de net uitgeschreven partituur haastte ik me tegen achten de zaal in. Koenig zat aan een tafeltje bij de kassa. Hij stopte mij een dik boekwerk in handen, een ingebonden vroege jaargang van ‘Die Reihe’, goud op snee. ‘Je kunt er je bandjes in laten drogen,’ zei hij. Ondertussen tikte de klok door en maar door. Het werk moest gespeeld! Ik reikte het notenpapier aan de pianiste. Die spreidde de vellen over de lessenaar van haar Bösendorfer, en sloeg de klep dicht: nog voor het begon, was het al voorbij. Maar Koenig was enthousiast. Hij schudde me de hand en riep: ‘Bravo! Ik wist het. Hoor! Dáár zit je muziek!’
Zo blijf ik steeds nog van hem dromen.

Nog meer nieuws krijgen over muziek en kunst?

Schrijf je in op de Gonzo (circus)-nieuwsbrief!