Jezelf afzetten, iets ontketenen, iemand bestoken: in deze boek- en filmselectie verwordt muziek tot een stuk gereedschap dat op tal van verschillende manieren inzetbaar is. Welke toepassing de voorkeur ook geniet: in deze selectie vindt u een handleiding.
RUIS
Mark Wharton reageert ergens in de jaren 1990 op een advertentie van de Schotse distributeur Phenomenal: hij wil namelijk zijn wereld van experimentele muziek uitbreiden (tot dan enkel bevolkt door Throbbing Gristle en Nurse With Wound). Via releases, optredens, nieuwe vrienden en goeie ouwe correspondentie raakt hij steeds dieper in de industrial- en noisescene verwikkeld. Zijn enthousiasme deelt hij vervolgens via een zine: ‘Just Glittering’. De naam komt van een bestelwagen waar eigenlijk ‘Just Guttering’ op stond. Als de grap lang genoeg geduurd heeft, neemt Wharton gewoon de naam over van zijn lokale groetenwinkel: ‘Idwal Fisher’. Dit boek bundelt alle edities van beide zines (1998-2007), en je ziet zo hoe het tijdschrift evolueert: van deels handgeschreven en gefotokopieerd tot gedrukt computerwerk. Wat echter steeds hetzelfde blijft is de inhoud en typische stijl: Wharton probeert wat humor te brengen binnen een medium met een doodserieuze reputatie. In de eerste plaats doet hij dat door zichzelf niet ernstig te nemen: het eerste nummer heeft als ondertitel ‘The Second Worst Zine In The World’. Ook zijn er enkele nonsensrubrieken zoals ‘The Ugly Mug Quiz’, een Duitse woordzoeker waarin je onder ander ‘Führerbunker’ moet zien te vinden, cartoons, collages, enzovoort. Inhoudelijk is het de gebruikelijke mix van vooral massa’s reviews, concert- en festivalbesprekingen, en interviews. Er zijn wat relevante zijstapjes, bijvoorbeeld een artikel over futurisme, en een gesprek met de undergroundschrijver Stewart Home. Vooral de Britse scene komt aan bod met onder andere Whitehouse, The New Blockaders en Dieter Müh. Er is ook bijzonder veel aandacht voor de bizarre lokale noisehelden Smell & Quim (denk een gedegenereerde Mel & Kim uit de gesloten psychiatrische afdeling). Misschien heeft de betrokkenheid van oprichter Milovan Sdrenovic hier iets mee te maken? Ook het lof van het rituele ‘The Culling Is Coming’ van 23 Skidoo wordt gezongen. Natuurlijk mag de Japanse exponent niet ontbreken, met aandacht voor Merzbow, Keiji Haino en The Gerogerigegege. Amerika is vooral vertegenwoordigd door de producten van RRR, en uit Europa vinden we onder andere Stabat Mors en Runzelstirn & Gurgelstock. De reviewrubriek bevat een schat aan informatie: groepen waar we nog nooit van gehoord hadden, beschrijvingen van waanzinnige verpakkingen, en om er wat luchtigheid in te brengen zijn er ook besprekingen van vondsten op de vlooienmarkt, zoals volksmuziek uit Estland. Voor wie interesse heeft in de noisy underground van het Verenigd Koninkrijk is dit boek warm aanbevolen. (pv)
Mark Wharton
Just Glittering / Idwal Fisher
(Nijmegen: Korm Plastics, 2025)
ENIGMA
Eind vorig jaar werd de sluier van een geheimzinnige traditie in Ameland plots gelicht. Nadat twee Friese documentairemakers een film over Sunneklaas maakten (een mysterieus gebruik waar mannen in uitgedoste gewaden boze geesten verjagen en vrouwen en kinderen niet naar buiten mogen) wilden wat journalisten van de brallerige nieuwsomroep Powned verhaal halen. Al werden ze op Ameland allerminst warm ontvangen. Het heeft iets prikkelends, zo’n traditie die blijkbaar al eeuwenlang speelt, maar volledig aan het oog van de algemene bevolking onttrokken blijft. De traditie zit vol heidense elementen en regels die regelrecht ingaan tegen hedendaagse sociale mores. Het is precies zo’n soort volkstraditie waar een boek als Liz Williams’ ‘Rough Music: Folk Customs, Transgression & Alternative Britain’ op geënt is, maar dan aan de nadere kant van de Noordzee. En als er een land is dat bol blijkt te staan van eigenzinnige tradities en gebruiken, dan is het het Verenigd Koninkrijk wel. Iedereen heeft weleens een Youtube-filmpje gezien over de eeuwenoude wedstrijd om sneller dan een kaaswiel een heuvel af te banjeren, die nog altijd ieder jaar op Cooper’s Hill in Gloucestershire gehouden wordt. Nog prikkelender is ‘Mari Lwyd’, een traditie uit Zuid-Wales waarin een groep mannen in de kerstperiode met een in doeken gehulde paardenschedel door de straten trekt, al zingend en dansend. Of ‘skimmity riding’ (ook wel ‘rough music’), waarbij een groep mensen onder luid kabaal iemand die een verwerpelijk feit begaan (denk: huiselijk geweld, overspel) heeft, publiekelijk vernedert. Stuk voor stuk wijdt Williams er hoofdstukken aan in haar boek. In sommige gevallen zijn dit soort tradities zelfs in heropleving. Een teruggreep naar het oude vertrouwde in roerige tijden, of als gevolg van maatschappelijke secularisering (haast alle tradities waar Williams over schrijft hebben een sterk paganistisch karakter) – wie zal het zeggen. Reden genoeg in ieder geval voor een boek als dat van Williams, al blijft ‘Rough Music’ soms wat steken in een inventarisering van deze volkstraditie en graaft het niet altijd even diep. Veel verder dan een oppervlakkige observatie dat deze gebruiken door de mens zelf, en dus niet door de lokale of nationale autoriteiten georganiseerd worden, gaat Williams meestal niet. Dat is jammer, want in de inleiding schept ze wel die verwachting, als ze het bijvoorbeeld heeft over de transgressieve aard van veel volkstradities die buiten dominante machtsstructuren bewegen. Al zullen ze het uitblijven van een doorgrondend exposé op plekken als Ameland helemaal niet erg vinden. (jsz)
Liz Williams
Rough Music: Folk Customs, Transgression & Alternative Britain
(London: Reaktion Books, 2025)
ZOEKTOCHT
Autobiografieën zijn niet altijd verheffende lectuur. Berucht is de autohagiografie van occultist Aleister Crowley, waarin hij negenhonderd pagina’s vol zelfverheerlijking wijdt aan de eerste vijftig jaar van zijn leven. Meer recent is ‘Words Without Music’, dat Philip Glass klaarblijkelijk niet zozeer geschreven heeft, maar gedicteerd aan een notulist, zonder de moeite te nemen om het resultaat na te lezen. Het boek laat Glass kennen als een humorloze, oppervlakkige persoonlijkheid.
‘Semi-Conducting’ van Nicolas Collins is van een heel andere orde. Collins is onder meer elektronische muziek-componist, hardware hacker (waarin hij een workshop leidde bij Het Concreet in Tilburg) en artistiek leider van podia en festivals. Als componist/musicus bouwt hij zijn eigen elektronica, waaronder een apparaat dat hij verwerkte in een trombone en onder meer bediende met de schuif.
Tijdens zijn opleiding en zijn loopbaan heeft hij te maken gehad met een groot aantal muziekpioniers (zoals zijn docent Alvin Lucier, John Cage, David Behrman en Maryanne Amacher) en uiteenlopende musici, met name uit de improvisatiescene van New York. Door middel van live sampling met zijn trombone propelled electronics, zoals hij zijn instrument noemde, heeft hij gespeeld met John Zorn, cellist Tom Cora, platenspeler Christian Marclay en de Engelse gitarist Peter Cusack. In Berlijn en Luzern organiseerde hij met de Duitse cultuurmanager Matthias Osterwold twee festivals rond het fenomeen fluiten. Van 1992 tot 1995 was hij artistiek directeur van STEIM in Amsterdam, dat vijf jaar geleden zijn deuren moest sluiten wegens stopzetting van de subsidie. Hij was twintig jaar lang hoofdredacteur van Leonardo Music Journal, dat jaarlijks publiceerde over muziek en elektronische technologie.
Al deze mensen en onderwerpen komen aan bod in korte hoofdstukken. Collins schrijft zoals hij spreekt. Innemend, bijvoorbeeld wanneer hij vertelt over de immense luidsprekers die hij als student moest sjouwen om een concert van Alvin Lucier mogelijk te maken. Hij geeft vermakelijke en diepzinnige inkijkjes in zijn persoonlijke leven. Die zijn meestal verbonden met wat hij tegenkomt in zijn loopbaan. Daarnaast blijkt hij een opmerkzame getuige van de Verenigde Staten, Europa na de val van de muur en de verschillen tussen Amsterdam en Berlijn. Zijn beschrijvingen van de muziek die hij heeft opgenomen en de musici met wie hij gewerkt heeft, doen me steeds in mijn platenverzameling duiken om mijn geheugen op te frissen.
Voor de Nederlandse lezers zal de beschrijving van zijn tijd bij STEIM bellen van herkenning doen rinkelen. Maar het is evenzeer verfrissend om door de ogen van deze verbaasde buitenstaander het Nederlandse culturele leven en de subsidiëring ervan te bekijken. (rvp)
Nic Collins
Semi-Conducting: Rambling Through The Post-Cagean Thicket
(London: Bloomsbury Publishing, 2025)
PIONIERS
De titel ‘How to Be Avant-Garde: Modern Artists And The Quest To End Art’ wekt de verwachting van een hedendaags handboek of manifest, maar het boek kijkt vooral ver terug in de tijd naar stromingen als het futurisme, dadaïsme, surrealisme, het situationisme en het Russisch constructivisme. Falconer neemt je mee naar het verleden, naar de scherven van de Eerste Wereldoorlog, waar de avant-garde zich als een plotselinge storm ontlaadt en de kunstwereld op zijn kop zet.
De Amerikaanse kunstcriticus en -historicus Morgan Falconer schildert met anekdotes. De futurist Filippo Marinetti die als een generaal zijn troepen commandeert, Marcel Duchamp die zijn schaakstukken herschikt, André Breton die met woorden goochelt. Het boek is vlot geschreven, al blijft het aan de oppervlakte. Maar zodra het over ideeën moet gaan, hapert de motor. De grote vragen – wat betekent avant-garde vandaag, is radicaliteit nog mogelijk, hoe verhoudt kunst zich tot het leven en de markt – blijven hangen in de coulissen.
De titel suggereert een routekaart voor kunstenaars van nu, maar Falconer blijft hangen in nostalgie. Zijn vertrekpunt is een gevoel van leegte en teleurstelling, opgedaan op Art Basel Miami Beach. Overvoerd door kunst die nergens toe leidt, kijkt hij liever terug en zoekt houvast bij de radicalen van weleer: futuristen, dadaïsten, surrealisten, constructivisten, situationisten. Maar nergens wordt duidelijk hoe hun opstandige energie naar vandaag vertaald kan worden. Falconer brengt geen nieuwe inzichten, maar herkauwt legendes. Het boek voelt daardoor als een echo uit een andere tijd – het had net zo goed zeventig jaar geleden geschreven kunnen zijn.
Pas in de epiloog lees je iets van urgentie. Hier duikt Peter Bürger op, de denker die de avant-garde tot op het bot fileerde. Maar waarom voert Falconer deze inspiratiebron pas aan het eind op, als een bijrolspeler die te laat het podium opkomt?
Falconer schrijft liever over mensen dan over ideeën. Zijn analyse van het kunstenveld blijft oppervlakkig en de grote lijn ontbreekt. Zijn boek mist een scherpe lijn, blijft hangen in verhalen en laat de context vaak los. Het is alsof je een collage bekijkt: boeiend, maar zonder samenhangend canvas. Je mist het geraamte, de structuur of de noodzakelijke frictie. Er zijn betere boeken geschreven over deze kunstenaars en de avant-garde – diepgravender, radicaler, actueler. Bijvoorbeeld ‘Archeologies Of Modernity’ van Rainer Rumold of ‘The Idea Of The Avant Garde And What It Means Today’ van Marc James Léger.
‘How To Be Avant-Garde’ is energiek en onderhoudend geschreven, maar de focus ontbreekt. Alsof je door een caleidoscoop kijkt waarin de vormen blijven verschuiven. Je leest het in één ruk uit, maar blijft achter met lege handen. (fiu)
Morgan Falconer
How To Be Avant-Garde: Modern Artists And The Quest To End Art
(New York: W.W. Norton & Company, 2025)
ROERIG
De voor een Oscar genomineerde documentaire ‘Soundtrack To A Coup d’État’ van de Belgische filmmaker Johan Grimonprez is een politiek-muzikale ervaring die vol bravoure over de kijker heen marcheert. De film dompelt je onder in gebeurtenissen in Congo en op het wereldtoneel rond ‘Het jaar van Afrika’ in 1960, waarin, naast Republiek Congo, ook zestien andere landen onder het juk van hun kolonisator uit kwamen. Het was onderdeel van een roerige Koude Oorlog-periode waarin tijdens de Congo-crisis (1960-1965) zo’n honderdduizend mensen omkwamen. De film legt middels korte flitsende fragmenten verbindingen met de huidige tijd waarin landen en bedrijven nog steeds een vinger in de Afrikaanse pap willen houden: ze zijn in het bijzonder kien op het delven van zeldzame mineralen uit de mijnen om zo hun tech-honger te kunnen blijven stillen. De door Grimonprez gekozen essayistische vorm legt ook poëtische verbanden tussen beeld en geluid: de Amerikaanse ‘Jazz ambassadors’, die sinds 1956 ingezet werden door de Amerikaanse overheid, brengen met gouden koperblazers en tromgeroffel een kakofonie van klanken en onrust voort en stuwen zo het filmnarratief voort. Jazzdrummer Max Roach: ‘we do use the music as a weapon too, against man’s inhumanity toward man’. Zo hadden ze invloed op de wereldpolitiek, al had die echter in de film iets kritischer en uitgebreider aan bod kunnen komen. De jazz-oorlogsvoering wordt in de montage vermengd met gebaren van gepassioneerde politici die klappen en met vuisten op spreekgestoeltes slaan om hun mening kracht bij te zetten. Toenmalig secretaris-generaal van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie, Nikita Chroesjtsjov, maakte in 1960 in de zaal van de Algemene Vergadering van de VN zelfs slaande bewegingen met zijn schoen om aan te geven dat hij het oneens was met Filipijnse beschuldigingen omtrent inperking van burgerrechten en politieke rechten in Oost-Europa.
Politici weten als geen ander dat ze theater bedrijven, dat de articulatie van belangen en ideeën bij toehoorders beklijft als ze hun publiek emotioneel weten te raken middels andere media. Met name met muziek, die dan ook nog steeds gretig wordt ingezet bij partijbijeenkomsten en de basis van TikTok-dansvideo’s vormt, die politici ook maken. Muzikant John Coltrane stelt in de film dat muziek de eerste denkpatronen kan creëren die het denken van mensen kunnen veranderen. Zou mogelijk de huidige vrije elektro-akoestische muziek weer kunnen worden ingezet als aanzet tot politieke en culturele verandering? Wie pakt de (hand)schoen op? (bm)
Johan Grimonprez
Sountrack To A Coup d’État
(Amsterdam: Remain in Light/Imagine Filmdistributie, 2024)
KLOEK
Het heeft moeite gekost. Bloed, zweet en tranen, kots, speeksel, fluimen en veel bier, maar het is hen na jarenlang zwoegen gelukt: een erudiet naslagwerk rondkrijgen dat meer is dan zomaar een kloek – 782 pagina’s maar liefst – van veel beeldmateriaal voorzien salontafelboek. Ronny Wynants en Joeri Cardoen hebben het land afgereden, meermaals de ronde van België, om alle betrokkenen op te sporen, te interviewen en vast te pinnen. Om zo een geschiedenis op te rakelen waarvan heel wat mensen die er toen bij waren allang vergeten waren hoe het ook alweer allemaal zat. Het duo volhardde in de punkboosheid, no future my ass, de toekomst was een lijvig en prijzig boek dat alleen al door de goed uitgewerkte inhoud – voor zover we zelf hebben kunnen vaststellen zelfs behoorlijk volledig – zijn geld meer dan waard is. Zelf zijn we net te jong om het allemaal ter plekke te hebben meegemaakt. Maar kort erna liepen we rond in dezelfde kringen. We komen dan ook heel wat namen tegen van mensen die we pas leerden kennen toen de meeste bandjes waarover sprake is in dit mooie, per provincie opgedeelde boek, al lang tot het verleden behoorden. Echter, het bloed kruipt waar het niet gaan kan en veel van de protagonisten hebben het – tot onze verbazing – behoorlijk ver geschopt. Denk aan Ben Crabbé, Gene Bervoets, Kamagurka (Dachau Dollies), Johan Desmedt, Peter Vermeersch en ga zo maar door. Uiteraard nemen de Antwerpse The Kids een voortrekkersrol, maar het auteursduo kijkt niet op een obscuur bandje meer of minder, waardoor dit boek zelfs voor de echte kenners toch een onophoudelijke bron van weetjes, anekdotes, zotte verhalen en andere ongein is. Gedoe met flikken, vandalenstreken, vechtpartijen maar vooral muziek maken, ook al kan niemand ook maar een noot spelen. De ware spirit van de punk dwaalt door het boek; waar het omslag er een beetje flashy uitziet, maken de inhoud en de lay-out dat helemaal goed. Een paar tussenhoofdstukken werken verhelderend en het afsluitende hoofdstuk ‘Punks & Punkettes’ blikt heerlijk nostalgisch terug met quotes en foto’s.
Voor de echte liefhebbers is er bij Pang Pang Records een vier singles tellende box te krijgen – met een beetje geluk, want het is bijna uitverkocht – met nummers van bandjes die in het boek voorkomen (Raxola, The Kids, Hubble Bubble, Stress, Phallus Band, The Idiots en Basta, met legende Eric Goeman in de gelederen). Het lintje in de kleuren van de Belgische vlag krijgt u er gratis bij. (pb)
Joeri Cardon & Ronny Wynants
Bloody Belgium: De punkexplosie in België 1976-1979
(Elzele: Uitgeverij Les Iles, 2025)
AFWIJKEND
Is dit een boek over muziek door de oren van Rob H. Bekker, of een boek over Rob H. Bekker aan de hand van zijn passie voor muziek? Hoewel er in een kleine driehonderd bladzijden honderden muzikanten en groepen voorbijkomen is het geenszins een inleiding in de popmuziek, eerder een aanvulling daarop.
Bekker kiest er een paar artiesten en bands uit die een heel hoofdstuk krijgen: David Thomas’ Pere Ubu, Captain Beefheart, Lou Reed en het Utrechtse Hedda Gabler. Daarnaast gaan ‘punk’ en het festival ‘Le Guess Who?’ nog even door de zelfanalytische blender van de auteur.
Een opmerking tussendoor/vooraf: Bekker legt de muziek niet uit. Wie bij het lezen van vorige alinea niet meteen allerlei albums in het hoofd hoort afspelen, moet het doen met de fraaie formuleringen en volzinnen van de auteur die pas door de muziek zelf leven ingeblazen worden.
Een tweede opmerking tussendoor/vooraf: ik weet niet in hoeverre ik – de recensent – ook een representatief lezer ben. Bekker en ondergetekende Bruyn blijken van dezelfde generatie, hebben overlappende muzikale voorkeuren en er blijken zelfs parallellen in levensloop. Net als Bekker stond Bruyn op de dag dat Herman Broods ‘Shpritsz’ verscheen al ’s morgens vroeg bij de platenwinkel om een exemplaar aan te schaffen. En net als bij Bekker veroorzaakte Guided By Voices’ ‘Bee Thousand’ bij Bruyn een muzikale revolutie in het hoofd. Beiden dragen Lou Reeds ‘Lulu’ op handen. Zo is er meer.
Bekker besluipt zijn onderwerp van onverwachte kanten. Captain Beefheart is zo ongrijpbaar dat de auteur zuiver associërend te werk gaat, terwijl hij David Thomas weer meer analyserend benadert. Maar voor die analyse heeft hij wel veel meer woorden nodig.
De ‘taalarbeider’, zoals Bekker zichzelf noemt, overweegt en herkauwt iedere zin, ieder woord dat hij opschrijft. Dat dwingt tot ‘traaglezen’ – één woord. Vaak wint de literatuur het van het ‘educatieve duiden’.
‘Wandelgesprekken zijn betere gesprekken dan tafelgesprekken’, schrijft hij ergens. En: ‘Als tiener kende je nog alles uit het hoofd, want het zat in je hart en dat was nog groot.’ Poëzie.
In het hoofdstuk over Guided by Voices spijkert Bekker 95 stellingen over de groep aan de poort van de Rock-‘n-Roll Hall of Fame in Cleveland. Hij legt uit waarom hij iedere van de talloze platen die Robert Pollard maakt blijft kopen. En met zoveel overredingskracht dat je je als lezer bijna geroepen voelt om hetzelfde te doen.
Hij maakt maar één onvergefelijke fout in het boek, door de naam van jazzsaxofonist Pharoah Sanders te spellen als ‘Pharaoh’. Maar vooruit, dat is hem vergeven.
Al lezende leer je dat Rob H. Bekker, ondanks zijn fascinatie voor punk nooit echt ‘punk’ was en evenmin ooit echt ‘fan’. Het door velen geromantiseerde ‘rock-‘n-roll-gevoel’ staat hem zelfs regelrecht tegen. Hij koos voor bijna veertig jaar leraarschap met als enige uitspatting zijn rol bij het obscure Utrechtse dada-popensemble Zimihc. Nergens in zijn boek kun je hem betrappen op een radicaal politiek statement of een ‘gepassioneerd ongenuanceerde’ stellingname. Hij blijft de eeuwig relativerende ‘fly on the wall’. Een beschouwende mijmeraar en toeschouwende beschrijver. Maar dat beschrijven doet hij op een fantastische wijze. (pbr)
Rob H. Bekker
Onvoltooide muziek – Een muziekgeschiedenis
(Haarlem: In de Knipscheer, 2025)
