Interview Hans van Koolwijk

Kunstenaar Hans van Koolwijk werd bekend door de Bambuso, een klinkend bamboemonster. Dat was het startpunt voor een onderzoek dat leidde tot geluidkunstwerken in de meest uitzonderlijke gedaantes. Het Duitse Ensemble Interface brengt in Gaudeamus een programma met Klangmøbil, een serie instrumenten die hij voor hen heeft gebouwd.

Op een tafel ligt een notitieboek met prachtig uitgewerkte tekeningen. Her en der klankschalen van uiteenlopende omvang, sommige daarvan worden beklopt met een stukje hout dat in actie komt als de zon erop schijnt. Objecten van porselein. Kastjes. Stapels onbenoembare voorwerpen. Aan de wanden schilden uit Nieuw-Guinea, besneden met gestileerde motieven. Een bezoekje aan geluidkunstenaar (zonder tussen-s) Hans van Koolwijk is een duizelingwekkende ervaring. Visueel, maar ook in de onverwachte, soepele sprongen die hij maakt wanneer hij over zijn werk en zijn ideeën spreekt.
De instrumenten die Van Koolwijk voor Ensemble Interface bouwt vinden hun oorsprong in de stappen die hij meer dan dertig jaar geleden zette. Die leidden toen tot de ontwikkeling van de Bambuso. Hij was eigenlijk docent tekenen, maar begeleidde kort als gastdocent Simone Simons van de Gerrit Rietveld Academie. Zij vestigde zich later met Peter Bosch als geluidkunstenaarsduo in Spanje. ‘Ik was als kunstenaar niet gelukkig met de richting waarin mijn leven verliep,’ zegt Van Koolwijk. ‘Ik wilde in de band van Peter en Simone, wilde de extra’s doen, de kraakjes en piepjes. In 1986 maakten we een grote mobile met bamboefluiten, aangeblazen door lucht uit ballonnen. Onder meer van stammen die langs de Sepik-rivier in Nieuw-Guinea leven, die zulke fluiten bespelen. Ik besloot al snel door te gaan met bamboefluiten. Om daar niet zelf op te hoeven blazen, verdiepte ik me in windmachines. Een paar eenvoudige keuzes hebben me uiteindelijk gebracht waar ik nu ben.’

Toeval
Hij ontwikkelde het samenstel van fluiten en blaasbalgen tot een volwaardig, complex instrument, dat hij aanvankelijk Bambuso Sonoro noemde. Hij maakte daarbij gebruik van wisselende luchtdruk, wat ingrijpende gevolgen had voor de klankmogelijkheden. Knorren, fluiten, brommen en allerhande zwevende en kloppende effecten die ontstaan wanneer tonen dicht tegen elkaar aan liggen. Na een eerste presentatie van het instrument, dat in zijn werking overeenkomsten vertoont met een orgel, volgden een expositie in het Stedelijk Museum in Amsterdam, in poppodium De IJsbreker, en tijdens de opening van het Muziekgebouw aan ’t IJ. De klankrijkdom ervan is optimaal hoorbaar op de cd ‘Lees ruis. Kijk ruis. Ik ruis. Hoor ruis.’ die Van Koolwijk samen met Hans van Eck uitbracht in 1999.
‘Vanuit dat grote werk ben ik geluidmachines gaan bouwen,’ zegt Van Koolwijk. ‘Ik heb er mijn leven van gemaakt. Vaak begin ik aan iets zonder dat ik precies weet wat het wordt en ik laat ook veel ruimte over voor het toeval. Zo benaderde Gert-Jan Zeestraten, een Nederlander die op de Noorse Lofoten woont, mij naar aanleiding van een artikel over mij in de Volkskrant, of ik een oplossing wist voor de roestende kraanarm van een vissersboot die bij een camping op de rotsen lag. Door daar lange snaren over te spannen, maakten we er een windharp van.’

Bellen
Van Koolwijks belangstelling breidde zich uit naar andere vormen en materialen. Een paar bellen die hij goedkoop op de kop kon tikken vormden het begin van een steeds verder uitdijende verzameling. Momenteel experimenteert hij met Japanse klankschalen, waarvan hij er nu een paar honderd heeft liggen. Met behulp van zonnecellen laat hij ze automatisch spelen. Verder heeft hij polystyreen ontdekt als uitstekend materiaal om geluiden mee te versterken. Hij raakte ook meer geïnteresseerd in geluid als fenomeen. De werking van glissando, liefst traag en over een breed spectrum. De manier waarop geluidsgolven op elkaar inwerken. Zoeken naar de uitersten van klank, zoals de laagst hoorbare frequentie in zijn veertien meter lange fluit ‘Oorsprong’, die in het Klankenbos in Neerpelt ligt. De weerkaatsing van klanken binnen een afgesloten ruimte. Zo bouwde hij een metershoge eivormige ‘Klankkaatser’ voor de overzichtstentoonstelling van zijn werk ‘Klank als materie’ in het Muziekgebouw aan ’t IJ in 2010. Bezoekers die in dat werk in het brandpunt van geluidsgolven gingen staan, hoorden klanken alsof ze daar ter plekke werden gemaakt – ín hun hoofd.
De titel van die expositie vatte kernachtig samen hoe hij tegen zijn werk aankijkt. Of zoals hij het in zijn inleiding voor zijn onderzoek naar porselein als materiaal voor zijn instrumenten voor het Europees Keramisch Werkcentrum in Oisterwijk schreef: ‘Mijn vak is geluidkunst, ik beschouw klank als materie. Ik werk met klank zoals beeldhouwers werken met steen of klei. Als beeldend kunstenaar heb ik altijd behoefte geluid vorm te geven in een beeld: klank moet je als het ware kunnen zien.’
In 2015 bracht Van Koolwijk ook het boek ‘Klank is materie’ uit, een verslag in woord en beeld van zijn ontwikkeling.

Fietswielen
Van Koolwijk werkte eerder samen met anderen, zoals Hans van Eck en organist Klaas Hoek, die enige tijd vaste bespeler van de Bambuso werd. De instrumenten in Klangmøbil zijn de eerste die hij speciaal voor musici bouwde. ‘Ensemble Interface wilde een heel nieuwe uitdaging. Het is een internationaal gezelschap dat is voortgekomen uit een stage die de leden deden bij Ensemble Modern in Frankfurt. De Zwitserse componist Beat Gysin stelde voor dat ze zouden werken met architectuur, met meerdere componisten én met andere instrumenten. Voor dat laatste kwamen ze bij mij. Ik kreeg carte blanche. We besloten dat de instrumenten verrijdbaar zouden worden. Ik heb veel geleerd, maar het was ook lastig, want er zijn al zo veel prachtige muziekinstrumenten. Het eerste experiment was veelbelovend. Ik had maanden gewerkt aan een lange snaar met een uitzonderlijk variabele spanning, een soort luie whammy bar op reusachtig formaat, die uitmondde in een enorme klankkast op fietswielen, de Beam Cello. Daarna kwamen de Snake Trumpets, de Hanging String en de Rolling Drum. Op de première in 2017 in DordtYart, bij de opening van de geluidkunsttentoonstelling ‘Sense of Sound’, speelde het ensemble een heftig werk, gemaakt door drie componisten. Maar daarin konden ze hun eigen fascinatie voor die instrumenten niet uiten. Dat deden ze wel begin dit jaar in Bern. Dat krachtige, twintig minuten durende optreden is een belofte voor de toekomst. In de Gaudeamus Muziekweek zal het een echte voorstelling worden.’

Blazen
Een opname van het optreden in Bern geeft een indruk van de klanken die de instrumenten voortbrengen. De leden van Ensemble Interface testen de mogelijkheden naar hartenlust uit. Vooral de snaren van de Beam Cello, waarin de spelers met een balk de toonhoogte omhoog en omlaag krikken, moeten het ontgelden. Zoals Van Koolwijk al aangaf: het mag schuren, het mag rauw klinken. Hij is al druk bezig met een volgend instrument: een van de uitkomsten van zijn onderzoek bij het Europees Keramisch Werkcentrum. Dat worden grote schalen en bellen van beenderporselein, die soort klinkt het best. Interface gebruikt uiterst flexibele mallets met een rubberen bal als kop die eroverheen wordt getrokken. Eveneens veelbelovend, aldus Van Koolwijk.
Wanneer Van Koolwijk over zijn werk spreekt, loopt hij over van enthousiasme. Zo wil hij een hoorn bouwen met een immense beker. Het hoofd van de speler, die op de kromming van de beker kan staan, reikt tot het midden van de hoorn en vanaf het mondstuk maakt de buis een reusachtige boog naar achteren om bij de beker uit te komen. ‘Het instrument is nog in de ontwerpfase, maar in mijn droom staat de iHorn in de ruimte op de Afsluitdijk naast Cornelis Lely, waar iedereen zelf, in de geborgenheid van de kelk, zijn eigen klanken over de wijde Waddenzee kan blazen.’

Nog meer nieuws krijgen over muziek en kunst?

Schrijf je in op de Gonzo (circus)-nieuwsbrief!