A.H.J. Dautzenberg

Hij kreeg de Peter Bruyn Penning 2016 uitgereikt en werd geprezen om zijn stellingname die in veel gevallen de ultieme consequentie van een al even ultieme integriteit blijkt te zijn. Het maakt Anton Dautzenberg niet minder omstreden, scherp en beminnelijk.

Hij kreeg van Gonzo (circus) en WORM de Peter Bruyn Penning 2016 uitgereikt en werd geprezen om zijn stellingname die – aldus het juryrapport – in veel gevallen de ultieme consequentie van een al even ultieme integriteit blijkt te zijn. Het maakt Anton Dautzenberg niet minder omstreden, scherp en beminnelijk.

A.H.J. Dautzenburg (Illustratie: Elisabeth Roggeman)
A.H.J. Dautzenburg (Illustratie: Elisabeth Roggeman)

In de trein naar Tilburg breekt het angstzweet mij uit. Niet dat ik bang ben voor de ontmoeting met Dautzenberg – we hebben elkaar al eerder de hand geschud – of om hem te interviewen. Integendeel. De voorgaande avond heb ik in de verhalenbundel ‘En dan komen de Foto’s’ uit 2014 nog zijn interview met zichzelf gelezen – een typisch Dautzenberg-verhaal! – en dat voelde alsof ik door de auteur geïnterviewd werd. We zijn beiden fervent tegenstanders van het accorderen van interviews. We vinden beiden mislukkingen interessanter dan successen. We zijn beiden gefascineerd door de relatie tussen waarheid en werkelijkheid. We houden beiden wat privé is graag privé.
Anton Dautzenberg kreeg in januari de Peter Bruyn Penning van Gonzo (circus) en WORM. Een onderscheiding voor een auteur die, kort door de bocht gezegd, een ‘luis in de pels’ durft te zijn. En nu zou diezelfde Peter Bruyn – zowel eerste ontvanger als naamgever van de onderscheiding – de man onder handen moeten nemen met wie hij zoveel affiniteit voelt dat er slechts een spekglad huidje is om over te glijden. Niets ‘pels’. Toch een wat ongemakkelijk idee. Zacht uitgedrukt.
En daar blijft het niet bij. We blijken nogal wat overlappende favoriete muziek te hebben: Sunn O))), Palais Schaumburg, Gun Club. We delen nota bene onze geboortedag – 13 december. En we geloven geen van beiden in astrologie. Wat moet er dan nog van een kritisch gesprek terechtkomen?
Ik besluit de afspraak door te laten gaan. Ik kan niet meer terug. De deadline nadert en de winnaar van die Penning moet nu eenmaal in het volgende nummer. Een poging dus, waarbij achteraf niet meer helemaal duidelijk is wie van ons nu precies wat gezegd heeft. Maar in de optiek van Anton Dautzenberg maakt dat ook weinig uit. Een verslag zonder couleur locale over de billen of borsten van de serveerster waar auteur en verslaggever om beurten in gedachten naar staren. Dat gebeurt namelijk niet. Wel zit de auteur bij binnenkomst van de verslaggever te lezen in de nieuwe poëziebundel van Menno Wigman. Maar die blijft de rest van het gesprek gesloten op tafel liggen.
“Ik weet niet of ik ben gaan schrijven om wel of juist géén vrienden te maken. Daar heb ik nooit over nagedacht. Ik heb eigenlijk maar een paar echte vrienden. Ik ben in ieder geval wél blij dat ik relatief laat gedebuteerd heb, op een moment dat mijn persoonlijkheid zich al had ontwikkeld. Daardoor was ik minder geïntimideerd door de reacties op mijn werk en heb ik ook het gevoel dat ik minder snel gecorrumpeerd word.”

Tutoyeren

Wat mij opvalt is dat jij in vrijwel alle interviews met ‘u’ wordt aangesproken, terwijl je toch allerminst uitstraalt dat je dat op prijs stelt. Bij zo’n verhaal in het Algemeen Nijmeegs Studentenblad kan ik mij daar nog iets bij voorstellen – die mensen zijn een generatie jonger. Maar Arjen Fortuin doet het ook in NRC. En Sara Berkeljon in de Volkskrant, terwijl zij afgelopen jaar nota bene de vier jaar oudere Joost Zwagerman wél gewoon tutoyeerde. Schieten mensen meteen in een soort afstandelijke verdedigingskramp als ze tegenover je zitten?
“Goh, weet je dat mij dat nooit opgevallen was… Maar nu je het zegt. Het gekke is dat dat in de gesprekken zelf nooit gebeurt, dat afstand houden. Al die mensen die jij noemt tutoyeerden mij. Ik vraag mij af of dat specifiek met mij te maken heeft, of dat het iets meer algemeens is dat het dan niet zo in de krant komt. Een verdedigingskramp… Zou kunnen. Ik heb wel gemerkt dat mensen in gesprekken vaak heel ver met mij meegaan. Maar als het dan op papier gezet moet worden en het publiek wordt, dan durft men dat veel minder.”
“Mededogen in mijn werk? Ja, dat voel ik ook wel. Ik vind het leven zelf heel ingewikkeld. Daarom sta ik niet klaar om andere mensen snel te veroordelen. Maar wie goed leest wat ik schrijf kan zelf conclusies trekken. Imago’s ontstaan meestal op basis van oneliners. En dan ben je al heel snel een leugenaar, kinderverkrachter of noem maar op. Maar de wereld achter die oneliners ligt is pas werkelijk interessant. En hoe die wereld zich vervolgens simplificeert tot die oneliners. Ik probeer mij niet meer te verzetten tegen dat imago dat men om mij creëert; dat leidt alleen maar tot frustratie.”
“En als ik met mijn meest recente roman, ‘Wie zoet is’ (2015), dat imago voor sommigen weer bevestig, nou dat moet dan maar. Als ik bij het schrijven rekening zou gaan houden met wat mensen mogelijk zouden kunnen gaan denken… Kijk, dat boek, die Sinterklaasroman, had ik al heel lang in mijn hoofd. Dat het daarbij ook om pedofilie gaat is alleen maar een motief, niet het centrale thema. Het gaat over een getraumatiseerde man op zoek naar verlossing, die hij uiteindelijk niet vindt. En het gaat over taal. Maar dat motief ‘pedofilie’ wordt er weer uitgelicht en als provocatie gezien, terwijl het zo helemaal niet bedoeld was. Men heeft blijkbaar behoefte aan provocatie. En wat mijzelf als schrijver betreft: ik was blijkbaar nog niet klaar met dat motief, pedofilie. Maar inmiddels ben ik dat wel.”

Laatbloeier

Ik heb mij voorgenomen om het niet expliciet te gaan hebben over de schandalen en ‘affaires’ die Anton Dautzenberg de afgelopen jaren hebben omringd. De vereniging Martijn, de verzonnen interviews, de gedoneerde nier, de steun aan de ‘gevallen’ hoogleraar Diederik Stapel. Wie even ‘googelt’ heeft wat dat betreft al snel een avond lang leesplezier.
Liever graaf ik naar de onderliggende gedachten van de schrijver. Maar ook interesseert mij hoe de reactie op zijn werk vervolgens zijn verdere werk weer beïnvloedt. En dan is er nog het spanningsveld tussen vorm en inhoud. Niet alleen wat Dautzenberg schrijft en zegt wordt vaak als controversieel ervaren, maar ook de wijze waarop hij zijn boodschap brengt schept keer op keer verwarring. En zijn productie is hoog. Hoewel ‘laatbloeier’ verschijnen er van hem sinds 2010 gemiddeld twee boeken per jaar, verdeeld over alle denkbare literaire disciplines. In 2015 behalve de roman ‘Wie zoet is’ ook ‘Vuur!’, een door hem samengestelde en ingeleide bloemlezing van geëngageerde Nederlandse een Vlaamse literatuur.

Superioriteitsgevoel

Terwijl politiek geëngageerde auteurs als Brecht, Zola of Orwell in eigen land op handen worden gedragen, moeten in Nederland politiek bevlogen schrijvers die betrokkenheid als handicap meezeulen. Als ze al geprezen worden, dan is dat ondanks dat engagement. Kunst moet ‘l’art pour l’art’ zijn, zo lijkt het. En dat geldt niet alleen voor de literatuur, vervolgt Dautzenberg, maar evenzeer voor film een en muziek – popmuziek incluis, terwijl pop en rock toch ooit begon als maatschappelijk klankbord.
“De ideologische honger ontbreekt hier. Toen ik eind jaren 1970 en begin jaren 1980 serieus naar popmuziek begon te luisteren, werd ik gefascineerd door groepen als Fischer Z met nummers als ‘The Worker’ en ‘Pretty Paracetamol’ of Palais Schaumburg met ‘Wir bauen eine neue Stadt’. Vooral dat nummer. Heel kaal, en er zat zowel deconstructie als constructie in. Niet alleen afbreken, zoals de punk was begonnen, maar ook de verantwoordelijkheid nemen voor een alternatief. De dichotomie in die titel heeft mij altijd gefascineerd en geïnspireerd. Want neem nu bijvoorbeeld die ontzettend populaire boeken van Joris Luyendijk over het Midden-Oosten en over het bankwezen in Londen. Dat is alleen maar deconstructie. Dat deugt niet voor mijn gevoel. Dat is te makkelijk…”
“Er is hier in dit land geen ideologische honger. Niet in de kunst, niet in de literatuur of muziek en zelfs niet in de politiek. Hoe dat komt? Misschien heeft het calvinisme er iets mee te maken. Dat pragmatische. De handelsgeest. Het is in Nederland in ieder geval méér merkbaar dan in de omliggende landen, hoewel die ontwikkeling ook daar begint te komen. Dat gebrek aan ideologische honger leidt er ook toe dat we bezuinigen en blijven bezuinigen op de culturele sector. Die vrijblijvendheid.”
“Tegelijk worden dissidente schrijvers en kunstenaars uit andere landen en culturen hier weer wel op handen gedragen: uit China, Rusland of Afrikaanse landen. Die prijzen we, terwijl dissidenten uit eigen land genegeerd of met een scheef oog nagekeken worden. Dat is volgens mij het gevolg van een moreel superioriteitsgevoel. Alsof wij geen critici meer nodig hebben. Die dubbele moraal zie je overal in dit land, zoals elk weekend in de voetbalstadions. Hooligans die complete treincoupés slopen en racistische spreekkoren aanheffen. Daar spreken we schande van, maar daar blijft het bij. Maar als zwaar getraumatiseerde mensen in een asielopvang een keer door het lint gaan is geen maatregel te zwaar.”
“Tegenwoordig hoor ik zelden muziek die mij nog zo diep raakt als bijvoorbeeld Palais Schaumburg destijds, al heeft dat ongetwijfeld ook met mijn leeftijd te maken – tijdens je tienerjaren en adolescentie beleef je die muziek veel intenser. Toen kende ik complete albums uit mijn hoofd. Zo heel af en toe is er nog iets wat dat nog wat benadert. Afgelopen jaar dat album van Kamasi Washington, bijvoorbeeld. En een aantal jaren geleden Sunn O))), al is dat ondertussen ook wel een beetje een maniertje geworden.”

Onderbuik

“Alle mogelijke onderbuikgevoelens worden in onze samenleving steeds meer geobjectiveerd. Dat zie je bijvoorbeeld in ons rechtssysteem, waarbij iets abstracts als ‘aantasting van het rechtsgevoel’ steeds vaker meetelt als argument voor de strafmaat. En hoewel ik beslist al het goede zie wat het internet ons gebracht heeft, zie ik ook hoe het dat onderbuikgevoel katalyseert. Als je vroeger publiekelijk je onvrede kwijt wilde was er de drempel van een ingezonden brief naar een krant. Nu kun je online onmiddellijk en onbeperkt leeglopen. Dat is nog begrijpelijk. Maar ernstiger is dat die impulsieve meningen ook steeds vaker opgepakt worden door de media en de politiek. Dat is een machtsfactor vanjewelste geworden.
Dat zag je bijvoorbeeld toen die zaak rond een mogelijk verbod van de pedofielenvereniging Martijn bij de rechter lag. Minister Opstelten sprak in de kamer de hoop uit dat Martijn verboden zou worden. Maar dat mag hij in zijn positie helemaal niet doen. In dit land zijn regering en justitie nog altijd gescheiden machten. Opstelten paaide gewoon het onderbuikgevoel.
Hetzelfde geldt voor peilingen die in feite niets zeggen. Wilders heeft de afgelopen tien jaar bij verkiezingen telkens lager gescoord dan de peilingen voorspelden. Maar toch zie je de virtuele realiteit steeds meer de werkelijke realiteit worden. En daar hebben we geen antwoord op. Dat maakt die ‘onderbuik’ een machtsfactor van jewelste.”
“Subculturen waren in feite altijd een soort schuilkelders waar mensen terecht konden die op zoek waren naar een identiteit. Tegenwoordig is dat steeds meer verplaatst naar je tijdlijn op Facebook. Om ergens bij te horen hoef je de boeken zelfs niet meer te lezen of de platen niet meer te draaien. Je duikt onder in een virtuele schuilkelder, terwijl het vroeger nog vaak een echte kelder was.”
“We leven in dit land natuurlijk in luxe. We hebben de luxe om overal over te praten en voor onszelf een meta-leven op Facebook te scheppen. Zoals het ook een luxe is om dissidenten van elders op handen te dragen en die in eigen land te negeren of af te straffen. En in feite zijn mijn ‘spraakmakende acties’ van de afgelopen jaren eveneens een luxe, al bleek die ‘luxe’ in mijn geval allesbehalve vrijblijvend: zo raakte ik raakte bijvoorbeeld mijn baan kwijt.”

Incasseren

Anton Dautzenberg lijkt zich weinig aan te trekken van het onderscheid tussen de verschillende literaire genres en in zijn boeken pendelt hij veelvuldig over en weer tussen fictie en non-fictie. Een interview met zichzelf publiceert hij in een verhalenbundel, evenals artikel 1 van de Nederlandse grondwet. Even zo gemakkelijk sluit hij zijn essay ‘De rafelranden van de moraal’ (2013) af met een stuk proza dat na alle nuanceringen in het boek menigeen direct weer de gordijnen in kan jagen. En een serie haatmails stileerde hij tot poëzie (‘Smerig gezwel wat je bent’, 2012).
“Maar dat gebeurt bij mij allemaal heel intuïtief. Ik loop gewoon een tijd met een idee en dan laat ik het op een gegeven moment ontstaan. Daarvoor hang ik niet eerst allerlei briefjes met notities aan de muur die ik dan in een bepaalde volgorde leg, of zo. Ik componeer dat niet.
Ja, nadat die verzonnen interviews van mij in de VPRO-gids gestaan hadden (voor de VPRO Gids interviewde Dautzenberg de Motörhead-frontman als vermeend financieel deskundige. Later bleek dat hij dat interview in z’n geheel had verzonnen. Een later gepubliceerd interview met auteur Arnon Grunberg had wel plaatsgevonden, maar ook daar had Dautzenberg een geheel eigen draai aan gegeven, wat vervolgens tot literaire en vooral journalistieke opschudding leidde, pb) heeft het blad Propria Cures een door mij ondertekende brief gepubliceerd die ik helemaal niet geschreven had. Maar dat vond ik niet vervelend. Als je klappen uitdeelt moet je ook kunnen incasseren. Ik vond het wel een beetje gemakkelijk. Dat verzonnen Lemmy-interview, daar zat van mijn kant veel méér achter en daar was bij die Propria Cures-brief geen sprake van. Natuurlijk weet ik best hoe de hazen lopen en wat volgens het literaire establishment een verhaal is en wat een essay of wat dan ook. Maar daar trek ik mij verder weinig van aan. Een genre moet geen gevangenis worden. Literatuur blijft voor mij niet binnen de kaft van een boek.”

Taboe

“Dat je in dit land nooit mag zeggen dat iets verdacht veel aan de nazitijd of fascisme doet denken, is ook zo’n voorbeeld van morele suprematie. Het betekent in feite niets anders dan ‘ons land deugt’. We willen gewoon niet zien hoe we zelf bezig zijn. De Duitse groep BAP had in de jaren 1980 een grote hit met dat liedje ‘Kristallnaach’, ook in Nederland. Daarin werd kritisch naar de eigen Duitse geschiedenis gekeken. En de band Die Ärzte heeft als reactie op de aanvallen van rechtsextremisten op asielzoekerscentra zelfs weer een hit gescoord waarin onomwonden het woord ‘fascisme’ voorkomt. Maar kun jij je voorstellen dat er nu een Nederlandse popgroep komt met een kritisch nummer over onze politionele acties in Indonesië? Vergeet het maar!”
“Het blad Oor had afgelopen maand een coverstory met De Staat, die zo ongeveer als de belangrijkste alternatieve rockgroep van Nederland beschouwd wordt. Ze hebben nota bene dat hele oude Doornroosje van de gemeente Nijmegen ter beschikking gekregen. En als je dan kijkt wat zo’n Torre Florim in zo’n interview te melden heeft: helemaal niets. Dat vind ik toch wel bedroevend hoor.”
Het gesprek gaat verder. Nog driemaal komen de woorden ‘morele suprematie’ voorbij. Nog vijfmaal ‘ideologisch honger’. Minstens. En dat ‘onderbuikgevoel’ natuurlijk. In de trein terug vraag ik mij voortdurend af hoe Dautzenberg het besprokene op zou schrijven.

Nog meer nieuws krijgen over muziek en kunst?

Schrijf je in op de Gonzo (circus)-nieuwsbrief!