Events

Bezoekers in de groei


Op het Dunk!festival eindigen de optredens netjes om middernacht, maar onmiddellijk daarna begint de volgende festivaldag, met een geïmproviseerde dj-set en een al even geïmproviseerde dansvloer, waarbij de friteuse gebruikt wordt als dj booth.

Daarna is er tijd voor enkele uurtjes slaap, en dat kan tegenwoordig ook in een huurtent of in een strandhokje met een hippe naam. De ochtend begint sinds jaar en dag met een ontbijt op het dunk!terras. Dat is een van de fijne dingen op dunk: de ticketprijs ligt intuïtief misschien wat hoog voor het beperkt aantal bekende namen op de affiche, maar je krijgt er veel comfort voor terug. ‘s Morgens liggen er massa’s broden en emmers confituur en choco klaar, berekend op honderden hongerige bezoekers in de groei. Vrijwilligers – vrienden en familie – gieten de emmers over in kleinere potjes en zetten nonstop koffie – nog zo’n gratis aanbod, de hele dag door. Dat huiselijke is een mooie afspiegeling van de sfeer op het festival: ongedwongen en no-nonsense.

De elf uur lawaai begon vandaag met het Poolse Besides, dat aan een nieuwe plaat werkt en al wat (stevig) nieuw materiaal liet horen. Het was onze achtergrondmuziek bij het schrijven van het festivalverslag van dag 1. Van het Zuid-Afrikaanse Ohgod pikten we gelukkig nog de finale mee: een apotheose (geen uitzonderlijk begrip in postrockland) die zich vertaalde in een uitzinnig publiek.

Wyatt E. stond al eerder op het dunk!festival, toen in een hete tent met als directe concurrent huisfavoriet Kokomo in een lekker fris bos. Deze keer kregen ze zelf een plaats op het bospodium. Daarvoor hadden ze nieuw materiaal mee, want na het tweeluik ‘Mount / Sinai’ verscheen vorig jaar ‘Exile to Beyn Neharot’: opnieuw twee lange lappen efficiënte opbouw waarbij de vertraagde Black Sabbath-riffs strak aan de leiband worden gehouden tot de muziek echt niet meer te houden is en losbreekt. De slome woestijnrock was bezwerend, niet op de directe, excentrieke manier van Thot gisteren, maar in de trippy, repetitieve variant. De accenten uit het zuid-oosten, inclusief de zichtbelemmerende kostuums, maakten het geheel af.

Het Amerikaanse vijftal straight-edgers Au Revoir speelt postrock met een punk-vibe, inclusief een aantal schreeuwvocalen, al zaten die diep weggedoken in de mix. De riffs waren niet bijzonder inventief, maar de sterkte zit in de crunchy lead-gitaar die op het juiste moment de gebalde vuisten de lucht in drijft. Nieuw podiumelement: de schooljuffrouw die met gekruiste armen en beate glimlach toekijkt of het publiek op de speelplaats zich goed amuseert. Ja hoor!

Hoort ook bij dunk: het bezoek aan de plaatselijke superette, zowat de bekendste Belgische winkel bij honderden Scandinaven, Duitsers, Fransen en Zuid-Amerikanen, die er hun jaarlijkse voorraad Belgisch bier inslaan. Wij kochten braaf een Belgische gazet op papier en lazen die ter lering en vermaak op een gazonnetje met zicht op petanquende bejaarden.

Op tijd terug voor het Noorse SOUP. Twee keyboardspelers in een hoekje van het podium, drums en gitaar, en een centrale bassist die prijs wegkaapte voor de mooiste baspartijen van de dag. In de crescendo’s tilden emotionele zangpartijen de songs naar een hoger niveau, en zorgden ze voor de eerste kippenvelmomenten van het festival. Prachtige finale ook, en massa’s applaus.

Toen de Britse celliste Jo Quail hier voor het eerst speelde, maakte ze kennis met de muzikanten van Caspian, die haar meteen meenamen op tournee. Dit jaar stonden ze weer beiden op de affiche,  en kon Jo Quail een nummer meespelen in de set van Caspian gisteren – alleen ging die bijdrage door de rookmachine wat verloren voor wie niet helemaal vooraan stond. Haar eigen set speelde ze in door het gebladerte gefilterde zonlicht, op het bospodium. Het publiek luisterde in stilte naar de geloopte cello-aanslagen en -uithalen, fragiel en krachtig tegelijk. We kregen vier lange nummers, waaronder een nieuwe song en als afsluiter het heerlijke ‘Gold’, uit ‘Five Incantations’. Een rijkelijk onthaarde strijkstok was de stille getuige van een intense set.

Grails was een van de grotere namen op de affiche, maar door zijn eigenzinnige discografie ook een beetje een buitenbeentje op dunk. Voor Grails is het een beetje alles of niks: als ze in vorm zijn, dan is het er pal op, maar even goed zijn ze soms wat slordig en spelen ze op de helft van hun kunnen. Het werd deze keer nochtans geen van beide. Slordig was Grails geenszins, academisch des te meer. Ligt de sterkte van de band in het excentrieke, het innovatieve en het verrassende, dan is het een beetje een teleurstelling een afstandelijke, op routine spelende band te zien staan. Ook de songkeuze, meer geschikt voor een huiskamerconcert dan voor een festivalshow, hielp niet echt. Enkel in de energiekere songs kwam hun genie bovendrijven, met als uitschieter het afsluitende ‘Origin-ing’, met die zalige baslijn, die speelse op- en afbouw, en die ge-wel-di-ge ‘refrein-solo’ van amper tien seconden, slechts twee keer gespeeld, maar wat een impact! Tien van die nummers met overgave gespeeld en dit was een onvergetelijke show geweest. Maar helaas.

De Duitsers van Radare lieten in het bos een gelijkaardig geluid horen, al lag het tempo nog lager, richting Bohren & Der Club of Gore. De sfeer was jazzy en dromerig, maar ook veel gemoedelijker, dankzij een dankbare en communicatieve band. De musique concrète tijdens het stille optreden – een rockbezetting verrijkt met sax – kwam deze keer van achtereenvolgens een helikopter, een raaf en een hond, en die zaten perfect in de mix.

Daarna mocht Rosetta beuken in de tent, de gedroomde gelegenheid voor de lichtman om zich nog eens volledig te laten gaan. Dat deed het publiek ook: er werd duchtig geheadbangd op de opzwepende posthardcore. Telepathy mocht dan weer stevig gaan in het bos. Allemaal stevige opwarmers voor headliner The Ocean.

Het Duitse The Ocean begon als collectief, maar heeft tegenwoordig een (vrij) vaste bezetting, inclusief celliste. Live ontgoochelen ze nooit, en dat deden ze ook niet op dunk. Hun progressieve metal is strak en confronterend maar ook aanstekelijk en gevarieerd. Vanaf het eerste nummer sprong de zanger al behendig richting publiek (en in één vloeiende beweging ook weer terug), met ‘Orosirian’ zetten ze al vroeg één van hun sterkste nummers in, en met het opzwepende ‘Statherian’ sloten ze een onwaarschijnlijk sterke eerste twintig minuten af. Daarna lag de lat meteen erg hoog, maar nergens volgde er een zwak moment, en het absolute hoogtepunt zat alsnog helemaal achteraan, toen rond middernacht ‘The Quiet Observer’ (van hun split-release met Mono) ingezet werd. Het is één van hun meest complete nummers, met flarden hedendaags klassiek, Russian Circles, Baroness en volbloed-metal, en live was dit een gedroomde afsluiter van de dag.

Gezien: Dunk!Festival, Zottegem, 11 mei 2018

Tekst: De Geluidsarchitect – Foto’s: Wouter De Bolle (www.lenscapes.be)

 

Comments


Reacties


Geen facebook? Reageer hier



%d bloggers liken dit: