Blog

FEATURE: Een cultuur van controle: Arnold Reijndorp


De wereld kijkt met grote verbazing naar de onlusten in Turkije en de onthulling van de mechanismen van het Amerikaanse spionagesysteem PRISM. Het uitoefenen van controle via (digitale) media en de asymmetrische toegang tot informatie van ‘veiligheidsdiensten’ is echter niet nieuw. Al decennia lang bestaan er netwerken die op deze manier macht uitoefenen en controleren. De opvallende actualiteit is niet dat er controle wordt uitgeoefend, maar dat al 20 jaar geaccepteerd wordt dat dit in alle facetten van de samenleving gebeurd. Ongeveer zeven jaar geleden schreef Marc Schuilenburg al een serie over privacy en controle. Deel 3 schreef Schuilenburg samen met Alex de Jong; een kleine opfrisser in het kader van recente gebeurtenissen.

Op zoek naar een nieuw publiek domein - Arnold Reijndorp

Op zoek naar een nieuw publiek domein – Arnold Reijndorp

De controle over het dagelijkse leven wordt als negatief ervaren. Onze vrijheid wordt ingeperkt, de bewegingsruimte wordt kleiner. Maar stadssocioloog Arnold Reijndorp stelt dat controle ook haar positieve kanten heeft.
De openbare ruimte is het favoriete terrein van controle. Sinds het begin van de jaren 1990 worden op grote schaal detectie- en patroonherkenningscamera’s geplaatst die tot doel hebben een absolute veiligheid te creëren. Niet alleen monitoren deze media het gedrag van individuen en groepen, ze worden ook gebruikt om bepaalde personen de toegang te ontzeggen tot (semi-)publieke ruimtes als winkelcentra en themaparken. In het derde deel van ‘Een cultuur van controle’ komt Arnold Reijndorp aan het woord. Hij is (mede)auteur van ‘Op zoek naar nieuw publiek domein’ (2001) en ‘Stadswijk’ (2004). In deze boeken staat de betekenis van de openbare ruimte en het publieke domein centraal.

In ‘Op zoek naar nieuw publiek domein’ relativeren jullie de idee van de openbare ruimte als een plek die voor iedereen vrij toegankelijk is. Wanneer komt dat begrip van de openbare ruimte op?
Reijndorp:
“Aan het einde van de achttiende eeuw ontstaat er zoiets als de openbare ruimte. De aristocratische openbaarheid van het hof wordt dan vervangen door een burgerlijke openbaarheid, die van de parken, theaters, opera en concertzalen. In eerste instantie zijn die ruimten in het geheel niet openbaar, althans niet volgens de huidige opvatting. Ze zijn slechts bestemd voor de burgerij. Dierentuinen, zoals Blijdorp in Rotterdam, waren alleen toegankelijk voor leden. Slechts één dag per jaar kon iedereen naar binnen. Laten we de straten en pleinen buiten beschouwing, dan zijn de plaatsen van de openbaarheid altijd beperkt toegankelijk geweest.”
De openbare ruimte als een open ontmoetingsplaats voor iedereen is dus een relatief jong idee?
Reijndorp:
“De ontwikkeling van de openbare ruimte is een gestaag proces van democratisering. Verschillende intellectuelen waren echter mordicus tegen het openstellen van die ruimte. Zo was de Franse schrijver Emile Zola tegen nieuwe parken in Parijs, omdat deze een te grote aantrekkingskracht zouden uitoefenen op het gewone volk. Volgens hem zou het volk de parken gaan misbruiken. ‘Vreemde’ elementen zouden de openbare ruimte binnenkomen wanneer ze voor iedereen wordt opengesteld. En inderdaad leidt het groen in onze steden tot naaktlopen en gaan mensen klagen over nachtelijke verzamelplaatsen voor homo’s.”
Anders gezegd, de opvatting van een open ruimte hangt samen met de emancipatie van de verschillende bevolkingsgroepen?
Reijndorp:
“Dat klopt. Aanvankelijk waren de grote parken in Parijs en Londen bestemd voor de gegoede burgerij, voor het patriarchaat. Er stonden hekken omheen. Die staan er trouwens nog steeds en gaan vaak ’s nachts op slot. Het streven naar emancipatie van de bevolking ging gepaard met het bevorderen van een gedisciplineerde levenswijze. Je zou kunnen zeggen dat bevolkingsgroepen werden gevormd tot verantwoordelijke gebruikers van de openbare ruimte. Vrijetijdsbesteding betekende activiteit, niet je tijd verdoen. In de kroeg zitten hoorde daar niet bij. Ook rondhangen in het park paste daar niet in. De burgerij wandelde door een park, zij ging niet in het gras liggen.”

Inmiddels is aan dit emancipatiestreven een ogenschijnlijk einde gekomen. De openbare ruimte ging van slot. Met alle risico’s van dien?
Reijndorp:
“In de jaren 1950 overheerst in de stedenbouwkunde het idee van een open ruimte die van iedereen is. De open maatschappij gaat dan samen met een open vormgeving. De bevolking wordt gezien als homogeen. Er zijn wel verschillen in welstand of geloof, maar die vallen in het niet bij de overeenkomstige ‘moderne’ levenswijze. De open ruimte wordt wel in zekere zin gecontroleerd, bijvoorbeeld door huisregels van de grote woningverhuurders, maar het idee was toch een open, toegankelijke en conflictloze ruimte. Die ruimte wordt in de volgende decennia ook steeds minder als een openbare, en steeds meer als ‘gemeenschappelijke’ ruimte gezien. Niet de overheid, maar de bewoners zijn verantwoordelijk. Weg met de ‘betutteling’. Deze opvatting zet zich met name in de jaren 1970 door. Daarna wordt dit vreedzame idee ruw verstoord. De openbare ruimte wordt ingenomen door andere groepen. Mensen met andere gewoontes zijn binnengekomen, alsook bevolkingsgroepen uit ‘andere’ landen zoals Turkije, Griekenland en Marokko. De ruimte wordt niet meer als veilig ervaren, er ontstaat een junkieprobleem, de zogenaamde kleine criminaliteit stijgt en de suburbanisatie zet zich gestaag door. Die ontwikkelingen versterken de segregatie in de steden.”
Wat gebeurt er vervolgens?
Reijndorp:
“In de jaren 1980 bleken onze steden minder vriendelijk dan gedacht. De openbare ruimte was een zootje, vol met geparkeerde auto’s en onveilig bovendien. ‘s Avonds en zondags werden de van auto’s vrijgemaakte winkelstraten akelige krochten, volgehangen met rolluiken. Hier kwamen alleen mensen die nergens anders terecht konden. De idee dat de openbare ruimte slechts nog beheerd hoefde te worden, bleek volkomen achterhaald. Klachten over de sociale veiligheid speelden daarbij een grote rol. Vooral vrouwelijke professionals zetten dit thema op de kaart. Er was een krachtige lobbygroep, de beweging ‘Vrouwen, Bouwen, Wonen’. Dat waren sociaal geografen, architecten, stedenbouwkundigen, planologen. Zij stelden dat de openbare ruimte veilig diende te zijn voor kwetsbare groepen, zoals bejaarden, kinderen en vrouwen. In die tijd kwamen verschillende lijnen dus bij elkaar: de functie van het verkeer, concurrentie met de periferie, thema’s als toerisme en cultuur, maar vooral het vraagstuk van sociale veiligheid. In eerste instantie werd de oplossing opnieuw gezocht in meer openheid en zichtbaarheid. Langzamerhand groeide echter een behoefte aan gecontroleerde ruimten. Maar, zoals we hebben gezien, dit element is altijd een onderdeel van de openbare ruimte geweest. Controle is niet nieuw. Ze is slechts terug van weggeweest.”

Het veiligheidsvraagstuk heeft de controle weer op de kaart gezet. Wat betekent dit voor de openbare ruimte?
Reijndorp:
“We moeten af van een neutraal begrip van openbare ruimte. Veel mensen huldigen een juridische opvatting van openbaarheid. Als een plaats door de overheid wordt beheerd, dan zou zij openbaar zijn. Maar veel van zulke openbare ruimtes functioneren niet als openbare ruimtes omdat ze door groepen worden gemeden. Anderzijds zijn er ook ruimtes die in privé-bezit zijn, bijvoorbeeld de grote warenhuizen, die als openbaar worden ervaren. Deze plaatsen breiden zich steeds verder uit. Ze worden ook groter, tot treinstations en luchthavens aan toe. De opvatting van de openbare ruimte als een vrije plaats van ontmoeting moet daarom in vraag worden gesteld. Juist door die ontmoetingsfunctie zijn veel mensen de openbare ruimte als onveilig gaan beschouwen. De suggestie van een plek die voor iedereen toegankelijk is, heeft als risico dat die plek van niemand is. De notie dat als alles open is, ook alles prettig wordt, is naïef.”
Welke functie kan controle vervullen?
Reijndorp:
“Controle kan in de openbare ruimte een positieve betekenis hebben omdat ze het publiek domein mogelijk maakt. Onder publiek domein verstaan Maarten Hajer en ik de plaatsen waar culturele uitwisseling plaatsvindt, confrontaties van ideeën en opvattingen tussen verschillende maatschappelijke groepen. Dit publiek domein stelt extra eisen aan de openbare ruimte. Een ruimte waarin men andere mensen niet kent, kan bedreigend zijn. Mensen zijn namelijk niet bang voor hun buren. Ze zijn bang voor willekeurige passanten, voor onbekenden die op straat lopen. Op dat moment is het belangrijk dat die ruimten worden gecontroleerd. Mensen ervaren camera’s als geruststellend, net zoals ze metaalpoortjes op luchthavens geen probleem vinden. Die zorgen ervoor dat je niet in een vliegtuig zit met mensen die wapens bij zich dragen.”
“Controle kan worden bereikt door de fysieke aanwezigheid van hekken en hagen. Hekken hoeven daarvoor niet te worden gesloten. Ook als ze open blijven staan, geven ze een duidelijk signaal af: ‘Dit is een bijzondere ruimte, dit is een afgebakende ruimte, hier geldt een ander regime.’ Daarenboven kan de vanzelfsprekende aanwezigheid van ‘controleurs’, van mensen die zorg dragen voor die ruimte, parkwachters of tuinmannen bijvoorbeeld, een gevoel van vertrouwdheid bieden. Zo kan een bepaalde mate van controle eraan bijdragen dat bepaalde groepen een eigen plek krijgen. De toe-eigening van die plek gaat niet ten koste van de openbaarheid, maar draagt bij aan het publiek domein in onze maatschappij.”
Maar leidt dat niet tot een eendimensionale invulling van het publiek domein?
Reijndorp:
“Het interessante is dat het publiek domein veel groter is dan een plein of een straat. In de praktijk zie je dat bepaalde ruimtes groot genoeg zijn voor verschillende groepen. Neem je de hele stad of een combinatie van voorzieningen in de periferie, dan gaat het om de verbindingen tussen die verschillende ruimten. Je komt op het gebied van een ander, maar je bent vrij daar te komen.”
Kunnen we dit in termen van verlangen begrijpen? Een cultuur van controle wordt altijd vanuit angst gedefinieerd. Angst leidt tot isolering en afzondering, maar verlangen knoopt relaties aan. Terwijl angst zich naar binnen richt, strekt verlangen zich uit naar buiten.
Reijndorp:
“Mensen zijn geïnteresseerd in elkaar. Ze willen niet opgesloten zitten, ze zoeken spannende dingen op. Er is een sterk verlangen naar buiten. De eerste hekken bij de gated communities in de Verenigde Staten zijn al weer weggehaald. In dat opzicht staan angst en verlangen niet tegenover elkaar, maar zitten ze heel dicht bij elkaar. Angst maakt deel uit van het verlangen. Dat verlangen moet worden gefaciliteerd. Dan wordt het mogelijk dat plekken niet door bepaalde groepen uitsluitend worden gedomineerd, dat wil zeggen met (zelf)uitsluiting van anderen. Daarom is de vraag belangrijk welke plek er voor marginalen in de publieke ruimte is.”
Je stelt dat we plaats moeten maken voor marginaliteit in de publieke ruimte. Technologie is dan dienstbaar aan diezelfde ruimte. Hanteer je daarmee geen neutrale definitie van technologie?
Reijndorp:
“Soms kan een hekje neutraler zijn dan een veiligheidsbeambte. Dat hekje maakt zich niet druk hoe je eruit ziet.”
Tegenwoordig zijn er wel heel geavanceerde hekken.
Reijndorp:
“Ik denk dat we het soms beter aan de techniek kunnen overlaten. Ik verkies metropoorten boven al het personeel dat mensen moet tegenhouden. Wapendetectie kan neutraler functioneren, dan de mensen die je fouilleren. Bovendien is het van belang wanneer je een hekje of poortje tegenkomt. Bij controle aan de voorkant moet je een kaartje tonen. Dat werkt selectief. Bij controle aan de achterkant wordt niet op personen geselecteerd. Neem de centrale bibliotheek in Rotterdam als voorbeeld. Daar wordt alleen aan de uitgang gecontroleerd of je een boek meeneemt zonder te registeren. Dat maakt deze bibliotheek tot een enorm publiek domein.”

We kunnen dus stellen dat de openbare ruimte een lange traditie van controle kent. We geraken daarmee op het punt van vormgeving. Hoe kan de collectieve ruimte in een cultuur van controle vorm worden gegeven?
Reijndorp:
“Ik spreek bij voorkeur over een sfeer of ervaring van het publiek domein. Dat is de ervaring dat je op het terrein bent van een andere groep. Je bent op een plek waar je vraagt: ‘Wat gebeurt hier?’ Zo’n ervaring of sfeer kan je vormgeven. Ik denk hierbij aan de idee van gecontroleerde ongecontroleerdheid die ik ontleen aan het werk van de Britse architect Cedric Price (1934-2003). Price heeft een ontwerp gemaakt voor het onuitgevoerde Fun Palace. Dit moest een flexibel en multifunctioneel ontspanningscentrum in een buitenwijk van Londen worden. Fun Palace is geen gebouw. Niet door middel van architectuur, maar met andere middelen wilde Price specifieke sferen creëren om zo het gedrag van de aanwezigen te beïnvloeden. Hij dacht daarbij onder meer aan de werking van klimatologische systemen, kleuren en geuren.”
Hoe kunnen we die gecontroleerde ongecontroleerdheid beter begrijpen?
Reijndorp:
“Je wilt dat mensen zich vrij gedragen, zonder dat ze elkaar teveel in de weg gaan zitten. Om een park hekken plaatsen, kan een vorm van gecontroleerde ongecontroleerdheid zijn. Ik vind het interessant dat Price de term controle gebruikt en daarmee niet blijft steken in het naïeve idee van de jaren 1970 dat de openbare ruimte een open plaats van ontmoeting is. In een gecontroleerde ongecontroleerdheid worden er weliswaar bepaalde zaken verboden, bij sommige parken met borden aan de ingang. Maar zo wordt er ruimte gecreëerd voor gedrag dat elders niet is toegestaan, zoals op de grond gaan zitten, je (deels) ontkleden en een biertje drinken. Die vrijheid bereik je door mensen het gevoel te geven dat ze worden gecontroleerd. Luchthavens en pretparken werken op die manier. Je kan dat manipulatie of disciplinering noemen. Maar ik vind dat een te eenzijdige benadering.”
Wat is de uitdaging van het ontwerp van de publieke ruimte?
Reijndorp:
“Ontwerpers moeten meer feeling krijgen met de openbare ruimte als een potentieel conflictvolle ruimte. Ze moeten veiligheid en vertrouwdheid als onderdeel van hun vak gaan beschouwen. Ze dienen de openbare ruimte te ontwerpen op haar conflictbestendigheid. Nog te vaak denken ontwerpers dat alleen maatschappelijk werkers dat moeten doen. Hoe houden we de openbare ruimte prettig of in de hand, dat zijn de vragen van nu. Dit geldt ook voor de publieke ruimten die eigenlijk privaat zijn. De kennis van de ontwerpers van winkelcentra en pretparken moet niet alleen worden ingezet om De Efteling van binnen vorm te geven, maar juist op andere plekken die als onprettig worden ervaren. Op die manier kunnen gecontroleerde ruimtes veel meer deel uitmaken van ons stedelijk landschap.”

Comments

comments


Reacties


Geef een reactie