Blog

Zweten in de Raster-Noton sauna – Berlijns Dagboek 3


Woensdag

Wakker worden terwijl de Neubauten Ulysses met Andrew Chudy nog door m’n hoofd spookt. ’s Nachts, voor het slapen, heb ik gedoucht – veruit het handigste in dit hostel zonder toiletten of douches in de kamers; want ’s morgens altijd files bij het wassen. Het ontbijt smaakt hier het beste als je het simpelweg overslaat. Doe ik ook. Alleen even m’n mail en Twitter checken. Daarna naar Sankt Oberholz, waar ik dinsdag ook al zat. Tussen al die andere volstrekt in zichzelf gekeerde laptoppers. Dat voelt prettig.
Met een groot glas verse sinaasappel-wortelsap probeer ik de vorige dag te laten herleven en de meest belangwekkende ervaringen, belevenissen en interessante uitspraken van Chudy terug te halen en op te schrijven. Het lukt wonderwel; ik verlies mij er vanzelf in. Uren gaan voorbij.
Dan wil ik iets anders. Het is inmiddels drie uur in de middag. Ik besluit Staalplaat op te zoeken. Ooit een alternatieve muziekwinkel in Amsterdam, maar nu alweer zeker tien jaar in Berlijn. In het verleden zaten ze achtereenvolgens op twee adressen in de Torstrasse, precies tussen het Rosa Luxemburgplatz en Rosentalerplatz in. Nu zijn ze verhuisd naar de Flughafenstraat in Neuköln. Daar was ik nog niet. Ik neem de U-bahn.

Na Penzlauerberg en Friedrichshain is Neuköln het nieuwe goedkope stadsdeel van Berlijn. Penzlauerberg en Friedrichshain puilen tegenwoordig uit van de hippe loungebars, wifi-koffietenten, sushihutten, trendy clubs, designboutiques, galeries en wat al niet meer. Met hier en daar een fraai geconserveerd kraakpand voor het cachet.
Niets van dat alles in Neuköln. Alleen Turkse koffiehuizen, winkels waar de inhoud van de Zak van Max wordt verkocht, belcentra, sport- en karaoke-bars en Aziatische en Turkse supermarktjes. En het is er goedkoop – ik drink er cappuccino en eet daar twee croissants bij voor samen 2,20 Euro. De huren zijn er laag. Dit is waar de echte hippe nieuwe Berlijners wonen. Echte hippe mensen hebben immers geen geld.
Staalplaat heeft er een onderkomen gevonden in een mooi pand. Ze verkopen – al een paar jaar trouwens – niet alleen muziek meer, maar ook cartoonkunst; tekeningen en boeken. Het pand is mooi en ruim en het bezoek levert een merkwaardig déjà vu op. De winkel doet niet alleen in vinyl en cd’s, maar verkocht in het begin vooral ook veel cassettes. En die hebben ze nog altijd. Mijn ogen gaan langs rekjes met vroege Merzbows en K7-bandjes van allerlei vage Nederlandse industriële acts uit de jaren tachtig. Ik weet opeens zeker dat ik precies diezelfde bandjes destijds nog in het eerste Staalplaatwinkeltje in de Amsterdamse Spuistraat – de achterkant van het Handelsbladpand – heb zien staan. En dat ze iedere keer zijn meeverhuisd, doos in doos uit, van de Suistraat naar de Jodenbreestraat en daarna naar de Staalkade aan de Amstel. En vervolgens helemaal naar Berlijn: Torstrasse, verderop in de Torstrasse. En dan nu Neuköln. En nooit verkocht, die cassettebandjes. Ik wil er bijna een kopen. Maar dat is vooral uit een soort ‘medelijden’. Dat slaat nergens op. Ik doe het niet.

Ik slenter door Neuköln en besluit naar de Oranienstrasse in Kreuzberg te gaan – de legendarische ‘punkstrasse’ van de jaren tachtig. Een handvol herinneringen oprapen die daar wellicht nog liggen. Als ik het vandaag niet doe komt het er deze week niet van. Ik neem de U-bahn naar Kotbusser Tor. “Daar, in dat metrostation, wordt weer volop heroïne gedeald, net als vroeger,” had Andrew Chudy gisteren nog gezegd toen we er met de auto langsreden. Het klopt. Ik zie het voor mijn ogen gebeuren als ik uit de trein stap.
De Oranienstrasse is toeristisch geworden. Al meer dan twintig jaar trouwens. Maar er hangt nog altijd een klein beetje dat ‘seedy’, ranzige en ruige sfeertje, dat het leuk maakt. Van die veertigjarige hanenkammers in half afgezakte Jim Morrison-broeken die de hele dag met een halve liter bier in de hand over de stoep zwalken.
En er zijn andere dingen. Een warm gevoel als ik zie dat galerie Endart nog altijd bestaat. Daar heb ik in 1984 Die Tödlige Doris zien spelen. Toen besefte ik niet hoe bijzonder dat was. Nu wel. Natuurlijk loop ik even binnen bij de grote linkse boekhandel, waar ze nog altijd gewoon Bob Dylan draaien in de winkel. De Bootleg Series deel zoveel.

Terug in het hostel zet ik mijn dinsdag-dagboek online, wat meer tijd kost dan in verwachtte: . Links opzoeken. Illustraties. Haast heb ik niet. De opening van het Krake Festival waar ik nog naar toe wil is pas om elf uur ’s avonds. Maar eigenlijk moet er toch nog wat gegeten worden.
Het komt er niet van. Het is half elf als het stuk naar tevredenheid online staat. En ik besluit maar meteen naar Krake te gaan, een Festival voor Experimentele Dansmuziek. Het duurt tot komende zondag, maar vanavond is de enige keer dat ik er bij kan zijn.
Nou is Bruyn naar een dancefestival sturen zoiets als Mohamed bij Wilders op audiëntie laten komen. Maar deze openingsavond is een showcase van het Raster-Noton label en dat is natuurlijk een serieuze tak van sport. Frank Bretschneider speelt. Ik ken hem persoonlijk – ik haalde hem ooit naar het Haarlemse )toon)-festival.

Berghain Kantine

De openingsavond van Krake is in de Berghain Kantine in Friedrichshain, niet ver van het Ostbahnhof. Even voor elven neem ik de U-Bahn. Het adres dat ik genoteerd heb blijkt op een industrieterrein en in het donker onvindbaar. Ja, ik zie in de verte een Biergarten, maar die ziet er zo oubollig uit, daar kan het niet zijn. Ik loop de straat uit en weer terug. En weer terug. Ik besluit het maar te vragen aan twee jongens die er wel ‘hip’ uitzien. Ze sturen me links, rechts, straat uit, dan weer links en het hek volgen. Ik doe het en kom uit bij de oubollige Biergarten. Het blijkt de Berghain Kantine te zijn en is van dichtbij absoluut niet oubollig. Inmiddels is het kwart voor twaalf.

Ik vraag hoe laat de concerten beginnen. Grischa Lihtenberger om half een. Bretschneider om half twee. Of er nog iets te eten is? De man bij de kassa haalt de schouders op en wijst naar de bar in de tuin. De keuze blijkt beperkt: appeltaart en brownietaart. Dat laatste vult het best, besluit ik en bestel twee brownies en een halve liter bier – het eerste dat ik binnen krijg na mijn koffie en croissants ’s middags. Ach, morgen doe ik wel weer gezond met vruchtensappen en hippe café-salades.
De tuin stroomt vol. Veel jonge mensen. Veel Amerikanen, maar ook Engelsen, Fransen, Nederlanders, Italianen. Relatief weinig Duitsers. Ze ogen meer als doorhalende toeristen dan als ware Raster-Noton conaisseurs. Maar hoe zien Raster-Noton conaisseurs er eigenlijk uit?
Frank Bretschneider komt aan mijn tafeltje voorbij. Een vaag knikje van herkenning en weg is hij weer. De concerten zijn binnen en binnen is het bloed- en bloedheet. Er draait een DJ. En hoewel hij er ernstig bij kijkt probeert hij als puntje bij paaltje komt toch vooral Tiësto’tje te spelen. Boem boem boem. Dat vindt het publiek altijd leuk en weinig DJ’s kunnen die verleiding weerstaan.

Ik vlucht weer naar buiten en wacht in de tuin. Bij nacht is het een paradijselijke omgeving. Ik weet dat de tuin omringd wordt meubelhallen, garages en verroeste spoorrails, maar ’s nachts, bij meer dan vijfentwintig graden celsius merk je daar niets van. Zelfs het ‘Boem boem boem’ van de DJ dringt niet tot buiten door.

Grischa Lichtenberger

Om half een geen Grischa Lihtenberger. Pas om één uur komt deze nieuwe Raster-Noton act het podium op. En hij begint goed. Hij verwart het publiek – waarvan trouwens nog geen twintig procent werkelijk luistert, de rest praat gewoon door. En hij heeft eigenzinnige lichtbeelden.

Toch kan hij het niet laten om er na ruim een kwartiertje alsnog een ferme beat in te gooien. Reden voor mij om weer buiten te gaan zitten. De temperatuur binnen heeft inmiddels het dragelijke nivo ver overschreden..Veertig graden. Minstens. En geen fatsoenlijke airco.

Natuurlijk begint ook Frank Bretschneider later dan gepland. Om twee uur ’s nachts. Ik heb in een hoekje naast de bar een hoge barkruk gevonden die iedereen ontgaan is. Ik wil luisteren, niet dansen. Dansen vind ik een volstrekt nutteloze en energieverspillende bezigheid – zeker bij deze temperatuur. Daarbij valt er veel te luisteren aan de muziek van Bretschneider. Dat doe ik thuis ook.

Frank Bretschneider

Het lijkt alsof hij ‘beats’ produceert, maar eigenlijk zijn het ‘pulsen’. Een subtiel verschil. Niet ‘mechanisch’, maar ‘organisch’, hoewel ze digitaal tot stand komen. Daarbij zijn de Raster-Noton musici befaamd om hun elektronisch aan de muziek gerelateerde beelden. En ook die kloppen bij Bretschneider. Niet geforceerd, niet nodeloos suggestief – dat is vaak de dood in de pot bij elektronicamusici die met beeld werken. Muziek en beeld zijn bij Bretschneider minder ‘streng’ strak dan bij Carsten Nicolai – die ik overmorgen nog hoop te spreken – maar nog altijd uiterst consequent ‘minimal’ voor dancebegrippen. De Berghain Kantine voelt ondertussen als een sauna. Ik voel het zweet in straaltjes over m’n lijf lopen. Maar dat is OK; ik zit in m’n hoekje, drink nog twee halve liters Becks en geniet.

Over drieën loop ik richting Ostbahnhof. Tot vier uur rijden er geen metro’s. Wel nachtbussen en er komt er net eentje aan die naar de Rosentaler Platz gaat. Eenmaal daar besluit ik dat ik de nacht toch echt moet afronden met een laatste biertje. Er is nog veel open. Zelfs nog veel mensen op terrassen. Maar ‘mijn’ barretje, Yesterday, blijkt gesloten. Alweer! En het is pas half vier. Weer een zekerheid uit mijn verdwenen.
Richting Rosa Luxemburg Platz lopend hoor ik vanuit een andere kroeg een maffe oude blues die ik vaag ken: ‘Judge, send me to the ‘lectric Chair’ van Bettie Smith. Cool. Ik ga naar binnen en bestel bier. Een vreemde verzameling bezoekers. En een vreemde DJ in jaren dertig, Gilbert O’Sullivan outfit die allerlei rare camp-muziek en oude blues draait. Ik luister, maak wat aantekeningen over het Bretschneider-concert, bestel nog een bier en als ik terug loop van de bar word ik naar een tafeltje gewenkt.

“Hey man, you look cool, let me hug you,” zegt een man met een baard.
Ik wil helemaal niet ‘gehugd’ worden. Niet om half vijf ‘s nachts en al helemaal niet door een baard.
“Kom erbij zitten,” wenkt nu ook de vrouw die naast hem zit. Maar zij spreekt Duits en lijkt op de vrouwelijke helft van het voormalige accordeonduo De Kermisklanten.

De Kermisklanten

Ik ga zitten en zie nu voor het eerst de derde persoon in het gezelschap. De man naast mij die steeds met zijn rug naar mij toe zat. Hij zal een jaar of zestig zijn, maar dat is in het halfduister moeilijk te zien. Niet alleen zijn armen zitten vol tattoos, maar ook zijn gezicht. Hij kijkt mij aan, zwaait z’n rechterarm omhoog en zegt ‘Heil Hitler’.
Waar ben ik beland? De man die mij als eerste aansprak blijkt een Griek en zegt dat hij eerst wil huggen en daarna met mij naar zijn hotelkamer wil.

Ik antwoord dat ik naar Berlijn ben gekomen om de Gay Parade te ontvluchten en niet om er in terecht te komen.
De Kermisklante begint te giechelen en de man met het betatoeërde gezicht stoot een monsterlijk gebrom uit.
“Welk sterrenbeeld ben je?” probeert de Griek nog eens.
“Zoiets vraag je alleen aan vrouwen die je wilt versieren. Niet aan een man,” reageer ik zo bot mogelijk. “Maar als je het echt weten wilt: Boogschutter. Net als Keith Richards en Neil Young trouwens….”
De Griek schrikt, of doet alsof. “Oeh… Ik heb ooit een vriendje gehad die boogschutter was. Altijd moeilijkheden. Altijd problemen mee!”
Als je dat maar goed beseft!
De man met het gezicht vol tattoos staat op, zwaait zijn rechterarm weer de lucht in en roept nu harder: “Heil Hitler!”
De barman maant hem tot stilte.
De Kermisklante zegt dat ze er maar eens vandoor gaat en loopt naar buiten, linksaf de Schonhauser Allee op.
“Nou, doei dan maar,” zeg ik en ga ook naar buiten, maar rechtsaf richting Rosa Luxemburger Platz.
Het begint al licht te worden. Op de stoep voor Kafee/Tanzwirtschaft Burger en op de trappen voor de Volksbuhne zitten nog groepjes tieners met halve liters bier. Die mogen van hun ouders een paar maanden de beest uithangen in Europa, voordat ze thuis definitief in het conservatieve liberalisme worden ondergedompeld.
Ik vind het mooi geweest. Ik ga slapen. Maar eerste even douchen. Nu is het rustig.


Reacties