Een van die merkwaardige instrumenten die we wel eens zien in fanfares, jazzorkesten en klassieke orkesten is de tuba. Er wordt niet veel muziek voor geschreven, want hoewel de klank van de tuba uniek is en niet echt door andere instrumenten kan worden overgenomen, is het zo groot, log en onhandelbaar, dat er maar weinig muzikanten zijn die zich er op (willen) bekwamen.
De Pool Piotr Zabrodzki is een uitzondering. Op de cd Namanga speelt hij met drie landgenoten (op onder andere piano, orgel, contrabas, basgitaar en percussie) vijftien stukken vol. De meeste zijn kort, minder dan twee minuten, maar er zijn ook stukken van in de drie, vijf en van bijna twaalf minuten.
Wat spelen de vier muzikanten? En wat speelt de tubaïst/leider van de vier?
De muziek is veelzijdig, afwisselend, gaat regelmatig richting ouderwetse freejazz, maar zonder verlies aan frisheid, of vertoeft in modernere improvisatiekringen, vertoont ook duidelijk gevoel voor humor, en kan zich prettig verliezen in elegante of triviale melodietjes waarin sfeer even belangrijk is als instrumentvertoon.
En Piotr Zabrodzki? Tja, hij is een gigant op de tuba. Wat een geluid, wat een diversiteit en creativiteit, hoe diep gaat hij, hoe hoog, en hoe zuiver blijft hij in alle kleuringen zelfs als hij zijn stem vermengt met zijn geblazen lucht!
Het kan zijn dat ik hem gemist heb, maar bij mijn weten heeft Zabrodzki nog niet bij ons in de buurt zijn kunnen geëtaleerd. Wellicht een tip voor jazzpodia of jazzfestivals. Een buil kun je je er niet aan vallen.
