Een lang weekend doorbrengen op Le Guess Who? betekent dat je zaterdagavond laat mensen tegenkomt die moeie voeten hebben van het dansen, terwijl jij alleen maar topzware herrie en ongezellige ambient hebt gezien. Er is geen universele LGW?-ervaring, behalve dat je er nooit tweemaal hetzelfde zult zien, zelfs als je sommige muzikanten (zoals Valentina Magaletti of Alabaster dePlume) steeds weer op het podium tegenkomt.
Auteurs: Ruben van Dijk en Christiaan de Wit
Donderdag
Op donderdagavond, rond half acht, staat Le Guess Who? op het punt te beginnen, maar het merendeel van de aanwezigen is de studentenleeftijd ontstegen en moet nog even loskomen op deze voor hen ongebruikelijke uitgaansdag. Het is druk in Cloud Nine, een van de kleinere zalen van het immense TivoliVredenburg. De Zuid-Afrikaanse drummer Tumi Mogorosi stelt zijn band rustig voor om vervolgens niet bepaald rustig te beginnen. De muziek die de band tevoorschijn tovert, houdt het midden tussen free jazz en spiritual jazz en de geluiden zijn uitdagend, zelfs voor alle fanatieke muziekliefhebbers in de zaal, die van heinde en verre zijn gekomen om nieuwe artiesten te ontdekken. Mogorosi draagt zijn muziek op aan diegenen die de ontzaglijk grote taak op zich hebben genomen om onvrijheid, zoals hij het noemt, te bestrijden. Dat doet hij woordelijk aan het begin van de nummers, al is het niet altijd even goed te verstaan. De band lijkt te bestaan uit musici met uiteenlopende karakters – de trompettist staat in vervoering te luisteren wanneer hij zijn instrument onberoerd laat, terwijl zijn buurvrouw wat ongemakkelijker is zodra ze niets te doen heeft. Het is bijzonder om te zien. De meest in het oog springende virtuoos is de gitarist, die met zijn solo’s de muziek én de zaal een stuk losser maakt. (Chris de Wit)
Omar Hayat verwacht niet dat het publiek zomaar méé klapt. Dat is een veel te passieve bezigheid. Nee, Hayat, de Jimi Hendrix van de guembri, wil dat het publiek mede bijdraagt aan het ritmisch fundament van zijn optreden. Er wordt hard, zacht en snel geklapt, soms als er zelfs geen enkel (ander) instrument te horen is. Er mag soms ook mee worden geschreeuwd – hoe precies dat wordt dwars door de taalbarrière uiteindelijk wel duidelijk. De Hendrix-vergelijking verwijst met name naar de duizelingwekkende bekwaamheid van de Marokkaanse Hayat; verder zit het showmanschap bij uitstek in de herhaling. Elk lied volgt een soortgelijke eb- en vloedbeweging, waar ofwel de lage stem van Hayat, het snaarwerk of de atletische achtergrondzangers/-dansers met hun galopperende karkabous en wiegende fezkwastjes de voorgrond nemen. Elke keer dat de cyclus zich herhaalt klikt het net wat beter met het publiek, maar na veertig minuten, net als de ene achtergrondzanger die steeds naast zit begint op te warmen, zijn de handen al behoorlijk blauw. (Ruben van Dijk)
Hoewel het podium van de Ronda al vol staat met een ontelbaar aantal speakers om de show van dronemetalband Sunn O))) kracht bij te zetten, is het nog niet zover. Eerst is het de beurt aan percussionist Valentina Magaletti, een van de gastcuratoren van het festival, en de Nederlandse IDM-artiest upsammy. Ook hier staan weer twee uiteenlopende artiesten naast elkaar. Magaletti zit energiek wippend op haar kruk terwijl upsammy wat stoïcijns achter haar hardware staat. De pret mag het zeker niet drukken. Waar IDM als genre al decennia lang op zijn lauweren is gaan rusten, voegt upsammy er op een bijzondere manier energie aan toe met knalharde, knap geprogrammeerde kicks die voor een ongrijpbare groove zorgen. Daarnaast levert ze vanavond een warm bad aan chaotische bliepjes die nauwelijks te volgen zijn, maar toch een kalmerend effect teweeg brengen. Hoewel de twee al een aantal keer eerder het podium deelden, voelt de samensmelting van upsammy’s elektronica met Mageletti’s avontuurlijke percussie – die naast regelmatige explosies ook veel stiltes kent – nog altijd als een verkenning. Vooral wanneer Magaletti zich laat verleiden tot het wat hardere slagwerk lijken de twee elkaar wat in de weg te zitten. Een geweldig hoogtepunt vormt de uitvoering van ‘Relic’, een van upsammy’s allerbeste tracks. De dwingende melodieën van het origineel en de subtiele percussieve contributies van Magaletti vormen dan zowaar één geheel. (CdW)
Terwijl Lido Pimienta vanaf de eerste seconde inheems-Latijns-Amerikaanse muzikale tradities (cumbia, bullerengue) op scherp zet, zien we achter haar geprojecteerde dronebeelden die regelrecht van een Colombiaans reisbureau lijken te komen. Het is een vreemd contrast. Een mooier contrast is dat tussen het strijkkwartet dat haar na enkele nummers op het podium vergezelt (onder hen Owen Pallett) en het nummer ‘Mango’ dat door hen zo hemels klinkt: “een lied over de zoete sap van een mango die over je borsten druipt”, aldus Pimienta. Ze woont in Canada tegenwoordig en haar heimwee maakt ze voelbaar: het door haar verbeelde moederland is paradijselijk en kleurrijk, net als haar optreden in de Grote Zaal. Ook wij voelen de heimwee en proeven de mango – daar had ze geen droneshots voor nodig. (RvD)
Telkens opnieuw een volledig nieuw concert tot je nemen is inspannend. Dat snappen de programmeurs van LGW?. En daarom trakteren ze je af en toe ook op wat meer ontspannen intermezzo’s. Hoewel, ontspannen… Bij binnenkomst in de COSMOS Foyer heeft Mutamassik – de helft van het ongrijpbare duo Ancient Indigenous Africans – net ‘It’s After the End of the World’ van Sun Ra opgezet. Vanuit daar navigeert ze via twee of drie andere sonische werelden naar het veel lichtvoetigere Pawa van de Tanzaniaanse afrobeat-artiest Mbosso. (CdW)
Je zou denken dat een band met zulk onvoorstelbaar dure apparatuur als Sunn O))) geen genoegen zou nemen met zo’n goedkoop sissende rookmachine als er vanavond in de Ronda staat. Even zien we de dramatische handgebaren van Stephen O’Malley en Greg Anderson in hun gewaden en dan weer: tsssssjjjjjjjjj. Je ziet door de rook niet eens de mensen die het geweld ontvluchten, of buiten de zaal een nieuwe ronde bier gaan halen. Dat de bars in de Ronda zelf gesloten blijven, zegt toch wel iets over de louche volumestand waarvan de drone metal-veteranen hun trademark hebben gemaakt. Het trekt fans die er een dagticket voor over hadden alsmede nieuwsgierigen die zich afvragen of dat trademark niet ook een beetje een gimmick is. Gaat het erom dat het goed of toch vooral hárd klinkt? De rookmachines doen het laatste vermoeden, al verdient een band van dergelijke statuur het voordeel van de twijfel. Dit is een band die handelt in Unheimlichkeit. De eerste tien minuten worden gewijd aan fragmenten van een liveplaat van SUNN O)))’s spirituele voorganger Venom, maar dan alleen de aankondigingen en de eerste tellen van elk lied. Dat vlak voor een band opkomt waarvan elk nieuw stuk klinkt alsof het vanaf begin af aan al aan het eindigen is. (RvD)
Jezelf een uur lang van zoveel knoppen en instrumenten bedienen als de Libanese artiest Yara Asmar, dat is toch wel heel bijzonder en het contrast met het publiek dat aandachtig van biertjes nippend zit toe te kijken is enorm. Niet dat dit iemand kwalijk genomen moet worden natuurlijk, maar toch. Asmar haalde haar instrumenten overal en nergens vandaan. Zo is er de gigantische accordeon, prominent aanwezig in haar opgenomen materiaal en dit optreden, die ze vond op de zolder van haar grootmoeder. Met dit immense apparaat zit ze aan het begin van het optreden op een kruk en terwijl ze hem verder uittrekt, wordt het geluid onheilspellender. Unheimisch bijna. Vervolgens loopt ze deze geluiden en gaat ze aan de gang met een aantal strijkstokken, een xylofoon en lastig zichtbare hardware. Inmiddels waan je je – met die accordeon die de zaal vult – als luisteraar in de smalste straten van Parijs, waar het gevaar continu op de loer ligt. Dat gevoel is vreemd genoeg comfortabel. En precies op dat moment trekt Asmar weer iets te lang aan het instrument, waardoor het onbehagen terugkeert. Hoe een vijfentwintigjarige multi-instrumentalist uit Beiroet een film zonder beeld uit een dozijn instrumenten weet te persen. Ongelooflijk. (CdW)
Vrijdag
Het kon ook bijna niet anders: Pram, de psychedelische band die in 1988 in Birmingham werd opgericht, speelt vanavond voor een scherm waarop zich allerlei onverklaarbaars afspeelt. Het zijn animaties die kinderlijk zijn, maar waarvan je vroeger toch behoorlijk gegriezeld zou hebben. De band zelf steekt een beetje af tegen de visuals; de leden zien er uit als een verzameling excentrieke oudere jongeren die niet zo heel veel meer uitgaan. Het zijn daarmee vriendelijke wolven in schaapskleren, want muzikaal gezien is het optreden van Pram een groot avontuur. De bandleden creëren dat avontuur met een grote verzameling bijzondere instrumenten. De theremin, het instrument dat bespeeld wordt door de afstand tussen handen en antennes te variëren, zorgt hierbij voor het grootste visuele spektakel. De leden van Pram nemen je mee naar een andere wereld die dromerig, melancholiek en gelaagd is en hier en daar sterk doet denken aan de sound van Broadcast, ook al uit Birmingham. Het is een band waarmee Pram een prachtige, strak omlijnde maar toch rommelige sonische esthetiek deelt. (CdW)
Voor de liefhebbers van traditionele folkmuziek is de vroege vrijdag een kadootje. Er is onder jonge Britse muzikanten nogal een herwaardering gaande voor de eeuwenoude muziektradities van het land. Daisy Rickman en Quinie laten er achtereenvolgens allebei een heel andere kant van zien. Rickman trapt af in een volle Jacobikerk. Ze is een muzikale rambler, net als Bert Jansch iemand die met haar gitaar geitenpaadjes lijkt af te leggen. Maar waar Jansch uit het binnenland van Schotland kwam, woont Rickman op het puntje van Cornwall, waar de zee nooit ver weg is. Haar diepe stem heeft wat weg van Nico en vult de gewelven van de kerk met zeevlam, alsof we met z’n allen dobberen in de estuaria bij Penzance. Rickman wisselt eigen werk af met traditionals (‘The Highland Widow’s Lament’, ‘She Moves Through The Fair’). Het onderliggend thema lijkt in elk lied het heengaan van geliefden. Ook de woorden die ze zingt veranderen gaandeweg in bovenaardse, onverstaanbare geluiden. Eigenlijk dobberen we niet, maar zweven we. (RvD)
Hoe anders is de aanpak van Quinie, die voor aanvang van haar eerste lied al meer kletst dan Rickman gedurende het hele uur. Zocht Rickman naar betekenis in de sterren, daar is de inspiratie van de Schotse Quinie, die alles a capella zingt, aards en alledaags. Na een seance zijn we vijftien minuten verderop, in Museum de Speelklok, getuige van een hoorcollege. Quinie is folklorist en voorziet elk lied van etnografische context. Ze brengt liederen ten gehore over boeren die hun koeien van het laagland naar het hoogland verplaatsen; over hoe de koekoek met haar kuikens omgaat; over het plukken van duindoornbessen. Ze zingt alsof ze nog modder aan haar zolen heeft en zingt ook zeker niet alles perfect. Gezien de doorloop en de vele lege stoelen mist de gemiddelde LGW?-bezoeker hier het enigma dat, zeg, een Daisy Rickman biedt. Maar op een festival waar andere culturen vaak vooral een vibe zijn, is dit een verrijking. We hebben zowaar wat geleerd, bijvoorbeeld dat je die duindoornbessen dus niet met tak en al moet oogsten. (RvD)
De Britse saxofonist Angus Fairbairn liep ooit over straat toen een willekeurig persoon iets onverstaanbaars schreeuwde vanuit een passerende auto. Het klonk ongeveer als “Alabaster dePlume” en voilà, Fairbairn hoefde niet langer over zijn artiestennaam na te denken. Alabaster dePlume is een vrije denker en dat is ook op het podium vanaf het eerste ogenblik al te merken. “Ik ben het helemaal met je eens,” roept hij naar zowel de schreeuwende baby in de zaal als het knisperende chipszakje even verderop. Maar de in Manchester geboren artiest is ook serieus: gehuld in een Keffiyeh stelt hij dat het bestrijden van de kolonisten op de westelijke Jordaanoever zijn taak en die van ons allemaal is. Dat besluit is niet zomaar tot stand gekomen: Alabaster dePlume is net als ieder ander een twijfelaar. “What am I settling for, I am on two minds,” zingt hij even later. Twee minuten later is hij weer opgetogen. “We did it!,” roept hij al rondspringend op het podium als er alweer een liedje gelukt is. Grappen, grollen en statements maken en het enthousiasmeren van zijn publiek gaat hem dan ook nog beter af dan muziek maken. Want hoewel hij niet ongemakkelijk is met zijn saxofoon, vliegt hij ieder nummer op een vergelijkbare manier aan. Het optreden van Alabaster dePlume barst van de jazz, folk en funk, maar bovenal de uitgesproken stage presence van de man zelf. (CdW)
De Londense experimentele producer Klein is een groot fan van gospel, en hoewel de extreme noise die ze voortbrengt op het eerste gehoor weinig godslievend klinkt, zijn er wel flarden van het genre te horen in haar muziek. Al zittend op een krukje gaat ze tekeer op een akoestische gitaar, maar niet zoals de gemiddelde singer-songwriter dat zou doen. Ze geeft het instrument bijna letterlijk van katoen, om het noisy resultaat vervolgens te loopen en er met een elektrische gitaar overheen te soleren. De zaal vult zich steeds meer met een gewelddadig soort geluid waarmee Klein de grenzen van wat als muziek gezien kan worden nadrukkelijk lijkt op te zoeken. Precies op dat moment slingert ze een paniekerig aandoende sample de zaal in, een die zo uit een preek lijkt te zijn gerukt. Klein blaast de Pandora ermee omver terwijl ze zelf rustig op een kantoorstoel blijft zitten die er, vooral vergeleken met haar muziek, bijzonder alledaags uitziet. (CdW)
Naar het schijnt krijgt het publiek van Herbie Hancock tegenwoordig eerst een geïmproviseerd manifesto middels vocoder te horen, van soms wel veertig minuten lang, alvorens hij aan ‘Watermelon Man’ begint. Het is wat dat betreft fijn dat Lonnie Holley geen hits heeft en überhaupt nooit tweemaal hetzelfde nummer speelt. Je komt voor de geïmproviseerde manifesto’s. Vandaag spraakzingt Holley over het eindeloos opstijgen van space shuttles, het vallen van bommen en de aanhoudende government shutdown in de VS. Terugkerend thema zijn altijd “de kinderen” om wie hij zich zorgen maakt en aan wie hij zich verontschuldigt. Holley heeft wel wat weg van een zuidelijk pastoor, roept ook meermaals om een ‘amen’ en zowel publiek als band eten uit zijn hand. Die twaalfkoppige band bestaat vanavond uit onder meer Indrė Jurgelevičiūtė (Merope), Shahzad Ismaily en haantje voorste Alabaster dePlume en weet precies wanneer het Holleys mijmeringen de ruimte moet geven en wanneer het de boel moet opvoeren en laten vliegen. En natuurlijk, er zijn genoeg bands op dit festival die hoog bekwaam improviseren, maar een spiritueel leider als Holley ga je nergens anders aan het roer tegenkomen. (RvD)
In de COSMOS Foyer is het aantal zitplaatsen zeer beperkt en dus is het genieten van je privilege wanneer je tegenover een moeizaam opstartende Congolese gitarist met de naam Titi Bakorta zit. Bakorta trad een dag eerder al op met de Peruaanse Ale Hop, met wie hij eerder dit jaar een prachtig album uitbracht op het invloedrijke Oegandese label Nyege Nyege Tapes. Vooral Bakorta’s gitaarspel geeft die plaat kleur, vandaar dat we ervoor kozen om zijn solo-show te gaan zien. En gelukkig wordt het wachten op een van de schaarse stoelen beloond. Bakorta neemt telkens een funky groove op, die hij vervolgens opneemt om er een solo overheen te spelen, die poppy, typisch Congolees en vooral ook heel erg psychedelisch is. Wat begint als iets dat lijkt op een wat onzeker studioprobeersel, mondt uit in een waar spektakel waarbij het publiek om hem heen zit. Daardoor kun je naast het gitaarspel van Bakorta, ook de vele gelukzalige blikken van de mensen tegenover je bewonderen. (CdW)
Elk jaar lijkt er in ieder geval één tijdslot te zijn ingeruimd op LGW? voor Saul Williams en/of Carlos Niño en kompanen. The Cosmic Tones Research Trio bevindt zich in zeer vergelijkbaar gebied, maar richt zich nadrukkelijk op de rust die bij Williams en Niño doorgaans in onrust ontaardt. De groep uit Portland, Oregon lijkt een onderzoeksgroep die zich binnen de spirituele jazz nadrukkelijk in een soort universele zachtaardigheid verdiept. Waar vind je de spanning, als je de boel bewust niet wil laten ontsporen? Hierin is Roman Norfleet, for better or for worse, het centrale figuur. Houd hij de saxofoon in handen, dan heeft hij de zaal subliem in bedwang – en pianist Kennedy Verrett en cellist Harlan Silverman met hem. Maar net zo lief legt Norfleet de sax even weg en loopt hij rondjes, al dan niet met allerhande percussieinstrumenten in zijn hand, terwijl hij de aandacht van zijn bandleden in vorm wegneemt. Als hij tijdens een van deze rondjes een “prayer for world peace” begint, voelt het bijna pijnlijk ongevaarlijk. Het is een gebed dat hoopt maar niet durft te wrijven – en zo wordt wat zachtaardig moet zijn, vooral een beetje gezapig. (RvD)
Zaterdag
Is het een valse start? De drie leden van het Welshtalige Tristwch y Fenywod betreden stilletjes het podium, positioneren zich voor hun instrumenten en openen de set acapella en onversterkt. Het lijkt het onheilspellend begin van een heidens ritueel. Maar de twee liedjes die volgen hadden in de vroege periode van The Cure of Cocteau Twins niet misstaan. Even staan we naar een voor LGW?-begrippen behoorlijk conventioneel (zij het kundig) dreampopbandje te kijken. Natuurlijk wordt die droom een nachtmerrie, maar de overgang is subtiel. De synthetische drums van Leila Lygad klinken langzaam steeds meer verwrongen, de zang van Gwretsien Ferch Lisbeth wordt wat vaker een schreeuw. IJzingwekkend wordt het nooit, daar is de set met (slechts) veertig minuten te kort voor. Het onheil dat steeds dichtbij lijkt, is na afloop gauw afgewend. (RvD)
LGW? brengt artiesten uit de hele wereld naar Utrecht, maar hecht ook sterk aan de lokale scene van de stad, die vooral in de randprogrammering sterk vertegenwoordigd is. Zo staat het middagprogramma in de circulair gebouwde broedplaats Het Hof van Cartesius op zaterdag in het teken van 030303, een gevierd elektronisch label uit de Domstad. Wanneer wij arriveren pompt de Zweedse acid-, break- en technoproducer Rolando Simmons prachtig melodieus werk uit een bijzonder dik soundsystem. Navraag bij de ter plekke aanwezige labeleigenaren leert dat een groot deel van de show uit onuitgebracht werk bestaat. Daar mogen de Utrechters wel eens een keer verandering in brengen. (CdW)
Heinali en Andriana-Yaroslava Saienko beginnen in de Jacobikerk op een volume dat nog ruim tien minuten overstemd wordt door het gerinkel van de Kromme Haring en het piepen van de toiletdeuren. Het is de nulmeting voor een landschap dat daarna ingrijpend zal veranderen. De elektronica-componist en de klassiek geschoolde zangeres hercontextualiseren de eeuwenoude muziek van de Benedictijnse abdis Hildegard van Bingen en verbinden die aan de oorlog in hun thuisland Oekraïne. Terwijl de schelle, modulaire drones van Heinali steeds luider klinken, zingt Saienko onder meer ‘O Ignis Spiritus Paracliti’, dat een beroep doet op de Heilige Geest: “Behoed hen die gekerkerd zijn door de vijand en maak de geboeiden los.” Ze zingt in een traditionele Oekraïense stijl die in de tijd van de Sovjet-Unie lang werd onderdrukt. Oftewel, alles ademt spiritueel verzet. Dat komt vooral binnen des te meer Heinali uit zijn kastje haalt. Saienko is aan het einde van de set al even van het podium, maar haar emotionele spanwerk weerklinkt nog. Na een luid applaus loopt de zaal leeg. Dat de twee weer heel stilletjes aan een toegift zijn begonnen, hoort bijna niemand. (RvD)
Je hebt ‘one hit wonders’, maar ook ‘one album wonders’ en de Jamaicaanse rootsreggaeband The Congos zou je onder die laatste categorie kunnen rekenen. De tenor-, falsetto- en bariton-stemmen van Congo Ashanti Roy, Cedric Myton en Watty Burnett vormen de ruggengraat van hun klassieke album ‘Heart of the Congo’. Maar er is nog een belangrijk element dat de plaat zo bijzonder maakt: de magic touch van Lee Perry, de excentrieke producer die van de meest eenvoudige ritmes en melodieën één groot avontuur wist te maken. Na de release van ‘Heart of the Congo’ raakten de drie zangers en Lee Perry gebrouilleerd en dat had zijn weerslag op de muziek van de band, die nooit meer zo klonk als op die ene plaat. De Ronda is vanavond goed gevuld met mensen die hits als ‘Fisherman’ en ‘Congoman’ weleens live willen horen. Ouderdom is geen mens aan te rekenen, maar voor de mannen van The Congos betekent het dat ze de ongekend hoge octaven van weleer bij lange na niet halen. En de geniale Lee Perry blijkt maar moeilijk te evenaren als het gaat om dubby effecten. Het Congos-lid achter de knoppen doet een poging, maar het voelt helaas allemaal wat geforceerd aan. (CdW)
Draait live-muziek om verbinding? Laat het maar aan Ian Lynch (Lankum) over om het tegengestelde pogen te bewijzen. Het optreden van One Leg One Eye, een ononderbroken suite van 45 minuten, draait om het traditionele Ierse folklied ‘Bold and Undaunted Youth’, een minder bekende, nog meer zwartgallige versie van ‘The Newry Highwayman’ – over een man die zich als jongen los wilde zingen van de gemeenschap, struikrover werd en wie nu de dood wacht. Het centrale drama wordt ingeluid met drones en spokenwordfragmenten – het werk van noisemeester George Brennan – en de Uilleann pipes van Lynch. Zingt Lynch, dan lijkt de apocalyps aanstaande – met de door hem vertolkte struikrover als gewillige aanstichter. Maar zodra het lied voorbij is en hij nog eenmaal de pipes erbij pakt, wordt de Jacobikerk overspoeld met een vreemde, postapocalyptische rust, tot slot gepaard met een voordracht van Yeats. De staande ovatie naderhand is misschien wel de luidste van het weekend. Blijkt verdoemenis ons aan het einde van de reis toch samen te brengen. Slouching towards Bethlehem to be born. (RvD)
Veertien jaar geleden stond Adrian Younge ook al eens op LGW? en dat is een herinnering die hij koestert, vertelt hij het aanwezige publiek in de enorme Oude Zaal. “Want de muziek die ik toen maakte werd door weinigen begrepen, jullie waren een van de eersten,” zegt hij. Tussen het gepaai door wordt er door de band, met daarin onder andere twee strijkers, een trompettist, een saxofonist en een fantastische drummer, prachtige muziek gemaakt die overeenkomsten vertoont met de orkestrale sound van David Axelrod. De band brengt breaks voort, waarvan je je kunt voorstellen dat ze – net als die van James Brown – gesampled worden en dat is ook zo, blijkt later wanneer Younge er trots over vertelt. “Hiphop is het genre dat de wereld bij elkaar brengt,” gaat hij enthousiast verder. Als veelvuldige samenwerker met onder anderen A Tribe Called Quests Ali Shaheed Muhammad, Brian Jackson en Roy Ayers draagt Younge zelf enthousiast zijn steentje bij aan die hiphop-traditie. Aan die laatste, onlangs overleden grootheid, brengt Younge tegen het einde van zijn optreden een indrukwekkende ode. Het past perfect binnen de show van een sterke persoonlijkheid van een muzikant die verder ook nog eens – en dat zie je niet zo vaak op LGW? – een vermakelijk entertainer is. (CdW)
De Italiaanse percussionist Valentina Magaletti is een uitermate veelzijdige artiest, met een brede blik op muziek en wat komt dat tijdens deze editie van LGW? ontzettend goed naar voren. Nadat ze op donderdag het podium met upsammy deelde en vrijdag als onderdeel van postpunkformatie V/Z optrad, zijn de verwachtingen voor haar duo show met de Japanse experimenteel zangeres en producer Phew opnieuw hooggespannen. De start van het optreden loopt wat vertraging op vanwege, zo lijkt het, een probleem met een kabel van Phew. Ongetwijfeld levert het bij de muzikanten veel stress op, maar Magaletti begint ogenschijnlijk onaangedaan aan de show, die sterk op haar percussiewerk leunt en minder op de bijdragen van Phew. Maar wat maakt Magaletti een verpletterende indruk. In eerste instantie doet ze dat met repetitieve maar toch inventieve klappen die ondersteuning krijgen van de abstracte inzet van Phews stemgeluid. Dan volgt een rustiger, maar onheilspellend middengedeelte dat klinkt als de soundtrack van een film waarin iemand zojuist in een vochtige kerker is gesmeten, met indringend gedrup en al. Langzaam werkt Magaletti vervolgens naar een bizarre finale, waarin ze werkelijk als een duizendpoot een solo slaat waarvan de jazzgrootheden van de jaren vijftig en zestig stijl achterover zouden slaan. Niet dat het slagwerk van de Italiaanse ook maar iets met die periode te maken heeft; dit is een type ritmisch futurisme dat zich met weinig laat vergelijken. Onderdeel van de finale is ook een meedogenloze, monotone sessie op de kickdrum die zo lang doorgaat dat je bijna vergeet dat je naar een drum luistert. Met Magaletti op het pedaal klinkt het instrument bijna als een dwingende synthesizer. Wanneer de set eindelijk voorbij is, laat ze het publiek en, zo lijkt het, ook zichzelf, verbijsterd achter. (CdW)
Wat het vraagteken op zaterdag is, is nog steeds niet helemaal duidelijk als de gouchos in glitterblauw het podium alweer verlaten hebben. Los Thuthanaka, bestaande uit twee Boliviaanse broers, speelt een veelheid aan Latijns-Amerikaanse stijlen plat tegen de geluidsgrenzen aan. De een heeft een gitaar, de ander twee keytars, een draaitafel en een soundboard die hij bij een kermis in Sucre lijkt te hebben gejat. Hoewel ze heus in staat zijn om een beetje dromerig te doen, zijn ze op hun allerbest als ze onbeschrijflijk hard gaan. Joshua Chuquimia Crampton shred op het voorlaatste nummer zo hard, dat hun kitscherige cumbia verdacht veel op metal begint te lijken. (RvD)
Zondag
Veel regelrechte indiebands – het soort dat je ook in de Amsterdamse Tolhuistuin kunt zien – kom je op LGW? niet meer tegen. En Destroyer kom je dan ook enkel tegen als je zondagmiddag op tijd bij het vierde vraagteken bent. Dan Bejar is de laatste man die opkomt, als trompettist JP Carter al vier minuten bezig is met het opbouwen van ‘Suicide Demo for Kara Walker’ – alsof de band het verrassingselement nog wat verder wil oprekken. Ook anno 2025, tien jaar na zijn laatste optreden op dit festival, voelt Bejar er thuis. Met zijn grijze krullen en keurig lichtblauw overhemd is hij een hallucinatie van een chansonnier. Vooral zijn dictie op ‘The River’ lijkt door de geest van Scott Walker ingegeven. Dit is alleen geen warmbloedige barokpop, maar een ijzig bad yachtrock voor een schip dat op de klippen is gevaren. Het publiek wordt niet erkend, tussen de bandleden wordt geen blik gewisseld. Het zijn prachtige liedjes, vooral het zelden gespeelde slot-epos ‘Bay of Pigs’, maar aan simpele beroering heeft Destroyer geen boodschap.
We hebben ons dagenlang laten vervoeren tussen optredens die allemaal nauwelijks met elkaar te vergelijken zijn geweest. De vraag ‘Wat is nu typisch Le Guess Who?’ dringt zich vooral op wanneer er iets een beetje uit de toon valt. Op het metershoge doek in de Hertz worden generieke berglandschappen geprojecteerd terwijl er á la Windows Media Player sneeuwvlokjes pixelig naar beneden dwarrelen. We zien daarna rechtenvrije computer-gegenereerde plaatjes van de hindoegod Shiva omkaderd met geanimeerde vlammen. Het had GenZ-ironie kunnen zijn, ware het niet dat Valentina Goncharova 72 jaar oud is en haar vioolspel ooit verfijnde aan het conservatorium van Leningrad. Fijn klinkt het zeker met de ogen dicht, vooral de eerste compositie, ‘Evergrowing Tree’, waar Goncharova haar set naar vernoemde. Uit een doosje klinken etnografische veldopnames uit Oekraïne en de Kaukasus, voor ons wordt met gevoel voor melodrama gemusiceerd en het op het doek wordt gemorpht naar nog maar weer een low-res Shiva.
Misschien is het een teken om toch naar de Pandora te verkassen, waar een behoorlijk lange rij staat voor cultfenomeen Ata Kak. Zijn album Obaa Sima uit 1994 werd in 2015 plots een internethit. Nog eens tien jaar later is het de vraag hoe de rapper uit “piepklein dorpje in Ghana” zijn op plaat heliumachtige, bliksemsnelle raps live weet te vertolken. Bij tijd en wijlen behoorlijk goed, zo blijkt, al lijkt hij het belangrijker te vinden dat iedereen het goed naar zijn zin heeft. Hij legt zijn band meermaals stil om bijvoorbeeld even iedereen in de voorste rij een high-five te geven. De brede euforie bij de ‘hit’, ‘Obaa Sima’, houdt hij graag nog even vast met een minutenlange danspauze waarin hij met zijn toetsenist houterig de robot doet. De eenvoudige highlife-beats zijn moeilijk te weerstaan, maar vooral de breedlachende Ata Kak maakt een houtje-touwtje-show tot een hoogtepunt voor velen, op een festival waar virtuositeit en anders wel ernst doorgaans de norm is.
Wel zo fijn als een act op de slotavond de boel nog even treffend samenvat. Het verbond tussen de Chileens-Amerikaanse producer Nicolas Jaar en de Palestijns-Amerikaans zanger Ali Sethi voelt vanaf het moment dat de lichten uit gaan volstrekt natuurlijk. Ook al maakt de één licht neurotische knisper-dub en is de ander geschoold in Hindoestaanse klassieke muziek. Sethi zingt, om precies te zijn, gazallen, korte gedichten in het Urdu, voortgekomen uit woordloze improvisaties. Jaar laat zijn modules zachtjes kraken of slaat plots op de meest linkertoetsen van zijn vleugel. Met zijn ontzagwekkende voordracht houdt Sethi het in balans, misschien soms net ietsje te veel. Zo kunnen, in de wereld van LGW?, uitersten als vanzelfsprekend samen bestaan en sla je na vier dagen ook niet meer zo steil achterover van een soefistische ambientset in een volle zaal waar je een speld (of een plastic beker) kunt horen vallen. De echte wereld weer in wordt straks een hard gelag. (RvD)
