Blog

Matt Mason: koopman vermomd als rebelse piraat


In zijn boek ‘The Pirate’s Dilemma’ – ik heb weliswaar de Nederlandse vertaling, ‘Piraterij’, gelezen, maar de originele titel dekt de lading beter – breekt Matt Mason een lans voor…. Tja, voor wat eigenlijk?


Hij begint er al mee het begrip ‘piraat’ zo breed te definiëren, dat het zowel op een inhalige schurk als op een idealistische Robin Hood van toepassing kan zijn. Uiteindelijk blijkt zijn boek vooral een pleidooi om de onvermijdelijkheden die de technologische ontwikkeling met zich meebrengt op een pragmatische wijze te benaderen en niet als een Don Quichot in blinde woede windmolens te bevechten. Dat lijkt een verstandig uitgangspunt.
De enige vraag die Mason echter niet stelt is waarvoor hij die ‘open sources’ en van copyright-knellingen bevrijde creativiteit precies wil gebruiken. En dat is toch niet onbelangrijk.
Voor wie het boek zorgvuldig leest komt de aap geleidelijk, maar daarom niet minder genadeloos uit de mouw. Matt Mason heeft niets meer of minder geschreven dan een marketingbook waarin de ‘vrijgemaakte’ creativiteit gewoon een speeltje is in handen van de commercie. En wel in de meest uitgesproken vorm: Het marktkapitalisme dat ons de kredietcrisis bracht en dat de kloof tussen arm en rijk in de wereld nog altijd vergroot.

Matt Mason, het boek

Al lezende in Masons boek stuitte ik op minstens negentig opmerkingen waar ik flinke of zelfs moddervette twijfels bij heb. Daar stuk voor stuk op ingaan levert een tekst op die het aantal pagina’s van Masons boek overtreft. Daarom een bloemlezing in de vorm van een zevental statements:

1 – Mason verheerlijkt het ‘punkkapitalisme’ als bron van verandering. En ‘verandering’ is in zijn betoog synoniem met ‘goed’. Maar waarom en wat er precies veranderd moet worden meldt hij nergens. Het lijkt verandering om de verandering, zoals je een nieuw zoutje of model auto verkoopt.

2 – Mason schildert bloggers af als een soort ‘outlaws’ die de mediawereld op z’n kop zetten. Outlaws die hij min of meer idealiseert. Je bent echter geen outlaw of rebel omdat je blogt, maar om wat je blogt. En als in McLuhans terminologie het medium de boodschap reflecteert, dan is het doorsnee blog op het web wel een erg suf medium. Negenennegentig procent van de blogs zijn volstrekt nietszeggende woordgoten vol emotie-afval. Wie werkelijk wat te melden heeft – en die mensen zijn er natuurlijk – deed dat voorheen ook al middels andere media.
Ook Masons refereren aan de oude mediapiraten – de zeezenders in de Noordzee in de jaren zestig – snijdt weinig hout. Radio Veronica was een corrupte reclamezuil van het mediabedrijf van Willem van Kooten en Radio Noordzee was de kiem van de latere Tros. Een vreemde opvatting van ‘rebellen’.

Puff Daddy. Piraat?

3 – Mason wijdt een heel hoofstuk in zijn boek aan remixen en ‘edits’ als exponent van creatieve piraterij. Maar de ene remix is natuurlijk de andere niet. Het maakt wat mij betreft nogal wat uit of je een ‘catchy’ refrein uit een bestaand liedje sloopt en in een nieuw liedje monteert omdat je verwacht dat dat de kassa doet rinkelen – zoals Puff Daddy deed met ‘I’ll be Missing you’ of Coolio met ‘Gangsta Paradise’ – of Marcel Duchamp die een snorretje op een reproductie van de Mona Lisa tekende. Puff en Coolio beschouwden hun hits gewoon als popsongs, zoals de songs waar ze van geleend hadden dat ook waren. Duchamp zette met zijn Mona Lisa variant de oorspronkelijke Mona Lisa – en daarmee ‘de Kunst’ – op dadaïstische wijze ter discussie. Beide zijn ‘remixen’ in de definitie van Mason. Maar door het verschil in doelstelling waarmee ze vervaardigd zijn verschilt niet alleen hun kwaliteit, maar in zekere zin zelfs hun legitimiteit4 – Mason vraagt zich in zijn boek af waarom graffiti niet op dezelfde wijze gewaardeerd wordt als reclame op publieke plaatsen. Dat lijkt nogal onnozel. Iedereen weet dat adverteerders betalen om een muur van een flatgebouw te mogen beschilderen. Als een graffiti-artiest hetzelfde bedrag neerlegt als Coca Cola mag die kunstenaar ongetwijfeld ook zijn tag tientallen meters groot op een flatwand spuiten. Dat is verder ook geen interessante kwestie. Een veel relevantere vraag is wie er profiteert van het bedrag dat een multinational voor die immense muurschilderingen uitgeeft? De mensen die er de hele dag tegenaan moeten kijken? Niet de vraag of graffiti gelijkwaardig is aan reclame, maar waarom onze hele leefomgeving gebombardeerd moet worden met reclame, is interessant. Een vraag die Mason nergens stelt.

5 – Mason romantiseert hiphop. Bijna alle succesverhalen in het ‘piratencircuit’ die hij in zijn boek belicht zijn van het ‘krantenjongen wordt miljonair’-type. En in bijna alle gevallen gaat het om mensen uit de hiphop-cultuur die met rap, producersvaardigheden of mode opklommen tot ‘sterren’. Mason strooit scheutig met jaarinkomens en vermogens. Nou en, denk ik dan. Is dat dan het ultieme doel waar wij volgens Matt Mason naar moeten streven? Hij geeft later in zijn boek even zo gemakkelijk aan dat veel van die hiphoppers hun talent dramatisch verkwanseld hebben. Dat ze – veel van hen althans – zich compleet hebben laten inpakken door de commercie. Maar hij tracht dat weer te relativeren door de ‘goede doelen’ te noemen waar veel van de puissant rijke hiphoppers zich voor inzetten. Het doet denken aan Pistolen Paultje, de Amsterdamse crimineel die altijd benadrukte dat hij zoveel deed voor mishandelde huisdiertjes.

Duchamps Mona Lisa. Piraterij?

6 – Mason noemt de hiphopgeneratie ‘de eerste die in een door merken overspoelde wereld moest opgroeien’. Dat is een opvatting die staat. Maar Mason doet alsof het ook op zichzelf staat, terwijl de oorzaak van die door merken overspoelde wereld toch veel interessanter is – en reeds door tallozen geanalyseerd. De generatie waar Mason het over heeft is immers ook de eerste post-historische generatie (Fukuyama), de eerste post-politieke generatie (Žižek) en het werkelijk tot bloei komen van de post-ideologische generatie (Daniel Bells). Dat zijn begrippen die in nieuwe mediadiscussies en zelfs binnen de diverse piratenpartijen gemeengoed zijn. Mason houdt zich er echter verre van. Omdat hij niet van ‘theorie’ houdt? Of omdat deze vragen naar het ‘waarom’ hem onvermijdelijk ergens brengen waar hij het in zijn boek eigenlijk liever niet over heeft?

7 – Mason besluit zijn boek met het zogenaamde ‘piratendilemma’, waarbij de keuze zou gaan tussen eigenbelang en algemeen belang. Maar dat ‘piratendilemma’ van Mason is alleen maar een werkelijk ‘dilemma’ indien je koste wat kost de doorgedraaide vrije markt en de daaraan gekoppelde mentaliteit in stand wenst te houden. Wie het hedendaagse hyper-marktliberalisme niet als vanzelfsprekend beschouwt, ervaart het dilemma niet als ‘dilemma’, maar herkent de door Mason – na veel wikken en wegen – voorgestelde humane oplossing onmiddellijk als de meest voor de hand liggende optie.

Samenvattend blijkt het hele betoog van Matt Mason vooral een opsomming van ‘tools’, van methoden en middelen, zonder dat hij duidelijk maakt waarvoor die middelen moeten dienen. Mason stelt nergens de vraag naar het ‘waarom’ van het handelen, terwijl juist het antwoord op die vraag hem – en de wereld – op een wezenlijk ander spoor zou kunnen zetten.
Zijn boek is een karakteristiek marketingpraatje waarin je wordt opgeroepen om je te onderscheiden. ‘Anders zijn’. Maar als Mason voorbeelden geeft die een ideaalbeeld moeten schetsen van het gebruik van die ‘open sources’ en creatieve weggeef-technieken, dan komt het toch telkens weer neer op status en financieel succes.
‘Piraten enteren het schip van het kapitalisme, maar willen het niet tot zinken brengen,’ schrijft Mason in zijn slothoofdstuk. Willen ‘piraten’ dat niet, of wil Matt Mason dat niet? Ben je in de ogen van Matt Mason een ‘correcte piraat’ als je dat schip weldegelijk naar de bodem laat gaan en zelf een ark bouwt die drijft op een ideologie die naar een rechtvaardiger verdeling van rijkdom op wereldschaal streeft en solidariteit prefereert boven gewin? Een ark die wellicht de Naomi Klein I gedoopt wordt en waarop een anti-globalistische vlag wappert?
Vooralsnog staat Matt Mason nog altijd op de boeg van zijn kapitalistische oceaanstomer, met een lapje voor zijn oog – misschien zelfs wel lapjes voor beide ogen – en een doodshoofd op zijn arm getatoeëerd. Op zijn schouder zit een papagaai die hem voortdurend teksten in het oor roept van Ayn Rand, Friedrich von Hayek, Milton Friedman. Stuk voor stuk rebellen – enkelen van hen zelfs regelrechte anarchisten. De ultieme vrijheid predikend, maar wel op basis van het meest radicale marktliberalisme.

Kopieer er rustig op los, maar bedenk wel waarvoor je het doet.

Verder lezen?

Matt Mason – Piraterij; Hoe hackers, punkkapitalisten en graffitimiljonairs onze cultuur remixen en de wereld veranderen.
(2009, Uitg. Lebowski, Amsterdam)

Comments


Reacties


  1. Naam
    Jan Hiddink
    Bericht

    Dat het boek van Mason wellicht niet helpt bij het realiseren van de socialistische heilstaat zou geen beletsel moeten zijn om eenvoudigweg lof te zingen over deze wakkere, geslaagde entrepreneur die met een heldere blik zijn voordeel doet bij kwesties van deze tijd, waarna zijn lezers wellicht ook hun marktwaarde in deze verwarrende tijd kunnen verhogen. Dat is goed voor de mensen, goed voor de markt, goed voor de merken en daarmee zijn we allemaal geholpen -behalve dan misschien de deterministische opiniejournalistiek.

Geen facebook? Reageer hier

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.



%d bloggers liken dit: