Geluid

GEWEZEN SCHATTEN (4) M.A.L.


Deze zomer verscheen het album ‘My Sixteen Little Planets’ van M.A.L., waarachter de Belgische gitarist Daniel Malempré schuilgaat. Een eigenzinnig eenmansproject vol vervreemdende analoge spacerock. En vooral een album dat is omgeven met raadsels. Want wie heeft het kunstje nu afgekeken bij wie, en wanneer?

Hiermee wordt in de eerste plaats niet gedoeld op het feit dat opnamen van dit niveau meer dan veertig jaar onuitgebracht in een la zijn blijven liggen. Zulke dingen gebeuren wel vaker. Ook de totale onbekendheid van Malempré – waarvan na enig speurwerk blijkt dat hij uit de omgeving van Charleroi komt en inmiddels ergens halverwege de zestig moet zijn – bevreemdt niet het meest. De musicus lijkt er al decennialang alles aan te doen om in de anonimiteit te blijven.
Nee, werkelijk curieus is dat de hoestekst op de eerste serieuze en luxe uitgave van het werk van Malempré vooral over een heel ander album gaat. Een album dat – althans zo wil het verhaal – de reden was dat dat van M.A.L. destijds nooit is verschenen. Een verhaal ook waarin plagiaat en verbittering centraal staan. Maar door de prominente plek van die geschiedenis lijkt het ook het unique selling point te worden waarop het album nu moet verkopen – sla de tot dusverre verschenen recensies er maar op na. Dat is jammer, want een dergelijk scandaleus schoenlepeltje heeft ‘My Sixteen Little Planets’ helemaal niet nodig.
De naam Daniel Malempré verschijnt in de annalen van de Belgische popmuziek in de vroege jaren 1970, met de experimentele formatie Kosmose, die verder nog bestond uit fluitist Alain Neffe en bassist Francis Pourcel. Kosmose improviseerde veel en liet zich onder meer inspireren door Soft Machine, Pink Floyd en de vroegste Genesis. Neffe was de centrale figuur, en ook alle latere muziek van Malempré blijft op een of andere wijze aan de fluitist gerelateerd. Kosmose bracht in de jaren 1970 geen albums uit. Pas heel recent verschenen er bij het Sub Rosa-label enkele albums met repetitie-opnamen van destijds. Daniel Malempré is slechts op een aantal – vroege? – nummers te horen.

Spoelenrecorder
In diezelfde periode werkte de gitarist samen met Neffe al aan de muziek die nu als ‘My Sixteen Little Planets’ is verschenen. Met alleen een gitaar – een Fender Stratocaster 1964 –, een wah-wah-pedaal en een Sony TC-630-viersporenspoelenrecorder met verschillende bandsnelheden en echo, slaagde Malempré er in om gitaarloops te maken, die vervolgens op alle mogelijke wijzen te vervormen en weer verder toe te passen. Hij was natuurlijk niet de allereerste die daarmee experimenteerde – daarover later meer – maar het album laat onomwonden horen hoe eigenzinnig hij met die toch relatief simpele middelen fantastische muziek wist te maken.
Zoals de titel al verraadt telt ‘My Sixteen Little Planets’ zestien nummers, variërend van een dikke minuut tot ruim een kwartier – in totaal zo’n 76 minuten muziek. In het openingsstuk ‘Deimos’ klinkt een zwaar tremolo-gitaargeluid tegen een decor van diffuse klankwolken die door een synthesizer lijken te zijn geproduceerd – zoals bij de vroege Tangerine Dream of Klaus Schulze. In het daaropvolgende ‘Betelgeuse’ wordt een opgenomen loop duidelijk op hogere snelheid afgespeeld, en wordt daar vervolgens weer een vervormde gitaarpartij aan toegevoegd. Zo gaat het verder, track na track en eigenlijk heel afwisselend. In het ene nummer vormt een getokkelde gitaar de basis, en in het volgende een sterk vervormd, synthesizerachtig gitaargeluid.
De apotheose van het album is het ruim vijftien minuten durende ‘Pandore’. Hier levert Neffe ook zijn nadrukkelijkste bijdrage – fluit, klarinet, pijporgel. Nergens op het album worden er sterkere ruimtereisachtige associaties opgeroepen dan hier. ‘Set the controls for the heart of the sun!’ Pure sciencefictionmuziek waarin uitwaaierende drones en zelfs ergens nog het angstaanjagend uiteen getrokken stemgeluid van Alain Neffe een klankwolkendek vormen. Daarna volgt alleen nog het fraaie, korte gitaarlijntje ‘Lysithea’ als epiloog.

Plagiaat?
De hoes van de cd vermeldt dat deze muziek door Malempré, met hulp van Neffe, onder de naam M.A.L. werd opgenomen tussen 1972 en 1976. Maar voorjaar 1974 stuurde Neffe al een tape met op de ene kant M.A.L. en op de andere kant eigen werk naar twee platenlabels, het Engelse Virgin en het Duitse Ohr. Dat moet dus wel een premature versie van ‘My Sixteen Little Planets’ zijn geweest. Virgin reageerde vlot met een briefje waarin stond dat ze alleen waren geïnteresseerd in Britse bands. Van Ohr – het label dat krautrockbands als Tangerine Dream, Ash Ra Tempel, Guru Guru, Embryo, Birth Control en Amon Düül in de catalogus had – werd helemaal niets vernomen.
Daarmee zijn we dan aangekomen bij de controverse; bij dat andere album waarover het in de hoestekst van ‘My Sixteen Little Planets’ vooral gaat. Zomer 1975 verschijnt bij het label Ohr de lp ‘Inventions For Electric Guitar’ van Manuel Göttsching, gitarist en drijvende kracht achter Ash Ra Tempel. De hoes van het album vermeldt dat Göttsching alle muziek op de plaat in de zomer van 1974 in zijn eentje heeft opgenomen, waarbij hij naast zijn gitaar een TEAC-A-3340-spoelenrecorder gebruikte, evenals een Revox-A77-spoelenrecorder voor de echo-effecten, een wah-wah-pedaal en nog enkele gitaareffecten. Het album werd juichend onthaald.
Daniel Malempré was diep teleurgesteld. En is dan nog steeds, gezien de hoestekst van ‘My Sixteen Little Planets’ waarop hij letterlijk schrijft dat Göttsching zijn opzet (‘design‘) heeft gekopieerd. Van de Belgische gitarist werd sinds halverwege de jaren 1970 nog maar sporadisch iets gehoord. Hij droeg incidenteel bij aan undergroundprojecten van Alain Neffe, zoals Bene Gesserit, Human Flesh en Pseudo Code. Maar dan gaat het om uitgaven met oplagen van eerder tientallen dan honderden. Verder verscheen er in 2002 bij het Belgische EE Tapes een cdr met opnamen van M.A.L. die in de jaren 1970 al op cassette waren uitgebracht, en in 2010 in eigen beheer en zeer gelimiteerd een cdr met recent werk.

Frippertronics
Hééft Göttsching daadwerkelijk het werk van Malempré gekopieerd? Wanneer je uitgaat van eenzelfde instrumentarium en techniek krijg je al snel een vergelijkbaar geluid. Maar beluister beide albums eens na elkaar – dat van Göttsching is nog steeds leverbaar en ook via YouTube te vinden. Dat het album van de Duitser drie lange stukken telt, in plaats van zestien van variabele lengte bij de Belg, is natuurlijk niet essentieel. Dat het album van Göttsching wat luxer is geproduceerd, daar kun je ook wel doorheen luisteren.
Het werkelijke verschil is compositorisch: Göttsching gebruikt de tape-looptechniek aanzienlijk meer als een loopstation, het effectpedaal dat vandaag gemeengoed is in de pop en rock. Daardoor klinkt zijn album nadrukkelijker als minimal music, of post-rock dan de ‘Fifth Dimension’-spacerock van M.A.L.
En er is nog iets en wellicht belangrijker: zou het niet kunnen dat Malempré en Göttsching uit een zelfde bron hebben geput? Dit is het moment om met het woord ‘frippertronics’ te komen. Najaar 1973 verscheen het album ‘No Pussyfooting’ van Robert Fripp en Brian Eno. Het stuk op de A-kant, ‘The Heavenly Music Corporation’, werd een jaar eerder opgenomen met – zoals de hoes keurig vermeldt – één gitaar, twee Revox A77-spoelenrecorders en wat gitaareffecten. Kortom: dezelfde primitieve loopstation-met-vervorming-opstelling.
Kortom, het album waarop Fripp zijn later befaamd geworden frippertronics introduceert. Het album sloeg destijds bij muziekliefhebbers – gitaarfreaks voorop – in als een bom. Het lijkt mij sterk dat een goed geïnformeerde muzikant als Manuel Göttsching daar geen kennis van zou hebben genomen. En hoe zat dat met Malempré? Op de hoes van ‘My Sixteen Little Planets’ en in de persberichten van Sub Rosa wordt met geen woord gerept over Fripp of diens ‘tronics’.
Natuurlijk hadden ook Fripp en Eno het gebruik van spoelenrecorders om loops te maken, en daar versnellingen, vertragingen en echo’s aan toe te voegen, niet zelf uitgevonden. Zij hadden het weer van Pauline Oliveros en Terry Riley in de jaren 1960. Die hadden het weer afgekeken van musique-concrète-componist Pierre Schaeffer, die al in de jaren 1950 met taperecorders experimenteerde.
Dat alles maakt die hele plagiaatdiscussie een beetje flauwekul. Luister liever naar de verschillen tussen de albums. Eno en Fripp deden iets heel anders met de techniek dan Göttsching. Malempré gaf er weer een andere draai aan en die is minstens even prachtig. Dáár gaan het om.

Comments

Reacties




%d bloggers liken dit: