GC #128

We keken zowaar uit naar het derde album van Goatsnake. Er verstreek namelijk vijftien jaar sinds hun tweede plaat, ‘Flowers Of Disease’, die toch wel sterke staaltjes doommetal bevatte. Greg Anderson, inderdaad, de bezieler van Southern Lord en prominent lid van Sunn o))), jamde met bassist Guy Pinhas en drummer Greg Rogers na het opheffen van The Obsessed en Goatsnake was geboren, in 1996 alweer. Pete Stahl (Desert Sessions, Scream, Wool, Earthlings?) nam de honneurs als zanger waar en zette meteen zijn stempel met zijn zware, bluesy hardrockstem. Doorheen de jaren viel Goatsnake meermaals voor een langere periode uiteen of stil, maar sinds 2010 lijken ze er echt weer zin in te hebben. Bassist Scott Renner (Sourvein) vervangt Pinhas, en voor de rest doken de originele leden opnieuw op, vooral bij speciale gelegenheden. En nu is er een plaat, in die zelfde bezetting en net zo doom als voorheen. Stahls stem is meteen heel herkenbaar en ook de loodzware riffs van Anderson klinken moddervet. Zeker bij openingsnummer ‘Another River To Cross’. Het nummer begint ingetogen, een akoestische riff die na een eind plots wordt vervangen door dezelfde riff maar dan elektrisch. Het akoestische gedeelte werd ingespeeld door David Pajo (Slint, Aerial M, Papa M). Later op de plaat duiken nog wel enkele opmerkelijke gasten op. Matthias Schneeberger speelt piano, Petra Haden voegt viool en zang toe en ook Dem Preacher’s Daughters komen hun keel open zetten. Het zijn allemaal pogingen van de band om het geluid wat open te trekken, om te pogen de eindeloze herhaling te vermijden zodat de nummers toch niet stuk voor stuk inwisselbaar zijn. Want dat is het grote gevaar met dit ‘Black Age Blues’. Het lijkt alsof Anderson, en ook Renner, steeds maar weer, negen nummers lang, dezelfde machtige riff speelt, en al de anderen telkens proberen er een andere aanvulling bij te verzinnen. Soms echte stoner, soms met veel blues of metal, doet iedereen zijn best. Maar dat is niet goed genoeg voor een band als deze. Eenheidsworst troef, en daar houden we niet zo van.

We hadden het nog maar pas over ‘Impossible Cities’ of de uit Ohio afkomstige multi-instrumentalist en producer Todd Tobias staat al met een nieuwe plaat aan de deur te kloppen. Hij is ongetwijfeld een hoog werktempo gewoon. Hij speelde rond de eeuwwisseling in een resem bandjes, meestal samen met zijn broer Tim. Die belandde bij Guided By Voices, terwijl Todd zijn eigen weg ging en zijn maaksels en probeersels op cassette zette. Via Tim hoorde Robert Pollard diens muziek, en samen met de twee broers richtte hij Circus Devils op. Ondertussen zijn daar al een twaalftal platen van verschenen, waarop de lo-fi-esthetiek van Pollard samengaat met het meer experimentele werk van Todd Tobias. Op zijn vorige, ook op Tiny Room verschenen plaat, meanderde Tobias van dromerige geluidstapijten naar soms behoorlijk stevige postrock, om zijn overzicht van imaginaire steden naar muziek te vertalen. Deze keer komt de titel van het gelijknamige boek van de Franse antropoloog Claude Lévi-Strauss, in het Nederlands vertaald als ‘Het Trieste Der Tropen’. Dat broeierige zit wel een beetje in de twaalf instrumentale stukken op deze plaat, al is het vooral een ingetogen verhaal met veel piano. Het geheel klinkt als begeleiding bij een film, waarin zowel gevaar, belofte als sensualiteit om de hoek loeren. Het blijft echter bij loeren, als een afstandelijke kijker, net als de antropoloog. ‘Tristes Tropiques’ is een kleine drie kwartier atmosferische warme muziek. Mooi maar een beetje te vrijblijvend om te blijven hangen.

Dat Jamie Smith er een genot in heeft om geluiden van weleer van een nieuwe jas te voorzien en aan elkaar te stikken met de klanken van de moderne dagen, dat moet voor niemand die The xx kent als een verrassing komen. ‘In Colour’, het solodebuut van Jamie XX, bouwt in grote mate op die zelfde melancholie; nummers die letterlijk klinken alsof zij uit het verleden je kamer in echoën. Kracht van The xx en tevens die van Jamie XX is dat dit verleden nooit precies is aan te wijzen en dan ook nooit misplaatst voelt in het heden. Dat heeft voor ‘In Colour’ vast ook te maken met de tijd die Jamie Smith er voor heeft genomen om met deze plaat te komen. Zijn eerste solosingle stamt alweer uit 2011, vier jaar terug. Een periode waarin hij steeds meer van zich liet horen en ook ‘Coexist’ als producer onderhanden nam, mooi binnen het stramien van The xx, maar die nu pas in een langspeler eindigt. Een langspeler die dat stramien doorbreekt en de breedte, maar vooral ook de precisie van Jamie XX laat horen. Van dromerige house tot ragga, dancehall, rave en zelfs Caribische dans; Jamie Smith parafraseert gretig uit vrijwel alle dansbare popstromingen om daar zijn eigen verbijsterend fijne en aanstekelijke brij van te breien. Om de flarden uit het verleden nog extra te accenturen lardeert Smith de muziek met onverstaanbare stemsampels, die hier en daar op komen. Het vergroot de mystiek die hij sowieso al in zijn geluid draagt, maar het vergroot ook het idee dat hier iemand probeert te laten horen hoe hij de wereld om hem heen hoort. En dat is een intrigerende wereld, een die alle kanten op lijkt te kunnen vliegen maar even goed aan elkaar wordt gehouden door echo en de typische stijl van Jamie Smith, die deze melancholische rave als herkenbaar uit duizenden maakt. 

Op hun derde album blaast zangeres Tamaryn de spinnenwebben weg en ruilt het vertrouwde shoegaze-geluid in voor synthpop die zo in de jaren ’80 gemaakt had kunnen zijn. Ze verruilde de Amerikaanse westkust voor New York City, en haar oude bandleden voor nieuwe kameraden Shaun Durkan (Weekend) en Jorge Elbrecht (Violens, Ariel Pink). Dat betekent synthesizers en drummachines in plaats van gitaren en fuzzboxen. Voor de hand liggende ijkpunten zijn The Cure, New Order en Depeche Mode, maar het geluid is nergens opzettelijk retro. Helemaal verdwenen zijn de shoegaze-elementen trouwens niet. Zo zwengelt de gitarist op het titelnummer aan zijn tremolo-arm a la My Bloody Valentine, maar die gitaar zit wel zo diep in de mix dat het amper opvalt. Daarnaast doet Tamaryns stem me nog steeds sterk denken aan Curve’s Toni Halliday, en komt zo nu en dan de geest van de Cocteau Twins uit de galm tevoorschijn. De eerste keer vond ik het allemaal wel erg gladde wegwerppop, maar na een paar keer draaien begonnen sommige nummers te groeien, al had het allemaal wel iets meer uitgesproken gemogen. Een leuke plaat, al is een vooraarde denk ik wel enige affiniteit met het geluid van de jaren ’80, in al zijn naïviteit en lompheid.

Jaakko Eino Kalevi heeft zijn eerste langspeler naar zichzelf vernoemd. De jonge Fin zit iets dieper in hetzelfde hol als Jonathan Jeramiah, Gotye en George Ezra, of misschien is het enkel de rustige, diepe stem van Kalevi die tot dergelijke conclusies verleidt. Jaakko Eino Kalevi maakt pop met een stevige dosis synths en een saxofoon. Warme, dikke klanken zijn het, die afgekoeld worden door een koelbloedige, strakke uitvoering, maar waar je op de dansvloer wel je meest zwoele pasjes voor kan bovenhalen. Toegankelijke liedjes dus, die soms ingehouden grotesk zijn, zo zou de opener ‘JEK’ – de initialen, de man heeft wat met zijn eigen naam – een voetbalhymne voor een wereldkampioenschap kunnen zijn of zit er enig songfestivalgehalte in ‘Deeper Shadows’. Toch is het ook meer dan dat, nummers als ‘Don’t Ask Me Why’ en ‘Hush Down’ klinken losser en zuidelijker dan de rest. Kalevi houdt van herhaling, zowel in tekst als muziek. “Iets één keer zeggen is anders dan het tien keer zeggen”, liet de Fin optekenen. Die herhaling werkt soms bijzonder goed, maar wordt – vooral in de muziek – iets te vaak ingezet. Een meer dan aardige plaat, die in de tweede helft af en toe dreigt te vervelen. In de allerlaatste minuten van de cd, in het nummer ‘Ikuinen Purkautumaton Jännite’, gaan de remmen wat meer los. De saxofoon treedt op de voorgrond, het wordt spookachtiger, er is meer pure energie en er wordt minder gepolijst. Als dit een indicatie is van hoe Jaakko Eino Kalevi live klinkt, dan staan we bij een volgende gelegenheid graag in op de eerste rij.

Het Britse-Peruviaanse label Tiger’s Milk Records is dit jaar goed in gang geschoten. De culinaire labelbazen zijn verbonden aan het smakelijke Peruviaans conceptrestaurant Ceviche in Londen met weldra een tweede vestiging op komst en hier nu ook de uitbreiding van de catalogus met een indie-folk album en een elektronische compilatie door de jonge garde uit Lima. We beginnen met Kanaku Y El Tigre, een band die wordt geleid door het creatieve duo Nico Saba and Bruno Bellatin uit de hoofdstad Lima. ‘Quema Quema Quema’ is hun tweede album en hun eerste dat international wordt verspreid. Verwacht geen chicha of electro cumbia maar sfeervolle indie-folk met licht tropische inslag, elektronische effecten en wat alternatieve country van de Amerikaanse stempel, al worden zowat alle songs in het Spaans gezongen. De songs ‘Nunca Me Perdi’, ‘Quien Se Queda Queda Se Va’, ‘Bubucelas’ en ‘Hacerte Venir’ stijgen het meest boven de anderen uit en inspireren de luisteraar snel tot meezingen, net als de song ‘Burn Burn Burn’ die sterk doet denken aan de warme electro indiepop van onze Belgische landgenoot Témé Tan. Fijne muziek om de zomer in te luiden. Met ‘Peru Boom’ stappen we wel in de wereld van de electro cumbia en global bass. Het is een compilatie met daarop de betere elektronische producers uit Peru, met name de Lima scene. Uw recensist heeft vorig jaar even in Lima gezeten en de muziekscene bloeit daar als nooit tevoren, wat het momenteel maakt tot één van de meest interessante steden van Zuid-Amerika. Het succes van het electro cumbia duo Dengue Dengue Dengue in onze streken begint nu eindelijk zijn weerslag te krijgen en in hun kielzog trekken ze de rest van de huidige Peruviaanse global bass scene mee. De betere producties op deze compilatie komen van het duo Animal Chuki, Deltatron, Chakruna, Tribilin Sound, Qechuaboi en Elegante & La Imperial bij wie de kwaliteit het sterkst naar boven komt via diverse invloeden zoals chicha cumbia, traditionele folk, reggaeton, dancehall, hiphop, rave, house, dubstep en IDM. Deze jonge producers uit Peru en Lima zetten zich met deze compilatie definitief op de elektronische muziekkaart en de verovering van het westen lonkt. Claro pe!

Een marihuanablad op het schijfje, het woord spliff in de albumtitel: ja, het trio uit Fort Wayne, Indiana heeft het wel voor pretsigaretten, tabak gemengd met hasj of weed. Inderdaad, een trio. Leider Freddy J IV (alias Joe Evans) heeft zijn band uitgebreid tot een trio, met twee nieuwe mensen aan boord. Oorspronkelijke medeoprichter Brenn Beck gaf er vorig jaar de brui aan, na net geen tien jaar met Evans te zijn rondgetrokken en vijf platen te hebben gemaakt. Bassist Joe Evans, die tevens zijn skateboard tot instrument ombouwde, en Pete Dio, die de drums bemant maar nog liever een hoop rommel die als percussie kan dienen, gebruikt, kwamen hem vervoegen voor deze nieuwe worp. En wat voor eentje. De hillbilly punkblues die Left Lane Cruiser al altijd speelt, alsof ze recht uit de moerassen van Mississippi zijn opgedoken, blijft fier overeind. Het klinkt allemaal net iets gepolijster dan voorheen, misschien ook iets meer doorwrocht. Er lijkt meer te zijn nagedacht over de nummers zelf, het geluid is ietsje voller, mede omdat ze nu een trio zijn, maar voor de rest blijft dit lekker rauw en urgent klinken. Afsluiter ‘She Don’t Care’ doet denken aan de blues van Led Zepppelin. Het is het enige nummer eigenlijk dat aan een andere band doet denken. De negen andere nummers klinken onmiskenbaar als Left Lane Cruiser, van bij de eerste noten van ‘Tres Borrachos’ al. En wat het trio tevens siert: ze kennen geen enkel zwak moment. Left Lane Cruiser weet hoe blues, hillbilly of punkblues anno nu hoort te klinken. Meeslepend dus, zonder hun roots te verloochenen. En een band die ‘Skateboard Blues’ brengt, daar doen we onze pet voor af.

Schijn bedriegt. We zetten de A-kant van de plaat op, zoals gewoonlijk op 33rpm voor een langspeler. Klonk goed, zeker voor een pril stel muzikanten die duidelijk de muziekhistorie hebben verkend. We horen meteen invloeden van The Cramps en The Gories. Leuk. We lezen de inlay, en lap, het is wel op 45rpm zeker. Opnieuw beginnen dan maar en merken dat het net zo fijn is om naar deze rockers te luisteren. Een duo, een liefdeskoppel, een stel bezeten garagerockers. Het geluid is lekker gruizig en ruw, mede doordat ze gewoon de boel live in de studio hebben ingespeeld. Franjes, mooimakerij, opkuis, daar doen Alek en Tina niet aan. Zij drumt, hij ramt op zijn gitaar en beiden nemen zang en schreeuw voor hun rekening. Uiteraard is de stem van Tina iets zoetgevooisder, al kan ze net zo goed ruw en gek voor de dag komen. Eerder genoemde invloeden blijven ook op het juiste toerental overeind, en daar voegen we ook vroege White Stripes aan toe, om het bij een aantal grote namen te houden. Beide plaatkanten openen met een stevige binnenkomer: ‘Blood On My Mind’ en ‘Money’ zijn hemelse garagerockers. Dat ze het iets zoetgevooisder kunnen, en mee te brullen tijdens een concert ook nog, tonen ze aan met bijvoorbeeld ‘On The Road’. Het duo houdt de verveling helemaal buiten door slechts acht nummers in een bestek van een goede twintig minuten er door te jagen. Gelijk hebben ze. Dit soort muziek moet gebald klinken, ruig, vettig en het hoeft allemaal niet te lang te duren. The Glücks voldoen aan alle voorwaarden. Dat ze nog maar lang een stel blijven, want anders zal het wel snel over en uit zijn. In eigen beheer uitgebracht op driehonderd exemplaren. Haast en spoed is hier van toepassing.

We hebben het voor de lol opgezocht op discogs: ‘Full Bleed’ zou Thurston Moores honderdenachtste “solorelease” zijn. De vraag of de wereld nog meer Thurston Moore platen nodig heeft stelt zich. We komen erop terug. Op zeven van die releases staat ook de naam van drummer John Moloney (Sunburned Hand Of The Man, Chelsea Light Moving). Samen zijn Moore en Moloney Caught On Tape en deze ‘Full Bleed’ is alweer hun vierde plaat. Voor het eerst getroosten Moloney en Moore zich de moeite om de tracks van titels te voorzien en voor het eerst zijn die tracks geen plaatkant lang. De negen tracks zijn, hoewel niet minder extreem van geluid, makkelijker te verhapstukken dan het oudere werk, net wegens die beknoptheid.
Het spectrum is breed: van het brutale sonische bombarement van ‘Unsupervised’, over het als een puist uiteenspattende ‘Rubber Grandma’, tot de splijtende gitaren van ‘Age Limit’. Op ‘Nothing Glamorous’ gaat Moore dan weer de diepte in, met langgerekte uithalen en diepe bassriffs, terwijl Moloney de breedte verkent in iets wat moeiteloos overeind zou blijven als een solo-drumimprovisatie.
Maar er is – tussen al het goedgemikte lawaai in, zowaar ook ruimte voor poëzie. ‘Arguing With a Balloon’ is ingehouden en mooi experiment. Waarna in ‘Dispute’ weer gewoon keihard het dak erafgeblazen wordt, dat spreekt, met aan het einde zowaar een riff die aan thrashmetal herinnert.
Moore doet natuurlijk wat Moore heeft uitgevonden (of toch minstens mede uitgevonden, want ’s mans leermeesters hebben ook hun verdienste) maar het moet gezegd dat hij op ‘Full Bleed’ bijzonder weinig teruggrijpt op de bouwstenen die zo kenmerkend waren voor zijn spel bij Sonic Youth. Slechts hier en daar horen we echo’s van de vroege Youth.
Maar heeft de wereld nu eigenlijk nog nieuwe platen van Thurston Moore nodig? Zonder ons de pretentie aan te meten spreekbuis te zijn voor de wereld: wij zijn – gesteld dat de platen waarvan sprake het niveau van deze ‘Full Bleed’ halen – voorlopig nog niet verzadigd.

Sonic Boom, het alias van Peter Kember en indertijd lid van het invloedrijke Spacemen 3, deed de mastering van het debuut van het uit Bristol afkomstige kwartet Spectres. Hij zal er heel erg mee in zijn nopjes zijn geweest, want deze bende lawaaimakers eren niet alleen zijn band, maar tevens Swervedriver, Loop, Sonic Youth, The Jesus And Mary Chain, My Bloody Valentine en zo nog wel een resem bands die niet alleen shoegaze maakten, maar net zo goed een behoorlijk stevig gitaartapijt konden neerleggen dat weinig had te maken met schoentjesstaren maar met psychedelische freakrock. Tien nummers staan verzameld op ‘Dying’, waarvan er een paar eerder verschenen. ‘The Sky Of All Places’ kwam uit in de Too Pure Singles Club, ‘Sea Of Trees’ was een gratis digitale download voor het tienjarige bestaan van het label en ‘Where Flies Sleep’ is een nieuwe interpretatie van datzelfde ‘The Sky Of All Places’. Beide versies volgen na anderhalve minuut verschroeiende white noise die de plaat opent en die meteen de toon zet: dit wordt een stevige brok. De twee versies lopen als het ware in elkaar over en staan bol van gitaarstormen, bevreemdende zang die net als bij de Reidbroertjes helemaal verzuipt in het loeiharde gitaargeweld en drums die kletteren door de vele cymbalen. Het is nog maar het begin, want deze nummers kunnen nog enigszins worden beschouwd als een poging tot pop. Spectres heeft er zijn lol in en gaat verder op de plaat alsmaar dieper in depressies zaaiende psychfreakrock duiken, met de nodige elementen uit de donkerste hoeken van shoegaze. Alcoholmisbruik, slaapproblemen, existentiële angst en de dood vormen de basiselementen voor de duistere teksten. Deze onderwerpen verdragen geen lichtvoetige popmuziek en dat krijgen we van Spectres dan ook niet voorgeschoteld. Een zeer geslaagde brok lawaaierige muziek, dat wel, die niet alleen het verleden eert maar ook nog eens uitermate urgent en actueel klinkt.

Het label waarop het uit Cumbria, Groot-Brittannië, afkomstige kwartet The Lucid Dream eerder drie singles uitbracht, brengt nu ook hun debuut uit. Sterker nog, The Wild Eyes uit Liverpool mochten de rangen van het prille label komen versterken. Maar het gaat over The Lucid Dream, een stel fuzzrockers met een stevig boontje voor Spacemen 3, Loop, Spectrum, Spiritualized en consorten. Dat geldt voor het grootste deel van de acht nummers, want de band heeft ook een ander kantje, waarin ze eerder hun fascinatie voor The Jesus And Mary Chain botvieren. Afsluiter ‘You & I’ is er zo eentje, met die typische neuzelzang, feedbackgitaren en verkrachting van elk denkbaar Beach Boys-liedje of -lid. Opener ‘Mona Lisa’ deed ons nog enigszins twijfelen. Instrumentaal met veel gitaarmuren, weer van die betere postrock dachten we. Tot ‘Cold Killer’ inzet, waarin wel wordt gezongen en met diep in de fuzz gedrenkte gitaarmuren. ‘The Darkest Day Of Head Music’ begint braaf, knikt naar de jaren 1960 acid en fuzz en krijgt plots een versnelling mee die uiteindelijk ontaardt in een muzikale slachting, inclusief snerpende saxofoon (gast Karl D’Silva). ‘Moonstruck’ zet in met een piepend orgeltje en laat een kort ‘Loop’-je horen. Met ‘Unchained Dub’ toont The Lucid Dream aan niet in een potje te roeren. Dit is inderdaad postpunk vermengd met dub, PIL in de clinch met Zion Train. ‘Morning Breeze’ is ook zo’n freaky stuk, de gitaren loeien, de trip begint en na vijf minuten explodeert het liedje helemaal. Het klinkt allemaal divers en toch is duidelijk dat de songs allemaal uit dezelfde kokers komen. Een leuke verrassing, deze Britten. We Only Said komt uit Rennes, Frankrijk en zou graag rondhangen in de buurt van Slint, Rodan of June Of 44. De twee openende nummers van hun tweede album neigen wel ietwat in die richting, gemengd met slowcore zoals we die ons herinneren van bijvoorbeeld Codeine. Daarna lijkt het kwintet een ietwat andere keuze te maken, eentje dat doet denken aan ‘ A Bell Is A Cup Until It Is Struck’ van Wire. Inderdaad, niet hun beste plaat maar daarom zijn die liedjes nog niet slecht. Het was alleen een mindere Wire en een degelijk We Only Said dat een aantal liedjes heeft gemaakt die dezelfde kant op gaan, misschien wel zonder het zelf te beseffen. De twee afsluitende stukken keren terug naar het initiële postrockgeluid, inclusief ietwat neuzelende zang. Hier en daar zijn het de drie gitaren die de liedjes ietwat opwaarderen, maar in zijn geheel kabbelt ‘Boring Pools’ een beetje teveel eindeloos weg. Ach ja, ze wisten het zelf ook al een beetje als we op de titel mogen afgaan.

Componist-muzikant Kenneth Kirschner is een eigenwijze man, in prettige zin. Zo brak hij zijn studie componeren af omdat hij de academische benadering te star en te beperkt vond. Een ander voorbeeld: hij stelt zijn muziek vrijelijk beschikbaar. Zijn site vormt een enorm archief, waar in principe al zijn composities te beluisteren zijn. Biografische informatie en compositorische overwegingen vind je niet op de site, want wat Kirschner betreft gaat het niet om de componist. Cd’s die hij uitbracht – onder meer bij 12K – vermelden dat de muziek gebruikt mag worden. Na het afbreken van de studie heeft hij een eigen stijl ontwikkeld. Kern daarvan is het gebruik van piano en elektronica voor abstracte composities die bestaan uit verspreide en geclusterde pianonoten, vervormingen, resonanties, drones en niet in het minst stiltes. John Cage en vooral Morton Feldman zijn belangrijke leermeesters. Het overgrote deel van de composities draagt als titel slechts de datum waarop hij aan het stuk is begonnen; een andersoortige titel zou interpretaties kunnen sturen. Het omvangrijke project ‘Imperfect Forms’ van Tobias Fischer lijkt enigszins in tegenspraak met de ‘anti-ego’-opstelling van Kirschner. Een boek, vier muziekcompilaties en drie video’s: dat klinkt als een ruim voetstuk. Wie maalt daar echter om met zoveel boeiends, waarvan het boek en de ‘remix-compilatie’ gratis te downloaden zijn. Het boek, 189 bladzijden, bestaat uit een groot aantal, toegankelijke interviews en essays. De verzamelaar ‘Imperfect Forms’ bevat interpretaties van en reacties op de composities door twintig collega’s, waaronder Ambrose Field, Dirk Serries, Maps and Diagrams, Monty Adkins, Orphax, Stefan Goldmann en Tomas Phillips. Daarin komt overigens relatief weinig stilte voor, wel veel (gelaagde) drones en gruizige elektronica; de sfeer loopt uiteen van kalm en subtiel, zoals bij Shinkei of Billy Gomberg, tot druk, spannend (Anne Guthrie), zelfs onheilspellend (Erdem Helvacioglu). Het project omvat verder onder de titel ‘MM/DD/YY’ drie compilaties met Kirschners muziek; daarvan zijn er twee door de man zelf samengesteld en een door projectredacteur Fischer. Laatstgenoemde heeft vooral kortere composities gekozen, om een bredere introductie tot het werk te kunnen bieden. Het is ook zeker lonend om de video’s te bekijken, want het zijn mooie en interessante visuele reacties op de muziek, gemaakt door Dmitry Gelfand & Evelina Domnitch, Adkins met Julio D’Escrivan en Sawako. ‘Imperfect Forms’ is een multimediaproject dat op alle fronten de aandacht waard is.

In GC#125 kon u al lezen hoe Sonic Pieces is uitgegroeid tot een vaste waarde die stilaan naar boven mag komen zodra de woorden Erased Tapes over de tong rollen. Het Berlijnse boetieklabel onder leiding van Monique Recknagel heeft met gestileerd minimalisme en strak design z’n eigen stekje verworven in een wildgroei van initiatieven voor de meerwaardezoeker in het stilaan overbevolkte hoekje van de minimale pianomuziek-met-elektronisch-randje. Het duo Anna Rose Carter en Christopher Brett Bailey wist in 2012 te overtuigen met een titelloze plaat die gracieus de grens tussen iel en comfortabel bewandelde. Op de vervolgplaat staat de piano nog steeds centraal, maar wordt de omgeving wel nadrukkelijker in de verf gezet. De instrumentatie lijkt wat voller, de elektronica schuift soms meer naar de voorgrond, met roterende ingrepen en indringende ruis die mee(r) de sfeer bepalen. In sommige stukken lijkt het nog altijd alsof Carters repetitief wentelende piano verpakt is in fluweel, maar er mag ook al eens een opgewekter passage (‘If Vanishing’) of momentje energie (‘Verse Porous Verse’) in. En toch blijft er ook voor de liefhebbers van dat pastorale mistgordijn nog voldoende om bij weg te mijmeren (‘hush-maker’). En dat laatste werkwoord vat het misschien ook wel mooi samen. Het duo maakt behaaglijke muziek, iets waarbij het fijn wegdromen is, maar ondanks de verschuiving is er soms te weinig spankracht en persoonlijkheid om het peloton van de sfeermakers te overstijgen. Goed, maar geen opmerkelijke nieuwe stap voor Moon Ate The Dark of Sonic Pieces.