GC #126

Wie regelmatig deze pagina’s bezoekt, is goed vertrouwd met de wetenschap dat we al jaren bijzonder gecharmeerd zijn door de manier waarop EE Tapes het elektronisch minimalisme uit de jaren 1980 uit vergeten cassettedoosjes haalt, en het een tweede leven gunt via gelimiteerde 33-toeren singeltjes. Blijkbaar ontsnapt EE Tapes ook niet aan de wiskundige wetmatigheden dat er na tien tellen omgekeken wordt. Gelukkig wordt er op deze compilatiecd meer gedaan dan gewoon bij elkaar geharkt. Laat jouw frustratie gerust de vrije loop als je zal vaststellen dat niet alle vinyltracks opgevist werden, en geniet van vijf onuitgegeven bonustracks als doekje voor het bloeden. Zoals de titel verraadt, is dit label uit Sint-Niklaas via een navelstreng verbonden met het Waalse label Insane Music, en één derde wordt dan ook ingepalmd door Alain Neffe in alle mogelijke verschijningsvormen: van de experimenten van Pseudo Code over de spraakverwarring van BeNe GeSSeRiT tot de onweerstaanbare spastische bewegingen van Human Dance. De rest van het deelnemersveld is ook gereputeerd genoeg om met goudtape te omwikkelen: hoogtepunt The Misz (en afsplitsing Absent Music), Kloot Per W en het wondermooie Bernthøler (dat mensen als jij ongetwijfeld enkel zullen kennen via het culthitje ‘My Suitor’). Met Nostalgie Eternelle, Nine Circles en Opéra Multi Steel zijn ook onze buurlanden vertegenwoordigd. Met een muzikaal spectrum van minimal over speels experimenteel tot darkwave, is deze compilatie een absolute must voor elkeen die zich wil zich verdiepen in de doe-het-zelf ethiek van de cassettescene uit de jaren 1980. Ook voor wie nog twijfelt om zich de (intussen half uitverkochte) vinylreeks eigen te maken, is deze cd een ideaal startpunt.

De Noorse pianist Christian Wallumrød staat in zijn geboorteland bekend als een ascetisch muzikant die een breed gamma aan genres aan kan. Hij speelt jazz, kerkmuziek, folk, barok en hedendaags klassiek. Doorheen de jaren werkte hij mee aan een breed spectrum van projecten, waaronder Dans Les Arbres en Jan Bang. Het duurde echter tot nu vooraleer de man zijn eerste echte soloplaat maakte. Volledig instrumentaal en gebracht met grand piano. Hij nam de zes stukken op verschillende plaatsen op, en experimenteerde tegelijkertijd met opnametechnieken, overdubs, galm en klankkleuren. Hij opent en sluit de plaat met een vage drone, die het openingsnummer inleidt en het afsluitende nummer uitleidt. Daartussen geeft hij een staaltje van zijn kunnen, als een jonge Keith Jarrett die wil tonen wat hij kan. Al doet de Noor het op een bescheiden wijze en primeert de kwaliteit van de zelf gecomponeerde stukken boven virtuositeit etaleren. ‘Hoksang’ is sferisch en speels, ‘Second Fahrkunst’ is een stuk experimenteler, waarbij stilte tussen de toetsaanslagen en de galm die ze nalaten, net zo belangrijk wordt als de aanslag zelf. ‘Boyd 1970’ is jazzy, melodieus en poppy tegelijk, en verraadt zijn vroegere deelname aan het project Close Erase, waarin muziek in de trant van Miles Davis ten tijde van ‘Bitches Brew’ een jazzrockkleedje aan kreeg. Jazzrock is het echter niet meer, daarvoor klinkt dit stuk echt te toegankelijk. Geen afkeuring hoor, want het is echt wel een zeer mooi en inventief gespeeld stuk pianomuziek. Afsluiter ‘Lassome’ is het stuk, voor de drone dan toch, dat het meest herinnert aan Jarrett, al hoor je nu al dat Wallumrød nooit zal vervallen tot new ageprofeet.

Public Service Broadcasting verraste twee jaar geleden met ‘Inform Educate Entertain’, waarop het Britse duo flarden uit allerhande oude voorlichtingsspotjes van het Britse filminstituut plaatste over krautrockritmes. Het leverde nu eens dansbare, dan weer grappige resultaten op, maar meteen rees de vraag of dit trucje te herhalen viel op een tweede album. Nu ‘The Race For Space’ er is, kunnen we daar volmondig ja op antwoorden. Waarom? Omdat de samples niet langer lukraak gekozen werden, en er meer werk gestoken is de muzikaliteit van de nummers. De opnames die Public Service Broadcasting ditmaal gebruikt, hebben allemaal te maken met de strijd om de ruimte die Amerika en de toenmalige Sovjetunie voerden in de jaren 1960. ‘This is the beginning a new era for mankind, the era of men’s cosmic existance’, klinkt het aan het begin van ‘Sputnik’. Een motorische beat, aanzwellende synthesizers en livedrums zorgen voor een meer dan zeven minuten durende prijsbeest. Bij dit soort kosmische taferelen horen nog steeds krautrockritmes uit de jaren 1970, maar Public Service Broadcasting breidt zijn muzikale universum uit. Zo doen de gitaren van ‘E.V.A.’ en afsluiter ‘Tomorrow’ denken aan de math rock van Battles. Het opzwepende ‘Gagarin’ wordt voorzien van een stevig stel blazers en ‘Valentina’ – naar de Russische Valentina Tereshkova, de eerste vrouw in de ruimte – neigt door de wazige zang zang van de droompopmeiden van Smoke Fairies dan weer naar Cocteau Twins. Ook Ghost Culture, het alias van de vierentwintigjarige Brit James Greenwood, ent zijn geluid op een stroming uit de jaren 1970. Zo vormt het kille, minimale en dreigende van de coldwave de basis voor Greenwood zijn popsongs. De synthsequenties rollen stuk voor stuk uit zijn Korg synthesizer en klinken duister en onderkoeld. Ghost Culture ging op eerdere ep’s vooral instrumentaal tewerk en je hoort dat de vocale nummers hier ook puur instrumentaal sterk genoeg zouden zijn om overeind te blijven. Al vormt Greenwood zijn zachte zangstem zeker een meerwaarde op de rustigere tracks als ‘How’ en ‘Glaciers’. Het geluid van ‘Ghost Culture’ mag dan wel zijn oorpsrong in de jaren 1970 vinden, toch integreert Greenwood ook een pak hedendaagse elementen, zo lijken de dreigende dupstepbassen aan het begin van ‘Arms’ rechtstreeks uit de koker van Kode9 te komen. Door op een gitzwarte basis menselijke toetsen aan te brengen, toont Ghost Culture aan dat zwart vele schakeringen heeft.

Spyros Polychronopoulos is niet allen componist, producer en muzikant van elektronische muziek, maar ook wetenschapper op dit gebied. Dat heeft geresulteerd in zijn promotieonderzoek ‘Tuning the acoustics of closed spaces using adaptive acoustic elements’ en in onderzoekende cd’s. Zijn nieuwe ‘Electronic Music’ is er zo één. Op dit album onderzoekt hij het effect van reverb, de nagalm van geluid in een ruimte als gevolg van reflecties, bij elektronische klanken. Elektronische klanken zorgen ervoor dat de luisteraar geen ruimtelijk gevoel bij het geluid heeft, omdat er in tegenstelling tot bij akoestische klanken geen reflecties zijn van het geluid in een ruimte. Polychronopoulos wil onderzoeken in hoeverre de luisteraar daardoor de muziek en de muzikant als aanwezig ervaart en wanneer het geluid volledig raakt losgekoppeld van het ‘hier en nu’. ‘Electronic Music’ bevat acht composities, opgebouwd met een rijk palet aan elektronische klanken: u verzint het, de Griek levert het. Klanken zwellen aan, klanken breken af, klanken galmen en klanken knappen als droog hout, passages zijn overvol (het begin van het vierde stuk barst los als een ruig bespeelde flipperkast) en andere zijn minimaal (het afsluitende stuk bestaat uit meer dan acht minuten snel pulserende piepjes, als een cyberspace vol cicaden). Er zijn beslist fascinerende stukken, zoals klanken die plots hun (toegevoegde) galm verliezen; er zijn geluiden die herleidbaar klinken, omdat ze lijken op stemmen, een optrekkende auto, een rammelend onderdeel, maar dan plots vervormen naar abstract elektronisch. Maar tegelijkertijd doen de abstracte composities, de collages van klanken zonder duidelijke structuur niet eens verrassend aan. Zelfs een beetje bekend.