GC #97

Technoproducer Martin Buttrich heeft steeds graag vanuit de schaduw gewerkt, maar zijn werk geniet al een hele poos van het grote spotlicht. Jarenlang was hij actief onder een aantal aliassen en wie de kleine lettertjes op de platen van grootheden als Timo Maas of Loco Dice las, weet wie er bij deze namen daadwerkelijk achter de knoppen stond. Interviews geeft hij overigens zelden, maar wat hij al uitbracht onder zijn eigen naam – clubhits op noemenswaardige labels als Planet E, Poker Flat of Cocoon – maakt dat ruimschoots goed. Het gaat bij Buttrich immers altijd om klokvast precisiewerk waarbij beats, geluiden, samples en in het geval van ‘Crash Test’ heel wat analoog opgenomen stukken, behoorlijk rigide in een eerder typische technostructuur worden gegoten. Dat neemt echter niet weg dat de Duitser een scala aan stemmingen en gevoelens weet op te roepen en niet vervalt in steriele dance. Nauwelijks een minder nummer bevattend, doorstaat dit debuut waar Buttrich behoorlijk lang aan sleutelde, met verve onze Gonzo (circus) crash test.

‘Cosmic Disco’ was de stempel die Prins Thomas en Lindstrøm opgekleefd kregen toen ze vijf jaar terug doorbraken met hun titelloze debuutplaat. De Noorse topproducers leverden twee gloedvolle platen (en een remixplaat) af die uitblonken in ingenieuze, lang uitgesponnen, glasheldere nummers. Terwijl Lindstrøm zich hoofdzakelijk toelegde op het uitbrengen van nieuw plaatwerk, al dan niet geflankeerd door de immer ravissante Christabelle, haalde Prins Thomas de ene remixklus na de andere binnen en wist hij zich ook te profileren als een verdienstelijk deejay. Zijn mixcompilatie ‘Prins Thomas Presents Cosmo Galactic Prism’ vinden we nog steeds een aanrader. Met ‘Prins Thomas’ heeft de man nu ook zijn eerste langspeler uit. Thomas blijft trouw aan zijn roots, ook nu weer krijgen we een reeks van epische tracks die schuifelende dansritmes koppelen aan pyschedelica light. Toch vinden we dat Prins Thomas hier meer dan ooit nadrukkelijk flirt met de rijke geschiedenis van de krautrock. Het monotone drumritme en het gitaarspel in ‘Sauerkraut’ zijn niets meer of niets minder een onvervalst eerbetoon aan het werk Neu!. Wie ‘Prins Thomas’ catalogeert onder de noemer dansmuziek doet deze plaat oneer aan, daarvoor is ze veel te eigenzinnig en divers. Knap werk.

Brian Eno maakte in 1978 ‘Music For Airports’, na te hebben vastgezeten op een luchthaven en daar teleurgesteld te zijn geraakt over het gebrek aan achtergrondmuziek. Het resultaat was vol kalmerende loops en dwalende piano’s, dat terecht het predicaat ambient droeg. Maar vliegvelden zijn niet meer wat ze waren; waren het ooit romantische poorten naar verre oorden, tegenwoordig voelen ze als fabrieken vol lopende banden en achterdocht. In reactie bedachten The Black Dog en interactive artists Human ‘Music For Real Airports’, een multimediaproject en bijbehorende cd. De muziek is gebaseerd op honderden uren field recordings op luchthavens, maar die zijn op de plaat slechts spaarzaam als herkenbare geluiden te horen. Zo nu en dan komt een vliegtuig over of wordt iets omgeroepen, maar voor het grootste deel wordt de sfeer bepaald door de muziek alleen. Vrolijk is die niet, en het lijkt er op dat The Black Dog vooral een gevoel van isolatie en onthechting probeert over te brengen. Spreekt uit de eerste paar nummers nog gespannen verwachting, later slaat de melancholie toe. Titels als ‘DISinformation Desk’ en ‘Sleep Deprivation’ spreken boekdelen. Het grootste deel van de muziek is opgebouwd uit drones en gedragen synthesizers, maar op sommig nummers klinken ook de technowortels van de band door, met een geluid dat in het verlengde ligt van de lp ‘Further Vexations’. Over het geheel genomen is ‘Music For Real Airports’ een mooie sfeerplaat, waarop weemoed de boventoon voert. Of hij ook als artistiek statement geslaagd is, is moeilijk te zeggen. Een belangrijk deel van de tegenwoordige luchthavenbeleving – de pogingen om reizigers te reduceren tot imbecielen die louter doen wat hen gezegd wordt – hoor ik er niet in terug, maar tegelijkertijd denk ik dat de muziek uitstekend past bij lang wachten in desolate vertrekhallen.

Benni Hemm Hemm is een IJslandse bard die besloot om naar Edinburgh te verhuizen. Eeuwige sneeuw verwisselen voor eeuwige regen heeft zo zijn invloed op het werk van een mens natuurlijk. Hij leerde ondertussen de taal en besloot dat het net zo leuk zou zijn om thuis met eigen opnameapparatuur een paar nummers op te nemen; net zo makkelijk als het dat was in de studio’s van Sigur Rós. En zo geschiedde. ‘Retaliate’ is ’s mans derde ep, de eerste die ook buiten IJsland wordt uitgebracht en in het Engels wordt gezongen. Vijf songs over vergelding, wraak en bloed sieren deze release, waarop Benni Hemm Hemm de meeste instrumenten voor eigen rekening neemt. Emily Scott (bas) en Peter Liddle (trompet en althoorn) assisteren hem op een paar secuur uitgekozen momenten. Het resultaat klinkt als Neil Young die een paar maanden in IJsland resideert en daarna een paar songs uit de mouwen schudt die melancholie , moordlust en woede uitstralen. Benedikt H. Hermannsson, zoals de man achter dit soloproject echt heet, slaagt er met minimale middelen in vijf wondermooie verstilde miniatuurtjes neer te zetten, als een Nick Drake die zijn slaapkamer nooit uit kwam.

Het Zweedse Love Is All gaat met zijn derde album (na ‘Nine Times That Same Song’ en ‘A Hundred Things Keep Me Up At Night’) een lichtjes andere kant op. De behoorlijk prominent aanwezige saxofoon van die twee vorige platen is helemaal naar de achtergrond verwezen, en in de meeste nummers zelfs totaal afwezig. De invloed van vroege punky new wave is echter wel gebleven, met als resultaat een plaat vol huppelliedjes van het betere soort waarin we de erfenis vanThe Slits (luister maar eens naar ‘False Pretense’) ontwaren, maar net zo goed de invloed van meer gepolijste bands als Toyah, Bow Wow Wow (‘Dust’) en The Mobiles (herinner u hun hitje ‘Drowning In Berlin’ van lang geleden). Lekkere popliedjes dus, twaalf in totaal, met hier en daar wat weerhaakjes om het ook de liefhebber van indie naar de zin te maken. Leuk is vooral de kindermeisjeszang van Josephine Olausson, die dartel de liedjes net dat tikje meer geeft. In verhouding tot de eerdere albums kiest Love Is All vooral voor ruimte in de songs. Geen experiment omdat het zo hoort, alleen als het nodig is. En ook durven ze kiezen. Zonder gitaar als dat beter uitkomt, en niet steeds de noodzaak voelend om elk lid van het kwartet constant bij het uitbouwen van een nummer te betrekken. En dat blijkt een zeer goede keuze te zijn, want zo is deze derde meteen hun beste plaat geworden. Zomerse liedjes ook, en daarvoor is het jaargetijde goed gekozen.

Black Breath verhuisde van Bellingham naar Seattle en bracht in 2008 een vier nummers tellend plaatje uit in eigen beheer, dat echter weinig brokken maakte. Vandaar dat Greg Anderson, (die Southern Lord runt) besloot om die ep alsnog op cd uit te brengen.
In de hoop Black Breath een ruimer publiek te geven natuurlijk, dat ongetwijfeld zal kunnen genieten van deze vier brokken superieure hardcorecrustpunkblackmetal. Yep, een genrebeschrijving van alles in één, want zo klinkt Black Breath ook. In eerste instantie dachten we aan een kruising van Converge en Motörhead, een andere keer meenden we vergelijkingen te kunnen maken met Discharge, Celtic Frost of Nachtmystium. Telkens weer vonden we Black Breath net dat tikje inventiever, agressiever, vindingrijker. Het tempo ligt hoog, het kwartiertje dat de ep duurt, is bijgevolg veel te snel om. Gelukkig heeft dit kwintet net een debuutalbum opgenomen. En daar kijken we reikhalzend naar uit, want deze mini klinkt uiterst veelbelovend. Met Kurt Ballou van Converge achter de knoppen, kan dat debuut alleen maar nog vetter, woester en brutaler klinken dan deze ep.

De Spaanse Meester van de valse stilte zoekt dit keer onverwacht kille oorden op. De gemanipuleerde veldopnames van Lopez werden immers besteld door een label dat een hele esthetiek heeft opgetrokken rond de klank van gure wind over bevroren vlaktes en tegen elkaar schurende ijsbergen. In deze setting plaatst Lopez de mythische (Inuit) wolf ‘Amarok’. Alle typische ingrediënten (nepstiltes, drones die net of net niet waarneembaar zijn met een menselijk oor) worden in één meditatie van vierenzestig minuten afgewisseld met enkele luidere fragmenten en uitbarstingen van ambient uit het diepvriesvak. Soms lijkt het zelfs alsof Lustmord opgesloten zit in een iglo. Deze afwisseling maakt de cd ‘Amarok’ bijzonder geschikt als startpunt om de immense discografie van Lopez verder uit te diepen.

De eerste keer dat we deze cd poogden te beluisteren, stopten we na het eerste nummer. Wat een onzin. Wat een troep. En de tweede keer deden we net hetzelfde. Koppig als we zijn, deden we een derde poging, wijselijk dat eerste nummer overslaand. En dan lukte het wel. Niet dat we werden overdonderd door de resterende vijf nummers, maar we konden de instrumentale spielerei toch wel een beetje smaken. Het is het derde album van deze band, en ze mengen invloeden van alle continenten van deze aardbol door hun muziek. Veel jazz, fusion, rock en funk, maar ook afro en progrock nemen een prominente plaats in bij deze Rotterdammers. Van liedjes is dan ook geen sprake bij dit sextet, want al snel duren hun nummers meer dan tien minuten. ‘Ali Baba’ bijvoorbeeld duurt veertien minuten, en al komt het nummer maar traag op gang, eenmaal The New Earth Group op gang is getrokken, komen hun eclectische voorbeelden al snel tot bloei. Jaga Jazzist, Motorpsycho en Omar Rogriguez-Lopez (The Mars Volta, de vorige twee cd’s kwamen uit op ’s mans label) zijn de jazzrockvoorbeelden die ze in hun hart hebben gesloten en op hun eigen manier in hun muziek verwerken. De zes muzikanten laten elkaar veel ruimte, met hier en daar toch een prominente plaats voor de gitaar of de saxofoon, en improviseren geregeld zonder de groove en de samenhang uit het oog te verliezen. Ongetwijfeld komt de muziek van deze band op een podium heel goed tot zijn recht, op plaat is het soms te rustig en dreigen we als luisteraar toch al snel de aandacht te verliezen. Te veel fusion, funk en jazz naar onze eigen smaak, al swingt het geregeld op een ook voor ons aangename manier. We houden het bij een groeiplaat die zeker in de smaak zal vallen bij liefhebbers van eerder genoemde bands.

Sinds begin 2009 verschenen er releases van jj. U voelt de logica komen. De eerste single kreeg de titel ‘jj n°1’, het daaropvolgende debuutalbum het logische ‘jj n°2’. En nu verschijnt dus al ‘jj n°3’. Bij de eerste twee releases hield de groep ook goed haar identiteit verborgen. Nu blijkt het om een Zweeds duo, Joakim Benon en Elin Kastlander, te gaan dat opereert vanuit Göteborg. Het geluid van de groep incorporeert veel uiteenlopende stijlen zoals indiepop, elektronica en naar house neigende beats. In het nummer ‘Into The Light’ gebruiken ze een sample van een overspannen Italiaanse (?) reporter. Ons doet het muzikaal soms een beetje aan het sufgehypte The xx denken. Afgelopen maanden trokken The xx en jj samen op tour door Noord-Amerika. U hoort ons niet zeggen dat wij dit zien als een fijn concertavondje. Het lijkt ons zelfs eerder aan de saaie kant. Feit is dat deze band met de debuutplaat nog laaiende recensies kreeg. Over deze plaat zijn wij alleszins niet zo enthousiast. Waarschijnlijk het ijzer iets te snel willen smeden terwijl het heet was. Het gevolg is een zeer wisselvallige, veel te brave plaat geworden. Een plaat die grossiert in iets te glad geproducte indiepop, net als bij The xx. De etteloze discussies die wij daar al over gevoerd hebben op café, doen ons niet van mening veranderen.

Het Duitse Ant-Zen heeft de verstandige politiek om als label lange termijnrelaties aan te gaan met haar artiesten enerzijds; en voortdurend nieuwe bronnen aan te boren anderzijds. Met een vijfde album voor het sublabel Hymen is ‘Consume Adapt Create’ een mooi voorbeeld van die ene beleidspeiler. Daniel Myer heeft dan ook sinds 1998 de tijd gekregen om zijn productietechnieken te verfijnen en dat werpt zo z’n vruchten af. De cd navigeert als vanouds tussen een veelvoud aan elektronische stijlen –onder meer IDM, electro, ambient, en drum ‘n’ bass knallen door de boxen- maar de klankenconstructies nemen meer en meer de vorm aan van composities die op hun beste momenten echt niet (meer) moeten onder doen voor het sterkste van bijvoorbeeld Orbital. Terwijl Phil en Paul Hartnoll na verloop van tijd enigszins zijn vastgeroest binnen hun eigen (succes)formule is Myer een stuk creatiever omgegaan met de voorbeelden die hem hebben beïnvloed, in dit geval onder andere Otto Von Schirach en Enduser. Precies daarom klinkt ‘Consume Adapt Create’ aanzienlijk actueler en zal het waarschijnlijk minder snel verouderen dan een flink deel van de Orbital catalogus.
Neofiet in dit rijtje is op het eerste gezicht Diaphane, al moet dat meteen worden gerelativeerd want achter dit project schuilt namelijk Régis Baillet en die heeft samen met Jérôme Chassagnard als Ab Ovo met drie album sinds 2004 ook al een flink traject afgelegd op Ant-Zen. Het licht melancholische ‘Samdhya’ is zijn eerste soloalbum en verkent in grote mate hetzelfde stilistische territorium dat hij eerder met Chassagnard betrad. Denk dus aan een atmosferische geluidstrip waarbij warme soundscapes omzwachteld worden met subtiele ritmes. Machines worden gelinkt aan akoestische instrumenten en minitieus geïntegreerde stemsamples; en dat levert een album op dat zich lekker lui laat beluisteren in de sofa, zonder evenwel te verzanden in vrijblijvend behang.
Aanzienlijk minder linear, meer abstract en vooral véél harder en agressiever zijn de beats en geluiden van het Welshe broederduo Somatic Responses, die met ‘Neon’ het tigste offensief in hun sonische oorlog hebben ingezet. Het totaalgeluid van Somatic Responses is een dichte massa van breakbeats, soundscapes en digitale glitches en daardoor niet eenduidig te situeren. Breakcore en techno gaan bijvoorbeeld moeiteloos hand in hand met dubstep of dark ambient. Als vanouds etaleert ook ‘Neon’ de complexiteit van Autechre, het neurotische van Venetian Snares, de misantropie van Lustmord en de industriële noise van Esplendor Geométrico. Wars van elke trend of mode blijven John en Paul Healy zichzelf met elke release verder perfectioneren en alleen hiervoor verdienen ze een medaille. Compromissen is dan ook het laatste wat we van deze twee verwachten.

Er zijn weinig platen waar in elektronicamiddens zo werd naar uitgekeken als naar ‘In Stereo’. Acht jaar na hun laatste wapenfeit doken Christian Fennesz, Jim O’Rourke en Peter Rehberg voor het eerst opnieuw samen in de studio. Hun vorige twee platen – de klassieker ‘The Return Of Fenn O’Berg’ en ‘Magic’ (in aanloop van ‘In Stereo’ recent opnieuw heruitgebracht) werden immers gedistilleerd uit een reeks live-optredens. Plaats van afspraak was de Gok Sound Studio in Tokio waar de drie topmuzikanten een week in vrijwillige ballingschap gingen. De supergroep zet met het openingsnummer ‘Part III’ onmiddellijk de bakens uit. ‘Stereo’ is de perfecte antithese van eender welke popplaat. Duidelijke songs, herkenbare melodieën en catchy elementen ontbreken volledig en worden vervangen door een amalgaam van complexe structuren, overstuurde soundscapes en een wirwar van ongekende klanken die vaak, zo lijkt het althans, elkaar haast achteloos voor de voeten lopen. De sterkte van ‘In Stereo’ ligt precies in het onvoorspelbare karakter van de plaat, die nu eens loeihard dan weer dreigend stil klinkt. Fennesz, O’Rourke en Rehberg weten perfect hun ego’s aan de kant te schuiven en slagen erin om hun krachten te bundelen en te doseren. Zo is ‘I’ een dreigende lap soundscapes die slechts heel even vervelt tot een brok pure chaos en net daardoor zo intimideert. ‘In Stereo’ is niets meer of minder dan een masterclass in avant-garde elektronica.

Junius is de nieuwste naam op The Mylene Sheath, maar zorgt voor een heuse stijlbreuk op het label, dat eerder focust op instrumentale rock en postmetal. Junius is een groep die meteen de aandacht opeist: de grootse productie, het theatrale geluid en de erg toegankelijke zanglijnen tegen een donkere ondertoon zorgen voor een gedurfde combinatie. We horen elementen uit indierock, metal en progrock, maar ook hitparadepop uit de jaren 1980. Het obscure maar invloedrijke Seigmen komt qua geluid het dichtst in de buurt, al is Junius radicaler in epische grandeur en de zanglijnen, die op het randje van de kitsch balanceren. Ook thematisch blijft het allesbehalve gewoontjes: ‘The Martyrdom Of A Catastrophist’ is een conceptplaat opgebouwd rond de theorieën van Immanuel Velikovsky, een man met een omstreden visie op de loop van de geschiedenis. Als je mee bent, nestelen ‘Stargazers & Gravediggers’ en ‘A Dramatist Plays Catastrophist’ zich zo in je hoofd: ze klinken catchy en fris, maar ook vernieuwend en tegendraads genoeg om het spannend te houden. We garanderen niets, maar voor ons werkte deze vreemde mix van Porcupine Tree, Russian Circles, Editors, Bloc Party en Pet Shop Boys. Probeer het ook eens: we wensen u alvast veel ontdekkingsplezier.

2010 wordt binnenkort doorgezaagd. Op naar tweeduizend en twintig. Welke muzikale beweging het komende decennium zal zegevieren, zullen we pas weten over tien jaar. Dat ‘A Sufi And A Killer” dezelfde status binnen de hedendaagse populaire muziek zou kunnen bereiken als bijvoorbeeld ‘Play’ van Moby is niet ondenkbaar. Het ongrijpbare multiculturele karakter zou er voor kunnen zorgen dat het, evenals bij ‘Play’ het geval was, een tijdje duurt voor het klinkende kwartje valt. Net als Moby integreert Gonjasufi op een wervelende wijze wereldmuziek met dansritmes. Ook hij graait in de antropologische vergaarbak vol etnische vocaalsamples. In de uitwerking speelt hij echter meer met oriëntaalse ritmes, freakfolk en psychedelische elementen. Zijn overstuurde ‘howlin wolf’ klaagzang zorgt verder voor een dramatische inkleuring van het totaalgeluid. Gonjasufi is een musicus die zijn muziek benadert vanuit de hiphopdeejayhoek. Er is namelijk directe verwantschap met The Gaslamp Killer en andere opkomende acts uit L.A. en omgeving. ‘A Sufi And A Killer’ herbergt luistervoer voor langere tijd. Oorzaken: maar liefst negentien korte pakkende tracks, een grote gevarieerdheid in sferen, een doorlopend spannend muzikaal avontuur en na consumptie van het album de behoefte het zo spoedig mogelijk opnieuw te beluisteren. ‘Wordt dit dan een klassiek album? ’. Nou, als de nieuwe oortjes voor het komende decennium gericht zullen zijn op freakfolk en neopsychedelica, dan wel.

Op het eerste gezicht lijkt het vijfde album van het Italiaanse trio Ufomammut vooral een zaak te zijn van ingehouden, haast gesublimeerde energie. ‘Eve’ is namelijk opgebouwd als een opus in vijf bewegingen en het duurt even voor het kwartje kantelt en de boel echt ontbolstert. Meer dan ooit domineert de sfeerschepping. Zo wordt, om het geheel passend in te leiden, in de openingstrack behoedzaam de tijd genomen om het album echt op gang te trekken. Schijn, zoals zo vaak, bedriegt want gaandeweg wordt opnieuw uit vertrouwde bronnen geput: psychedelische doom en massieve sludge. ‘Eve’ verfijnt echter het brutale en laat een subtiele(re) evenwichtsoefening horen tussen hard episch bombast en een soundtrackachtige atmosfeer. Gitaardrones en het gebruik van synths plaatsen de vertrouwde Ufomammutsound -een amalgaam van Electric Wizard, Kyuss, vroege Pink Floyd, Asva en Neurosis– in een ietwat onwezenlijke context. ‘Eve’ is daardoor meteen ook de spookachtigste uit hun discografie. Naast de voor de hand liggende namen komen nu ook landgenoten Goblin steeds meer om de hoek kijken. Samengevat: ‘Eve’ is niets minder dan een meesterwerk in z’n genre en de kroon op het werk van een wel erg bijzondere band.

Een beetje mysterie kan een band vooruit helpen, zeker als het om een Britse band met een eclectische smaak gaat. Ergens zijn de vier nummers op deze ep postpunk, maar dan ook weer niet. Ze combineren Killing Joke met The Fall en gooien er een zwik elektronica achteraan, wat resulteert in heel erg van elkaar verschillende nummers die eigenlijk alleen tonen dat SemiOn een beetje van alles kan, van alle walletjes wil eten, maar nog niet goed weet waar hun voorkeur nu naar toe gaat. Of het zou naar een combinatie van massazelfmoorden op religieuze basis en spacecakes moeten zijn. Al vinden ze plastische chirurgie net zo belangrijk. Kortom, een vreemd plaatje van een vreemde band die het in Engeland nergens zal brengen en elders ook niet. Zeker niet als een hoesje ook al teveel gevraagd is. Al snappen we het wel natuurlijk, want het is een cd-r in zeer kleine oplage. Downloads nietwaar, de toekomst. Of omgekeerd, want wij zullen nog sneller het bestaan van een aantal bands vergeten zijn als we fysiek niets meer in handen hebben.