GC #97

Korzelige elektronica in combinatie met repetitieve (metal)riffs en onderkoelde beats definiëren het ambient doomgeluid van AUN, het eenmansproject van Martin Dumais uit Montréal. De man heeft al drie albums op zijn naam staan; deze split met het Franse Habsyll moet ook voor de Europese geïnteresseerden bewijzen dat Nadja in Canada niet het monopolie heeft op dit geluid. Ze hebben wel meer dingen gemeen want beiden brachten ze al werk uit op Alien8 Recordings. De overeenkomsten met Nadja liggen enigszins voor de hand – een melange van shoegaze, metal en ambient die het resultaat is van gemeenschappelijke invloeden zoals Swans, My Bloody Valentine of Troum – maar tegelijkertijd klinkt AUN anders. Of dat het gevolg is van het feit dat hij ook een viool gebruikt (naast gitaar, bas en elektronica) is niet duidelijk, maar AUN heeft voldoende eigenheid om een plaatsje af te dwingen in de niche van drones en doom. Zo heeft het tweede nummer een ritme dat eerder als rock dan als lethargisch kan worden omschreven. Door de continue herhaling krijgt ‘Fall Out’ iets tranceachtig en wordt terrein verkend dat Nadja alsnog links heeft laten liggen. Even meenden we zelfs het geluid van… The Fall te horen echoën. (www.myspace.com/aundrone) De lange track van Habsyll (ruim 23 minuten) is een stuk eendimensionaler. Hier regeert narcoleptische doom en is Khanate koning.
‘Totem On’ verscheen vorig jaar op cd en regulier vinyl, maar nu is er ook een picture disc op vinyl die wordt uitgebracht naar aanleiding van de huidige Europese tournee van de Master Musicians Of Bukkake (zie GC#93). De oplage werd beperkt tot 300 stuks en is dus nu al een collector’s item.

Met de release van ‘CRWTH (Chorus Redux)’ brengt Richard Chartier, de bezieler van het Linelabel, een curiosum uit. De originele release van ‘CRWTH’ dateert van 1991 en verscheen op een erg gelimiteerde versie in Peru, het thuisland van Scott Cortez en Melissa Arpin-Duimstra. De debuutplaat van Lovesliescrushing sloeg de brug tussen ambient, shoegazing en postrock en kreeg terecht de stempel van klein meesterwerk dat vooral uitblonk door het unieke atmosferische karakter. Vroege Biosphere, Laurie Anderson en Slowdive zijn de voor de handliggende referenties. Chartier zocht Cortez op en samen besloten ze om de originele plaat niet opnieuw uit te brengen, maar volledig te herwerken. Cortez vertrok vanuit de stem van Arpin-Duimstra en maakte van de originele opname een totale nieuwe versie. (Wie de plaat koopt, krijgt overigens een code om het origineel te downloaden.) ‘CRWTH (Chorus Redux)’ een remixplaat noemen, doet Cortez echter oneer aan. Daarvoor is dit kleinood te uniek. ‘CRWTH (Chorus Redux)’ is een gloedvolle aanrader voor iedereen die houdt van zachte soundscapes en ijle stemmenpracht. Vijf sterren.

Oorspronkelijk kwam deze plaat uit in oktober 2009. In het programma ‘Radio Atlas Sound’ op het Leuvense Radio Scorpio hoorden wij in die periode al nummers voorbijkomen. Telkens opnieuw grepen ze ons bij het nekvel. En die nummers logen niet. Deze plaat is één brok lillende No Wave uit de New Yorkse underground. Het duo Sarah Register (gitaar, zang) en Andrya Ambro (drum, zang) maakt vanaf de eerste seconde duidelijk waar het over gaat. Een piepende gitaar trapt de plaat af, dikke plakken stroperige noise borrelen op, gruizige feedback spat al kanten op. Het kan geen toeval zijn dat dit duo eerder al het podium deelde met Wolf Eyes en het nog meer verwante Magik Markers. De zang van Register klinkt soms klagerig, dan weer plagend en dan weer fel. Het nummer ‘In A Strangeland’ zit vol met machinale tribale ritmes, piepende en knarsende gitaren. Het tweetal klinkt hier als zeer vroege Sonic Youth, ergens ten tijde van hun ‘Confusion Is Sex’. Als ze dan ook nog ‘In Every Dream Home A Heartache’ van Roxy Music vakkundig fileren (de eerste drie minuten het absolute rustpunt van de plaat, de volgende drie minuten ontploft het nummer en stuitert het al kanten op) staat onze conclusie vast. Mis deze keer het niet zo zoetgebekte album van Talk Normal niet. Het piept, het wringt, het kraakt, het knarst en onze cd-speler smeult nog na!

Ik struin door het wereldwijde web. Ik ben de weg kwijt, niet voor het eerst. Het is een gevoel dat ik koester. Ik heb ‘Singular Forms (Sometimes Repeated)’ voor me liggen. Het is de nieuwste worp op Type Records, een label dat me nauw aan het hart ligt. Als ik nu moet vertrekken naar een onbewoond eiland en ik slechts één label uit mijn archief mag meenemen dan kies ik voor Type Records. Met pijn in het hart laat ik de volledige backcatalogus van Warp achter me liggen. Het is een statement, eentje die geen indruk maakt, maar zo zijn er wel meer. Regen viel met bakken uit de lucht. Het was nacht en ik cruiste over de autosnelweg toen ik ‘Singular Forms (Sometimes Repeated)’ voor het eerst hoorde. Ik was ontroerd en overweldigd, maar hield er ook een dubbel gevoel aan over. Ook nu, opnieuw. Sylvain Chauveau levert met ‘Singular Forms (Sometimes Repeated)’ zijn eerste plaat in vijf jaar tijd af, een onwaarschijnlijke mooie parel die het etiket ‘tijdloos’ verdient. Maar helaas ook het etiket ‘plagiaat’. Het album is namelijk een perfecte kopie van ‘Vrioon’, de beroemde samenwerking tussen Carsten Nicolai en Ryuichi Sakamoto gekruid met Sylvain’s eigen stemgeluid dat op zijn beurt klinkt als een glasheldere imitatie van David Sylvian. De gelijkenis is zo treffend dat we er eerst van overtuigd waren dat het de grootmeester zelf was die hier zijn diensten aanbood. Ik ben overweldigd, maar ik twijfel over de waarde van ‘Singular Forms (Sometimes Repeated)’. Ik ben de weg kwijt, in mijn hoofd. Het enige dat ik moet doen, is mijn hart volgen.

Gidsland Nederland. Vier jaar terug was dubstep een zuiver Britse aangelegenheid tot Martyn en 2562 op het toneel verschenen. De twee producers slaagden er niet alleen in om op korte termijn hun plaatsje in het drukke landschap te veroveren; de Nederlanders ontpopten zich ook tot de ongekroonde koningen van de tweede lichting dubsteppioniers die dub, broken beats en house naadloos met elkaar weten te vermengen. Het hokjesdenken voorbij. De teller staat op 2010 en ik waag me aan een voorspelling. Het is een koud kunstje en het is zonder risico, het wordt het jaar van Conforce. ‘Machine Conspiracy’ heet zijn geloofsbrief en het is een ode aan de vroege detroittechno. Eerder al waren er ‘Junction’, ‘Love & Hate’ en ‘Cruising’, drie ep’s waarmee hij de bakens uitzette. ‘The Land Of The Highway’ en ‘Love-Hate’ (heerlijk hoe het nummers botsend alle hoeken van het universum verkent) zijn vintage Carl Craig, maar het zijn vooral ‘Sonar Conversations’ en ‘Robotic Arm Wrestle’ – glanzende, schuifelende techno, de perfecte soundtrack bij het zwoele ochtendgloren – die ons nu al meer dan een maand lang, hardnekkig, als een besmettelijke ziekte, blijven achtervolgen. Heerlijk gevoel is dat. Amper tweeëntwintig is de multi-getalenteerde Boris Brunnik, maar zelden hebben we iemand (Aril Brikha als zijn volwaardige evenknie) beter, scherper, dieper de rijke geschiedenis van het muzikale verbond Detroit versus Berlijn (‘Intimidation’ is Basic Channel op zijn best) naar het heden weten te vertalen. ‘Rare Education’ knalt door de luidsprekers, ik reken af met mijn visioenen. Als Derrick May God is, dan is Conforce de aartsengel. ‘Machine Conspiracy’ is een Grand Cru.

Nice Nice ziet de dingen graag positief. De nieuwe plaat van het gitaar/drum-duo uit Portland heet ‘Extra Wow’, de vorige heette ‘Yesss!’, en je kunt je heel goed voorstellen dat de heren wel een paar acid smiley t-shirts in de kast hebben hangen. ‘Extra Wow’ is de uitzinnigheid en de positieve vibes van ‘My Girls’ van Animal Collective uitgesmeerd tot albumlengte. Ieder nummer is een organische en orgastische good trip, waarin dub, afropop, minimal music en post-rock vrolijk door elkaar gehusseld worden en de polyritmische grooves en loops de luisteraar richting totale verrukking loodsen. Labelgenoten !!!, Battles en Autechre zijn terug te horen, net als Yeasayer, Excepter en Black Dice. Vooral in de eerste helft van het album, waarin de nummers op fraaie wijze in elkaar overlopen, klinkt dat fantastisch en lijkt de uitzinnigheid niet te stoppen. Het punt is: je moet er alleen wel net zin in hebben, in zoveel levensvreugde. Aan dynamiek schort het dan ook soms wel eens op de plaat, en de voortjakkerende krautrockgrooves kunnen je op sommige dagen wel eens teveel worden. Maar geconsumeerd op de juiste dagen, met het juiste zonnige en benevelde gemoed, is de trip die Nice Nice hier serveert verrukkelijk.

Tien platen, vijf singles, twaalf ep’s en plaatwerk onder verschillende alter ego’s waarvan Gescom veruit de bekendste is, het tikt aardig aan. Een gebrek aan werkvlijt kan men Sean Booth en Rob Brown, het illustere duo dat sinds 1987 onder de naam Autechre opereert, niet aanwrijven. ‘Oversteps’, hun nieuwste worp kreeg nog voor de release de stempel ‘toegankelijk’ mee. Een etiket dat snel werd opgekleefd omdat ‘Oversteps’ minder mathematisch klinkt dan ‘Quaristice’ en herinneringen oproept aan de gloedvolle sound van hun klassieker ‘Amber’. Helaas is ‘Oversteps’ geen tweede ‘Amber’, maar veeleer een tweede ‘Confield’, een plaat die nooit echt kon overtuigen. Openers ‘R Ess’ en ‘Ilanders’ trappen nochtans stevig af en geven de indruk dat we te maken hebben met een klassieker in wording. De omslag wordt gemaakt met ‘Know(1)’ – een half geslaagde poging om een Middeleeuws elektronicanummer af te leveren, een subgenre waar Frog Pocket (Planet Mµ) al jaar en dag het patent op heeft – en ‘Qplay’ dat, ondanks krampachtige pogingen, er maar niet in slaagt om uit de startblokken te schieten. Af en toe neemt het vakmanschap van Booth en Brown de overhand, maar over de hele lijn vinden we dat ‘Oversteps’ een duidelijke richting en uitwerking mist. Heel even dook zelf een lichte vorm van irritatie op. Twintig jaar terug was dit een klassieker geweest, anno 2010 klinkt ‘Oversteps’ gevaarlijk gedateerd en net deze valkuil wist men in het verleden altijd te omzeilen. Wat ons betreft, behoort ‘Oversteps’ net daarom tot het minste werk van deze muzikale pioniers.

Wat doet een jonge man als hij opgroeit op de Orkney Eilanden, een eilandengroep ten noorden van Schotland? In het geval van Erland Cooper was het luisteren naar oude traditionele folksongs en die naspelen op zijn viool. Na het luisteren naar platen van de illustere Bert Jansch schakelde hij over van viool naar gitaar. Met die gitaar onder de arm vertrok hij naar Londen. Daar kwam hij terecht in een club op Portobello Road waar Simon Tong (The Verve, The Good, The Bad & The Queen) avonden organiseerde onder de naam ‘What The Folk’. Een introductie via de niet onbekende producer Youth volgde. Nadat ze drummer David Nock (The Orb, The Cult) onder de arm hadden genomen gingen ze aan de slag als Erland And The Carnival. Op deze debuutplaat mixen ze typisch Britse folkrock met flinke geuten psychedelica. Een mengeling die op zich goed werkt behalve dan op openingstrack ‘Love Is Killing Thing’. Dat is het enige nummer dat niet echt werkt. Erland Cooper kwam in Londen dus de juiste mensen tegen. Samen met hun maakt hij een meer dan behoorlijk debuutalbum.

Mark van Hoen mag dan al van begin jaren 1980 bezig zijn als elektronica-muzikant – onder meer onder de naam Locust – en hij mag ook gerust deel hebben uitgemaakt van de schijnbaar legendarische groep Seefeel, wij hebben het niet voor ‘Where Is The Truth’, een elektronica-album dat naar overal zwalpt en eigenlijk dus nergens uitkomt. Hoewel de muziek donker en dreigend probeert te klinken, lukt het Van Hoen niet om onze zenuwen te beroeren. En dat doet hij zeker niet als hij stemmen los laat op zijn elektronische knutsels. Wij vragen ons af of de nummers wel onze voorkeur zouden wegdragen als ze volledig instrumentaal waren geweest. Het grote probleem is: elektronica moet voor ons vooral subtiel zijn. Niet te veel, niet alle registers open. Net daar gaat Van Hoen helemaal uit de bocht. Zelfs het nummer dat naar ambient neigt, ‘Beautiful’, is helemaal dichtgeplamuurd. Een beetje reverb kan niet voorkomen dat het geheel langs alle gaten volgestopt is, zodat wij op geen enkel moment rust krijgen. Na twee luisterbeurten hebben we het wel gehad. Mark van Hoen zal het voortaan zonder ons als luisteraar moeten doen.

Dit is vreemd. Een dame uit Kopenhagen met een dik cockney-accent: Dizzee Rascal en Lady Sovereign zijn er niets bij. Zal wel het Kanaal over zijn komen waaien. Lucy Love heeft een geluid dat beter past bij Zuid-Londen dan bij Denemarken. Samen met veteraan Yo Akim heeft ze het indrukwekkende ‘Superbillion’ gemaakt. Het is een compact en fris album dat dubstep en grime in zich draagt, maar nooit zo zuiver op die graat is. Hoe belangrijk en goed de beats van Yo Akim ook mogen zijn, het album wordt toch gedragen door de kraakheldere stem van Lucy Love en haar recht-voor-zijn-raap-teksten. Trekt zij haar mond open dan moet je wel luisteren. Een stem vol agressie, enthousiasme en zeggingskracht. Heel diep gaat ‘Superbillion’ niet, maar er staan enkele nummers op het album die het zeker goed doen op de dansvloer; en het maakt nieuwsgierig naar optredens van de cockney-Kopenhaagse.

De vermelding van ‘bonus tracks’ versterkte alleen maar ons vermoeden dat ‘Judged By Twelve, Carried By Six’ een heruitgave van materiaal uit de jaren 1980 was. Die veronderstelling werd namelijk opgewekt door het geluid van Blessure Grave: sombere, bijzonder simplistische new wave in het verlengde van Joy Division, The Cure, Red Lorry Yellow Lorry en Minimal Compact. Ook qua productie klinkt de cd net als de meeste bands destijds: kaal en eerder bescheiden in vergelijking met hedendaagse opnametechnieken. Schijn bedriegt echter want dit duo bestaat nog maar sinds september 2008 en ‘Judged By Twelve, Carried By Six’ is hun debuutalbum; de vier bonusnummers zijn afkomstig van een eerder verschenen 12inch ‘Learn To Love The Rope’. Dit geweten, is het vervolgens kwestie van zich te concentreren op de muziek en die is best te genieten, met een zekere eentonigheid evenwel als belangrijk minpunt. Wie het hart sneller voelt slaan bij de eerder vermelde referenties en de invloeden die het duo zelf citeert (Death In June, The March Violets, Killing Joke), zal ongetwijfeld worden gecharmeerd door dit Californische duo.
Een gelijkaardige aantrekkingskracht oefent datzelfde decennium uit op Former Ghosts, een trio bestaande uit Jamie Stewart (Xiu Xiu), Freddy Ruppert (This Song I A Mess But So Am I) en Nika Roza (Zola Jesus). Alle drie nemen ze de zangpartijen voor hun rekening, maar wanneer Ruppert zingt, is de reïncarnatie van Ian Curtis nooit echt veraf. Als voornaamste bron van inspiratie wordt de synthpop van Orchestral Manoeuvres In The Dark en Soft Cell aangehaald, maar ‘Fleurs’ mist het luchtige en speelse van beide bands. In ‘Fleurs’ sijpelt namelijk veel minder licht door de kieren. Het klinkt allemaal veel ernstiger ook. Meer Gothic. De basis van de twaalf nummers is wel degelijk elektronisch – New Order is een belangrijk aanknopingspunt, net als Xiu uXiu zelf -, maar de teneur is veel dreigender en claustrofobisch. De ijselijke stem van Roza in ‘The Bull And The Ram’ bijvoorbeeld maakt dat ‘Fleurs’ veel meer affiniteiten heeft met het universum van pakweg Siouxsie, Jarboe of Diamanda Galás dan radiovriendelijke Britse synthpop. Former Ghosts kan dan ook best naast een band als Cold Cave worden gezet. Behoorlijk indrukwekkende release!

Ergens rond de eeuwwisseling. De muziekindustrie staat op barsten, iedereen vreest de millenniumbug en ik ben verslingerd aan de post-ravesound van Venetian Snares en een reeks anonieme maxi’s op Planet Mµ. Kids gaan aan de haal met de erfenis van Warp, rave, breakbeat en drum ’n bass. In een schaars interview zegt goeroe Mike Paradinas dat hij worstelt met angstaanvallen. Tien jaar later haal ik het debuut, een roze vinylplaat met vier nummers op, van Tudikas Wayne Hunnicutt uit de hoes en krijg brandende visioenen. Negenentwintig is de Amerikaan en als ik zijn beperkte cv op zijn MySpacepagina mag geloven heeft hij half Amerika rondgezworven. Niet meer dan vier nummers heeft Tudikas nodig om ons te overtuigen. ‘Mutant Boobies’ is een moderne fabel, een oud verhaal dat hij met verve opnieuw tot leven weet te wekken. Een klassebak die bewijst dat hij niet alleen zijn geschiedenis kent, maar ook klaar is om er een vervolg aan te breien. ‘Mutant Boobies’ is een overtuigende sollicitatiebrief, een geloofsbelijdenis en een ijzersterk debuut.

Na drie jaar presenteert Matthew Houck nieuw werk onder zijn pseudoniem Phosphorescent. In 2007 kwam het hartverscheurende ‘Pride’ uit. Telkens wij daarvan het nummer ‘Wolves’ horen, moeten wij de hartenpijn verbijten. Zijn liefde voor country leidde vorig jaar nog tot een ode, in de vorm van een coverplaat, aan hippiecowboy Willie Nelson. In het diepst van zijn gedachten mag Matthew Houck dan een cowboy zijn, hij is niet echt van de lonesome soort. Voor ‘Here’s To Taking It Easy’ koos hij ervoor om, in tegenstelling tot bij ‘Pride’, ze op te nemen met de leden van zijn groep. Het resultaat is een album met een ander geluid dan de voorganger uit 2007. De licht psychedelische folk ruimt plaats voor een sound die misschien conventioneler aandoet. Hij versmelt elementen uit folk en country nog meer met gospel en rock. Een eerste resultaat daarvan horen we op openingstrack ‘It’s Hard To Be Humble (When You’re From Alabama)’: een song die drijft op krachtige blazers en de heldere stem van Houck. Dat de song op subtiele wijze de spot drijft met typische rednecks is mooi meegenomen gezien het muzikale idioom waarin hij zich ophoudt. Als wij ooit een roadtrip door Alabama maken, laten wij deze plaat -met gevaar voor eigen leven- door de boxen van onze autoradio knallen. (www.myspace.com/phosphorescent). Op hetzelfde Dead Oceans label verschijnt ook het derde album van het duo Ezra Feinberg en Tim Green. De eerste was ooit actief bij Piano Magic, de andere bij The Fucking Champs. Op hun derde zoeken ze opnieuw naar een balans tussen popmuziek en psychedelische experimenten. De songs worden vaak opgebouwd rond lange lappen gitaar die worden opgevuld met stukken zang en percussie. Zoeken naar structuur in de songs was er niet altijd bij. Als er dan een nummer zoals het titelnummer opduikt dat qua structuur wel houvast biedt, slaat de balans over naar de popkant. Op andere momenten durven ze zich wel eens te verliezen in die experimenten. Afsluiten doen ze met een cover van één van onze favoriete dreampop groepen van eind jaren 1980, Galaxie 500. Alleen voegt de cover van ‘Tugboat’ niet echt veel toe aan het origineel.

De titel van deze plaat verwijst naar het uit Grieks afkomstige woord voor het juiste moment. En dat gevoel van de juiste plaat op het juiste moment probeert muzikante Casey Deniel hier wel te vangen. Op voorganger ‘Phylactery Factory’ had hij nog iets te weinig een eigen stem gevonden. In haar zoektocht naar welke muziek ze wilde maken, kwam ze uit bij iets dat het midden hield tussen freakfolk en jazzy lounge -een eigenaardige combinatie die wel werkte bij vlagen. Voor deze nieuwe is het echter duidelijk geworden, de gitaren werden namelijk buiten gegooid en vervangen door sequensers en synthesizers. Dat levert een geluid op dat haar veel beter ligt. Over donkere beats laat ze haar soepele stem dwarrelen. Hoogtepunt is het donkere en industrieel klinkende ‘Amsterdam’. Een verhaal over een dag in een regenachtig Amsterdam neemt ons mee op een huiveringwekkende tocht naar de krochten van haar ziel. ‘Kairos’ is een sterke plaat die qua gevoel associaties oproept met Beach House. Voorwaar geen klein compliment!

Drummer Rich West heeft er al een indrukwekkende carrière op zitten. Hij begint in de jaren 1980 als lid van Monks Of Doom en Wrestling Worms, twee bands die actief waren in de creatieve omgeving rond Camper Van Beethoven. Later werkte hij met gerenommeerde muzikanten als Mike Watt, Jimmy Carl Black (drumde bij Frank Zappa) en Jeff Kaiser. Door zijn vele samenwerkingen werd West een avantjazzdrummer van formaat en daarnaast leidt hij zijn eigen ensemble. Op onregelmatige tijdstippen brengt werk uit onder eigen naam, zonder uiteraard te vergeten een aantal vrienden uit te nodigen om zijn ideeën vorm te geven. Deze keer, in een imaginair verhaal over het fictieve personage Mayo Grout en een interstellaire reis, zijn dat Emily Hay (indrukwekkend op haar fluit), Bruce Friedman (trompet), David Kendall (basgitaar en elektronica), Haskel Joseph (gitaar), Ace Farren Ford (sporadische zang), Tony Atherton (altsaxofoon), Steuart Liebig (basgitaar), Eric Johnson (bassoon), Walter Zooi (trompet), Jill Meschke (keyboards) en Paul Green (basgitaar). Uiteraard niet allemaal tegelijk, want West houdt niet van chaos en kakofonieën. Hij houdt wel van heel gestructureerde muziek waarvan de basis nog steeds jazz is, maar waar ruimte wordt gelaten voor funk, rock, improv, noise en wereldmuziek. Een breed palet dus dat een eigen sound creëert, een eigen verhaal vertelt, goed is opgebouwd en uitgedacht, soms een beetje te lieflijk, al durft hij hier en daar lichtjes uit de bocht te gaan. ‘Mayo Grout’s Known Universe’ is vooral rustige muziek zoals we van West gewoon zijn. Niet opdringerig, mooi gedaan, maar met net iets te weinig ballen om echt indruk te maken.