GC #98

In het najaar viert Ninja Tune zijn twintigste verjaardag en pakt het Londense label breed uit. Een groep die mee bepalend was voor het prille succes van het label is The Herbaliser. Jake Wherry en Ollie Teeba debuuteerden in 1995 met ‘Remedies’, maar wisten pas echt door te breken met ‘Blow Your Headphones’ en ‘Very Mercenary’, twee platen die perfect (instrumentale) hip hop, bluntz en het druilerige Londen aan elkaar wisten te koppelen. Ook live wist de groep met een reeks stomende concerten te overtuigen. Na ‘Very Mercenary’ bracht het duo nog drie langspelers en een reeks mixcompilaties uit. Het is tekend dat op hun best-of ‘Herbal Tonic’ toch vooral de nummers uit ‘Blow Your Headphones’, ‘Very Mercenary’ en de twee ‘Live Sessions’ komen bovendrijven. The Herbaliser bewijst hoe grensverleggend een groep ooit ook geweest is, het bijna onmogelijk is om onafgebroken aan de top te staan en dat vernieuwing veelal wordt gebracht door een stel jonge wolven. (Wij zetten onze zuurverdiende centen in op de binnenkort te verschijnen debuutplaat van Emika.) Niettemin vinden we ‘Herbal Tonic’ een mooie retrospectieve. Goed om weten is dat de onvoorwaardelijke fans met ‘March Of The Dead Things’ ook een nieuw nummer voorgeschoteld krijgen. Wij bleven echter vooral hangen bij de klassiekers ‘The Blend’, ‘Ginger Jumps The Fence’ en de remix die DJ Food maakte van ‘Mrs Chombee Takes The Plunge’. Ook Bonobo mag tot een van de sterkhouders op Ninja Tune gerekend worden. De Brit legde een lange weg af. Simon Green debuteerde op Tru Toughts met een loungeplaat en verkaste later naar het grotere Ninja Tune waar hij eerst het minder relevante ‘Dial ‘M’ For Monkey’ op uitbracht. Het was vooral met ‘Days To Come’ en zijn bijdrage aan de Solid Steelmixserie dat de Brit zijn onvoorwaardelijke liefde voor bossa nova en soul naar voren bracht. Met ‘Black Sands’ verfijnt Green zijn geluid en probeert hij zijn live-ervaringen naar degelijk plaatwerk te vertalen. Een ambitie waar hij overigens goed in lukt. ‘Black Sands’ kan niet tippen aan het meesterschap van ‘Days To Come’, maar bewijst dat Green als muzikant nog steeds in evolutie is. Op zijn lauweren rusten, is er voorlopig nog niet bij.

Bij Kraak zijn ze tegenwoordig de klanken goed aan het splitten op vinyl. De eerste splitlp is van pure Belgische makelij. Razen is het Brusselse duo Brecht Ameel en Bart Reekmans die het beu waren om te spelen met de typische gitaar-bas-drumcombinatie. Nu flirten ze stevig met flimische sferen, donkere folk en etnische improvisaties. Kim Delcour en Wouter Haest geven goede bijdragen op doedelzak, santoor, chalumeau, duduk en shenai fluit. Het resultaat is een psychedelische koortsdroom in vier krachtige stukken die de Schotse hooglanden, Ethiopische vlakten en Balkan-bergen doorkruisen. Door Kraak omschreven als een Moondog meets Bohren & Der Club Of Gore. Sheldon Siegel is een jong trio Antwerpenaren bestaande uit Gino Coomans, Gerard Herman en Erik Heestermans, die lonken naar arrogante freejazz zonder taboe’s. Helaas ontbreekt die beloofde Antwerpse arrogantie en klinkt de compostie vrij avontuurlijk door het gebruik van tapes, muziekdozen, percussie, cello, sax en vocalen en is er zelfs plaats voor ingetogen momenten met bevreemdende geluiden. De lange titel ‘Drie mannen stappen aan boord van een goederentrein en lijken goed op weg hun vrijheid te herwinnen’ is een goede uitleg voor de vijfentwintig lange minuten. De ‘Lune Atroce / Soleil Amer 7″ ep’ is een vervolg op het vorig jaar verschenen ‘Meet the Philly elite’ 7”, een 4-way split tussen wijlen Jack Rose en drie andere artiesten. Ook hier wordt de schijf in vier gelijke stukken gesneden met daarin een rol voor de Belgische space age-koning Köhn. Hij wordt opgevolgd door Peaking Lights (Aaron Coynes en Indra Dunis van ex-Numbers), Alien Radio en Ducktails (Matt Mondanile van onder meer Real Estate). Kant A is een reis is die begint met de kosmische geluidsrituelen van Köhn en daarna doorsluimert naar de dromerige fuzzy psychepop van Peaking Lights. Kant B begint met een bliepjescompositie van Alien Radio in ouderwetse analoge sferen, waarna ook Ducktails weer de dromerige popsferen opzoekt met een flinke wolk nostalgie. Een keuze tussen West-Europese analoge elektro versus Amerikaanse lo-fi pop. Kies uw lieveling of neem beiden.

Rangda is een trio bestaande uit Ben Chasny (Six Organs Of Admittance, Comets On Fire), Sir Richard Bishop (ex-Sun City Girls) en Chris Corsano. Die laatste, een fenomenale drummer, heeft niet echt een eigen band, maar werkte onder meer samen met Sunburned Hand Of The Man, Vibracathedral Orchestra, Jandek, Kim Gordon, Thurston Moore en Six Organs Of Admittance, om er maar enkele te noemen. Het trio, met twee ervaren gitaristen in de gelederen, is dan ook een soort supergroep binnen het extremere weird folk en psychedelische muzikale landschap. Rangda is een godheid uit de oude Balinese mythologie, met als doel het zaaien van dood, verderf en chaos. En vooral dat laatste horen we heel veel op deze schijf. Opener ‘Waldorf Hysteria’ is een chaosbom van formaat, een blast voor de oren, een onderdompeling in felle, naar improvisatie neigende, zware psychedelica. ‘Bull Lore’ speelt wat met de riff van Black Sabbaths ‘Sweet Leaf’ om dan helemaal naar de kant van Comets On Fire strafste werk te evolueren. De muzikale storm dondert over de luisteraar heen, om met het nummer ‘Sarcophagi’ toch wat gas terug te nemen, en de zachtere kant van de heren te laten horen. Opmerkelijk is de coherentie van de zes nummers, gezien de heren nooit eerder samen musiceerden en de nummers grotendeels ter plekke improviseerden. Het helse drumwerk en de scheurende gitaren domineren echter ‘False Flag’, en al klinkt de plaat uitermate heftig, de heren weten perfect waar ze met elk nummer naar toe willen. ‘False Flag’ bevat dan ook zeer genietbare, freaky psychedelica.

De vraag bij een samenwerking als deze is of je precies krijgt wat je je er van voorstelt; of dat het meer blijkt te zijn dan de som der delen. Wat daarbij kan helpen, is als de collaborateurs elkaar weten te verleiden hun gangbare muzikale paden te verlaten, om op die manier samen een nieuwe vorm te vinden. Dat is Alva Noto en Blixa Bargeld, want zij zijn het die achter ANBB schuil gaan, maar ten dele gelukt. De drie eigen composities op deze 12inch zijn wat je ervan verwacht: enerzijds Carsten Nicolai’s academische beats en digitale noise, die hier hooguit wat melodischer is dan normaal. En anderzijds Bargelds gefilterde en versneden, maar nog steeds uit duizenden herkenbare stem. Niet heel verrassend dus, al werkt het op de titeltrack prima samen. ‘Bernsteinzimmer’ is een mooi, dreigend nummer dat meer als Einstürzende Neubauten dan Alva Noto voelt, maar veel leuker is eigenlijk de cover van Three Dog Nights ‘One’. Een niet erg voor de hand liggende keuze (misschien gemaakt vanwege de regel “two can be as bad as one”), maar zeer geslaagd. Niet in de laatste plaats doordat Bargelds zang in het Engels nog steeds die aandoenlijke combinatie van serieuze concentratie en onbeholpenheid heeft. De cover van de Amerikaanse folktraditional ‘I Wish I Was A Mole In the Ground’ is muzikaal wat minder goed uitgewerkt, maar niet minder opmerkelijk. Over een paar weken volgt het album, wie weet wat de heren daarvoor uit de kast halen.

Zo goed als we de releases op Type vaak vinden, zo onbestendig zijn die van labelbaas John Twells, beter bekend als Xela. Aanvankelijk maakte hij IDM à la Boards Of Canada (zie GC#64), om vijf geleden jaar geleden het roer radicaal om te gooien. Geïnspireerd door oude horrorfilms bracht hij covers uit van de thema’s uit ‘Helloween’ en ‘Suspiria’, gevolgd door zijn eigen griezelplaat, ‘The Dead Sea’. Was dat album nog zeer geslaagd, daarna raakte hij het spoor wat bijster. ‘Griezelen’ bleef, maar ‘compositie’ verdween uit het vocabulaire, en een gestage stroom releases met smoezelige drones en soundscapes kwam op gang (zie GC#90 & 92). ‘The Divine’, oorspronkelijk een gelimiteerde cassette, is de tweede van een drietal heruitgaven op vinyl. De plaat bestaat uit twee lange nummers, opgebouwd uit krakende synthesizers en tapeloops met geluiden die zijdelings als religieus geïnterpreteerd kunnen worden. De plaat opent met een hoop kerkklokken, die langzaam versterven, waarna net niet verstaanbare stemmen verschijnen, begeleid door een gebedsschaal en de constante grondtoon. In de verte lijkt een koor bezig, maar we zijn er niet helemaal zeker van, want de plaat klinkt alsof hij van de oorspronkelijke cassette gemastered is. Het tweede nummer is opgebouwd uit lagen eindeloos herhaald vrouwengezang, wederom over een niet aflatende drone. Het is een mooi, melancholisch stuk, al moeten we er wel bij zeggen dat we suckers zijn voor dit soort eenzame sirenes. Uiteindelijk verdwijnen ook de dames in de mist, en rest een versleten geluid dat aan William Basinski doet denken. Ook heeft het wat van de heiige esthetiek van Indignant Senility, maar dan helemaal dichtgesmeerd, wat de plaat niet ten goede komt. Blij vlagen mooi, maar zo griezelig als het hoopt te zijn is het niet.

Voor de opvolger van ‘Null’ (2004), duikt Spherical Disrupted de diepste ruimte in. ‘Quasar’ staat voor ‘Quasi Stellar Radio Source’ en verwijst naar radiogolven en galactische energiestromen. Muzikaal wordt dit ideeëngoed omgezet in ruimtevaartkundige ambient vol dreunende tonen, ijle, lang uitgesponnen keyboardklanken en enkele traag pompende ritmes. Mede door de lange duur van de tracks wordt op het wegvallen van al onze zwaartekracht gemikt. Deze cd heeft qua inhoud raakpunten met de ruimte-experimenten van Arecibo of Clock DVA, en qua vorm krijgen we heimwee naar de calqueerpapieren verpakkingen van Ant-Zen. Een remix is ook nooit ver uit de buurt als we met Spherical Disrupted te maken hebben. Dit keer klaren ze de klus zelf, maar ze doen toch ook een beroep op Xabec en Empusae om enkele tracks wat op te pompen, zoals dat in het genre zo mooi heet. Zoals steeds glijdt ‘Quasar’ vlot ons oor binnen, en los van enige claim naar originaliteit, is dit album best genietbaar voor al wie tussen de eerder vernoemde projecten en spacemuziek à la Tangerine Dream in wil zweven.

Dan Sartain uit Alabama maakte reeds een aantal albums die door een beperkt publiek werden gewaardeerd. Ondertussen werkte hij zelf aan het opbouwen van een mythe om zich heen: als gevangene, als overledene, als duivel. Hij laat zijn geboortegrond spreken, want voor zijn muziek gaat hij terug naar de rock-’n-roll van de jaren 1950 en 1960, terug naar de basis, met wat voodoo uit de streek om wat meer schwung aan de zaak te geven. Hij liet zijn nieuwe plaat, waarop hij opnieuw tot leven is gekomen, produceren door Liam Watson van de ondertussen legendarische Toe Rag Studios, en dat zal hem zeker geen windeieren leggen. Ook zijn connectie met Jack White zal alleen maar in zijn voordeel spelen. Hij mocht al mee op tournee met The White Stripes en heeft een felbegeerde single mogen uitbrengen op Whites eigen Third Man-label. En zo creëert Dan Sartain een mythe voor zichzelf, waardoor hij in de belangstelling komt te staan. Zijn goed recht natuurlijk, maar eerlijk gezegd vinden we deze plaat te vlak, te proper, te netjes, te braaf. Een gecastreerde Link Wray en een zeer verrotte Johnny Cash die pas in het huwelijk trad met een tot zombie verworden Buddy Holly. Het potentieel is aanwezig bij Sartain, het komt er alleen niet uit. En daar zal een ‘Atheist Funeral’ niets aan veranderen.

Heel veel informatie over Cauterised – buiten dat het een alter ego is van ene Ian Proudfoot – is er in het meegeleverde persbericht niet te vinden, en ook internet maakt ons niet veel wijzer. Maar na het horen van de vier nummers die op de ep ‘Trifler’s revenge’ te vinden zijn, is dat ook niet nodig. De muziek, een bij elkaar gesprokkelde mengeling van elektronica, samples van oude films en tape loops is van zichzelf overtuigend genoeg om ons te doen verlangen naar meer werk van deze muziekknutselaar. Retrofuturisme is wat we hier te horen krijgen: muziek uit de toekomst, zoals ze die in 1900 zouden gemaakt hebben. Een beetje het equivalent van al die vliegende autoplaatjes uit het begin van de twintigste eeuw. Op hun bandcamp-site kan je zelf je oordeel vellen. Eventueel koop je een cd-r, met handgemaakte hoes uit jaren 1970 behangpapier.

Deze dertiger uit Texas blijft ondanks bejubelde vorige albums zoals ‘And The Red Empire Orchestra’ of ‘And the Gospel of Progress’ onder de radar van het grote publiek. Net als op zijn vorige horen we muziek die herinneringen oproept aan de documentaire ‘Searching For The Wrong-Eyed Jesus’. Daarin nam muzikant Jim White ons mee op een hallucinante trip door het diepe zuiden van de Verenigde Staten. Plekken waar duivelse dominees de plak zwaaien, plekken die wel leken weggelopen uit een tv-reeks als ‘Deadwood’. Uit zo een plek is ook Micah P. Hinson afkomstig. Langzaam, met veel problemen, ontworstelt de man zich daaraan. Op ‘And The Pioneer Saboteurs’ horen we van gitzwarte country noir ingevuld door de bezwerende stem van de man en aangevuld met op de achtergrond traag gierende gitaren en strijkers. Langzaam zuigt de muziek ons mee, steeds dieper de moerassen van het Zuiden in. Hier en daar horen we nog een verdwaalde trompet of nog een streepje licht. Dat wordt steeds spaarzamer om dan in het slotnummer ‘The Returning’ alles los te laten en te kiezen voor een lang volgehouden drone: een stuk fluitende en gierende gitaarmuziek dat langzaam terug licht binnenlaat. Intrigerende plaat van een intrigerende muzikant.

Het is even historisch relevant als attent dat Frans de Waard uitgerekend een verzamelcassette uitbrengt om een kwarteeuw Korm Plastics te vieren. Intussen zijn zowat alle mogelijke klankdragers al de revue gepasseerd, maar persoonlijk associëren we het label uit Nijmegen instinctief met tapes. Zegge en schrijve onze eerste initiaties met de industriële en experimentele wereld van internationale doe-het-zelvers, vijfentwintig jaar geleden. Ook de keuze van de 25 deelnemers is goed uitgekiend: medereizigers van het eerste uur (Jos Smolders, Peter Duimelinks en Roel Meelkop) staan broederlijk naast een schare gereputeerde namen (The Haters, Z’EV, Illusion Of Safety, Asmus Tietchens, Edward Ka-Spel en vele anderen), recentere bevestigende beloften (Machinefabriek) en eigen projecten van de Waard. We missen eigenaardig genoeg Kapotte Muziek in dit lijstje, maar dezelfde collaboratiespirit is aanwezig bij Freiband, die geluiden aflevert die we zelf mogen hermixen. Volgens de conceptuele logica krijgt elke artiest twee minuten en vijftig seconden tijd toebedeeld voor een exclusieve track. Deze sterke compilatie bestrijkt elk spectrum van elektronische experimentele muziek/veldopnames en is (uiteraard) gelimiteerd op 250 exemplaren. Essentieel!

Benjamin Wynn, alias Deru is met ‘Say Goodbye To Useless’ aan zijn derde volwaardige release toe, na eerder plaatwerk bij labels als Neo Ouija en Mille Plateaux. De Amerikaan is een professionele geluidstechnicus die werkt aan reclame -en tv-series en die daarnaast ook als componist voor dansvoorstellingen bezig is. Terwijl zijn vroegere werk vooral onder de noemer IDM gerangschikt kon worden, is Deru op ‘Say Goodbye To Useless’ geëvolueerd naar wat de perfecte symbiose vormt van de klassieke Warp-sound en het geluid van avant-garde hiphoppers als Prefuse 73 en Flying Lotus. Complexe beats gaan hand in hand met duistere atmosferische geluiden waardoor ‘Say Goodbye To Useless’ vooral een melancholische plaat is geworden. Opener ‘I Would Like’, met een spookachtige Franse klaagzang uit het oeuvre van Soeur Sourire, zet onmiddellijk de toon voor de rest, al word je als luisteraar zo ook wel op het verkeerde been gezet. Stuiterende hiphoptracks als ‘Peanut Butter & Patience’ bewijzen dat Deru immers ook andere idiomen beheerst, dan ‘Duystere’ melancholie. Maar het is vooral in dat laatste dat hij uitblinkt. ‘Say Goodbye To Useless’ is een bijzonder sterke plaat, die soms zelfs wat té perfect aandoet door het millimeter-precieze productiewerk.

Alweer een nieuw label met ambities. Hoe meer de onheilstijdingen en paniekgolven uit de muziekwereld elkaar opvolgen, hoe meer jonge labeltjes als paddenstoelen uit de ondergrond schieten. Aguirre kiest alvast niet de makkelijkste of meest voor de hand liggende route want op het menu staan naar eigen zeggen “Experimental, New Age, Krautvibes, Outer Limits, Avant Garde, Free Jazz, Psychedelica en Noise”. Bedoeling is artiesten uit het tapecircuit te presenteren op vinyl. Twee vinylplaten (op slechts 330 stuks elk) bijten bijgevolg de spreekwoordelijke spits af, maar in de nabije toekomst zal Aguirre ook werk uitbrengen op lekker ouderwetse cassettes. Worden nu al aangekondigd: Dolphins Into The Future, Brother Raven, Cloudland Ballroom, Dylan Ettinger, Natural Snow Buildings, Steve Hauschildt en Rivercrest. Caboladies –Chris Bush en Eric Lanham uit Chicago- zijn exponenten van de experimentele niche waar tapes en cd-r’s meer dan gemeengoed zijn, die vaststelling wordt ook bevestigd door hun discografie. ‘Live Anywhere’ daarentegen is, na ‘Atomic Weekender’ op Digitalis Industries, hun tweede release op vinyl. Zoals de titel al suggereert, is het album een liveregistratie, meer bepaald van een show die het duo deed voor een plaatselijk radiostation. ‘Live Anywhere’ is een botsing van improvisatie, chaos én structuur; van analoog minimalisme, musique concrète versus drones en ambientesque soundscapes. Het geheel balanceert tussen hermetisch en toegankelijk, maar weet wel continu de aandacht vast te houden. Wie Pulse Emitter een beetje volgt, moet zeker ook even halt houden op www.myspace.com/caboladies. Net zoals de eerder vermelde Dolphins Into The Future (zie GC#97) maakt ook Josh Burke (Sky Limousine) deel uit van wat met een knipoog de new wave of new age zou kunnen noemen. ‘Prana’ kreeg immers als bijsluiter volgende zweverige raad mee: ‘Relax and imagine yourself hovering above the returning current, submerged in the presence of universal water’. Burke propageert de lijn van de pure, klassieke new age. Toch hoeven we niet meteen te vrezen om het spook van Kitaro of Enya tegen het lijf te lopen, want wat hij doet verschilt in essentie niet van wat Brian Eno of Tangerine Dream hem voordeden. En dat krijgt al heel lang gewoonweg het etiket ambient opgekleefd. Tot mierzoete muzak glijdt ‘Prana’ nooit af zodat ook Josh Burke zich geen zorgen moet maken over Gods Toorn.

De waarheid heeft haar rechten, soms, altijd en vooral op oneven dagen. James Murphy en zijn label DFA hebben meer met disco dan met postpunk en The Fall. Het zijn dure woorden en we gooien ze straks online waar ze een eigen leven gaan leiden. De bewijzen zijn onomstotelijk. Bel een advocaat: een goede, met een uurtarief om bij te huilen. De strijd is nooit gestreden. Murphy en zijn spitsbroeder Pat Mahoney brachten op Fabric ooit een compilatie met obscure discotracks uit. Juan Maclean, lang geleden door ons ooit omschreven als het best bewaarde geheim om DFA, doet nu op !K7 hetzelfde. Alleen zweert MacLean niet alleen bij oude tracks, maar selecteerde hij ook een reeks jonge helden (Alex Niggemann & Superlounge,Florain Meindl) die pompende housetracks afleveren. MacLean zweert bij de vergeten traditie om dezelfde nummers in verschillende versies terug te laten komen en slaagt erin om zijn compilatie behoorlijk coherent te laten klinken. Zijn selectie is niets meer en niets minder dan een zweterige late night houseset. Wij persoonlijk vinden zijn huisvlijt zeker niet onverdienstelijk, maar ergens toch een gemiste kans omdat ze geen inkijk geeft in het verleden en de inspiratiebronnen van de topproducer. ‘Dj-Kicks Presents Juan McLean’ is zeker geen slechte compilatie, maar voorlopig zweren we toch vooral bij de man zijn uitmuntende plaatwerk. Tijd dat we ‘Less The Human’ nog eens op de platenspeler leggen.

De eerste HEALTH lp was hard, rauw, manisch (zie GC #87). The Boredoms, Liars en This Heat in een spastische moshpit. Het was even slikken daarna, toen het hele album werd vermangeld tot elektro, Italo en Jan Hammer-thema’s op de remixplaat DISCO. “Moet kunnen,” dacht ik mild, en bovendien verscheen niet veel later de werkelijke opvolger ‘Get Color’ (zie GC #93). Die plaat was minder hectisch en neeg meer naar elektro-rock, maar was er niet minder om (en de optredens waren nog steeds overdonderend). De heren zetten de remixtraditie nu voort met DISCO2. Was het maar disco. Dat de ‘Die Slow’-remix van collega-neuroot Chris Clarke ontbreekt verbaast me niets: het is hier waterige house en chillwave wat de klok slaat. Javelin produceert kleverige zomer-hip hop, de remix van Tobacco is veel slapper dan wat hij op ‘Manic Meat’ liet horen, en de mix door CFCF doet me denken aan ‘Sunshine Reggae’. In vrijwel alle mixen zijn de vocalen behouden; vormt de zachtaardigheid daarvan normaal een fijn contrast met alle hectiek en noise, hier versterkt het de constante weeïgheid. Andere remixers zijn onder meer Gold Panda, Pictureplane en Small Black. Crystal Castles hebben als enige iets behouden van de ontregeldheid van het origineel, maar het eenzame echte lichtpunt is het nieuwe ‘USA Boys’, een verrassend staaltje melancholische synthipop. Alles bij elkaar is DISCO2 zeer geschikt voor bij een lauwe rosé op een plakkerig strandfeestje; iedereen die onverdunde HEALTH hoog heeft zitten verwijs ik gaarne door naar ‘Sisterworld’ van Liars (zie GC #96). De Pet Shop Boys zijn tot ‘Disco 4’ gekomen; van mij hoeft HEALTH er geen voorbeeld aan te nemen.

De vleermuis op de hoes heeft duidelijk met iets of iemand een probleem, maar is verder geen indicatie voor de klanklandschappen op de vijfde solo-cd van Reto Mäder (Sum Of R). Geen sonargeluiden of buitenzintuiglijke waarnemingen dus, maar het vertrouwde mengsel van dreunende, samengedrukte en pure geluiden. RM74 kiest voor bronnen met een natuurlijke melodieuze vibratie (orgel, piano, harmonium, snaarinstrumenten), en hierdoor hebben zijn drones een ijl en organisch karakter. Een titel als ‘Early Morning Fog’ geeft een prima beeld van de doorzichtige ‘Reflex’ totaalklank die net boven het aardoppervlak zweeft. Zoals gewoonlijk wordt deze geluidsmist doorklieft met flarden onbewerkt getokkel en twinkelende elektronica. Misschien ligt het aan de prachtige vleermuisfoto, maar deze cd wordt vrijwel overal als zeer donker omschreven, terwijl wij er een zeer rustgevende en heilzame ervaring mee beleefden tijdens een perfecte Baardegemse zonsondergang. Al vliegt er in ons dorp natuurlijk altijd wel één of ander sinister beest voor de oranje dovende zon.

‘Unidentified Musical Subject’ is geen eenvoudige plaat om te beschrijven, laat staan duiden. De muziek laat veel te raden over. Net als de titel overigens, die tegelijk de duidelijkste hint is. In de beste traditie van de musique concrète neemt Loibner willekeurige geluiden waarvan de bron niet langer te identificeren is, en maakt ze het onderwerp van allerhande manipulaties. Dat begint als een soundscape met trage golven van lage grondtonen, waar met een palet van allerhande geluiden een vormloze dreiging op wordt geschilderd. Maar er is niet louter abstractie. Loibner heeft zijn elektro-akoestische improvisaties nauwgezet geëdit, en voegt daarmee ritme en, tot op zekere hoogte, structuur toe. Op ‘Poem’ vormt een zachte puls de bodem voor een gedicht dat klinkt als een vertwijfelde bezwering maar volgens de hoes een Latijns liefdesgedicht is. Fraaie vervreemding. In een ander nummer meldt een afgeknepen trompet zich, en vaker vliegt er speels iets langs dat achter de manipulatie herkenbaar lijkt – een stem, een piano, een koekblik. Hoewel de opbouw kalm en spaarzaam is, is er constant iets gaande. Loibner onderzoekt vooral de aard van de geluiden, op zoek naar het antwoord op de kōan “wat is het geluid van één klappende hand?”, zo lijkt het een eenzame drumpedaal op de hoes te suggereren. Iedereen die de recente platen van Machinefabriek kan waarderen, maar ook vindt dat het daarop wel erg hard zoeken is naar momenten dat er iets gebeurt, moet deze plaat zeker proberen. Reken er wel op dat het de nodige draaibeurten gaat vereisen voordat de muziek alle ideeën heeft prijsgegeven, als dat al gebeurt.

Een jaar geleden verscheen ‘National Service’, de debuut-lp van The Tivoli, een Sheffieldse rockband in de stijl van Kasabian. Nu is er het remixalbum ‘National Service Rewind’, geheel gemixt door stadgenoten en elektrolegendes Cabaret Voltaire, die geen introductie behoeven. Hoewel… hield de band niet op te bestaan toen Stephen Mallinder er in 1994 de brui aan gaf? Richard H. Kirk maakte daarna een stortvloed aan platen onder bijna net zoveel verschillende aliassen, maar Cabaret Voltaire leek voorgoed geschiedenis. Tot vorig jaar, toen onder die naam opeens een album van de onbekende Nieuw-Zeelandse band Kora werd geremixt. Het resultaat deed nog het meest denken aan een dubversie van de Cabs eigen ‘Western Re-Works’ uit 1992. En was net als die plaat eigenwijs en niet slecht, maar eigenlijk ook niet bijzonder. Hetzelfde label dat Kora uitbracht, heeft nu hetzelfde kunstje nog een keer uitgehaald met The Tivoli. Kirk – hij is nog steeds alleen – de- en reconstrueert het origineel met trucs die het tijdens de hoogtijdagen van de dance-rock-crossover goed deden: repeterende zangsamples, lome beats, zo nu en dan een geïsoleerde gitaar-riff en een ambientnummer als afsluiter. Met als voorspelbaar gevolg dat het allemaal nogal gedateerd klinkt. Sommige nummers doen denken aan Primal Scream ten tijde van ‘Vanishing Point’ en ‘Exterminator’, minus de uitzinnige productie. Als je afgaat op ‘…Rewind’ lijkt het er op dat de laatste tien jaar grotendeels aan Kirk voorbij zijn gegaan, wat teleurstelt van iemand die ooit de definitie van wat elektronische muziek is hielp veranderen. Het kan zijn dat hij er zich gewoon makkelijk van af heeft gemaakt, maar misschien mist hij Chris Watson en Stephen Mallinder meer dan hij zelf weet.