GC #101

Net als op voorgaande albums zoals ‘The Way To Heresy’ (2005) of ‘Declaration Of Innocence’ (2008) neemt Herman Klapholz op ‘Blood Will Tell’ een op zijn minst schizofreen te noemen positie in. Alsof hij niet echt kan of wil kiezen, balanceert ook zijn nieuwe album tussen dark ambient enerzijds en van adrenaline dooraderde dansvloerstuff anderzijds. In tijden waarin een cd gedegradeerd is tot een manier om concerten te versieren, is de beslissing om de beats boven te halen uiteraard makkelijk te vergoelijken. Dat neemt echter niet weg dat een cd vooral thuis wordt beluisterd en dan durft een overdaad aan dansritmes nogal gauw vervelend te worden. Gelukkig wordt de (Satans)kerk op ‘Blood Will Tell’ redelijk in het midden gehouden zodat de beats de kerk(er)atmosfeer niet wegspoelen; en vice versa. Nieuwigheden (zoals de dubinvloeden op ‘Dead Cities’ bijvoorbeeld) zijn er ook op deze mooie, maar sober vormgegeven cd te vinden: hoe popmuziek zou kunnen klinken uit de luidsprekers van de soek illustreert ‘Saloméh’. Organische drumgeluiden waarover een bezwerende stem teksten declameert doet ons denken aan een vrije interpretatie die Muslimgauze had kunnen maken van ‘Do It Again’ van The Chemical Brothers, terwijl de sitarklanken in ‘Shakrah’ ons terug katapulteren naar de muziek van Suns Of Arqa. Nog meer in het oogspringend is de afsluiter ‘Your Darkest Soul’ waarop Flintology Ah Cama-Sotz een Nine Inch Nails pak aanmeet. ‘Blood Will Tell’ is misschien niet de allerbeste Ah Cama-Sotz, maar de cd bewijst dat Klapholz geen genoegen neemt met een status quo. En dat is alvast meer dan wat we doorgaans bij de concurrentie te horen krijgen.

In deze digitale tijden durft het Duitse Dekorder van Marc Richter (Black To Comm) het nog steeds aan om een trist 12inches op de markt te brengen. Stuk voor stuk fraai vormgegeven platen die dwars van hypes en trends zich lijken te bewegen in een eigen universum. De Italiaan Guiseppi Ielasi legde als gitarist de laatste tijd een uitzonderlijk parcours af. Voor ‘(Third) Stunt’, het sluitstuk van een drieluik dat hij in 2008 opstartte met ‘Stunt ep’ en ‘Schoolmap’, bedient hij zich echter van een platenspeler en een stapel vinylplaten. Het is vooral het dynamische en onvoorspelbare karakter die ‘(Third) Stunt’ zo innemend maakt. De Nieuw-Zeelander Campbell Kneale levert als Our Love Will Destroy The World met de ep ‘I Hate Even Numbers’ een opmerkelijke plaat af. Zijn werkstuk houdt het midden tussen kreupele percussie, snijdende drones en Indische wereldmuziek. De bijdrage van het Londense performanceduo Sculpture vonden we de meest aantrekkelijke release. Vooral omdat ze een aardige visuele toets meegeven. Dan Hayburst en Reuben Sutherland bedrukten de vinylplaat met kleine foto’s die een minifilm weergeven (op de website van het label vindt u een filmpje terug dat mooi illustreert wat we bedoelen). Gelukkig is hun release ook muzikaal erg gevarieerd, Sculpture schippert tussen Plunderphonics en het werk van de BBC Radio Workshop. Marc Richter is voor ons een held, één die luid roept in de woestijn, haast niemand die hem hoort, maar toch voluit geniet van de echo van zijn eigen stem.

Met zijn band Montezumas stootte de Zweed Kristian Mattson nooit door naar de een bredere bekendheid. Volgens ons terecht trouwens. Als solo-artiest lijkt dat echter wel te lukken. Onder zijn pseudoniem The Tallest Man On Earth maakte hij het afgelopen jaar met ‘Wild Hunt’ een zeer goed onthaald album en hij ging al op tournee met Bon Iver. Tijdens de tournees van het afgelopen jaar maakte hij dit mini-album, ‘Sometimes The Blues Is Just A Passing Bird’. Op deze plaat kiest hij voor een nog verder gestript geluid dan we al van hem kenden. Centraal staan zijn rasperige Dylaneske stem en donkere gitaarlijnen. Mooiste liedje van deze plaat is ‘The Dreamer’. Op live-optredens grijpt hij regelmatig de toeschouwers bij de keel en zijn plaatwerk is ook van goede kwaliteit. Deze ep is dan ook meer dan een tussendoortje. (www.thetallestmanonearth.com) Ook in de Lage Landen timmeren er jonge singer-songwriters aan de weg. Eén van die jonge talenten is de achttienjarige Limburger Bert Vliegen. De jongeman heeft goed geluisterd naar illustere voorbeelden als Nick Drake, de akoestische Neil Young of recenter Conor Oberst. Op deze titelloze ep staan vier nummers die samen met Kristof Deneijs (Yuko) en Rolf Verresen (Winterslag) werden opgenomen. Voorlopig slaagden zij er nog niet volledig in om deze ruwe diamant volledig zuiver te slijpen. We horen wel al goede aanzetten die mits de nodige tijd en schaafwerk moeten leiden tot veel meer. Een zoektocht die wat ons betreft vooral verder het pad van afsluiter ‘Animal Ritual’ mag volgen. (www.myspace.com/horses.lastname) Ten slotte nog het debuut van de uit Rijnsburg afkomstige Pieter Van Vliet. Als Port Of Call brengt hij iets meer uptempo songs dan Horses. De invloeden zijn hier ook weer overduidelijk de akoestische Neil Young en Bon Iver. Op deze ep, die gratis te downloaden is via de site van Minderbinder, horen we zes korte rustige akoestische liedjes. Songs die breder werden georkestreerd dan die van de twee artiesten die hierboven aan bod kwamen. Het moet overigens ook gezegd dat de versie die wij kregen mooi was uitgegeven.

‘Final Archives’ is de toegift van Gianluca Becuzzi’s alter ego Kinetix, dat hij na bijna tien jaar achter zich laat. Als u de Italiaan kent, is dat waarschijnlijk van de folky ambient die hij met Fabio Orsi maakt, maar als Kinetix maakt hij vooral koude bouwwerken van microgeluiden, diepe bassen en sinustonen. Zo ook op deze cd, die, zoals de titel doet vermoeden, een afsluiter is met rest- of opnieuw bewerkt materiaal. De lange opener ‘Absolute Grey’ klinkt als een bezoek aan een schijnbaar verlaten ruimtestation dat dood door de ruimte drijft. Tegen de achtergrond van een grondtoon als een haperende motor die je eerder voelt dan hoort, en een subsonische elektronische puls van de laatste werkende boordcomputer, drijven in de verte huilerige spookachtige synths langs. Die sfeer wordt versterkt door gefluister en microgeluiden die soms uit de mix opduiken. Het zou een toegift kunnen zijn bij Sleep Research Facility’s ‘Nostromo’. Op de zeven korte nummers die volgen past Becuzzi hetzelfde instrumentarium op een veel hardere manier toe. Elektronische drones, pulsen en een dreigende atmosfeer zijn dik op elkaar gepakt, en worden soms ruw verstoord door scheuten pure witte ruis, zoals ook Pan Sonic dat deed op ‘Katodivaihe’ en ‘Aaltopiiri’. Het lange laatste nummer is een ode aan Iannis Xenakis en zijn concept van het componeren met behulp van ‘blokken van geluid’. Het heeft dan ook dezelfde onrustige sfeer en plotselinge akoestische geluiden als Xenakis’ ‘Persepolis’, aangezet met plaatstaalpercussie. Op hetzelfde label verscheen ook ‘Implosione Tra Le Pieghe Dell’Anima’ van Tasaday, een heruitgave van een cassette uit 1984. De band bestaat nog steeds, en werd in GC#64 omschreven als ergens midden tussen This Heat en Lustmord. Dat kun je op deze cd met een beetje goede wil al aan horen komen. Ook doen de tegendraadse ritmes, tapes en een industriële atmosfeer denken aan het allereerste werk van D.A.F. en Liquid Liquid, en neigen sommige nummers door een zenuwachtige sax naar hele vroege Clock DVA. Niet vervelend allemaal, maar wel het soort archiefmateriaal dat doorgaans alleen door hardcore fans wordt gewaardeerd. Ik hoop dat de band de status ‘legendarisch’ heeft in Italië, want ik vrees dat de cd’s anders en masse in de uitverkoopbakken gaan belanden.

Timmy’s Organism is de band van Timmy Vulgar. Het is voor de man de derde band waar hij een leidende rol in speelt, want zowel Human Eye als Clone Defects (beide met platen op In The Red) lieten al horen tot wat de man in staat is. Met zijn Organism slaat hij andere paden in, misschien ook daarom dat het album niet uit komt op het in vuile gitaren en overstuurde geluiden grossierende In The Red. Er staat hier en daar nog wel wat aan garagepunk verwante muziek op ‘Rise Of The Green Gorilla’, maar veelal domineert de rust, een piano, een synthesizer in een ingetogen bui, een Timmy Vulgar die een boeddhist mishandelt door hem dood te strelen, aanrakingstherapie voor té gelukkige mensen met een overdosis Prozac achter de kiezen. Hier horen we nergens de invloed van Helios Creed zoals bij Human Eye het geval is, maar wel het zwakste van Clone Defects. Of anders gezegd: dit is nog slechter dan Clone Defects. Dronkemansblues noemt het label deze plaat, comedyrock ook, wij vinden deze plaat oersaai, vervelend, zonde van het plastic zelfs.

Red Wig is een klein label uit Amsterdam dat eerder al werk uitbracht van De Kift, Rondos, Zea, Kanipchen Fit en het bovengenoemde Orchestre. De eerder uitgebrachte single van dit vanuit Geneefse sextet bevat, zoals het hoort, drie songs die niet op dit album zijn terug te vinden. Leuk, dat zeker, al willen we die single na het beluisteren van dit uitermate eclectisch album, ook wel eens aanhoren. We kenden de band niet, lazen niets en luisterden zo onbevooroordeeld mogelijk. Wat we dachten te horen, was een samenwerking van Dog Faced Hermans, The Ex en Spaceheads in een exotische bui. En het bleek nog grotendeels te kloppen ook. Het orkest werd in 2006 opgericht door Vincent Bertholet (Spaceheads, Hum Of Life), die na enige bezettingswissels de kern van de band uitmaakte, samen met Liz Moscarola (stem, viool) en Anne Cardinaud (marimba, percussie). In 2009 kwamen daar Seth Benneth (ex-Headache, trombone), Maël Salètes (gitaar) en Wilf Plum (drums, Ex-Orkest, Dog Faced Hermans) bij. Inmiddels zijn er nog een aantal leden toegetreden tot het alsmaar uitbreidedende ensemble, wat steeds voor muzikale verrijking (fiddle erbij bijvoorbeeld) blijft zorgen. Orchestre Tout Puissant Marcel Duchamp speelt dan ook muziek volgens zijn eigen niet bestaande regels, een ode aan Duchamp waarin dadaïsme centraal staat. Postpunk, Afrikaanse ritmes, experimentele pop, vrije jazz en durf op alle vlakken siert deze bende ongeregeld. Wars van conventies en een uitgebreid, onconventioneel instrumentarium vormen mee de basis voor een dwars maar uitermate dansbaar geheel. Opener ‘R Mutt’ zette ons nog even op het verkeerde been. Te exotisch, te wereldmuziekerig en daar kunnen we niet tegen. Al snel ging echter de punkattitude de boel overnemen, en traag maar gestaag snapten we waar de band naartoe wil. Vrij musiceren zonder oogkleppen, zonder grenzen. En het werkt nog ook!

Misschien neemt ons brein een loopje met ons, maar ik kan me de makers van deze muziek enkel in kleermakerszit voorstellen. Twee gitaristen tokkelen zichzelf en ondergetekende traag in trance, terwijl fluiten, elektronica en percussie (uiteraard cimbalen maar evengoed minder orthodoxe voorwerpen) voor wat verstrooiing zorgen. Titels verwijzen naar een zekere ‘Emanuela’ (die ongetwijfeld voor de melancholische hartscherven zorgde) en ‘Sound Of The Sun’. We monkelen, maar voor we het goed en wel beseffen heeft deze aan Robert Fripp en Brian Eno schatplichtige ambient er al zijn vierde achtereenvolgende rit op onze apparatuur opzitten. Geprikkeld speuren we het internet af: uiteraard zien de heren er bespottelijk uit! De hoes van deze cd doet ons dan weer aan een bevroren muizenhol denken. Alle noodzakelijke ingrediënten voor een enthousiaste (pv) review zijn dus aanwezig.

Waar zijn toch de gloriedagen van het Metalheadz imperium gebleven, moet de oude Goldie zich nu en dan op een onbewaakt ogenblik afvragen. Het lijkt al weer zo lang geleden en dat is het ook. Met discipelen als Source Direct, Photek en Dillinja was zijn koninkrijk de wereld, werd er baanbrekend werk verricht en mocht iedere release op ontzag en furore rekenen. Maar het is gedaan met de drum ’n bass. Al jaren. En meneer blijft onvermoeibaar zijn plaatjes uitbrengen, als artefacten van een geluid dat ooit zo bepalend is geweest, maar als genre is blijven steken in een loop van kapot geproduceerd geluid. Een uitzondering daar gelaten dankzij Subwave, die dit jaar nog sombere breakbeat van de goede slag afleverde. Maar het oude label kraakt bij gebrek aan beter, en is zijn plekje op de door dubstep en techno gedomineerde dansvloeren al lang kwijt. Tijd voor een ander koers, moet verzuchtend op kantoor zijn besloten. En zo geschiedde. ‘Call To Mind’ van Commix uit 2007 – soulvolle maar recht door zee drum ’n bass – mag door een select gezelschap onderhanden worden genomen. Een heus dubstep versus technoalbum is het resultaat met onder andere 2562, Pangaea, Instra:mental en Burial tegenover Marcel Dettmann en Underground Resistance. Op papier verantwoorde namen, maar het resultaat blijft een middelmatige exercitie. Opgewarmde kliekjes van Dettmnann, Burial en UR zijn zo-zo, en de tweedeling in stijlen voelt als een wanhoopschot in het duister. Het verstofte huis van vertrouwen trekt met vooraanstaande namen een opzichtige joker bij gebrek aan ideeën. En dat voelt allerminst oprecht. Hoog tijd voor een goed geprikt infuus om het oude Metalheadz van bloedarmoede te redden, want dergelijke conceptalbums met artiesten ver buiten de eigen gelederen doen het tij niet keren. Goldie, leest u mee?

De tijd dat Felix Kubin furore maakte met zijn hyperkinetische, charmante elektropop lijkt mijlenver achter ons te liggen. Kubin, naast een begenadigd muzikant ook een filmmaker en striptekenaar, ging voor zijn nieuwste project een samenwerking aan met Ensemble Intégrales en Tobias Levin, een man die zijn sporen verdiende als producer van verschillende popgroepen die enkel in heimat Duitsland voor enige deining zorgden. Kubin en Ensemble Intégrales maakten opnames in Levins Electric Avenue Studio en gebruikten een wel erg apart procédé. Elke muzikant nam plaats in een aparte kamer en kon zijn medespelers enkel horen via een koptelefoon. Kubin bevond zich in de centrale opnamekamer en maakte nadien verschillende edits van de nummers terwijl Burkhard Friedrich tijdens de opnames tekeningen en beschrijvingen van de composities gaf aan de muzikanten. Het eindresultaat refereert door de manier van werken heel sterk naar het werk van de avant-garde componist Alvin Lucier die als een van de eerste gebruik maakte van de kracht van ruimtes. ‘Echohaus’ is een verrassende stap voor Kubin die met recht en rede een van de belangrijkste hedendaagse componisten mag gerekend worden. Respect.

Roanoke in de staat Virginia is een ingedommelde stad waar een aantal jongeren om de tijd te verdrijven een aantal jaar geleden de Magic Twig Community stichtten. Bedoeling was om elkaar te ondersteunen in allerlei muzikale projecten. De opbrengst van de optredens die ze organiseerden in hun lokale hangplek, The Mystic Fortress, gaat nog altijd naar die muzikale uitspattingen. Uit dat collectief onstonden al een aantal bands zoals Sad Cobras en Young Sinclairs. Jongste twijgje aan die steeds groter wordende boom is Eternal Summers, zijnde Nicole Yun en Daniel Cundiff. Dit duo maakt op hun debuutplaat rammelende indiepop met de nodige scheuten surf en fuzzy gitaareffecten. Opener ‘Disciplinarian’ rammelt lekker weg en is het eerste van twaalf lekker klinkende popsongs met hier en daar verwijzingen naar bands als Sleater-Kinney. Hun label heeft met dit duo nog net geen goud in handen; de titel van hun album is dus alvast goed gekozen.

Uit Tilburg ontvingen wij ‘White River’ van het gelijknamige duo, dat gevormd wordt door Steffan de Turck en Vincent Koreman. Koreman is vooral bekend als artistiek directeur van het Incubate festival, maar is op veel meer fronten actief (zie GC#100). Hij maakte deel uit van de punkrockband Travoltas, en als Ra-X maakte hij harde techno en elektro, maar ‘White River’ is geheel andere koek. De muziek die De Turck als Staplerfahrer (zie #69) maakt, komt al iets meer in de buurt, maar op deze plaat is vooral ritme belangrijk. In de meeste nummers wordt dat opgebouwd uit loops van blikkerige percussie en iets wat klinkt als een elektronische kabassa. Naast gestaag ontwikkelende ritmepatronen komt daar soms ook een hint van een metalige melodie tevoorschijn. Soms is het effect licht hypnotisch en ritualistisch, wat gezien de verwijzingen naar muziek van Amerikaanse Indiaanse sjamanen waarschijnlijk ook de bedoeling is. Elders lijkt al het geratel veeleer afkomstig van kapotte machines en neigt het naar industrieel. Sommige rommelende loops doen denken aan een akoestische variant van het geluid dat Autechre op de kalme momenten van ‘Confield’ had. Zoals op het mooie vierde nummer, waarin over een zichzelf inhalend patroon van gerommel op staalkabels in de verte langzaam een elektronische speeldoos tevoorschijn komt. Ook brengt de plaat de minder heftige nummers op Black Dices ‘Load Blown’ in herinnering. Ik schat dat veel hier te compromisloos is om iedereen te kunnen bekoren, maar ik raad een ieder met een zwak voor ritmische experimentele muziek aan ‘White River’ te proberen. Voor het geld hoeft u het niet te laten: de cd kost welgeteld drie euro – inclusief verzending.

Zach Hill kent u misschien als die fenomenale drummer die bij Hella volledig loos kon gaan. Of u kunt hem kennen van zijn samenwerkingen met harpiste Joanna Newsom, Omar Rodriguez-Lopez, Mike Patton, Wavves, Boredoms en leden van Sun Ra Arkestra. Hij maakt ook deel uit van Team Sleep, een zijproject van Deftones. En het is allemaal nog niet genoeg. ‘Astrological Straits’ was zijn eerste soloplaat, meteen een dubbelaar, waarop hij werd bijgestaan door een keur aan bevriende muzikanten. Zelf vonden we de plaat vooral een etalage voor het kunnen van Zach Hill als drummer. De songs hadden vaak net iets te weinig om het lijf om te blijven boeien, de kunstjes domineerden net iets te veel. Daar lijkt Hill zijn les uit te hebben getrokken, want op ‘Face Tat’ werd meer aandacht besteed aan de songs zelf, zonder dat de ruimte voor zijn fenomenale, zichzelf aangeleerde drumstijl er minder op werd. De zotte, alienachtige stemmetjes zijn uiteraard gebleven, net als het hoge Primus– en Mars Volta-gehalte. Gasten deze keer zijn drummer Greg Saunier (Deerhoof), die waarschijnlijk een groot aandeel heeft in het maken van echte songs (luister naar zijn moederband en u snapt het meteen), Devendra Banhart zonder teensletsen in ‘Second Life’, Guillermo Scott Herren (Prefuse 73), Carson McWhirter (Hella), Nick Reinhart (Tera Melos, Bygones), Robby Moncrieff (Raleigh Moncrieff) en Dean Spunt en Randy Randall van No Age. Een hele resem, en ze dragen allemaal bij tot het beteugelen van ’s mans creativiteit om ze te kneden in compacte, behapbare maar knotsgekke songs. Met een serieuze hoek af, ja, maar het zijn deze keer echt wel liedjes. Een magistrale stap vooruit.

Tracker bedankt spacegoeroe Dave Schmidt alias Sula Bassana, oprichter van het label Sulatron en in hart en nieren een psychedelicaman. En dat zal heus niet alleen zijn omdat hun plaat op zijn label mag uitkomen. In 2009 namen de drie Oostenrijkers een eerste ep op, die echter nooit officieel werd uitgebracht. De kwaliteit van die paar songs was echter meer dan voldoende om Schmidt te overtuigen, die door het uitbrengen van dit ‘How I Became An Alien’ ook ons weet te overtuigen. Tracker brengt namelijk meer dan zomaar wat naar de ruimte refererende psychedelica. De groep mengt kraut en woestijnrock met een stevige scheut postrock, noise en psychedelica tot een verwonderlijk goed werkend geheel. Dit doen ze weliswaar in eerste instantie als een traditioneel rocktrio, maar dat vullen ze aan door eigen gebouwde instrumenten zoals de kaossilator, bizarre i-Phonesynthesizers en fuzzbox. Zo bouwen ze songs als ‘Tight Fit’ en ‘Blower’ om tot bevreemdende, vol verrassingen en wendingen zittende sculpturen waarbij we verplicht worden met onze voeten op de grond te blijven om volop te genieten. Zweven doen we wel met andere psychedelische platen.

We schrijven dit op het moment dat we net vernomen hebben dat Peter Christopherson (Throbbing Gristle, Psychic TV en Coil) zijn gevallen kameraad John Balance vervoegt in een Hogere Dimensie. Intussen schuift de naald traag over het gelimiteerde vinyl van het derde Cyclobe album. Een album dat van Coil zou kunnen zijn, want het klinkt exact als het moederschip ten tijde van ‘Astral Disaster’, door echte kenners wel eens hun boomknuffelfase genoemd. Stephen Thrower en Ossian Brown behoorden allebei ooit tot het personeelsbestand van Coil, elk in een verschillende fase, en dat proeven we. Rijk weggalmende kosmische elektronica voor een New Dark Age wordt gekruid met geluidsexperimenten, cellodrones, pianoflarden en rituele invloeden. Op wat doodgeknepen gezangen na, is deze lp nagenoeg volledig instrumentaal en dat komt het totaaleffect zeker ten goede. We slikken 180 gram witte substantie met mildheid, en knikken respectvol naar de herenigde Peter en John, in de hoop dat ze de Hel laten kennismaken met ongeziene ondeugden.

“Bikinilijn”. Ik laat het woord nogmaals over de lippen rollen terwijl koning vorst winterbloemen op het raam blaast. Het land is bevroren, de kille wind jaagt door verlaten straten en een winterdepressie is uw beste vriend. Hier klopt iets niet. Precies wat we dachten toen Tanlines op de mat viel, terwijl buiten de postbode jammerend zijn weg vervolgde door ijs en sneeuw. Het perfecte moment voor tropische klanken, moet de platenmaatschappij hebben gedacht. Op papier geen nieuw werk; ‘Volume On’ bestaat namelijk uit ep’s, remixes en een handvol onuitgebrachte tracks. Het duo uit Brooklyn krijgt het voor elkaar synthpop, disco, house en calypso te mengen tot een tropische dans van puur plezier. Samenzang volgens Pandabear-receptuur, catchy synth riffs, hoekige beats, zelfs de bongo’s en de tropische gitaar vieren zonder probleem hoogtij in het universum van Tanlines. Nu nog werken aan het officiële debuutalbum en een zoete toekomst is voor het duo verzekerd. (www.myspace.com/tanlinestheband) Minder ‘eigen’ en meer discofunk dan dance is het debuut van Still Flyin’ uit San Francisco. Het collectief met een wisselende bezetting van maar liefst vijftien muzikanten schijnt live een ware feestreputatie te hebben, maar overtuigt op ‘Party In Motion’ nog niet. Met talloze jaren 1980 popreferenties doet alleen ‘Bull Riff’ de plaat glanzen, maar verzandt de rest te veel in voorspelbare pop. Maar wat geeft het. Terwijl de wereld bevriest, lachen wij de winter toe en dansen in zwembroek de conga. Tanlines heeft geen zon nodig om te (ver)schijnen.

Op hun vorige plaat ‘Déliverance’ richtte A Hawk And A Hacksaw zich voornamelijk op instrumentale muziek uit Oost-Europa en dan vooral de verscheurde Balkan. Ze klonken dan ook als een brave versie van de geschifte orkesten van Goran Bregovic. Het uit Albuquerque, New Mexico afkomstige duo Jeremy Barnes (ex-Neutral Milk Hotel) en Heather Trost heeft voor deze nieuwe plaat inspiratie gezocht op andere plekken in de wereld. Na een rondreis doorheen de wereld kwamen ze terecht bij traditionele Spaanse en Mexicaanse volksmuziek. Deze versmolten en verwerkten ze samen met de invloeden van hun vroegere werk tot een heel eigen muzikale hutsepot. Soms opwindend, vaak behoorlijk lekker en zeker een aanrader voor liefhebbers van muziek uit verschillende windstreken. Vreemd en soms toch heerlijk tegelijkertijd. Deze plaat is de eerste die verschijnt op hun eigen label, LM Duplication. Dat zullen ze in de toekomst gaan gebruiken om niet alleen hun eigen muziek uit te brengen. Het moet gezegd, er werd alvast veel zorg besteed aan de verpakking – iets wat wij altijd weten te appreciëren.