GC #104

De zeekoe valuta uitgelegd voor leken; “in vroegere gouden scheepvaarttijden zagen zeelui de zeekoe wel eens aan voor een zeemeermin. In deze tijden van vele crisissen, haal uw geld uit het kaartenhuis van de bank en ruil het in voor zeekoe valuta. Wees onderdeel van de toekomst, de zeekoe is het nieuwe goud”. Bent u nog mee? Het geluid van golven spoelt ons tegemoet, een stem zegt; “daar heb je die sloopmachines weer, ze willen vast weer ons huis vernielen, kijk maar, vlug ten strijde!” en een Soemerische-Egyptische melodie doemt op. Zo begint ‘Heiligstennis’ als een strafrede over het huidige woonbeleid van Amsterdam. Het duo met leden Dr. Snoodaard en Formulator zijn krakers met een creatief bloedend hart die zich bezigen met experimentele tropische hiphop met een zeer sociaal-politieke tint, alias ‘congacore’, gemasterd door Arnold de Boer (Zea/The Ex). In ‘Primitief Manifest’ wordt ratelende ragga op een steelpan melodie vermengd met keelzangklanken. De ruige dichtkunst van de fukkerz wordt zowel in rustige als chaotische sferen ondergedompeld waardoor niet altijd even makkelijk te volgen is waar het nu over gaat, maar de aanhouder wint. In ‘Nomen Nescio’ wordt met poëtische spreeksels, een mooie slide gitaar, trommeltjes en natuurgeluiden een intrigerende sfeer gecreeërd waar Buck65 een puntje aan zou kunnen zuigen. ‘Eenpersoonswasmachines’ beschrijft de filosofische krakersbeslommeringen en het afsluitende ‘Doodsmis’ wordt ingeleidt met het Nederlands volkslied in een nieuwe interpretatie die raker is dan het origineel. Een Aziatische viool en gemoedelijke gitaar spelen draaiend door elkaar terwijl de laatste zuchtende woorden klinken over koopzucht en grenspolitiek. We blijven achter met vragen. Hoe zou het eigenlijk staan met de koers van de zeekoe?

Ondergetekende zag Russell Haswell vorig jaar een half uur ongestructureerde herrie maken, waarna de overgeconstrueerde composities van hoofdprogramma Autechre opeens een stuk toegankelijker leken dan gewoonlijk. Blijkbaar vond Haswell de optredens een groot succes, want ‘In It’ bestaat helemaal uit “nummers” die live werden opgenomen tijdens die tour. Het piept, giert, schuurt en klinkt op plaat nog meer als een psychotisch elektronisch roofdier dat van trommelvliezen leeft dan dat het live al deed. Waar Autechre het non plus ultra is van de intellectuele computermuziek, doet Haswell hier precies het tegenovergestelde. Ongetwijfeld ligt er een hoop high concept aan ten grondslag – de man is geluidskunstenaar, dat u het even weet – maar wij denken dat het uiteindelijk allemaal uit zijn onderbuik komt. Analyse is dan ook zinloos, want het gaat nergens anders over dan puur geluid. Hard, geïmproviseerd en compromisloos geluid. Het moet geweldig zijn om te maken, en voor de luisteraar een complete mindfuck, mits in de juiste toestand (ik zie uit naar de volgende vier uur durende afdelingsvergadering). ‘Immersive’ is het zeker, helemaal op hoog volume, en potentieel nog meer wanneer, zoals bedoeld, afgespeeld op UHJ-apparatuur (nee, wij ook niet). Gelukkig werkt het ook op een gewone platenspeler (‘In It’ is alleen uit op vinyl), en bovendien zit er ook een DVD bij die door middel van 5.1 het overweldigende effect enigszins benadert. Zonder beelden overigens, dat zou alleen maar afleiden.

Wat moeten we aan met Seapony uit Seattle? Moeilijk te zeggen. Muzikaal vermaken ze zich met indie en surfpop, tekstueel noem ik het liever lollipop. Nee: volwassen zijn ze niet op dat vlak, maar daar lijken ze geen punt van te maken. Of: eigenlijk net weer wèl. Karamellenverzen als ‘Whenever I See You/I Know That Dreams Are Coming True’ in opener ‘Dreaming’ moeten we er dan ook maar bijnemen. Ook muzikaal omvat hun debuut veeleer een set korte impressies -dertien tracks in 35 minuten- dan dat het om voldragen songs gaat. Dat doet geen afbreuk aan het geluid op zich, dat met bijvoorbeeld ‘I Never Would’ de onschuld lijkt te willen vatten – met mierzoet gezongen mijmeringen over een onzekere liefde. Vanaf ‘Into The Sea’ sluipt echter herhaling in de vriendelijke aanpak van dit drietal. Het Lolita-effect van Jennifer Weidl dreigt al snel ’n trucje te worden, en de geloofwaardigheid van een band die steeds maar lief klinkt, wordt ook gauw minder. ‘I Really Do’ is daarom snel te vergeten; en ‘Go Away’ herpakt zich met een nadrukkelijker garage-gericht lo-fi geluid. ‘Always’ tekent gitaarlijnen uit die een oude liefde voor The Cure doen vermoeden, waarna ‘So Low’ muzikaal een beetje vast raakt in z’n eigen hook. Gebruik van een ritmebox drukt ook kansen voor ritmische fantasie, maar dat euvel is mogelijk verholpen, sinds na de opname een drummer toetrad tot de band. Met een iets meeslepender baslijn had ‘What You See’ ons ook zó kunnen meenemen naar een eenzaam hoekje, maar: nee hoor. Hoewel er dus zeker heel wat schort aan deze ‘Go With Me’, zijn we stiekempjes toch ook wel weer een beetje benieuwd naar een vervolg. Seapony is namelijk te lief om er nu al boos op te kunnen zijn.

Afgelopen voorjaar mocht onze Gonzo-collega (s.b) samen met een aantal mensen van Sublime Frequencies plaatjes gaan draaien op de laatste voorjaarseditie van het All Tommorow’s Parties Festival. Het festival werd samengesteld door de heren van Animal Collective en één van de optredende bands was dit Ear Pwr. Dat is het duo Devin Booze en Sarah Reynolds. De eerste was lid van het pretpunkgezelschap Hide And Seek, de tweede een trouwe fan van die band. Het is dan ook zo dat ze elkaar leerden kennen in 2005. Samen trokken ze zich terug op een kamertje om muziek te maken. Wat er daar verder nog gebeurde laten we over aan uw fantasie. Op muzikaal gebied begonnen ze al snel te stoeien met oude synthesizers en andere analoge apparatuur. Op plaat klinkt hun mengeling tussen disco en indiepop behoorlijk opgefokt. Iets te opgefokt soms naar onze zin. Na het beluisteren van deze plaat liepen wij telkens stuiterend door onze woonkamer. Minpunt op deze plaat zijn de soms iets te lang uitgesponnen songs zoals ‘Melt’. Als ze het iets ingetogener en compacter houden zoals in ‘National Parks’ of ‘North Carolina’ vinden we het allemaal net iets beter vol te houden. Iets meer variatie in de muziek had ook geen slechte zet geweest. We horen die dreinende synth iets te vaak naar onze zin. Een plaat dus waarvoor de skip-toets is uitgevonden.

Ulcerate uit Auckland, Nieuw-Zeeland zette zijn eerste stappen in de heavy muziekwereld in 2000, toen nog onder de naam Bloodwreath. Al na een jaar kon de band beginnen aan zijn calvarietocht, want het is al sinds het begin een voortdurend gaan en komen van muzikanten. Het is dan ook niet zo onlogisch dat Ulcerate nu pas aan zijn derde album toe is. Twee demo’s, meer maakten ze niet alvorens te debuteren met ‘Of Fracture And Failure’ in 2007. Niet dat die opnames zo gemakkelijk verliepen. Net voor de band echt de studio indook, stapte de toenmalige zanger op. Het mag dan ook een wonder heten dat de plaat felle, donkere death metal bevat met een knipoog naar black metal die niet moet onderdoen voor een band als pakweg Suffocation. Opvolger ‘Everything Is Fire’ kende gelijkaardige problemen, en daarop houdt de band de snelheid wat meer getemperd, ten voordele van de atmosfeer. Die lijn wordt doorgezet op ‘The Destroyers Of All’, een album dat laat horen waar Ulcerate al die jaren naartoe heeft gewerkt: een quasi perfecte kruising van death en black. Niets nieuws onder de zon, gewoon verder uitpuren van waar Ulcerate al jaren voor staat. En deze keer is dat met songs als ‘Burning Skies’, ‘Cold Becoming’, ‘Omens’ en de titelsong, een dikke tien minuten plezier, heel goed gelukt. Verstikkend, gedoseerde grunts, tempowisselingen à volonté en rammen als het moet, en stil zijn om het zo nog duisterder gaat klinken.

De Griekse fluitist Stelios Romaliadis kijkt niet op een vakmeester meer of minder als hij zich wil uitdrukken. Om te komen tot de cd (of op 500 exemplaren gelimiteerde lp) ‘Meadow Rituals’ werkten maar liefst negentien muzikanten samen. Onder de gastarbeiders bevinden zich gereputeerde namen als Andria Degens (Current 93 en Pantaleimon) en David Jackson (Van Der Graaf Generator). Lüüp wil de folk heruitvinden en in dezelfde adem ook het verstoorde contact tussen mens en Natuur herstellen. Onze geitenwollen meligheiddetector gaat tegenwoordig snel in het rood, maar toch kan het compositorische vakmanschap van Lüüp ons (enkel) in kleine dosissen bekoren. Met akoestische instrumenten (cello, mellotron) wordt een dreunlaag gecreëerd die het fundament vormt voor een brede variatie aan melancholische stemmen en blaas, strijk en snaarinstrumenten. Hiermee nestelt Lüüp zich ergens tussen de typische stijl van twee genrebepalende labels in. Enerzijds horen we sterke invloeden van 4AD (Dead Can Dance, Cocteau Twins of This Mortal Coil), anderzijds vervalt het sfeertje bij momenten in het elfjesgeneuzel van World Serpent (bijvoorbeeld Sorrow, van wie we nooit meer dan één track per maand kunnen verdraen). En uiteraard laat Stelios zich in de wilde Natuur fotograferen, terwijl hij net niet gewurgd wordt door een boomwortel.

We kijken nog eens goed naar de hoes van deze cd, en ja hoor, toch, er staat 2011. We konden bijna zweren dat ‘Symptome Und Beschwerden’ uitgebracht werd eind jaren 1970, begin jaren 1980, de tijd van de Neue Deutsche Welle. Het kwintet, vier heren en een dame, komt uit Berlijn en richtten Herpes op in 2006. In 2010 verscheen debuut ‘Das Kommt Vom Küssen’ en nu dus al meteen een opvolger. Tien nummers vol repetitieve gitaarklanken, een dominerende bas, droge drums, wat elektronica en een stem die zo put uit de gloriedagen van NDW en krautrock in de stijl van Neu!. Denk ook aan bands als Goldene Zitronen of over de grenzen heen aan Gang Of Four in een apolitieke bui, Au Pairs met een man aan het hoofd of de chaotisch en amateuristisch klinkende sound van Mekons. Dat naïeve is leuk, de liedjes worden in het Duits gezongen, klinken eenvoudig, maar zijn het niet en laten een positieve indruk na in ons hoofd. Het gros klinkt zelfs behoorlijk aanstekelijk en roept allerlei herinneringen op aan de hoogdagen van de arty punk en NWD, die we indertijd bewust meemaakten. Kunnen we terug in de tijd met een nieuwe plaat.

Ingepakt in drie lagen aan winterkleding stonden de twee heren die Pechenga vormen vroeg op de kust van hun eiland de zee over te staren. Daar lag Helt Borte, een stuk van Siberië, net zichtbaar vanaf hun Noorse eiland. Ver weg en nog killer dan de bodem waarop zij stonden. Rune Lindbæk is inmiddels naar Berlijn verhuist, waar hij actief is als muzikant en producer. Cato Farstad staart nog steeds vanuit Noorwegen naar de einder. Hoe dan ook heeft de kou en het verlangen naar de verte hun harten nooit verlaten. Dat is een ding dat duidelijk wordt bij beluistering van ‘Helt Borte’, een ijzig koude ambient plaat, vol leegte en verlangen met slechts lichte sprenkeltjes hoop die in kleine sneeuwvlokjes op de luisteraar neerdwarrelen. Het duo is muzikaal schatplichtig aan Brian Eno, maar ook aan Biosphere en Stars Of The Lid. Een paar namen waar de band zich met ‘Helt Borte’ – die officieel al in 2008 in eigen beheer werd uitgebracht – eenvoudig tussen plaatst. Van begin tot einde gaat deze plaat diep, snijdt als de ijskoude wind door merg en been. Geen moment ben je in staat de plaat naar de achtergrond te drukken. Donkere tonen, als rommelende donderwolken rollen gestaag over je heen en in al die tijd groeit een beeld van twee kleine mannetjes, ingepakt in drie lagen winterkleding, starend over zee, naar de einder.

Cheap Satanism verraste ons onlangs nog met het debuut van Baby Fire en doet dat nu nog eens over met het debuut van het trio Vitas Guerulaïtis. Drie Fransen zochten hun toeverlaat in Brussel, vonden elkaar en noemden hun band meteen naar een Amerikaans toptennisser uit de jaren 1970. Tennispop, ha ha, mijn satanische voeten dachten de drie. Drummer David Costenaro werkt eigenlijk met beeld en vereert Jim Thompson, schrijver van onder meer ‘The Killer Inside Me’ en ‘Clean Break’, dat ‘The Killing’ van Stanley Kubrick werd. De man hield van surrealisme, en dat zien we in deze band met grote regelmaat terugkeren. Keyboardspeler Célia Jankowski is eigenlijk performanceartieste en bestudeert het gedrag van vliegen, terwijl gitarist Ismaël Colombani ook nog eens violist is naast de band. Het ligt allemaal niet voor de hand, en ze zijn dan nog eens de eerste band bij het label Cheap Satanism die niets met satanisme of antikerkelijke denkbeelden heeft te maken. Deal is dat ze tijdens hun carrière een nummer van 666 seconden in elkaar knutselen, maar nu nog niet. Al bevat dit debuut duidelijk duivelse elementen, van dadaïstische aard zouden we zeggen. Het is namelijk heel moeilijk om de hand te leggen op de muziek van dit trio, want ze laten ons alle kanten van het muzikale veld zien. Er zit cabaret in, er zit punk in, no wave, big beat, kraut, absurditeit, poëzie, verwarrende samples, bevrijdende tekstfragmenten, tegendraadse ritmes of net weer niet. Experimentele avantpop is misschien een bruikbare omschrijving, tot je ‘Panda Géant’, ‘Quinze Aout’ of ‘Cellule Invisible’ hebt gehoord, het spoor weer bijster bent, nogmaals geniet, opnieuw begint en er nog steeds in verdwaalt. Een verdwaalplaat, ja, dat is deze eigenlijk wel. En niet te vergelijken met wat voor andere band dan ook.

Stel je zelf een rokerige jazzclub voor. Zo een waar ze enkel kleine spotjes boven de bar hebben om de hele zaal mee te verlichten. Op het nauwelijks beter verlichte podium een groep op elkaar ingespeelde muzikanten, die via hun instrumenten een broeierige conversatie voeren. In de zaal vloeit het bier – dubbel, triple, blonde of bruin, maar géén pils – rijkelijk en wordt op een beschaafd niveau wat gekeuveld. De muziek lijdt er niet onder, de muzikanten excelleren op hun instrumenten. Bouwen jazzy soundscapes uit die voortdurend van de achtergrond loskomen, en het gekeuvel met regelmaat stilleggen. Bandleider Chris Hooson leidt het collectief in de juiste banen, daarbij de platgetreden paden ontwijkend. Maar ook zonder een moment de berm te raken, laat staan uit de bocht te vliegen. Drie kwartier, veertien nummers, prachtig opgebouwd, sfeervol, warm jazzy en experimenteel tegelijkertijd. Op de achtergrond speelt elektronica een rol. Kleine details zijn voor de voortdurend aandachtigen. Voor de anderen is de muziek sfeerbepalend in de rokerige ruimte. Maar het moment dat je de jazzclub verlaat en buiten in de koude staat, is de muzikale herinnering ook vervlogen. Enkel de warmte van de tonen beklijft, niet de wijze waarop de tonen elkaar volgden. ‘The Hearts Of Empty’ past bij deze fantasie. Drie kwartier prachtig uitgevoerd, maar het moment dat de laatste toon weg zinkt, is de eerste toon allang vergeten.

Gitarist Guillermo Celano en drummer Marcos Baggiani zijn de naamgevers aan deze Group uit Amsterdam. De Argentijnen werken onder deze naam samen sinds 2001, in wisselende bezettingen. Contrabassist Sven Schuster en blazers Michael Moore en Gorka Benitez complementeren momenteel de band. Band inderdaad, want hoewel de nadruk sterk op jazz ligt, speelt rock ook een grote rol. Van beide muziekstijlen zijn bepaalde invloeden geïntegreerd, zodat uiteindelijk een interessante mix is ontstaan. Gecomponeerde en geïmproviseerde delen wisselen elkaar af, zodat CBG van tegen elkaar opbotsende freejazzklanken moeiteloos overschakelt op knallende rock. Headbangen wordt het uiteraard nooit, maar het vijftal kan behoorlijk loos gaan. Het mooi ronde gitaarspel combineert naadloos met het felle blazerswerk, waarbij themaatjes listig van elkaar worden opgepakt, stante pede een bewerking krijgen of vriendschappelijk worden overtroefd. Dit zevende album zit tjokvol sterke momenten, er wordt door alle leden afzonderlijk – en gezamenlijk – ontspannen en op hoog niveau muziek gemaakt, en de inspiratie lijkt voorlopig nog niet op.

Dat is even een delegatie om u tegen te zeggen. Het duo Wolf + Lamb slaat de handen ineen met het duo Soul Clap voor de 36e, als we goed hebben geteld, editie van DJ Kicks. Die serie alleen al is een enorm kwaliteitsstempel vanwege de goede neus die men bij !K7 heeft voor het kiezen van de juiste namen voor hun mixserie. Wolf + Lamb is behalve een producersduo ook de eigenaar van het gelijknamige label, nou ja, instituut is het beter om te zeggen, familie kan ook. Soul Clap maakt onderdeel uit van die familie en voor hun editie van de DJ Kicks besloot het Amerikaanse viertal enkel familiemuziek te gebruiken. Dus horen we naast de muziek van Soul Clap en Wolf + Lamb ook nummers van Nicolas Jaar, Eli Gold en Greg Paulus voorbijkomen. Mensen met houseangst hebben niks te vrezen. Het viertal heeft het tempo flink naar beneden geschroefd om er zo een heerlijk lang luisteralbum van te maken. Eentje voor in de nacht of voor op de koptelefoon. Het kan wel in zo’n serie waar ook Kruder & Dorfmeister hun sporen hebben nagelaten. De DJ Kicks van het dubbele duo is rustig, soulvol, funky, met de house op de achtergrond. Het heeft alles wat een mooie luistermix nodig heeft.

Onlangs heeft Group Doueh hun tweede Europese tournee afgewerkt en inmiddels is hun vierde langspeler ook een feit op het extrawereldse Sublime Frequencies. Oprechte lo-fi Saharawi woestijnklanken is wat we gewend zijn van Group Doueh en de fans kunnen weer in hun handen wrijven. Salmou Bamaar (Doueh) is nog altijd de kern van de group samen met echtgenote Halima Jakani als zangeres en assistentie van een aantal vrouwen met elk een eigen rol. Net zoals op de voorganger ‘Beatte Harab’ staan dezelfde instrumenten centraal; de tinidit (driesnarige Moorse luit), de ardin (kora harp), de tbal (aarden drum) en de kass (theeglazen), aangevuld door elektrische gitaar (Doueh) en een Korg synthesizer, gespeeld door hun zestienjarige zoon El Waar Bamaar. Al vanaf de krachtige opener ‘Zayna Jumma’ heerst er een doordringende psychedelische sfeer en deze wordt tot in de laatste song uitgesmeerd. In ‘Jagwar Doueh’ en ‘Ana Lakweri’ krijgt de dwarse psychedelica een haast hypnotiserende uitwerking door een herhalend salvo van doffe slagen gecombineerd met de tinidit die mee lijkt te waaien op de verschroeiende Saharawind. Scheurende lo-fi reverb met flinke kwinkslag richting Jimmy Hendrix en Led Zeppelin komt er in ‘Zaya Koum’ en ‘Ishadlak Ya Khey’. Het geluid is direct en tegelijk zo ongrijpbaar. Alle songs zijn live en ter plekke in Dakhla opgenomen en het is de verdienste van Hisham Mayet die op deze rauwe wijze de geluidssfeer in een essentieel, persoonlijk geluid heeft weten te vatten. Geen minuut studiowerk is hier aan te pas gekomen en die imperfectie maakt het geluid zo echt. Afsluiter ‘Wazan Doueh’ brengt nog een dosis instrumentale trance via de zwevende tinidit en dreunende woestijnritmes die de roes langer doet duren. Een dik half uur woestijnpsyche van de hoogste klasse!

Velak is een non-profit platform voor kunstenaars die zich begeven op het experimentele vlak of dat nu muziek, video, dans of performance betreft. Van de elektroakoestische live-optredens in de Weense studio Garnison7 worden opnamen gemaakt, waarvan onderhavige cd een voorbeeld is. Het betreft de registratie(s) van ‘zero and one’, een mathematisch bepaalde compositie. De muzikanten spelen volgens een patroon van enen en nullen in verschillende configuraties. Of er ook aanwijzingen zijn over wat of hoe er moet worden gespeeld, is mij niet bekend, maar het resultaat op de cd-r klinkt als improvisatie. Van vier verschillende optredens zijn op deze cd-r fragmenten verzameld: het hoesje geeft geen titels maar de combinaties weer, bijvoorbeeld ‘B 1 1 0 0’, wat betekent dat op dat moment Kazuhisa Uchihashi en Burkhard Stangl een duet spelen; dan zou wanneer er staat ‘C 1 0 1 1’ betekenen dat we luisteren naar Katharina Klement, Rossi en Dieb13. Het geheel laat zich totaal niet fragmentarisch aanhoren: ‘Velak_Rec’ is een doorlopend, organisch geluidslandschap. Dat landschap varieert van spaarzame percussieklanken tot noise, van vloeiend tot ruw getextureerd, van akoestische klanken van piano, cello, gitaar en percussie tot computers en elektronica De compositie of improvisatie blijft daarbij abstract: melodieën of ritmes ontwikkelen zich nauwelijks. Op dat stukje mooi galmend elektrische gitaargeluid na. Boeiend klankenrijk, goed gecompileerd.

Jóhann Jóhannssons ‘The Miner’s Hymns’ is de soundtrack bij de gelijknamige documentaire van Bill Morrison. Deze experimentele filmmaker werkte eerder al samen met talloze componisten, waaronder Gavin Bryars, Henryk Górecki en Harry Partch. Met Jóhann Jóhannsson maakte hij een nostalgisch portret van de koolmijnindustrie in het Britse stadje Durham. Een cultuur die onherroepelijk stierf toen Margaret Thatcher in de jaren 1980 de verliesgevende mijnen sloot. Jóhannsson maakte veel van de muziek op voorhand, waarna Morrison er archiefbeelden bij zocht en bewerkte. De muziek roept beelden op van een geïmplodeerd blazersorkest; alsof één moment uit een mijnwerkersfeest ergens stil is blijven staan in de tijd en de 150-jarige muzikanten nog steeds ergens te vinden zijn, vastgelopen in een eeuwigdurende noot. Vergelijkbaar met ‘The Sinking Of The Titanic’, het werk van Bryars waarin hij fantaseerde dat de muziek van het orkest op de Titanic, dat al spelend ten onder ging, nog altijd ergens in de ether hangt, en waarin hij probeerde die dolende klanken te vangen. Uit datzelfde muzikale niemandsland dook Jóhannsson zijn ‘Miner’s Hymns’ op: muziek waarin tijd en ruimte lijken te zijn opgelost en waarin het wemelt van de geestesgedaantes en duistere geschiedenissen. Zoals de muziek van Arvo Pärt en Pauline Oliveros gaat deze muziek nergens heen, noch komt ze ergens vandaan: ze is. Slechts helemaal aan het einde, in slotstuk ‘The Cause Of Labour Is The Hope Of The World’, komt de boel in beweging, in een optimistische gedachte dat de mijnwerkers niet dood zijn, maar hun zaak en hun leven nog altijd doorgaat in onze zaak, ons leven. De beelden van ‘The Miner’s Hymns’ hebben we nog niet gezien, maar de muziek is alvast adembenemend. Een prachtig monument voor een dode cultuur.

De Owiny Sigoma Band is momenteel het paradepaardje van de Britse wereldgroove kenner en Brownswood labeleigenaar Gilles Peterson, bekend van zijn BBC show. Deze Afrikaans georiënteerde band telt vijf Londonaars en twee Kenianen die elkaar een aantal jaar geleden ontmoetten in Kenia voor een opnamesessie. De Keniaanse muzikanten Joseph Nyamungo en Charles Okokodorpje komen uit het dorpje Owiny Sigoma en dat is meteen de bandnaam verklaard. Er is even wat twijfel over de ongelijke verdeling voor een echt Afrikaans geluid, maar deze vrees blijkt ongegrond na het horen van de eerste folky Afrikaanse tonen. In ‘Odera Lwar’ wordt stevige funk aangevuld met een psychedelisch orgel en een meetokkelende traditionele nyatiti lier in de luo folk sfeer. ‘Wires’ brengt een mix van Keniaanse benga gitaarfunk en Engelstalige elektronische danspop, sterk vergelijkbaar met het Londonse geluid van A.J. Holmes & The Hackney Empire. Dub galmt alom in ‘Margaret Okudo’, maar kan niet overtuigen. De song ‘Hera’ kan dat wel met een pulserend comboritme van drum en trommel waarop Keniaanse traditionele zang gelegd wordt als een soort van krautrockfunk. ‘Doyoi Nyajo Nam’ zet deze lijn door met diepere funk en de bizarre klank van de nyatiti lier en bliepende toetsen. In ‘Nabed Nade Ei Piny Ka’ zorgen bliepende toesten voor een aanstekelijke melodie terwijl allerlei echo’s en effecten los gelaten worden op een droog ritme. ‘Here On The Line’ ligt dan meer in de lijn van zoete, licht psychedelische Britpop waarbij de Afrikaanse invloeden jammergenoeg weggecijferd worden. Gelukkig is de hypnotiserende afsluiter ‘Rapar Nyanza’ doordrenkt van traditionele sferen van akoestische drumfunk waarbij donkere hoorns en valse violen gedurende acht minuten voor een rauwe Keniaanse sfeer zorgen. Een album dat aan de goede kant van wereldgroove zit en de Afrikaanse funkliefhebber zeker zal kunnen plezieren.

Ze roken het, de mannen van Sourvein. ‘Black Fangs’ is hun eerste volwaardige release sinds het magistrale ‘Will To Mangle’ uit 2002, en de uit Noord-Californië afkomstige doemdenkers hebben nog steeds geen sprankeltje licht of hoop gevonden. Het is allemaal doem, zwart, donkerder dan donkerzwart. ‘Black Fangs’ biedt tien songs die lekker traag je hersencellen doorboren, sludge metal zoals die hoort te klinken. T-Roy Medlin, de man die nog steeds de teugels in handen houdt bij Sourvein en dat al sinds de oprichting in 1993, had duidelijk een en ander te ventileren aan woede, agressie en positieve waandenkbeelden. Hij doet het steeds als de nood het hoogst is, want ‘Black Fangs’ is slechts het derde album van zijn geesteskind, benevens een resem splits met net zo opgewekte bands als Buzzoven, Grief en Church Of Misery. Zijn kompanen wisselden frequent doorheen de jaren, en verhuisden naar Bongzilla, Saint Vitus en Electric Wizard. Maakt voor Medlin allemaal niet zo veel uit, hij kiest inwisselbare muzikanten om zijn visie uit te dragen en houdt zelf het heft stevig in handen. Hij bepaalt de koers, het tempo, de riffs, de doom- en sludgegraad. En daar is niets mis mee, want er staat geen enkele overbodige of flauwe noot op dit album.

Met een artiestennaam als Jack Dickolson stimuleer je het serieus nemen van je muziek natuurlijk niet. Ook al heeft Filip Míšek (voorheen van Khoiba) zijn naam inmiddels aangepast tot Dikolson, toch was Jack mijn eerste reflex – en verdomd, zo noemde hij zich ook in eerste instantie. Toch is serieus genomen worden duidelijk wél de insteek van zijn weelderige, ambiteuze debuutplaat ‘The Bear Is Sleeping Now’. Dikolson begint zijn stukken veelal met ingetogen, ragfijne en knap geproduceerde IDM, maar het duurt nooit lang voordat de grote drums, new age echo’s en synthstrijkers hun entree doen. Daarmee schippert de plaat voortdurend tussen drie schijnbaar tegengestelde esthetica: van experimentele, verknipte elektronica naar een soort jaren 1990 lounge à la Air en iets wat zich best laat omschrijven als de soundtrack van Walt Disney tekenfilms. Op de big drums en grootse harmonieën van tracks als ‘Mercury’ of ‘Plop’ zie je zo het leeuwtje Simba over de Afrikaanse savanne rennen. Later in ‘Plop’ horen we dan ook nog eens flarden van Cee Cee Peniston voorbij komen. Voor een hernieuwde artistieke herbeleving van dat soort muziek is ongetwijfeld wel ergens een publiek te vinden, op dezelfde manier waarop mensen als Dolphins Into The Future en De Tuinen een creatieve herinterpretatie van het new age genre deden. Maar dan moet Dikolson nog wel iets van zijn goede smaak laten varen; dit debuut is waarschijnlijk nog te verfijnd voor de één en te kitscherig voor de ander. Maar met enige durf gaat Dikolson zo Elton John achterna.