GC #104

Met Memory Tapes lijkt Dayve Hawk een collageproject te hebben gevonden waarin hij de synthetische aanpak van Weird Tapes kan verenigen met de meer seventies gerichte sound van Memory Cassette; twee concepten die hij even on hold zette voor deze ‘Player Piano’. ‘Musicbox(In)’ opent een hi-tech muziekdoosje, in ‘Wait In The Dark’ lijkt het Casio’tje van Stereolab gekaapt, voor zoete pop zonder moeilijkdoenerij. Dan klinkt ‘Today Is Our Life’ gekunstelder, en voelen ook de gitaarriffjes een beetje puberaal aan. Halfweg knipoogt het nummer naar het OMD van ‘Electricity’, om vervolgens weer om te slaan in de sfeer van de jaren 1970. Die versatiliteit is typisch voor Memory Tapes. Het maakt hem uniek in het inmiddels brede gevolg dat aan de chillwave zit, maar waar zijn talent in het uittekenen van melodieën onmiskenbaar is, is hij ook een beetje spilziek in het uitstrooien ervan. Dat maakt z’n materiaal uiterst geschikt voor de snel verveelde jongste generatie, maar vluchtigheid schuilt zo wel om de hoek. ‘Yes I Know’ doet een ijle greep naar ambient synthpop, het androgyne ‘Offers’ lijkt beïnvloed door naïeve Japanse pop, en de opnametape draaide even dol voor ‘Humming’. ‘Sunhits’ zwaait iets te wuft richting Pet Shop Boys, en dan is er ‘Worries’. Vocaal vangt het aan als een luchtig niemendalletje –Hawk kent z’n beperking in een vlakke stem- maar weet dan een prachtig lieflijk retroriedeltje uit een orgeltje te persen, dat je moèt gehoord hebben om het te geloven. Wat dan volgt, gaat helaas een beetje verloren in experimentele wanorde of naar bombast neigende electrorock. ‘Player Piano’ is een verwarrende plaat vol charmante collagepop voor mensen met een korte attention span.

Bij The Ex zit men nooit stil, vooral niet als het gaat om Ethiopische geluiden. Terrie Ex is de man achter het Ethiopisch gezinde Terp label en brengt ons deze ‘Ililta!’ ep van slechts twee songs. De vormgever van dit kleine project is Mesele Asmamaw, de man met de krasse krar (de Ethiopische harp-luit) die u vast wel eens gezien zult hebben op een Ethiopische show waarbij The Ex betrokken was. In Ethiopië steken er de laatste jaren nieuwe dansstijlen de kop op die hedendaagse muziek vermengen met traditionele sferen in de ritmes van gurage, wollo, gondar, konso. Het Ethiopische geluid van nú, want niet alles wat de klok slaat, is Ethiopiques. Van de twee uitgesponnen songs is kant A ‘Gue’ dé uitsmijter voor de dansvloer. Het is een stevige song in de gurage stijl, die tussen rock en snelle traditionele ritmes thuis houdt. Een straffe krarmelodie wordt bijgestaan door de snelle gitaaraanslagen van Andy Moor en Arnold de Boer; en met de opzwepende vocalen van zangeres Tirudel Zenebe kan zelfs een verlamde persoon aan het dansen worden gebracht. Zweterige zaligheid! De konso gestijlde Kant B met ‘Selame’ lijkt een stuk rustiger, maar dat is bedrog door een trancendentaal ritme dat geleidelijk aan kracht en hypnose wint door de volharding van zanger Tesfaye Taye en Misale Legesse op de kobero (drums). De song doet sterk denken aan het excentrieke geluid van Tsehaytu Beraki, eveneens te vinden op Terp. Opgenomen in Ethiopië, afgemixt in Amsterdam en het geluid kan zich verspreiden als een virus in het westen. “Luid spelen!”, is het wijze advies van Terrie. Zowel op 12inch als op cd verkrijgbaar.

De carrièrestart voor Barem, zo rond 2005, is een mooi voorbeeld van het DIY-aspect in de dancecultuur. Een gratis downloadbare release van zijn hand werd opgepikt door Richie Hawtin, die het draaide op een tour in Argentinië. Barem stond in het publiek, rende buiten zinnen naar huis om een cd’tje met nieuw werk op te pikken, en overhandigde het nog die avond aan Hawtin. Even later haalde ‘Opal’ de ‘Min2Max’ labelcompilatie, en nu figureert Barem, intussen een late twintiger, met een langspeler op M_nus. Wat op M_nus verschijnt, ligt natuurlijk nooit veraf van glaciale techno met microreliëf. Opent de plaat nog met een nihilistisch aandoende funky baslijn, dan kent ‘Is’ wel het klappen van de zweep in minimal termen. Barem voegt daar een percussieve touch aan toe – ook Zuid-Amerikaans bloed kruipt waar het niet gaan kan. Toch blijft het geheel aanvankelijk, ingebed in een nadrukkelijk met Reason en Ableton uitgetekende matrix, uiterst koel en rationeel klinken. Lijkt de eerste helft van het album daarom gecreëerd in een kiemvrij laboratorium, dan gaan alvast vanaf ‘A’ toch de handschoenen en labojas uit. Dat zorgt voor een veel spontaner aanvoelend geluid, met nonchalant bespeelde drumpads in bijvoorbeeld ‘Blue’, en verfijnde, bijna meeslepende wavetech als in ‘Sky’. De titeltrack vormt het slotpunt van een album dat eerst niet lijkt te vinden wat het zoekt, om dan finaal uit te lopen in een geslaagde vorm van muzikaal illusionisme.

Een van de fijne dingen aan de Fuck Buttons is dat hun nummers je bedekken onder een dikke, overweldigende laag synthesizerdrones en vervolgens door gaan. Rechtuit of langs allerlei idiote kronkelpaden, maar altijd met de drive van een onstopbaar ritme. Wat Benjamin John Powers – een van de twee Buttons – hier op zijn debuut als Blanck Mass doet, is eigenlijk hetzelfde – minus de drive. En het ritme. En de idiote kronkelpaden. Wat gebleven is, zijn de overweldigende synthesizers en drones, plus het nodige gevoel voor drama. ‘Blanck Mass’ staat vol wijd-uitwaaierende en zwaar aangezette klanktapijten. Anders gezegd: een Vangelis-deken met wat ruis en een hoop twinkly bits. Soms is het behoorlijk kosmisch – zoals op ‘What You Know’, waar een sequencer het Emeralds-gevoel komt versterken –, op andere momenten brengt de toevoeging van ruis en vervorming het laatste album van Jefre Cantu-Ledesma in herinnering. De plaat is als een groot vuurwerk: prachtig allemaal, maar meer dan dat is het eigenlijk niet. ‘Blanck Mass’ is geïnspireerd door cerebrale hypoxie, zuurstoftekort in de hersenen (en waarom ook niet, sinds Aphex Twin een single rond “the wonderful sound of wheezing” maakte, vinden we alles best). Op de vraag of dat verwijst naar directe ervaringen van Powers, of – tong ferm in de wang – naar de potentieel verstikkende geluidsdeken die hij tevoorschijn tovert, moeten we u het antwoord helaas schuldig blijven.

We gaan niet rond de pot draaien. Het Utrechtse Moi, Le Voisin telt met zanger Benjamin Van Vliet een Gonzoïst in de gelederen. Op hun derde langspeler ‘Dis’ verkennen ze steeds verder het herfstige landschap tussen weerbarstige country, gloedvolle harmonieuze folk en soms lichtvoetige indiepop. Iets wat ze zelf graag postfolk of akoestische punk noemen. Ze switchen in hun invloeden van Ierse folk naar Balkanvibes en Amerikaanse Appalachenfolk. Het komt er gewoon op neer dat de band ondertussen zijn eigen muzikale wereld heeft gevonden en steeds verder uitpuurt. Eén van onze favoriete nummers op het album is het donkere ‘Werewolves’, waarin de stemmen tegen elkaar botsen en ook nog eens botsen op de cello en melodica. Het is een soort nummer dat Akron/Family zou maken als ze in een popbui zijn. Het volgende nummer ‘Little Johnny Brown’ is dan weer geleend van Bessie Jones, één van de vele artiesten die dankzij Alan Lomax werd gered van totale vergetelheid. Dat de band behoorlijk eigenzinnig is, wordt ook bewezen door de opnamemethode. Op slotnummer ‘A Mountain’ na, werd alles gewoon opgenomen in de open lucht, niet in één of andere nette studio. Warm plaatje waarmee mee soms ook te lachen valt. Luister maar naar de intro van countrysleper ‘Hastala (Canción De Manuel)’. Onze conclusie na de vele luisterbeurten die het album al kreeg is lovend, en niet alleen omdat het een mede-Gonzoïst is.

De Duits-Nederlandse fluitist Mark Alban Lotz werkt grensoverschrijdend: in zijn muziek legt hij ene grote interesse aan de dag voor vrije improvisatie, jazz, modern gecomponeerde muziek, maar ook traditionele muziek uit de Balkan, Afrika en Azië. Daarbij heeft hij in zijn rijke carrière gespeeld met muzikanten van over heel de wereld. In mei 2010 speelde Lotz met een aantal vertegenwoordigers van de Turkse improvisatiescene, in verschillende constellaties. De cd met de prozaïsche titel ‘Istanbul Improv Sessions May 5th’ laat hoogtepunten van dit muzikale treffen horen. Tien improvisaties van Lotz in duo, kwartet en sextet-bezetting, met muzikaal – maar zeker niet kwalitatief – uiteenlopend resultaat. De lange opener ‘North Star’, met gitarist Umut Çağlar en trompettist Can Ömer Uygan, is een atmosferisch stuk, waarin drones zich vermengen met de (deels elektronisch bewerkte) klanken van de instrumentalisten. Ook ‘Ursuppe’ is zo’n abstract sfeerstuk, opgebouwd uit onder andere lange trompethalen, elektronica en een krassende gitaar. Naast dergelijke stukken bevat de cd ook improvisaties waarin herhaalde patronen en trippelende blazersloopjes een energiek samenspel (‘Animal Rites’, met Lotz, Uygan en klarinettist Alexandre Toisoul), of een afwisseling van rustige klankweefsels en een druk, vrij bewegend spel (‘Open Air Party’) laten horen. Het zijn niet, in elk geval niet steeds, louter complete opnemen. De subtiele fade out bij bijvoorbeeld ‘Friction’ suggereert dat de luisteraar alleen het beste van het beste krijgt. De improvisatiesessies uit Istanboel zijn afwisselend, steeds met plezier en aandacht gespeeld en voor de luisteraar een groot genot.

‘Dat kan ik beter,’ moet Vladislav Delay gedacht hebben, na drie albums te hebben gediend in het Moritz Von Oswald Trio. En richtte vervolgens zijn eigen kwartet op, samen met elektronica-guru Mika Vainio (Pan Sonic), bassist Derek Shirley en blazer Lucio Capece. Sasu Ripatti, zoals Delay echt heet, speelt zelf drums en percussie. Trio’s, kwartetten, dat riekt naar jazz, zult u wellicht denken, maar mocht dat niet uw ding zijn, laat dat u er dan toch niet van weerhouden deze plaat te proberen. De meeste nummers passen inderdaad in dat genre, maar met name omdat ze improvisatie als invalshoek hebben, niet omdat het geluid nou zo jazzy is. Na albums vol dubby elektronica te hebben gemaakt, kon je deze koerswijziging al horen aankomen op Delays ‘Tummaa’ uit 2009 (waar Capece ook al op mee speelde). Spacey improvisaties, gedragen door een baslijn van vaak maar een paar noten. Vervolgens zorgen spaarzame percussie, uitgerekte halen op een basklarinet, en een dwalende sopraansax voor een vervreemdende sfeer. Een enkel nummer is wat oeverloos, maar over het algemeen is de muziek veel spannender dan wat Delay op Von Oswalds laatste album mee hielp produceren. De andere helft van de plaat hoort eerder thuis in het vak ‘experimentele elektronica’. De invloed van Vainio is daar in duidelijk hoorbaar: ruis, analoge pulsen, drones, soms op het industriële af. Geluiden waarmee hij ook de laatste drie Pan Sonic albums onveilig maakte. Wanneer jazz en elektronica elkaar in balans houden, zoals op het voorlaatste nummer, ontstaat een koortsdroom die zenuwachtig en zeer prettig is. Ook een aanrader voor iedereen die vindt dat Kammerflimmer Kollektief wel wat meer drones zou kunnen gebruiken.

De donkere krochten van de industrial biedt vele curiosa waarvan Blackhouse een geliefde is. In naam een tegenhanger van powernoiselegende Whitehouse, in geluid een volstrekt unicum door ritmische waanzin te combineren met christelijke eerbied. Jawel, Blackhouse is zuiver religieus en doet aan geloofsverering middels depressief machinegeweld. Een gouden combinatie bleek, de groep wordt nog altijd gezien als één van de klassieke acts van de ritmische industrial. Althans, groep is een groot woord. Lang bleef het verhaal omtrent Brain Ladd, Sterling Cross en Ivo Cutler in nevelen gehuld. Inmiddels mag worden aangenomen dat Cross en Cutler nooit hebben bestaan en verzinsels waren van de illustere Ladd. Dat doet het altijd goed op de schaal van cultstatus. En als Jezus klinkt als een berg neerstortend afval dan zijn we verkocht. Het jubilerende ‘Hope Like A Candle’ (1984) verzamelt onder andere Pacific 231, GX Jupitter-Larsen, Le Syndicat, Brume en Hypnoskull voor een ode aan Ladd door herbewerkingen en covers. Echter een probleem dient zich aan. Iedere track wordt onderbroken door stemopnames van een vertwijfelde Ladd. Hij praat tegen alles, maar vooral over niets. Ineens lijken onuitgebrachte live-opnames een groot gemis. Maar wat geeft het als op de tweede disc een opgepoetste versie van het industriële godsgeschenk lonkt. Maniakaal en furieus oreert Blackhouse over het Hogere Opperwezen terwijl de zwarte cassetteloops de biechtstoel doen branden. Het schizofrene ritueel tussen analoge ontreddering en spirituele verlichting is na vijfentwintig jaar nog steeds de enige mis die wij met plezier uitzitten. Na ‘Hope Like A Candle’ verscheen ‘Five Minutes After I Die’ (1986). Dat andere monument van Ladd. Zo goed zou het daarna nooit meer worden. Blackhouse heeft inmiddels een nieuwe ep uit met Hypnoskull. Die hebben we nog niet gehoord, want na de herontdekking van ‘Hope’ kan dat alleen maar tegenvallen.

De Hongaars-Servische Szilárd Mezei (1974) heeft sinds zijn studies viool en compositie al heel wat platen opgenomen en met tal van collega’s samengespeeld. Hij leidt ook zijn eigen formaties, waarbij de verhouding tussen improvisatie en compositie onderzoekt. Hij gebruikt daarbij ook elementen uit de jazz en traditionele Slavische volksmuziek, twee genres waarin immers eveneens veel ruimte voor improvisatie bestaat. Op de solo-cd ‘Hö’ betreft de muziek volgens de cd-hoes composities, maar dat zijn waarschijnlijk hooguit richtingen, schetsen geweest, die improviserend zijn ingevuld. Zeker een aantal van de stukken lijkt onmogelijk volledig te kunnen zijn uitgeschreven. De cd valt in twee delen uiteen. ‘Hö’ (dat ‘hitte’ betekent) bestaat uit drie stukken voor altviool; ‘Hó’ (‘sneeuw’) bestaat uit drie stukken voor akoestische bas. De opening is adembenemend: een bijna twintig minuten durend stuk, dat vanaf de eerste noten indruk maakt. Mezeis viool knarst, piept, kreunt onder het furieuze, snelle strijken en slaan op de snaren, de harde en gedempte loopjes en het plukken. Naar het einde wordt het spel steeds intenser, de luisteraar meeslepend in een niet alleen auditieve, maar bijna fysieke ervaring. Compleet anders klinkt het tweede stuk. Hier overheersen lange gestreken klanken, hoog en ruisend tegelijk. De suggestie van een blaasinstrument, bespeeld met veel lucht, als niet af een toe de vibratie van de snaren te horen zou zijn. Hoe warm klinkt vervolgens de bas in de drie ‘sneeuw’-stukken. ‘Hó 1’, het enige stuk waarop hij aan de bassnaren plukt, bevat inderdaad jazz-elementen en suggereert soms swingende melodiefragmenten. De twee volgende – korte – composities worden uitgevoerd met gestreken bas en zijn respectievelijk vrij abstract en fraai melodieus. Om nog even zijn vaardigheden te laten horen sluit Mezei deze meeslepende plaat af met ‘Króm’ (chroom), een vingervlug geplukte improvisatie op viool. Een intense cd, voor intense beluistering.

Wat een geweldige blazerssamples, dachten we nog, waar halen ze die toch vandaan? Nou ja, die maken ze gewoon zelf, het zijn geen samples. De zogenaamde broers, ook al hebben ze verschillende achternamen, Isaac Aesili en Mark McNeill uit Nieuw-Zeeland vormen samen Karlmarx. Aesili is de trompettist, zanger en percussionist, McNeill houdt het bij de knoppen. Beiden hebben ze de nodige ervaring opgedaan via allerhande muzikale projecten. En dat kunnen we zo ongeveer allemaal terughoren op ‘The Karlmarx Project’ dat allerlei stijlen netjes mengt. Hiphop, acid, old school electro en luisterliedjes. De electrofunk, om het maar eens onder een gemene deler te scharen, van het duo is soms wat zwabberend en vluchtig. De achttien nummers op het album zijn nergens veel langer dan vier minuten en vaak genoeg ook rond de minuut. Plots vliegt er een DJ Shadow-achtige beat voorbij op ‘Future Pop’ die na een minuut wordt ingewisseld voor een spacey uitstapje om dan de shuttleraket wat vaart te laten minderen in een langer melancholisch nummer, waarna ‘Transform’ teruggrijpt op vroege elektronica. Dan is er ‘Futuro’ nog met een viool en de terugkeer van de trompet of bugel op ‘Higgs’ en zo kunnen we nog wel even doorgaan. Kijk eens wat we allemaal kunnen, lijkt Karlmarx te zeggen. Ja een hele hoop, maar op een album wil je geraakt worden, het is geen plek waar muzikanten indruk proberen te maken met veelzijdigheid. Door de variatie en de afwisseling van korte en lange nummers weet Karlmarx het pingpongen tussen stijlen nog wat te maskeren. Als geheel een aardige poging, met nog flink wat aandachtspunten.

Plots werd midden jaren 1990 Bristol het centrum van de muzikale wereld. Als paddenstoelen schoten de trip-hopbands naar het sterrendom. Massive Attack, Tricky en Portishead waren de bekendste namen. In hun kielzog trokken zij ook bands uit andere steden die bezig waren in dezelfde muzikale esthetiek naar boven. Het duo Lamb uit Manchester was er zo één. Andy Barlow en zangeres Lou Rhodes zorgden met hun eerste platen voor niet onopgemerkte releases. In die periode zorgden ze ook voor een aantal bloedmooie shows, zoals wij er ooit eentje zagen in het Brusselse Koninklijk Circus. Vijf jaar na hun titelloze debuut was met de release van ‘What Sound’ in 2001 het vet stilaan van de soep. De groep ging nog door tot 2004 maar het eerdere niveau werd niet meer gehaald. Het duo startte een aantal veel minder succesvolle soloprojecten op. Sinds 2009 werken ze terug samen. Er kwamen ook weer liveshows en nu ook een nieuwe plaat. We hadden gehoopt op een radicale ommezwaai zoals Portishead presteerde op hun vorige album ‘Third’. Dat zit er echter voor deze band niet in. Ze blijven een beetje hangen in hun bekende sound. Een mengeling van akoestische folk en knisperende drum-‘n-bass aandoende elektronica. Een beetje een overbodige plaat misschien. Zelfs een samenwerking met Damien Rice in het nummer ‘Back To Beginning’ verandert daar niets aan. Koester de herinnering aan hun oudere werk. (www.lambofficial.com) Eén van de belangrijkste labels in die hele trip-hopbeweging was Mo’Wax. Het label waarop het iconische ‘Endtroducing …’ van DJ Shadow verscheen. Nog altijd één van de beste platen van de jaren 1990. Opperhoofd van Mo’Wax was James Lavelle. Naast labelbaas spelen had hij ook zijn muzikale uitlaatklep, UNKLE. De albums van die band waren vaak collages van samenwerkingen met verschillende artiesten. Op het debuut ‘Psyenche Fiction’ waren dat bijvoorbeeld Thom Yorke (Radiohead) en Richard Ashcroft (The Verve). Echt beklijvende platen leverde dat echter nooit op, op misschien dat debuut na. En dat is ook niet het geval voor deze ‘Where Did The Night Fall’. Een album dat vorig jaar al verscheen, maar nu een vermaledijde luxe-editie krijgt met het extra deel ‘Another Night Out’. De bekende namen op beide delen, zoals Sleepy Sun, Mark Lanegan en Nick Cave kunnen er ook niet voor zorgen dat deze platen duidelijk maken dat dit soort trip-hop dood en begraven is. Het genre is ingehaald door de tijd.

Veel aan deze plaat van Wadada Leo Smith is ‘veel’. Het is veel muziek, verdeeld over twee cd’s; het is veel geluid ook, met een bezetting van veertien muzikanten, waaronder vier gitaristen. Gedurende de twee schijven vinden verschuivingen in geluid en sfeer plaats, maar fusion is de overkoepelende notie. De lange openingstrack ‘Don Cherry’s Electric Sonic Garden’ – al een veelzeggende titel – zet meteen stevig in: Smiths elektrische trompet, elektrische gitaren en een stampende ritmebasis. De dubbelcd sluit ook af met een lange track van stampende fusion, met een grote rol voor de wowwow van een gitaar. Daartussen horen we swingende, funky nummers als ‘The Majestic Way’ en ‘Certainty’, met snerpende gitaren, fel trompetspel en funky basloopjes. Die nummers swingen en rocken fijn, maar dragen het gevaar van overdaad en verveling in zich. Een stevig geluid kan meeslepend zijn, zoals hard schreeuwen kan overtuigen terwijl er feitelijk aloude platitudes worden geuit. Vooral het drumwerk is bij tijden zo rechttoe rechtaan dat het saai wordt. Heel prettig is het dat Pheeroan akLaff zich kan revancheren in meer swingende drumpartijen en dat er ook verrassend kalme, atmosferische composities zijn, met bijvoorbeeld zwevende, echoënde keyboards en sfeervolle bassolo’s, of een bedachtzaam klinkende piano met een zwervend gitaargeluid. In weer een andere track klinken de afwisselend lang aangehouden tonen en korte snelle frasen van Smiths trompet met vage metalige klanken op de achtergrond. Een positieve verassing is ook de toevoeging van laptops aan het groepsgeluid. ‘Heart’s Reflections’ bevat gelukkig zijn verrassende momenten, in het geluid en in de opbouw, maar de dubbelaar heeft zo zijn zwakke schakels.

Soms zijn er platen die we het liefste in tweeën zouden willen delen voor de recensie. Een recensie over kant A, de tweede over kant B. ‘Sage’, het zesde album van Across Tundras (en eerste op Neurot Recordings), is zo’n album. Op kant A weet de band uit Nashville zijn mix van psychedelische stoner met country en de blazende wind uit spaghetti westerns tot in de puntjes te verfijnen. Met ‘In The Name Of The River Grand’, de opener, staan onze oren meteen gespitst. Uitdagend, fris, afwisselend en met een verdomde fijne trombone die aan het eind als een warme woestijnwind mee komt blazen. Een broeierige sfeer die in ‘Hijo De Desierto’ wordt doorgezet. Het brandende zand worstelt zich tussen de tenen, terwijl er voor de voeten een – bezongen – ratelslang voort krult. Hier definieert en onderscheidt de band zich met een eigen en sterk geluid, dat best omschreven is als een lome en zware versie van Friends Of Dean Martinez (met vocalen). Maar met ‘Buried Arrows’, een krachtig country doom duet, wordt kant A afgesloten. Om dan op kant B toch enigszins teleur te stellen. Toegegeven, de country- en Americana-elementen zijn er nog. Toch valt Across Tundras hier min of meer terug op standaard stonerpatroontjes, die lang niet zo overtuigen als de eerste drie werken. Daar wordt nog heel even aangeraakt in de instrumentale afsluiter ‘Shunka Sapa’, waarmee de plaat weliswaar een prettig einde krijgt. Maar wel met de hoop dat de band op plaat zeven aan kant A een consistent vervolg geeft.