GC #105

Nog altijd is Handsome Furs het project van het, in alle opzichten, duo Dan Broeckner (ex-Wolfparade) en de nog altijd ravissante Alexie Perry. Nu Wolfparade, hopelijk maar voor een tijdje, op rust is gesteld heeft Broeckner zich samen met zijn vrouw op hun gezamenlijke project gestort. Op deze nieuwe plaat heeft hij om zichzelf uit te dagen dan ook nog de gitaar links laten liggen. In de plaats daarvan smeet hij zich volledig op de synthesizers uit de jaren 1980 die hij her en der bij elkaar sprokkelde. Het resultaat is een plaat vol gejaagde electropop met een wel zeer vuile punkrand. Opvallend is ook dat ondanks het afzweren van de gitaar op de synthesizers zijn kenmerkende geluid op één of andere manier overeind bleef. Inspiratie voor het album haalde het duo uit zijn tournee doorheen Azië. Iets wat we horen in de sample bij het begin van het nummer ‘Damage’. We zien het ook in het artwork van de plaat. Op de binnenhoes zijn we foto’s van een boel Aziaten in één of andere tropisch zwemparadijs. Bevreemdende beelden levert dat op. Iets wat we ook kunnen zeggen van de ongecensureerde clip bij het nummer ‘What About Us’. En nee, we keken niet alleen naar deze clip omwille van de overvloedige naakte vrouwen die erin figureren. Al drie platen lang levert Handsome Furs sterk werk af. Muziek die telkens opnieuw evolueert. Van nog behoorlijk ingetogen op het debuut ‘Plague Park’ naar de vuige electropunk op deze ‘Sound Kapital’. Aanrader!

Verkies je de oceaanbodem of een zwart gat als eindbestemming voor jouw onderbewustzijn? Met slechts een handvol releases op zeventien jaar tijd, blijft het Amerikaanse duo Yen Pox op hun cultreputatie teren, ook al is het dark ambient-marktsegment allang overvloedig ingevuld door tal van gelijkklinkende projecten. Maar laat er geen twijfel over bestaan dat Michael J.V. Hensley en Steven Hall nog steeds authentieke kwaliteit bieden. Met een groepsnaam die verwijst naar opiumroken, kosmisch artwork van Eyelyft, een titel die ons aan Swans doet denken, en tracks die ‘Above’ en ‘Below’ heten, zitten we goed voor een half uur diepe basdreunmuziek op deze gelimiteerde 10inch. Muzikaal parkeert de eb en vloed van ‘Universal Emptiness’ zich in de onpeilbare duisternis ergens tussen Lustmord en Inade in. En natuurlijk zitten ook wat paranormale technische verhalen achter deze opnames. Zo zouden sommige dreunen te laag geweest zijn om op gekleurd vinyl te persen, zoals gebruikelijk in de Substantia Innominata reeks, en zag Drone records zich uitzonderlijk gedwongen om te kiezen voor zwart vinyl om de baskwaliteit zoveel mogelijk te waarborgen.

Bij een snelle blik op ons stapeltje cd’s voor deze editie van Gonzo (circus) waren we aangenaam verrast. Een nieuwe plaat van Mercury Rev! Vorige zomer, toen wel ja, zagen we ze nog schitteren in de binnentuin van het Leuvense museum M. Die nieuwe plaat dus. Een tweede blik bracht ons snel met de voeten op de grond. ‘Deserter’s Songs – The Instrumental Edition’ zagen we in een tekstband bovenaan staan. De nodige scepsis was opgewekt. Gingen we de stem van Jonathan Donahue, de man van de grootse gebaren op een podium, niet missen? Goed, de plaat verdwijnt in de cd-speler en begint aan haar eerste rondje. We kunnen de songs van de originele plaat dromen. Maar hier zijn we op het eerste gehoor niet echt kapot van. In ons hoofd zingen we de tekst van ‘Holes’ over de muziek. Een karaokegevoel overvalt ons. Karoake bij Mercury Rev? Voor deze plaat werkt hun compagnon de route David Fridmann deze geremixte versies uit. Enkel ‘Goddess On A Hiway’ kreeg een bewerking door Peter Katis, die eerder samenwerkte met Interpol en The National. Na het einde van de plaat blijven we in verwarring achter. Wat is hiervan de bedoeling? Wat voegt dit toe aan de toch wel mooie catalogus van de band? Nee, dit is spielerei. Echt een goed idee durven wij dit niet te noemen. Wij wachten vooral op echt nieuw werk van de band.

De cd met de fraaie titel ‘Einem luftigen akustischen Kosmos entgegen’ betreft de registratie van een historisch gezamenlijk optreden van de Duitse denker, kunstenaar en performer Carlfriedrich Claus en de schrijver, filmmaker, componist en muzikant Hartmut Geerken. De performance werd in 1991 in het Lyrik-Kabinett te München uitgevoerd. Beide kunstenaars maakten een backing tape en schreven uitgebreide aanwijzingen voor de te declameren teksten en de stemvervormingen. De doffe, kwalitatief matige opnamen die nadrukkelijk aanwezig zijn, stammen waarschijnlijk van de vooraf gemaakte tapes. Tijdens de performance was ruimte voor improvisatie en het gebruik van kleine bekkens, waar overigens slechts sporadisch gebruik van is gemaakt. Wat we Claus en Geerken horen presenteren, is een mengsel van klankkunst en concrete poëzie. Het gaat niet zozeer om de teksten (al is de keuze daarin door de heren destijds ongetwijfeld weloverwogen gemaakt, regelmatig verwijzen de teksten naar taal en linguïstiek), maar vooral om de manier waarop ze het brengen: de articulatie, de klanken die worden opgerekt, gegromd, gerateld, enzovoort. Het is niet zo abstract als Kurt Schwitters’ ‘Ursonate’ of Jaap Blonks kunsten, maar het verschil is niet heel groot. Ik noem Schwitters niet zomaar: de performance heeft een sterk Dada-karakter, en zowel Claus als Geerken hebben er connecties mee. Declamaties, vervormde stemmen en langgerekte kreunen zijn soms herkenbaar en op andere momenten vormen ze een dichte muur van geluid. Sec voorgedragen (taal)wetenschappelijke teksten gaan over in vervormde klanken, hier klinken extreem vertraagde stemmen, daar overdreven gearticuleerde medeklinkers. Zo herhalen de onderdelen zich, wisselen elkaar af, of worden gestapeld. In de laatste vijftien minuten is er opeens nog een interessante noisy geluidsuitbarsting, maar die verrassing heeft wel erg op zich laten wachten. Waarschijnlijk was het bijzonder vermakelijk om bij de performance aanwezig te zijn. Als pure geluidsregistratie is een uur heel lang.

Na zijn bijzonder mooie dubbel-cd ‘Filaments & Voids’ op het 12K-label, komt Kenneth Kirschner nu maar liefst met een drievoudige cd. Kirschner had al laten merken dat zijn muziek tijd nodig heeft. ‘Twenty Ten’ bevat op de drie schijfjes dan ook ‘slechts’ vier stukken, samen goed voor vier uur muziek. Zoals we van Kirschner gewoon zijn, draagt elk stuk als titel de datum waarop hij eraan is begonnen. Hij neemt ook nu dus weer de tijd voor het onderzoeken van het sonische spectrum, van het instrument, de opname, en de ruimte waarin hij musiceert. De eerste cd opent, verrassend, met Kirschner spelend op metallofoons en xylofoons. Het is een vol stuk, dat door de simultaan aanwezige lagen doet denken aan een gamelan, maar dan met louter hoge tonen. En net als bij een gamelan klinken er geen melodieën, maar een afwisseling van verschillende ritmische patronen – sneller, langzamer, overzichtelijker, complexer. ‘September 25, 2010’ doet enigszins denken aan ‘Filaments & Voids’, in die zin dat de stiltes hier net zo een belangrijke rol spelen als de klanken. Die klanken komen hier niet van een piano, maar van strijkinstrumenten, houten en koperen blaasinstrumenten. Het stuk zou bestaan uit 142 verschillende akkoorden, zonder dat er een wordt herhaald, afgewisseld met stiltes, waardoor de compositie iets peinzends krijgt. Drie cd’s met lange composities die niet al te gangbaar klinken, lijkt geen uitnodigend luistervoer. Dit drieluik, waarop Kirschner wederom niet de breedte maar de diepte opzoekt, toch te beluisteren, zal beslist voelen als een beloning.

Soms krijgen we vreemde releases in onze brievenbus, als de post wil meewerken natuurlijk. Deze is er eentje van. Dit is namelijk een plaat van een band die je niet echt in Gonzo (circus) verwacht. En waarom dan wel niet, horen we u brommen. Wel, Headcat is een trio, opgericht in 2000, dat uit een paar coryfeeën bestaat die deze band louter voor hun plezier runnen. Lemmy Kilmister (Motörhead) betoont met Headcat eer aan zijn muzikale invloeden, en heeft Slim Jim Phantom (Stray Cats) en rockabillylegende Danny B. Harvey (Lonesome Spurs, The Rockats) tot zijn kompanen gemaakt. Natuurlijk is de stem van Lemmy onmiskenbaar, maar het trio slaagt er toch in om lekker ouderwetse blues en rockabilly te spelen. Twee eigen songs (opener ‘American Beat’ en ‘The Eagle Flys On Friday’) doen niet onder voor een resem covers van onder meer Gene Vincent, Chuck Berry, Robert Johnson, Elvis Presley, Eddie Cochran en Jerry Lee Lewis. En het moet gezegd: het gaat goed vooruit. Twaalf songs in nog geen half uur draait de band erdoor, zonder omzien zetten ze een tandje bij en zetten de liedjes toch allemaal naar hun eigen hand. Het plezier straalt van deze plaat af, en al zal ze geen groot verkoopsucces worden, het is voor geen van de drie leden hun broodwinning. Ze hoeven dan ook nergens rekening mee te houden en doen lekker hun zin. Wij genieten van de liedjes en sporen later nog eens de originelen op.

Het label Sargent House is niet van de makkelijke bands, zoals artiesten Hella, Omar Rodriguez Lopez, Zach Hill en Zechs Marquise al doen vermoeden. Onlangs bracht de platenmaatschappij twee albums van het Japanse trio Boris uit, ‘Attention Please’ en ‘Heavy Rocks (2011)’, en daarnaast verscheen ‘New Album’ op Tearbridge/Avex. Maar liefst drie cd’s naast elkaar of gelijktijdig, in de wetenschap dat ‘Heavy Rocks’ een herinterpretatie is van het gelijknamige album uit 2002 – via allerlei slinkse wegen probeert dit psychedelische metalmonster je gek te krijgen. Als het met dat waanzinnige releaseschema niet lukt, dan komt zoiets wel goed met de tien tracks op de twee releases; het experimentele rock/metaltrio (actief sinds 1992) draait de hand niet om voor grensverleggende en geestverruimende composities. OK, je weet dat er je iets met metal, rock, shoegaze, noise en (toch ook wel) pop te wachten staat, maar in welke dosis en op wat voor manier is niet van tevoren duidelijk. Het grote publiek weet de uitstekende muzikanten dan ook niet te vinden, maar de schare liefhebbers groeit gelukkig gestaag. Op ‘Attention Please’ wordt er meer (en redelijk onevenwichtig) dan op ‘Heavy Rocks’ gestoeid met dansbare ritmes en samples, maar daar moet je je toch echt geen commerciële sell out bij voorstellen, net zo min als een underground zelfmoord trouwens. Boris is wars van richting en blind voor de markt maar werkt stug en onverdroten verder aan een fascinerend oeuvre.

De drang is erg groot om de brave Gonzolezertjes op de mouw te spelden dat we een obscure plaat uit 1979 opgeduikeld hebben, maar dit op driehonderd exemplaren gelimiteerd vinyl werd wel degelijk in 2009 gemaakt, en pas in 2011 uitgebracht. Ondanks het traditionele instrumentarium (gitaren, drums, keyboards en viool) klinkt alles op ‘The Letter’ defect of minstens tot op de draad versleten. De gitaren lijken maar één roestige snaar te hebben, keyboards sputteren noise, drums klinken als kartonnen waspoederdozen, en de viool groet John Cale. Ook de stem van Nina Bosnic wauwelt vaag en onverstaanbaar in en uit de mix, net als een aantal primitief opgenomen (met mobiele telefoons en een ouwe cassetterecorder) omgevingsgeluiden. Dit lijkt misschien het recept voor een rampscenario, maar eens alle elementen samengevoegd worden klopt het plaatje perfect. ‘The Letter’ ademt de grauwe sfeer uit van een verloederde Britse sociale hoogbouw, ergens begin jaren 1980. De primitieve rauwheid van het debuut van dit viertal is dan ook aanbevolen aan alle fijne mensen die de eerste platen van Cabaret Voltaire (‘1914-16’), Nocturnal Emissions (‘Tissue Of Lies’ en ‘Fruiting Body’), en ja waarom niet, ‘Second Annual Report’ van Throbbing Gristle nog steeds een warm hart toedragen.

Na twee albums vol vingeroefeningen hebben John Elliott (Emeralds) en Sam Goldberg (Radio People) hun kunst weten te vervolmaken voor ‘House’, uit op Elliots Spectrum Spools label. Het openingsnummer begint met een optimistische arpeggio-melodie, maar voordat we ‘Kraftwerk’ kunnen denken, zet er een grandioze vloot synthesizers in die je onwillekeurig warm doen glimlachen. Het is de perfecte aftrap van alweer een ‘nu-synth’-plaat, maar wel een die veel recente platen in hetzelfde genre achter zich laat. Compositorisch is ‘House’ veel completer uitgewerkt dan het werk van bijvoorbeeld labelgenoten Forma, of iemand als Rene Hell. Meer nummers hebben een opbouw als het eerste: een ritme van sequencer-pulsen waar overheen langzaam een melodie wordt gebouwd, die ergens onderweg tot een dramatische uitbarsting van kamerbrede synthesizers komt. Halverwege verliezen de heren zich in een meditatief stuk zonder sequencers en arpeggio’s, waarmee ze even uit de buurt van Klaus Schulze, en meer in het vaarwater van Vangelis komen. Het mooie ‘Dead Occasion / Ovary Stunts’ combineert alle aspecten van Mist: beginnend als een lange melodische intro die de aanzet lijkt tot wederom synth-vuurwerk, wordt het nummer abrupt gekaapt door een ritmisch stuk vol percussie van pulsen en stoten witte ruis. Melodieën wassen af en aan, tot het uitgestelde vuurwerk alsnog losbarst. Het sluitstuk van de plaat begint verrassend dissonant – één ding dat de Emeralds en OPN’s van deze wereld gemeen hebben, is dat alles altijd gemaakt lijkt om bevallig te klinken – en verwordt later tot de perfecte soundtrack voor een scene waarin iemand duizelig door de ruimte tolt. Het is verreweg het meest experimentele nummer op de plaat (of de voorgaande platen), en misschien een aanwijzing voor de richting waarin Mist hierna zal bewegen. Het zou ze nog meer onderscheiden van hun soortgenoten. Vinyl only.

Het jonge Brusselse Vlek label timmert goed aan de weg met eigenwijze en eigenzinnige elektronische muziek. Na de eerste gratis mp3 releases is er nu ook een vinyl ep release van Squeaky Lobster. Deze piepende kreeft is het alter ego van de geheimzinnige Brusseleir Laurent Delforge die wordt gezien als de nieuwe elektronische revelatie in de hoofdstedelijke omstreken. Veelgemaakte vergelijkingen met Amon Tobin, Flying Lotus en Gonjasufi zijn terecht, maar de herkenbare geluidssignaturen van deze artiesten worden zelfs allemaal samengepakt binnen één song, om van kruisbestuivingen te spreken. Van psychedelische breakbeat tot gebroken beats, vettige wobblestep en knisperende IDM, ‘Will-O’-The-Wisp’ doet je spontaan reizen van de ene naar de andere elektronische stijl anno 2011. Uitsmijter van de plaat is de opener ‘Flying Rupees’ waar Indiase film en sitar samples voor een psycho-exotische trip zorgen op een ritme van gebroken beats en zoemende sub bassen. In minder dan vijftien minuten tikken we af, een kort maar krachtige ep toer als voer voor dj’s en dansvloer. We zijn benieuwd hoe lang deze kreeft uit de handen van de hypekoks zal kunnen blijven.

Thomas Klein, de man die achter het soloproject Solyst schuilgaat, kan achter zijn schuine streep door de O fluiten. Geen zin om die letter te zoeken op ons versleten toetsenbord. We zijn trouwens te druk bezig in ons hoofd om zijn plaat een plaats te geven. Vijftien jaar is hij al de drummer van Kreidler en hij neemt nu de gelegenheid om een soloplaat te maken waar alleen maar drums, in al hun vormen, op zijn te horen. Repetitieve sequenties, in elkaar overlopende en door elkaar heen krioelende delaypedalen, opgenomen in plaatsen waar alleen de akoestiek van belang was of er interrupties van buitenaf, geluiden die net niet op hun plaats zijn, wel welkom waren. En dat in een filmische mengeling van minimal, krautrock uiteraard, beats, dub, kosmische stukken. Maar ook Afrikaanse ritmes vinden hun plaats. En dat alles door elkaar gehusseld in een zeer open en dromerige mix die als een soundtrack aandoet voor een resem intrigerende kortfilms. Filmpjes over de zee, de oceaan, water en zijn bewoners, of zo doen alle titels toch vermoeden. ‘The Swell’, ‘Kelpie’, ‘The Isle’, ‘Melville’, ze spreken een beetje voor zich, die titels. Net als ‘Cape Fear’, het meest angstaanjagende nummer van de plaat, dat allicht verwijst naar de gelijknamige film. Hij wordt sporadisch bijgestaan door TG Mauss op synthesizers, een man die ook op het podium zijn assistentie verleent om deze tribal dub krautrock tot leven te brengen.

Alweer de zesde release in nog geen half jaar tijd op Spectrum Spools, het analoge synth-sublabel van Editions Mego dat wordt bestierd door Emeralds’ John Elliott. Eerder verschenen er mooie platen van Mist en Fabric (zie GC#103), en minder spannend werk van Forma (zie GC#104). Allemaal artiesten die, net als Emeralds en OPN, stevig in de kosmische traditie staan, zij het dertig jaar nadat dat een nieuw geluid was. Als we het persbericht over Temporal Marauder moeten geloven, is deze plaat echter een nooit eerder verschenen meesterwerk dat daadwerkelijk in de vroege jaren tachtig werd opgenomen. Of het waar is, hebben we niet kunnen nagaan, maar het is maar de vraag of het iemand in deze retro-tijden ook maar iets kan schelen. Hoe het ook zij, ‘…Makes You Feel’ is een veel spannender aangelegenheid dan veel van de voornoemde platen. De muziek bevat veel lagen, drukke geluiden, en is wisselend van stijl en consistent tegelijk. Het eerste nummer zet meteen de toon: over een simpele elektronische beat vliegen geluiden en flarden tapes af en aan. Ergens in de verte speelt een gitaar mee, verdronken in de reverb, terwijl de robot-groove vrolijk door hobbelt, alsof Can en de German Sheperds samen aan het jammen zijn. Volgende nummers zijn noisier en experimenteler, maar het geheel houdt vaak iets toegankelijks door de goed verborgen melodieën die je pas na een paar keer luisteren ontdekt. Een enkel nummer leunt wel zwaar op eindeloze synthesizer-arpeggios, en het geheel klinkt daarmee als de missende schakel tussen krautrock en kosmische synth-muziek enerzijds, en elektronische industriële platen, en zelfs No Wave, van de vroege jaren tachtig anderzijds. Ontregeld en ontregelend.

Het is pas met dit tweede album dat het uit Stillwater, Oklahoma afkomstige Other Lives echt de nodige aandacht naar zich toetrekt. Trouwens al het derde album voor de leden, want eerder waren ze al actief als het ongelukkige genaamde Kunek. De aandacht voor de band wordt ook gegenereerd door de wel zeer interactieve clip bij het nummer ‘For 12’. Daarvoor werd zelfs een speciale site, www.tameranimals.com opgericht. Een clip die zeker het uitchecken waard is. En is de band rond Jesse Tabish deze aandacht ook waard? Vast en zeker, want de band heeft met deze plaat een zeer degelijke folky indiepopplaat afgeleverd. Een plaat die uitblinkt door zijn zorgvuldig opgebouwde songs. De band heeft dan ook bijna twee jaar gewerkt aan de opvolger van het titelloze debuut. Soms breed uitwaaierende indiepopsongs die hier en daar hints prijsgeven van de favoriete bands van frontman Tabisch zoals Sigur Rós. De muziek van deze invloed wordt wel vertaald naar toegankelijke indiepop, dat wel.

Ook op hun derde album (twee compilaties van gelimiteerde singles niet meegeteld) hebben de heren van Wooden Shjips weer aan de juiste tripdrugs gezeten. Net als op het titelloze ‘Wooden Shjips’ en op ‘Dos’ maakt de band weer indruk met een combinatie van experimentele dronerock, psychedelische jaren 1960 hippiejams en spaced out rock. Eerder dit jaar bracht de zeer bebaarde Erik ‘Ripley’ Johnson met zijn zijproject Moon Duo het al meer dan geslaagde ‘Mazes’ uit, een plaat waarin we afgelopen jaar meermaals verloren liepen. De komende herfst zullen we verslingerd raken aan deze nieuwe ‘West’. Opener ‘Black Smoke Rise’ trapt af met furieuze gitaren en een voortdreinend orgel dat ons deed denken aan dat van Ray Manzarek van The Doors. De gitaren blijven vanaf nu de hele plaat door tot aan de enkels in even diepe fuzzy poelen gedrenkt. In ‘Crossing’ is het dan weer de ver naar de achtergrond gemixte krautrockende drum die het nummer blijft vooruit stuwen. Hoogtepunten van het album zijn echter het stevig fuzzy rockende ‘Lazy Bones’ en ‘Flight’, met opnieuw dat orgel en zijn om de muziek heen kringelende zanglijnen. Dat er voor de zang niet gekeken wordt op een overstuurde microfoon meer of minder kunnen wij trouwens alleen maar toejuichen. Zogenaamde perfecte productie is overroepen. Zeker als je psychedelische tripmuziek wilt maken.

Achter Jasmina Maschina gaat letterlijk en figuurlijk Jasmine Monique Guffond schuil, een muzikante uit Sydney, Australië die recentelijk verkaste naar Berlijn. Als lid van het duo Minit (1997-2004) maakte ze al eerder werk voor het onvolprezen Duitse label Staubgold, en sinds een paar jaar doet ze dat dus solo als Jasmina Maschina. Kenmerkend daarbij is het verdrinken van het geluid, met lieflijk, simpel en repeterend gitaarspel als fluistermotor. Een rond, hypnotiserend gitaargeluid dat bestaat uit eenvoudig getokkel dat uiteindelijk bijzonder effectief werkt. De lijzige, onnadrukkelijke, naar binnen gekeerde en vaak zelfs valse zang gaat non-stop kopje onder in dat gitaarspel en de daaromheen gebreide geluidslagen van lang aangehouden keyboardakkoorden, elektronisch gepruttel en vage baslijnen. De tokkeltrance van Jasmina Maschina laat horen hoe je met minimale middelen veel resultaat kunt halen uit herhaling en jezelf helemaal onderdompelen in de voortgaande beweging van loom en gelukkig snarenspel.

Dit is nu eens een plaat waarvan we blij zijn dat we wat info kunnen spuwen, omdat we anders bitter weinig te vertellen zouden hebben. Uit Osnabrück komen de vijf heren, en ze schijnen, Duitsers zijnde, nog humor te hebben ook. Dit album aan ons geven, vinden zij allicht grappig, wij niet echt. Soit, in 2008 besluit de band om zijn naam te veranderen. Good Witch Of The South, het was allemaal goed en wel voor het maken van albums met zang in het Engels, maar het lukte toch allemaal niet zo goed en eigenlijk willen ze liever in het Duits zingen. Zo gezegd, zo gedaan, Dampfmaschine werd boven de doopvont gehouden en M.PA.Winckelkopf zou voortaan de teksten schrijven. In 2009 maken ze op vraag van Happy Tom (Turbonegro) een Duitstalige versie van ‘Bad Mongo’ en sindsdien zijn beide bands de beste maatjes. In zoverre dat Dampfmaschine op de ‘Turbojugend Welttage’ (15 juli jongstleden) in Hamburg mocht aantreden. Ze toerden al uitgebreid met Die Ärzte, Reagan Youth, Adolescents, Karma To Burn en maakten recent, om als b-kantje van een gelimiteerde vinylsingle te dienen, een cover van ‘Die Interimsliebenden’ van Einstürzende Neubauten. Dat klinkt allemaal best interessant, maar wanneer we beginnen te luisteren, horen we niet meer dan een derderangs Rammstein. Teksten over bergbeklimmen en een zonnestraaltje in niet steeds gemakkelijk te volgen Duits hebben wel iets, en verering van machines is een ware Teutoonse missie, maar er ontbreekt het een en ander. Het ramt, het heeft ergens potentieel, het komt niet tot zijn recht. Het ratelt als een defecte stoomtrein, het hapert, het lijkt op gang te komen, het is te Duits, te bombastisch en het leidt nergens toe. Dronken in een feestzaal komt deze band allicht beter tot zijn recht, al zal het nog steeds zonder ons zijn.