GC #106

Dingen veranderen. Ook in het bestaan van de New Yorkse band Forest Fire. Hun eerste album ‘Survival’ uit 2008 gaven ze nog weg als gratis download maar ondertussen werden ze opgepikt door het toch niet weinig interessante Britse label Fat Cat, thuishaven van fijne bands als Animal Collective, Black Dice, Silje Nes en vele anderen. De band zet op het nieuwe album de lijn voort van de eersteling. Ze doorspekken hun van oorsprong folkgetinte nummers met de nodige lagen noise en soms met zelfs haast dansbare beats. Dat laatste is bijvoorbeeld het geval in ‘They Pray Execution Style’. Dan zijn we al vier nummers ver in het album en prijzen we ons gelukkig dat er iets meer opwinding komt. De eerste drie nummers gleden namelijk iets te makkelijk langs ons heen. Maar vanaf dan werkt de combinatie en afwisseling tussen akoestische songs, noise en synthgedreven geluiden plots dus wel. De plaat herpakt zich, na nog even gas terug genomen te hebben in het titelnummer ‘Staring At The X’. Traag tot ontbranding komen doet de plaat in het ruim acht minuten durende slotnummer ‘Visions In Plastic’. Net geslaagd dus. En een heel goede poging.

Het moest er ooit van komen natuurlijk, dat gerenommeerd filmmaker David Lynch zich zou wagen aan een muzikaal project. Niet dat hij aan zijn proefstuk toe is. Hij maakte van bij het begin van zijn carrière, met de cultfilm ‘Eraserhead’, meteen duidelijk hoe belangrijk hij muziek vindt voor zijn films. Voor ‘Eraserhead’ schreef hij het nummer ‘In Heaven’, samen met Peter Lovers. Die lijn zette hij sindsdien door. Zo werkte hij geregeld samen met Angelo Badalamenti, die meestal wel carte blanche kreeg, als Lynch de muziek tenminste goed genoeg vond, maar soms schreef Lynch gewoon mee. Net als met de Poolse pianist Marek Zebrowski voor ‘Inland Empire’. En dat is maar een tipje van de sluier. Hij werkte eerder ook al samen met Sparklehorse en Danger Mouse. En hij maakte een plaat met John Neff (‘Blue Bob’) en een met Jocelyn Montgomery (‘Lux Vivens’), twee fascinerende trips in zijn eigengereide wereld. Hij houdt steeds de vinger op de pols, in zijn films, sculpturen, digitaal platform op internet en ook met de muziek die hij wil maken of gebruiken. Dus maakt hij een album, waarop hij zingt en gitaar speelt. Hier en daar roept Lynch bevriende muzikanten op om een handje toe te steken. Veel info hebben we vooralsnog niet, de promo bevat weinig meer dan de titels van de songs, maar we weten wel dat Karen O van Yeah Yeah Yeahs meewerkt aan ‘Pinky’s Dream’. En wat moet je je van deze plaat voorstellen? Wel, wat we van Lynch verwachten: bevreemdende soundscapes, electropopliedjes met een hoek af, een ferme knipoog naar de wave van de jaren 1980 en vooral muziek die zo kan worden gebruikt voor één van zijn films. ‘Crazy Clown Time’ is dus vooral Lynchiaans en past perfect binnen diens alsmaar verder uitbreidende universum.

Behalve elektroakoestisch componist, is Stephan Mathieu ook een verwoed verzamelaar van 78-toeren platen uit de eerste decennia van de vorige eeuw. Die twee voorliefdes komen samen op ‘To Describe Washington Bridge’, een 10inch met twee composities die in het verlengde liggen van wat hij op zijn recente album ‘A Static Place’ ook al deed. Op oorspronkelijke grammofoons speelde hij twee oude platen met werk van Händel af, om vervolgens middels contactmicrofoons het geluid weer op te nemen. En grondig na te bewerken, want de Messiah herkennen we er niet meer in terug. Beide nummers zijn lange, bijna plechtige soundscapes, die langzaam door verschillende fases heen schuiven. Met name kant b heeft iets hemels door de opgerekte stemmen die ergens onder in de mix zweven, een truc die hij op ‘A Static Place’ ook al effectief toepaste. Fraai, en misschien maar goed dat dit slechts een ep is, want een hele cd lang blijft een concept als dit niet altijd even boeiend, herinneren wij ons.

Consolidatie hoeft niet per se negatief te zijn. Na drie albums – ‘Celestial Lineage’ is nummer vier – heeft het Amerikaanse Wolves In The Throne Room dat consolideren namelijk gelijkgesteld met perfectioneren. ‘Celestial Lineage’ is bovendien het sluitstuk van een meer dan geslaagde trilogie met ‘Two Hunters’ (2007) en ‘Black Cascade’ (’09) als voorafgaande hoofdstukken. Dit is bijgevolg de finale, de artistieke climax. Nog steeds leunt de band – in wezen de broers Aaron en Nathan Weaver, maar ditmaal opnieuw aangevuld met zangeres Jessika Kenney én met Aaron Turner (ISIS, Mamiffer) als gast – op een fundament van misantropische Noorse oerblack metal zoals die werd uitgetekend door Burzum. Gelijke doses Gothic, atmosferische postrock, epische shoegaze, drones, folk, doom en crustpunk plus een uitgesproken ecologische en spirituele wereldbeschouwing maken het plaatje echter compleet, positiever én uniek; en bevestigen Wolves In The Throne Room sinds hun debuut ‘Diadem Of 12 Stars’ uit 2006 als een van de absolute vaandeldragers van de Amerikaanse progressieve black metalscene. Waarschijnlijk hierdoor zijn ze een van de weinige namen die ook relatief populair zijn buiten de gebruikelijke niche, iets dat ze bijvoorbeeld gemeen hebben met Liturgy. Dat succes zit hem de facto in de vaststelling dat de sound van Wolves In The Throne Room hoegenaamd niet vloekt met de smaak van fans van onder andere Neurosis, Amebix, Discharge, Godspeed You! Black Emperor en – niet in het minst door de angelieke zangpartijen van Kenney- zelfs Dead Can Dance. ‘Celestial Lineage’ is, zonder in detail hoeven te treden, niets minder dan een mijlpaal die elke genrebegrenzing met de vingers in de neus overstijgt!

Waar de naam van de band voor staat is nog makkelijk: M+A zijn Michele Ducci en Alessandro Degli Angioli, resp. 19 en 22 jaar oud. Vervolgens willen ze heel graag en heel goed uitleggen waarom ze muziek maken – en wel precies deze – en neemt het abstractieniveau een hoge vlucht. Waar het om gaat zijn dingen, en om daar ja tegen te zeggen. Of hun vriendelijke, vlotte bubbelpop een theoretische onderbouwing nodig heeft dient iedereen voor zichzelf uit te maken, maar het lijkt nogal overbodig ook al schetst het tegelijkertijd de betrokkenheid en dieptewerking. De muziek is lieflijk up-tempo, zweverig, met repeterende loopjes op keyboard die behoorlijk door de elektronicamolen gemangeld worden. Mooi is zeker de dromerige, wijdlopige zang van Michele, die zijn stem lekker romantisch laat onderdompelen in de sprankelende beats en blieps. Zo af en toe gaat het duo ook aan de slag met wat steviger ritmes uit house en electro, en wordt duidelijk dat ze hun invloeden niet alleen uit freakfolk halen, maar dat ook dance zeker een rol van betekenis speelt in het klankuniversum van M+A.

Carsten Nicolai is ongetwijfeld een genie, maar er treedt zo langzamerhand een zekere vervlakking op in het enthousiasme dat we op weten te brengen voor zijn werk. We kunnen ons niet aan de indruk onttrekken dat de vorm het al een tijd geleden heeft gewonnen van de inhoud: Nicolai handelt in concepten, niet in zoiets aards als leuke muziek. Volgens het bijgeleverde persbericht gaat ‘Univrs’ over “de conceptuele differentiatie van een universele taal”. Yep. Gelukkig laat de cd zich ook gewoon draaien zonder Wikipedia erop na te slaan. Wat we horen is een stuk toegankelijker dan de uiterst nerveuze zusterplaat ‘Unitxt’, of ‘ID’, die Nicolai eerder dit jaar met Ryoji Ikeda als Cyclo. maakte. Hij lijkt wat te zijn teruggekeerd naar zijn technowortels. De nummers zijn minder overladen met micro-accenten en jump cuts, en de beat, als die er is, is herkenbaar genoeg om op mee te kunnen knikken. Hier en daar steken de melodische elementen die in Nicolai’s ‘Xerrox’-serie zo bepalend zijn de kop op naast al het gebrom en geklik. Dat maakt ‘Univrs’ zeker het eerste halfuur een best goede plaat, met meer variatie (en minder irritatie) dan op sommige andere van zijn albums. Maar op een gegeven moment wordt het toch gewoon Noto by numbers. We wachten gelaten af tot het volgende concept aan ons gepresenteerd wordt.

Op een vrije dag tijdens de Canadese tournee in 2008 is Corkestra neergestreken bij de Gas Station studio in Toronto. Orkestleider Cor Fuhler had toevallig een fraai gezelschap met verschillende muzikale invalshoeken bij zich (zij het toch vooral uit de improvisatiehoek). Anne La Berge, Xavier Charles, Tobias Delius, Andy Moor, Nora Mulder, Wilbert de Joode, Tony Buck en Michael Vatcher vormen een rijtje dat kan instaan voor kwaliteit en fantasie. Corkestra presenteert dus tien tracks die in elk geval klinken alsof ze met veel plezier zijn gespeeld, met gemak swingend van vrije improvisatie gaand naar gecomponeerde jazz. ‘Cobbles’, bijvoorbeeld, start met een spooky klinkend orgeltje, dat na verloop van tijd wordt aangevuld met een jazzy melodie en ritmisch drumwerk vol verrassende accenten. Na verloop van tijd valt dit geheel uiteen in vrije improv vol klankjes en piepjes. Het jazzy gecomponeerde ‘Olive Oil’ krijgt een Oost-Europees accent dankzij de melodie op cymbalon, gepaard aan improvisaties op sax en gitaar. Het heeft een melancholieke of languissante sfeer op een vrolijke manier. Daartussen klinken wat meer abstracte geluidslandschappen, zoals ‘Dorst’ en ‘Wine Cellar’ (toeval?). ‘Gas Station Sessions’ is een cd die geslaagd improvisatie, gecomponeerde muziek, jazz en muzikale invallen vervlecht; het is swingend, sfeervol, levendig, aangenaam, melodieus, rustig en tegelijk vrolijk. En, zijn wij geneigd te zeggen, typerend voor de Nederlandse jazz-impro in het algemeen en voor dit gezelschap in het bijzonder.

Eugene S. Robinson kennen we vooral van zijn baanbrekende werk met zijn band Oxbow. Hij is er met zijn imposante gespierde lijf en goudkleurige onderbroek de onbetwiste aandachtstrekker en frontman. En een muzikaal genie bovendien, met een soort noisy afbraakblues waar we altijd en overal kippenvel van krijgen. Hij schreef inmiddels ook al enkele boeken (onder meer ‘Fight’) en werkt geregeld mee met andere muzikanten en projecten. En dat zijn niet van de minsten, de lijst is onvolledig maar hier zijn een aantal voorbeelden: Todd, Jarboe, Barry Adamson, Xiu Xiu, Zu, Capricorns, Old Man Gloom en Allen Ginsberg. De Franse deejay, radiopresentator en platenbaas (Bip_Hop en Pandemonium) Philippe Petit is al net zo iemand die graag collaboreert met anderen. Met Lydia Lunch of Barry Adamson bijvoorbeeld. En ook met onder meer Simon Fisher Turner, Justin Broadrick, Foetus, Graham Lewis (Wire), Cosey Fanny Tutti en Faust. Het stond in de sterren geschreven dat deze twee mannen ooit zouden samenwerken. En ze krijgen de hulp van Rhys Chatham (trompet op ‘The Table, The Stone’), Helena Espvall (Espers, Fursaxa) op cello en Hervé Vincent (Strings Of Consciousness, net als Petit zelf) op akoestische gitaar en synthesizer. Ze mogen elk op een aantal songs een paar accenten toevoegen. De nadruk ligt uiteraard op Robinsons teksten en Petits soundscapes, die behoorlijk donker van aard zijn. Net in de periode dat David Lynch zelf een soloplaat uitbrengt, maken de heren hier een soundtrack die angstaanjagender is, weerzin opwekkend, over moorden en ontrouw. Zelfs zonder echt te luisteren naar de teksten is het huiveren bij het beluisteren van Petits sculpturen. Schitterende plaat en zeker, ondanks de andere invalshoek, voer voor liefhebbers van Oxbow.

‘The Island’ is vooral een surrealistisch een-tweetje tussen violist Alexander Balanescu en gitariste Ada Milea, waarbij beiden al zingzeggend hun bizarre relatie uit de doeken doen. Geïnspireerd op het toneelstuk ‘The Island’ uit 1979 van de (eveneens Roemeense) schrijver/dramaturg/vertaler Gellu Naum maken ze in 18 composities een eigenzinnige interpretatie van het verhaal over Robinson Crusoe. De in 2001 overleden surrealist Naum kon na de communistische machtsovername in Roemenië niet veel kanten meer op met zijn ideeën, maar was gelukkig nog wel in staat om daar uiting aan te geven in kinderboeken, gedichten en vertalingen. Zangeres Ada Milea stelde Alexander Balanescu – nadat hij in de jaren 1990 vaker naar Roemenië terugkeerde en ook daar aan de slag wilde gaan – voor om samen met Naums toneelstuk ‘The Island’ aan de slag te gaan. Met schitterend resultaat. De onderkoelde, wereldvreemde stem van Alexander, de warme en rake woorden van Ada, afgewisseld met het bevlogen en intense vioolspel van Balanescu en de spaarzame maar effectieve klanken van de rest van het Quartet, maken het vreemde duet en het bijzondere verhaal tot een genot voor het oor. Voor veel luisteraars zal het even wennen zijn, maar als je er eenmaal inzit, heb je ook echt wat. Het blijft trouwens niet de hele tijd allemaal mooi, melancholiek en mysterieus, af en toe schiet het spel behoorlijk venijnig en wreed uit de bocht. Verder: prachtig uitgevoerd, virtuoos uitgewerkt en ingenieus in elkaar gezet.

Burgundy Bloom is het pseudoniem van de Amsterdamse singer-songwriter Martin Hoekstra, naar wiens echte naam we overigens even moesten zoeken. Wat wel meteen duidelijk werd, is dat het om een ambitieuze man gaat. Hij maakt popmuziek vanuit een achtergrond in klassieke muziek, en zijn liedjes schetsen naar eigen zeggen “an almost classical-impressionistic, musical landscape painted by the piano.” En ja hoor, binnen enkele minuten maakt zijn debuutplaat ‘The Poet’s Park’ de zodoende verwachtingen waar: Hoekstra houdt van het grote gebaar, van theater, van gevoelens en van literatuur. Denk Patrick Watson, denk Antony, denk Tori Amos. Denk aan een rijkelijk versierde taart waaraan de gastvrouw uren heeft zitten zwoegen in de keuken, maar waarvan je na twee hapjes al een beetje buikpijn krijgt. Hoekstra is van het type eenzame ziel met zijn hoofd vol grootse dromen, voor wie een popliedje van 3 minuten te min is, die thuis achter de piano hemelbestormende mini-opera’s zit te schrijven en die zijn teksten declameert als waren het Bijbelverzen. U merkt het, een zekere ironie kunnen wij hier niet onderdrukken. Geef ons maar wat indie-waardige ironie, of een beetje humor of iets van een teken dat het alles maar spel is. Niets daarvan bij Burgundy Bloom. Niet dat Hoekstra’s muzikale gaven ons helemaal niet aanstaan. We zouden bijvoorbeeld heel graag horen dat hij zoiets als die fijne instrumentale bridge in ‘Transformation of the Garden’ met die lekker ratelende percussie gewoon 4 minuten zou volhouden en al die labyrinten eromheen zou afbreken. Maar dat wil Hoekstra waarschijnlijk niet, en gelijk heeft-ie. Hoekstra mikt hoog, hoger dan deze recensent. Het zij hem van harte gegund.

Beyt Al Tapes is een nieuw Belgisch cd-r -en cassettelabel dat zich in gelimiteerde oplages richt op de bevreemdende onderstroom van België en omstreken, met de nadruk op eigen kunstzinnig hoesontwerp en kleurrijke zeefdrukken. Hash Buffalo is het esoterische project van Ernesto Gonzales (Bear Bones, Lay Low/Silvester Anfang II) en een aantal niet nader genoemde vrienden. Ze spelen hier stoned basement jams van Zuid-Amerikaanse krautpsychedelica met goedkope synths, slechte drumcomputers en ruimtelijke sferen die hun doel niet missen. De atmosferische klanken gaan af en toe de richting op van de Popol Vuh bijgestaan door lo-fi feedback die de luisteraar langzaam hypnotiseren. Het lange slotstuk is een live opname van een set in Scheld’apen uit 2009 en direct ook de best uitgewerkte compositie van deze schijf. Het is een project waar Gonzales en co zeker mee verder mogen. Dan is het de beurt aan de gele cassette van de Antwerpenaar Hans Dens, bekend als Innercity. De bewerkte zeefdrukhoes van de befaamde Congolese steler van het zwaard van koning Boudewijn is alvast veelbelovend. Niet dat deze cassette iets heeft met Afrikaanse sferen. We worden namelijk de kosmos ingeschoten waar buitenaardse klanken de atmosfeer bepalen. Kant A zijn vooral collages die aan elkaar zijn gevlochten en elkaar met een hoog tempo afwisselen. Kant B is de favoriete kant met een langere compositie waarin borrelende bubbels lijken te pulseren op een achtergrond van schreeuwende en kreunende stemmen en een vlugge outro van trommeltjes en een kromme synth. Beide kanten tellen slechts tien minuten op deze C20 cassette; kort maar krachtig is dus het devies. Mooie kunststukjes, zolang de voorraad nog strekt…..

Aandacht trekken, het is een kunst op zich in het overdrukke muziekwereldje. En dat hoef je niet noodzakelijk met je muziek te doen. Kijk naar het kwintet Living With Lions uit Vancouver, Canada. Hun album werd opgenomen met steun van de staat, en dan kwam een rechts politicus er achter dat de hoes er aanstootgevend uit ziet. En dat het cdboekje nog veel erger is dan de hoes al doet vermoeden. Jezus die wordt voorgesteld als een drol. Het hek helemaal van de dam, de band neemt de plaat uit de winkel en kan het geld terug storten aan de staat. Aandacht verzekerd. Want met de tien deuntjes die de plaat sieren, zal dat niet lukken. Doordeweekse poppunk met doordeweekse teksten, veel ophef kan je daar als band niet mee veroorzaken. Het klinkt allemaal niet slecht, maar we hadden al bands als The Offspring en Blink 182 die dit soort deuntjes in hun vroege jaren veel overtuigender en beter brachten. Maakt het wat uit? De hoes maakt dat deze band controverse heeft veroorzaakt, aandacht trekt en meer hebben ze niet nodig om wat extra concerten te kunnen spelen. Valt het tegen, beginnen ze gewoon weer een andere band. Deden ze al meerdere keren.

Mastodon blijft een vreemde band. Ze toeren zich te pleuris, maar dan curieus genoeg meestal als support van een grotere band zoals bijvoorbeeld Slayer; en daarvan weet iedereen ondertussen dat zoiets grotendeels preken voor de eigen parochie is. Een nieuwe tour als headliner lijkt er maar niet te komen. Concerten gaan bovendien vaak gebukt onder felle kwaliteitsschommelingen en de al zo vaak verkondigde én verwachte doorbraak blijft uit. Hun vorige album ‘Crack The Skye’ uit 2009 verscheen, net als ‘Blood Mountain’ (2006), nochtans op major Reprise/Warner. Een vaak gehoorde opmerking was dat Mastodon te complexe en doorwrochte muziek maakt om echt te appeleren aan de muzikale smaak van de doorsnee metalhead. Misschien, maar op ‘Crack The Skye’ klonk het viertal toegankelijker dan ooit. De mix van seventies hardrock, stoner, progrock en epische metal werd nooit eerder zo verteerbaar geserveerd als toen. ‘The Hunter’ zet die evolutie naadloos verder. Het echte beuken, zoals in bijvoorbeeld ‘Spectrelight’, wordt tot het minimum beperkt, de lengte van de nummers werd drastisch ingekort en het blik melodie werd ditmaal volledig opengetrokken. Mastodon is op vijf albums zo sterk veranderd dat anno 2011 niet veel meer doet vermoeden dat ze ooit debuteerden bij Relapse, een label dat bekend staat om extreme metal. Een hypermelodieus en door cleane stemmen gedragen nummer als ‘Creature Lives’ bijvoorbeeld had destijds nooit de Relapse-stempel kunnen krijgen. Onmogelijk. ‘The Hunter’ is een prima album, maar dreigt mogelijk wat tussen twee stoelen te vallen. Nummers als ‘Black Tongue’ of ‘Stargasm’ zijn zonder meer vintage Mastodon, maar tegelijkertijd is de band zo hard opgeschoven, zelfs richting Alice In Chains of Led Zeppelin, dat ze er hopelijk meer zieltjes bij winnen dan verliezen. Niettemin, een even verrassend als sterk album.

De Hongaar Cosmin Nicolae houdt niet van stilstaan. Hij veranderde zijn naam van TRG naar Cosmin TRG, ruilde Boekarest in voor Berlijn en kieperde zijn dubstepbassen de vuilbak in. Net wanneer de goegemeente zijn beats als zoete broodjes verorbert, besluit hij het roer om te gooien en andere dansvloeren te ontdekken. De eerste stop is de wondere wereld van de techno. Maar gelukkig heeft Cosmin niet alles overboord gegooid. Hij klampt nog steeds vast aan de warme bassen waarmee hij al jaren jongleert, wijkt af en toetst zijn ideeën aan het rijke Berlijnse technoverleden. Hij vindt inspiratie bij Marcel Dettmann en Ben Klock, maar evengoed bij de oppergod Plastikman. Het grootste verschil is dat Cosmin weigert zijn nummers te lang uit te spinnen. Elke track klokt af rond de 4-minuten grens, alsof anders verveling zou optreden. Bij Cosmin althans. De luisteraar maalt er niet om want die houdt van de grooves en de synth arpeggio’s waarmee Cosmin zijn tracks rijkelijk overgiet. Net daardoor is zijn debuut ‘Simulat’ een fijne licht heupwiegende dansplaat geworden waarbij de focus niet op roesinducerende dwaze beats gericht is. Tracks als het paniekerige ‘Osu Xen’, het vrolijk hinkelende ‘Less Of Me, More Of You’ en de single ‘Fizic’ zijn slechts enkele voorbeelden van de verfrissende wind die Cosmin TRG het belegen landschap inblaast zonder dat er ramen sneuvelen.

Bladerend door de Factory-catalogus valt één ding ons op (afgezien van de Haçienda-kat met zijn eigen catalogusnummer): de hoeveelheid bands waar we nooit (meer) van gehoord hebben. Het lijkt er op dat Tony Wilson en consorten het geld dat met Joy Division, New Order en Happy Mondays werd verdiend niet alleen maar verspilden aan The Haçienda (lees Peter Hooks boek daarover voor u ooit aan een eigen nachtclub begint) en excentrieke kantoorinrichting, maar ook aanwendden om obscure, vaak lokale bands een platform te geven. De meeste daarvan zijn te verdelen in twee categorieën: Joy Division-navolgers en dance-acts. ‘Fac. Dance’ verzamelt op twee cd’s 24 tracks uit de periode 1980-1987 van die tweede categorie. Daar zitten een aantal hits bij, zoals de 12inch versies van Section 25’s ‘Looking From A Hilltop’, A Certain Ratios ‘Knife Slits Water’ en New Orders ‘Confusion’, maar vooral ook veel tracks die in de mist van het verleden dreigden te verdwijnen. In sommige gevallen was dat geen drama geweest – zoals het ersazt-New Order-nummer van Shark Vegas of de gladde jazz-funk van 52nd Street – maar een nummer als ‘Smiling Monarchs’ van Abecedarians is nog steeds het aanhoren meer dan waard. Veel nummers hebben funk-invloeden, en daarnaast zijn fascinaties met vroege New Yorkse elektro en met (jazzy) latin vaak terugkerende ingrediënten. Een boel is inmiddels behoorlijk gedateerd, maar met name de kale “blanke funk”-nummers klinken als (en waren ongetwijfeld ook) een blauwdruk voor LCD Soundsystem en aanverwante postpunk-revivalists. ‘Fac. Dance’ is een leuke, maar zeker geen perfecte verzamelaar; daarvoor staan er teveel niemendalletjes op. In plaats van bijvoorbeeld de middelmatige reggae van X-O-Dus waren E.S.G., Cabaret Voltaire’s ‘Yashar’ of iets obscuurs, maar leuks, als ‘Break The Code’ van Miaow hier veel meer op hun plaats geweest.

Zoals de titel al aangeeft, bevat deze cd opnamesessies van improvisaties die Mark Alban Lotz speelde in mei 2010 in Istanboel. Een vruchtbare tijd voor Lotz: eerder verscheen al een cd met improvisaties die hij een dag later opnam, met andere improvisatoren uit de Turkse scene. Bij deze tweede cd – die om een of andere reden bij een ander label is verschenen – gaat multi-fluitist Lotz aan de improvisatieslag met het vijfkoppige gezelschap Islak Köpek. Dit bestaat uit een cellist, gitarist, twee saxofonisten en een laptopmuzikant. De laatste neemt zorgt voor abstract ritselende en tinkelende bijdragen, maar als het zo uitkomt ook voor de percussieve klanken en vervorming van andermans geluid. Het zijn de laptop en de blazers die de hoofdrollen in deze sessies vervullen. Ze spelen nerveuze lijntjes door elkaar, waaruit bijvoorbeeld Lotz na enige tijd kleine melodielijnen ontwikkelt. Elders spelen de blazers tonen op soms verschillende, soms eendere toonhoogten, soms samenvallend en soms niet, waaruit uiteindelijk melodielijnen ontstaan. Vaak bestaan de improvisaties uit lange saxlijnen, herhalend, prevelend, alsof ze een aanloop vormen naar iets dat niet komt. Denk aan John Coltrane in zijn laatste periode. ‘Our’ doet zelfs een beetje denken aan Albert Ayler. In ‘Mouthtrap’ worden de elektronische percussieve geluidjes beantwoord door de snelle korte fluittonen die Lotz rondstrooit; in ‘Down’ contrasteren bijna-melodieën met tinkelende laptopgeluidjes. Hier en daar wordt ook de stem ingezet. ‘Instanbul Improv Sessions May 4th’ is sfeervol, mooi in zijn klankenrijkdom en zeker ook in zijn opbouw. De twee sessiedagen kun je los van elkaar beluisteren, maar je kunt ze ook heel goed naast elkaar in de cdkast hebben staan! Alleen jammer dat ze dan toch verschillend zijn uit- en vormgegeven.