GC #106

Caural maakt er graag een zootje van. Samplen, ritmes stapelen, oude en nieuwe gear uittesten: het is zijn lust en zijn leven. Ook met ‘Die Before You Die’, de ep-opvolger van ‘Mirrors for Eyes’, baant Zachary Mastoon zich een weg door funk, hiphop en elektronica. Zonder veel pretentie trouwens. Of moeten we zeggen: zonder veel illusies? Deze ep sluit namelijk tien jaar werk als Caural af. De hiphop is dood en de diefstal van een Yamaha synth deed de twintiger ook geen goed. ‘Sugarcane Girlfriend‘ haalt instrumentale hiphop door de versnipperaar en kiest een gezellig hoekje voor Zachs ouwe piano, ‘Dragon Top’ bezoekt een tochtige hal vol game slots en het spooky ‘All Doors Open to the Same Room’ trekt als kort intermezzo vooral de hogere registers open. Dan is er de relaxed mood van ‘Sunburst’, waarmee Sven Van Hees en Troubleman een feestje kunnen bouwen, en sluit het drie jaar oude ‘Sorry, Underground Hip Hop Happened Ten Years Ago (for Regan)’ af met een knipoog die, tientallen yo’s rijk/arm, eenmalig grappig is. Tot die track was ‘Die Before You Die’ een fijne melting pot voor wie een zwak heeft voor in het bijzonder Daedelus en Wagon Christ.

The Monsters, dat is het langdurende project van Lightning Beatman, opperhoofd van Voodoo Rhythm, aimabel man en liefhebber van alles wat primitief en trashy is. En zie, zijn eigen vehikel viert zijn vijfentwintigjarige bestaan met zijn achtste album. Een gitaar, een bas en twee mannen die elk de helft van een drumstel krijgen toebedeeld, soms dezelfde helft, soms niet. En de schreeuwerige stem van Beatman zelf natuurlijk. En vervelen doet deze band nooit, simpelweg omdat er zoveel variatie wordt gebracht en ze telkens weer met geniale riffs afkomen. Tekstueel is er weinig te beleven, veel meer dan een zin of twee is het nimmer. Meer moet rock-’n-roll niet zijn. ‘Ce Soir’ is een chanson op zijn Zwitsers, met een hoek af uiteraard, ‘When I’m Grown Up’ is lekker stevige punkrock, of toch bijna. Rockabilly, trashrock, punk, blues, en er meestal een lap op gevend, tja, het moet vooruit gaan. Beatmans aandachtsspanne is eerder aan de korte kant. Een deel van de songs werd deze keer opgenomen in Italië, al heeft de band eigenlijk nog het liefst dat ze kunnen opnemen in de ‘Jesus Loves You’-studio van Beatman zelf. En er staat een cover op, een hilarische, van de krautrockers (dixit Beatman) The Scorpions. Hun ‘Speedy’s Coming’ van de plaat ‘Fly To The Rainbow’ uit 1974 krijgt hier een zeer geslaagde Monsters-oplawaai. Beatman heeft er trouwens wel zin in, en zet geregeld een aan hardrockzangers verwante stem op, ironisch uiteraard. Niet te missen, dit juweeltje. Dat hij goede smaak heeft, weten we van de hoop platen die we van zijn label al hoorden. Zelden zit daar een misser tussen, en ook de vierde, de tweede voor Voodoo Rhythm, van Delaney Davidson hoort in het rijtje thuis. De Nieuw-Zeelander trekt op zijn eentje, samen met zijn One Man Ghost Orchestra, de wereld rond maar hij heeft overal muzikale vrienden die hem met plezier helpen zijn songs op te nemen. The Mojomatics helpen ‘Time Has Gone’ aan een groepsversie, Beatman’s eigen ‘I’ve Got The Devil Inside Me’ wordt gecoverd, net als Abner Jays ‘I’m So Depressed’. Bruce Brand (alomtegenwoordig, The Headcoats) kon natuurlijk niet op het appel ontbreken. De aardbeving met zware schade in Christchurch (bijna 400.000 inwoners) heeft een diepe indruk nagelaten, en dat is aan de plaat te horen. Davidson probeert het trauma in liedjes te vatten, simpel van aard, maar des te doeltreffender. Referentie blijven The Dead Brothers, waar hij een tijd deel van uitmaakte. Geen opwekkende plaat, maar dat was zijn vorige, ‘Self Decapitation’, vol murder ballads, ook al niet.

‘Oh fortune’ is de opvolger van het in 2009 verschenen ‘Nice, Nice, Very Nice’ – de plaat waarmee Dan Mangan zichzelf de spotlights in katapulteerde. Dat de boodschap op deze plaat wat minder fijn is, valt al te zien aan de titels van de nummers, die variëren van opener ‘About As Helpful As You Can Be Without Being Any Help At All’ tot ‘If I Am Dead’ of ‘Regarding Death And Dying’. Ondanks zware thema’s als dood en het verliezen van liefde is de plaat echter niet zwartgallig: Mangan springt bij vlagen zelfs erg uit de band met aanvullende blazers en strijkers. Aan de basis staan nog steeds de heerlijk diepe stem van de Canadese singer-songwriter en zijn gitaar, maar hij heeft de ontwikkeling die hij vanaf zijn debuut maakte in een nog grootsere richting doorgezet – waarbij gezegd moet worden dat de begeleidende bandleden ook een flinke vinger in de pap hebben wat betreft de rijke textuur van de nummers. ‘Oh fortune’ is een prachtige plaat geworden waar de liefhebbers weer een jaartje of twee zoet mee kunnen zijn.

Snelle pulsen die omhoog en omlaag gaan, harder of zachter klinken. Elektronica? Een snel, droog getik, dat stijgt en daalt in toonhoogte. Met laptop bewerkte opnamen van een stoomtrein? Een hoog getjirp, af en toe een snerp en geritsel. Iemand die op een zomeravond door een veld vol krekels en wat kikkers loopt? Neen, driewerf neen! Alles wat Eisuke Yanagisawa ons hier laat horen, zijn geluiden die wij normaal niet waarnemen omdat ze ultrasoon zijn. De drie gegeven voorbeelden zijn achtereenvolgens vleermuizen, cicaden en een automatische poort. Met tien korte (tussen anderhalve en vier en een halve minuut) opnamen presenteert Eisuke een ultrasoon geluidslandschap, dat varieert van monotone brom tot sprookjesachtig getinkel. De hoestekst bezweert dat deze geluiden alle zijn geregistreerd en real time omgezet met een vleermuisdetector, zonder verdere bewerking. De ultrasone klankwereld is verrassend veelzijdig. ‘Furin’ (een Japans soort klok) is een mooie ‘natuurlijke’ abstracte compositie, die klinkt alsof een enthousiaste percussionist een verzameling keramische potten en glazen flessen voor zich heeft. De tv blijkt in het korte ‘TV’ een monotoon, maar warm en tevreden gespin voort te brengen, ‘Dell’ daarentegen klinkt als een nerveus schakelen met een marifoon en zoeken naar de juiste radiofrequentie. ‘6th Floor’ lijkt een vrij geïmproviseerde compositie op een klokkenspel, gecombineerd met willekeurige klappende en schuivende geluiden, waarbij Eisuke niet vertelt wat er precies op die zesde verdieping is geregistreerd, overigens. ‘Ultrasonic Scapes’ bevat een verrassend soort field recordings.

In Gonzo (circus) #104 kwam het eerste deel, ‘Fragen’, van de trilogie aan de beurt die Hans-Joachim Roedelius en Onnen Bock aan het maken zijn. Een oude knar (°1934) en een middenmoter (°1973) creëerden samen een ascetisch klinkend tapijt van klanken, waarin analoge elektronica en improvisatie centraal stonden. Voor het tweede deel gaan de twee eigenlijk nog een stap verder, en ze doen dat middels vier lange stukken die ze tijdens concerten opnamen. Het eerste stuk, ‘Live Bei More Ohr Less’, zet de toon: transparante, breed uitwaaierende klanken waarin traditionele ritmes en melodieën ontbreken, maar die toch elke seconde weten te boeien. Net door hun onwerelds karakter, hun eigen inkleuring, klinkt Qluster hier als kamermuziek van een ander tijdperk, eentje uit een andere dimensie. Dat doen ze nog een stuk uitgebreider in ‘Live In Schönberg 1-3’, waarin de ideeën weidser worden uitgewerkt, de drones dieper gaan, tot een overtuigende trilogie van een half uur ontstaat. Drie stukken die qua textuur en sfeer gewoon in elkaar overlopen en zelfs de grootmeesters van vroege elektronische muziek doen vergeten. Mooi en verrassend tegelijk. Er staat trouwens geen maat op de bejaarde Roedelius, alsof hij zijn meest creatieve periode ooit beleeft. Niet alleen cureert hij de heruitgaven op Bureau B van ouder werk, hij maakt nog geregeld nieuw werk, in dit geval in samenwerking met Stefan Schneider. Schneider maakte tussen 1994 en 1999 deel uit van Kreidler om daarna bij het trio To Rococo Rot aan de slag te gaan. Hij maakte ook al verschillende gesmaakte albums onder het pseudoniem Mapstation. Hier gaat hij aan de slag met één van zijn grote voorbeelden op een leger analoge synthesizers terwijl Roedelius het bij zijn vertrouwde piano houdt. Twaalf instrumentale miniaturen in drie kwartier, waarin beiden hun beste beentje voorzetten, niet alleen uit respect voor elkaar, maar ook om het vertrouwde Roedelius-geluid toch weer in een nieuw, hedendaags kleedje te steken. Schneider weeft zijn klanken rond de piano, voegt onderhuids bas toe en maakt vooral versieringen van de tracks van Roedelius. Ingetogen, poëtisch aandoende zondagsmuziek is het prachtige resultaat.

Doden lijden niet, zegt de sample, maar toch kunnen ze hun mond niet houden. De nieuwe op slechts tweehonderd exemplaren gelimiteerde cd van Adam Sykes (beter bekend als de labelbaas van Iris Light) is het zoveelste experiment met Electronic Voice Phenomena op een bedje van dark ambient. In tegenstelling tot de doodernstige aanpak van echte onderzoekers als Konstantin Raudive, is het bij Generic niet altijd even duidelijk waar de geluidsfragmenten precies vandaan komen. We mogen ervan uitgaan dat er echt uit de EVP trommel gegraaid werd, maar evengoed worden andere etherstemmen (samples) gebruikt. Daarnaast zijn er ook klanken die op stemmen gelijken maar die door andere geluidsbronnen en objecten worden veroorzaakt. Sykes schept vooral sfeer door de (relatief) lange duur van zijn vijf composities en de eindeloze herhalingen die na verloop van tijd een hypnotiserend effect veroorzaken. De geloopte ritmische nevengeluiden bestaan vooral uit bromtonen en gecontroleerde noise. ‘Voices’ nestelt zich zo verdienstelijk maar zonder uit te blinken tussen de donkerte van Lustmord (‘The Monstrous Soul’) en de meer wetenschappelijk gestoelde stemexperimenten van prettig gestoorde vorsers als The Anti Group ten tijde van ‘Meontological Research’.

‘Voices Of Omens’ dateert alweer van een viertal jaar geleden, dus de verwachtingen voor de opvolger waren hoog gespannen in het metalwereldje . Zelf hebben we dat album om een of andere reden, hun debuut op Relapse trouwens, over het spreekwoordelijke hoofd gezien en zo te horen aan ‘Rest’ gaan we daar nimmer een seconde spijt van hebben. Vier echte songs, meestal lange, en twee interludiums, die alle zes hun poten hebben staan in southern rock, sludge en black metal tegelijk. Het klinkt veelbelovend, maar het is niet wat we van deze plaat hadden verwacht. Het is elke noot weer net die noot niet die we wilden horen. Elke keer denken we, ja, dit is het, en dan verknoeien ze het weer met een ingehouden stukje, een geforceerde schreeuw, een aandoenlijk akoestisch stukje. Nummer vier bijvoorbeeld, ‘The Culling’, zeven minuten gepiel en dan een hardcoreuitbarsting van negen minuten die nergens toe leidt. Het zou kunnen werken, maar naar ons gevoel slaat dit Rwake gewoon alle ballen mis. Gooi ze naar Kim zouden we zeggen, dat we eindelijk van dat mens zijn verlost. Het evenwicht tussen beuken, verleiden en experimenteren is nooit wat het zou moeten zijn, ondanks de leuke vondsten die hier en daar zitten verstopt. Een ode aan de SF-schrijver Arthur C. Clarke bijvoorbeeld, maar dat kan ‘Rest’ niet redden.

Postrock, het bestaat nog, zeker in de variant groter, breder, Godspeed-er. Sterker, met de wederopstanding van de uitvinders zelf, zal een jongere generatie postrockers zich gerechtvaardigd voelen in hun muzikale epiek. Godspeed You! Black Emperor zelf werkt schijnbaar ook aan nieuw materiaal, maar in de tussentijd moeten we het doen met werk van de tweede generatie. Een van die bands is het Ierse kwartet Halves, dat niet moeilijk doet over zijn voorkeuren en zijn debuutalbum gewoon lieten vastleggen door GY!BE-spil Efrim Menuck, in zijn Hotel2Tango-studio (en de hoes past ook probleemloos in de GY!BE/A Silver Mt. Zion/Set Fire To Flames-galerie). Na twee veelbelovende ep’s werd door de liefhebbers reikhalzend uitgekeken naar de eerste volwaardige lp, maar het valt te bezien of iedereen er gelukkig van zal worden. Enerzijds is ‘It Goes, It Goes (Forever & Ever)’ een ambitieuze plaat, waarbij geen instrument wordt geschuwd om het brede geluid kracht bij te zetten. Strijkers, gitaren, elektronica, klokkenspel, allerhande toeters en bellen en incidenteel zelfs een koor. Anderzijds, en ondanks dat arsenaal, is het geluid ingetogener dan op voorganger ‘Haunt Me When I’m Drowsy’. In plaats van massieve crescendo’s zet de band vaker romantische meeslependheid in om de luisteraar mee te krijgen. Daarmee doet de plaat dan ook meer denken aan Sigur Rós en Crippled Black Phoenix, en hier en daar zelfs aan recente Radiohead. Soms werkt dat wonderwel, zoals op ‘Darling You’ll Meet Your Maker’, maar na verloop van tijd worden de nummers nogal inwisselbaar, en blijkt een heel album de aandacht vasthouden te hoog gegrepen voor Halves. Mooie momenten, maar we blijven onverminderd uitkijken naar wat Godspeed You! Black Emperor gaat doen.

Net wanneer we beginnen te hopen dat het nu snel ophoudt met de ‘nu-synth’-hype – één Vangelis was vijfentwintig jaar geleden al ruim voldoende – brengt een van de belangrijke labels in het genre een onverwachte en fijne plaat uit. Spectrum Spools, gerund door Emeralds‘ John Elliott, bracht ons dit jaar synthesizer-weefwerken van onder meer Mist en Fabric, maar Container laat zien dat je met oude analoge bakken ook iets anders kunt breien. Verantwoordelijk daarvoor is de onbekende Amerikaan Ren Schofield, die onder de naam God Willing gierende en brommende noise maakt. Schofield begeeft zich als Container op een soortgelijk pad als collega lawaaimaker Prurient – denk meer bepaald aan diens recente bekering tot beats. Op ‘LP’ (inderdaad vinyl only) geeft hij op onbevangen wijze invulling aan zijn idee van acid, elektro en techno. Geen idee wat de puristen ervan vinden, maar de bij vlagen naïeve manier waarop Schofield uitvogelt welke geluiden hij nog meer uit zijn analoge arsenaal kan toveren, doet denken aan de ongecompliceerde begindagen van die genres. De formule is op de vijf nummers min of meer dezelfde: een midtempo beat uit een aangenaam ouderwets klinkende drummachine rolt gestaag door, voortgedreven door een simpele sequencer als ondergrond voor huilende synthesizers, gruizige sinussen, elektropercussie en een bende acidgeluiden. Als die laatste over the top gaan – wat in de climaxen van de nummers nogal eens gebeurt – menen wij oud spul als Biochip C en Walker te herkennen, maar vanwege het experimentele, persoonlijke karakter van ‘LP’ zijn vergelijkingen met recente, laten we zeggen expressionistische artiesten, meer op hun plaats. Denk Legowelt, Dungeon Acid of Ancient Methods.

Dé comeback van 2009 viel op het conto te schrijven van Harry Pussy’s Bill Orcutt, die na een decennium absolute stilte weer tevoorschijn kwam met het akoestische, maar harde en genadeloze ‘A New Way To Pay Old Debts’. Met amper vier snaren op een haveloze gitaar vlocht Orcutt een schrikwekkende wall of sound en een volstrekt eigen genre. ‘A New Way…’ mocht dan volledig akoestisch zijn, de plaat was wél minstens even radicaal als Orcutts werk met Harry Pussy. Hier en daar vielen weliswaar schaduwen van invloeden als John Fahey, Jandek of Derek Bailey te ontwaren, maar Orcutt betrad alleszins voor ons ongehoorde paden. ‘How The Thing Sings’ is even genadeloos als zijn voorganger, maar doordat Orcutt hier en daar een tandje terugschakelt (en er bovendien slechts zeven in plaats van veertien nummers opstaan), wordt de plaat wel iets makkelijker te verhapstukken. De vocalen zijn prominenter aanwezig dan op die voorganger. Al is ‘vocalen’ misschien een misleidende term voor de rechtstreeks uit het merg getapte dierlijke klaagzang die zich achter het gitaargeweld van ‘The Visible Bosom’, ‘Till I Get Satisfied’ en ‘Heaven Is Closed To Me Now’ schuilhoudt. Ook weer aanwezig: opvallend toevallig achtergrondgeluid. Op ‘A New Way…’ onderbrak Orcutt de take niet toen – 30 seconden in opener ‘Lip Rich’ – er een telefoon afging. Op de titelsong van en op het al genoemde ‘Heaven Is Closed To Me Now’ doen een paar vogels in de tuin verwoede maar vergeefse pogingen om zich in beeld te zingen.
De beste track om aansluiting te vinden bij ‘How The Thing Sings’ is grappig genoeg de afsluiter. ‘A Line From Ol’ Man River’ is een bijna veertien minuten durende meditatie rond een fragment van de classic ‘Ol’ Man River’. ‘How The Thing Sings’ vraagt behoorlijk wat engagement van de luisteraar. De rillingen lopen nu – een vijftal luisterbeurten ver – al over onze rug van opwinding over wat we gaan te weten komen eens we de moed en de energie gevonden hebben om nòg vijf keer te luisteren.

Er zijn van die artiesten die voor het grote publiek voor altijd nobele onbekenden zullen blijven. Maar ondertussen verzamelen sommigen van hen wel een groepje toegewijde volgers. De echt gelukkigen krijgen ook nog lof toegezwaaid van bekendere artiesten. Zo iemand is Richard Buckner. Hij kreeg een mooi compliment van Justin Vernon (Bon Iver) want volgens hem is Buckner een van zijn belangrijkste invloeden. En op deze nieuwe plaat, zijn eerste in vijf jaar, krijgt hij hulp van Steve Shelley (Sonic Youth). Een plaat die er trouwens maar met veel moeite kwam. Er was die beschuldiging van iets te maken te hebben met een onthoofd lichaam dat werd gevonden in zijn woonplaats. Zijn woning werd leeggeroofd en dus verdween ook zijn laptop met opnamen. Dan was er ook nog dat kapotte opnametoestel. De man heeft dus meer dan pech gehad de laatste jaren. Op deze nieuwe plaat, zijn negende, zet hij het parcours verder dat hij al bijna twintig jaar bewandelt. Hij maakt een soort van hedendaagse country met als sterk punt een soort warme vibe die over de muziek hangt. Muziek die niet overdadig is ingevuld en vaak terughoudend is. Aan de oppervlakte klinkt hij veelal heel gewoon, onderhuids broeit er wel degelijk iets. Maar om dit zoals sommigen nu uit te roepen tot een van de platen van het jaar, nee, dat gaat ons toch echt te ver. Wel een zeer degelijk album van een soort cultheld. Voor sommigen dan toch.

De Poolse Kapsabroers bestierden het hardcore-emobandje Something Like Elvis maar hadden er op een dag genoeg van. Ze wilden iets anders. Dat werd Contemporary Noise, met respectievelijk ‘Quartet’, ‘Quintet’ en nu ‘Sextet’ als toevoegsel. Puur een kwestie van aantallen, niet van muzikale koerswijzigingen. Want het is een hedendaags soort jazz die de mannen brengen, het woord ‘noise’ vinden wij wat misplaatst. Veel noise is er namelijk niet te horen. Swingen, dat doen deze zeven nummers, alsof swingjazz een nieuw leven krijgt. Alles instrumentaal, dat spreekt, en inventief bovendien. Je hoeft geen snars van jazz af te weten om deze plaat te appreciëren, en je moet zelfs niet van jazz houden om dit een leuke plaat te vinden. Bij momenten doet de plaat wat filmisch aan, maar om er letterlijk een hele film bij bedenken, is misschien wat te ver gedacht. Geslaagde saxofoonerupties geven een meerwaarde aan de songs die soms wat neigen naar bossanova en andere swinggenres die bij jazz aanleunen. De vijfde plaat van deze mannen in evenveel jaren is er eentje voor een zwoele avond, wanneer er een dame of heer moet worden verleid die op een ander moment te hoog gegrepen zou zijn. Met deze plaat erbij zou het misschien toch wel eens kunnen lukken.

We gooien de schijf van Retox in de lader. Lap, meteen naar de andere kant van de kamer gevlogen. Elf nummers, twaalf minuten. Chaos troef. We wisten dat het een maffe plaat kon zijn, want ze wordt door Three One G en Ipecac uitgebracht. Als we vernemen dat de band op toernee gaat met Melt-Banana snappen we dat perfect. Beide bands hebben een ongelooflijke beheersing van hun instrumenten, klinken chaotisch, maar zijn minutieus gestructureerd. Spazzcore, ADHD-lawaai en een zeer korte aandachtsspanne. En dan zien we dat Retox bestaat uit leden van bands als The Locust, Rats Eyes, Holy Molar en The Festival Of Dead Deer, om er maar een paar te noemen. Ook hier hebben de leden weinig geduld, bands volgen elkaar bijna zo snel op als de songs er vandoor gaan. Voornoemde bands zijn uiteraard referenties, en doe daar Daughters nog bij, voor de portie hardcore. Dit is muziek voor een zeer drukke stad, om je kop aan gort te rammen en alle muizenissen te verjagen. En nog ferm te genieten ook. Twaalf minuten, en dan gewoon nog een keer. En nog een keer.

De tien tracks van ‘Water Beetles Of Pollardstown Fen’ zijn opgenomen in Pollardstown Fen, een Iers moeras van 220 hectare, dat al duizenden jaren redelijk onveranderd is gebleven, waardoor er zeldzame flora en fauna heeft kunnen standhouden. Lawrence laat ons horen hoe het leven in het moeras klinkt: een onderwaterwereld van ratels, vreemde ploppende, pulserende, zoemende, krakende en piepende geluiden. Wie niet beter weet, zou kunnen vermoeden dat dit abstracte, met elektronica en laptops gecreëerde klanksculpturen zijn, maar het betreft hier dus ware field recordings (met wetenschappelijke waarde). Lawrence benadrukt in het begeleide boekje dat de opnamen ook niet zijn beïnvloed door interferenties en ingrepen zijnerzijds. Afgezien dan van wat time lapse-opnamen en het gebruik van computersoftware om geluiden boven de 20Hz voor de mens hoorbaar te maken, geeft hij toe. De onderwaterwereld blijkt soms bijna eender als de natuur op het land te klinken: horen we vogels? Cicaden? Nee dus: het zijn waterkevers en –schorpioenen die elkaar met geluiden lokken of waarschuwen. Van de vele unieke soorten die er in het moeras leven is bekend dat zij geluiden kunnen voortbrengen via ‘stridulatie’, het langs elkaar wrijven van lichaamsdelen. De borrelende geluiden die we in bijvoorbeeld de openingstrack horen, zijn de fotosynthese van waterplanten. De ritmische tikken met verschillende toonhoogtes en snelheden, het muzikale drumgeluid: het zijn kolonies van en eenlingen onder de waterinsecten. Een fascinerende cd, vol met minimale muziek en akoestische techno (nou ja, bij wijze van spreken) van onderwaterinsecten, begeleid door willekeurig geplaatste accenten van andere dieren en planten. Leve The Beetles!

Het trio Hans Mulders (drums), Sander Haagmans (bas, zang) en Rutger Smeets (zang, gitaar) is toe aan zijn tweede album en zet de lijn van het debuut gewoon verder. Nog beter, dat wel, nog meer groove, nog meer melodie en toch nog steeds verslavende, droney stoner met een ferme scheut psychedelica. Grote invloeden zijn nog steeds Monster Magnet, Motorpsycho en Pink Floyd, en dat is zeker niet erg gezien de drie er een geheel eigen draai aan geven. Vier relatief korte, hard rockende songs zetten de plaat in, waarna voor ‘Behind’ de verstilling wordt aangevat. De opbouw gaat traag, geleidelijk aan worden het volume en het tempo opgevoerd, zoals ook Motorpsycho dat zo goed kan. Zo vermijdt Sungrazer uiteraard dat de verveling toeslaat en ze geen rechttoe rechtaan heavy rockplaat maken, maar een gevarieerd geheel dat ons weet mee te voeren. Groot pluspunt is tevens dat de zang nergens domineert en wonderwel binnen het soms heel psychedelische klankentapijt past. ‘Behind’ wordt zodoende een beetje het sleutelnummer van de plaat: dertien minuten waarin alle elementen van Sungrazer zitten vervat: psychedelica, groove, verstilling, melodie en sporadische zang. En een meesterlijk talent voor het schrijven van verslavende nummers. Het titelnummer laat vooral de jammende psychedelische kant van de band horen, om in verstilde schoonheid af te sluiten met ’34 & More’.

Het zat er aan te komen. Na elk hoogtepunt komt een onvermijdelijke neergang. Ant-Zen, en sublabel Hymen, beleeft na prima releases van onder meer The Prayer Tree, Talbot & Deru, Millipede, Diaphane, Ahnst Anders en Zero Degree opnieuw een kleine en hopelijk tijdelijke dip. Na de (ambient) hoogvlieger ‘Night Falls’ (2008) stelt Hecq (Ben Lukas Boysen) voor de eerste keer écht teleur. Hij probeert zichzelf opnieuw uit te vinden – op ‘Avenger’ zoekt hij aansluiting bij dubstep – veel zoden lijkt dat helaas niet aan de dijk te zetten. Bij momenten omzwachtelt hij zijn (break)beats met licht epische soundscapes en verraadt hij zijn IDM-verleden, maar nergens doorboort hij de grens van de complete vrijblijvendheid. Zijn tracks sorteren nauwelijks effect waardoor er vrijwel niets blijft hangen. Zo oor in, zo er weer uit. Obligate remixers van dienst zijn Septic Insurgent, Trifonic, Architect, Anxst en Deadfader, maar ook zij kunnen het tij niet keren. (www.hecq.de)
Ant-Zen verwijst voor ‘Doème’ van Fransman Langouf naar ‘Requiem Ex Machina’ van landgenoot Ybrid en Venetian Snares’ bejubelde album ‘Rossz Csillag Alatt Született’ (Planet Mu) uit 2005 als belangrijkste inspiratiebronnen en bewierrookt bij Langouf eenzelfde (schijn)huwelijk tussen breakcore, klassiek, hardcore techno en (dark) ambient. Die stelling lijkt aanvankelijk wat te moeten worden genuanceerd want de cd opent minder chaotisch, complex en neurotisch dan het breakcorestuntwerk van Aaron Funk. Vanaf het vierde nummer worden alle registers echter open getrokken en is er van inhouden en remmen geen sprake meer. De combinatie van elektronica en klassieke kamermuziek klopt wél: als bronmateriaal werden viool, trompet, stem, percussie, radiosamples en citaten uit de erotische geschriften van Stéphane Mallarmé gebruikt. De productie is goed, de tracks schofferen nergens de (ongeschreven) regeltjes van het genre, maar inventief of verrassend is dit soort huisvlijt al lang niet meer.

Brutal Truth uit New York City is nog steeds een van de grotere namen uit de grindcore. De band werd in 1990 opgericht door bassist Dan Liker (Nuclear Assault, Anthrax, Stormtroopers Of Death) en brachten een aantal platen uit die hen positioneerden in het middelpunt van de grind. In 1999 hield de band ermee op, om in 2006 weer op missie te gaan. Drie van de vier originele leden, Dan Liker, drummer Richard Hoak (ook in het magistrale Total Fucking Destruction) en Kevin Sharp (onder meer Venomous Concept, Damaged) zijn er opnieuw bij. Gitarist Brent McCarthy is verdwenen en heeft plaatsgemaakt voor Erik Burke (Lethargy) maar veel is er niet veranderd. Voorganger ‘Evolution Through Revolution’ uit 2009 liet je al alle kanten van de kamer zien, en dat is met ‘End Time’ net zo. Sludgy opener ‘Malice’ zet je op het verkeerde been, al komen trage stukken wel meer voor op dit soort platen. En dan gaat de beuk erin natuurlijk, nog grilliger en chaotischer dan ooit tevoren. Uiteraard zijn de songs gestructureerd, diep vanbinnen, onder de schijnbare herrie. En uiteraard moeten je je oren er weer goed bij houden, of je mist de song ‘Trash’, vijf seconden kort. Tja, wat wil je van een band die in het ‘Guiness Book Of Records’ is beland met de video voor ‘Collateral Damage’, de kortste ooit met 2,18 seconden. De mannen zijn duidelijk in goeden doen en al klinken de drums ogenschijnlijk compleet uit de maat en heerst er wanorde alom, alles zit bestudeerd precies juist. Om dat te vatten, moet je wat moeite doen en al wat grindcore achter de kiezen hebben. Brutal Truth blijven meesters in het genre. Luister naar ‘Control Room’, een kwartier aan feedback en noise om de plaat feestelijk ten grave te dragen.

“Look back, look back. Hold on to the past”, bromt Samual Herring in ‘Where I Found You’, waarmee hij de perfecte genre omschrijving geeft van de synthpop waarin Future Islands baadt. Een strenge blik op het verleden gericht, zonder knipoog, zonder glimlach, pure pastiche. Luisteren naar ‘On The Water’, het derde album van dit trio revivalisten, heeft iets van een karaoke-avond vol onbekende jaren 1980 hits. Stuk voor stuk zitten de nummers goed in elkaar, new wave zoals new wave hoort te klinken, maar met weinig extra’s of grote stappen naar een toekomst. Future Islands biedt ook op deze plaat niet veel meer dan het verleden, sfeervol hangend tegen de dark wave. Maar voor de meer avontuurlijke geest biedt ‘On The Water’ weinig tot geen uitdaging, met hier en daar een te sterke verwijzing naar New Order of OMD. Anders is dat met ‘Dracula’ van het Amerikaanse trio Nurses. De dreigende mix van surfpop, disco en synthpop refereert weliswaar aan hetzelfde tijdperk als Future Islands, maar de invulling is veel vrijer en daarmee avontuurlijker. Nurses lijkt juist voortdurend uit op het uitdagen van de luisteraar door steeds net weer een andere draai aan de nummers te geven dan je als luisteraar verwacht. En dit zonder de basis, het popliedje met de hook, uit het oog te verliezen. ‘Dracula’ klinkt als de jaren 1980 zo als zij in het verraderlijke en vervormende geheugen zijn gevestigd. Een samenvoeging van stromingen die vaak niet eens naast elkaar hebben bestaan op geheel overtuigende wijze samengebracht. Nadeel van deze band zal achter altijd de stem van Aaron Chapman blijven. Een typisch liefde-of-haat-gevalletje. Of je laat je opzuigen door de uitgesproken stem of je bent bij elke uithaal enorm geïrriteerd. Maar verder biedt Nurses alles wat je van een revivalband kunt hopen; een trouwe blik op het verleden, maar met de neus op de toekomst.

Na het inslapen van Tarentel gingen de verschillende leden huns weegs, en namen ieder een deel van het geluid met zich mee. Jefre Cantu-Ledesma (zie GC#104) profileerde zich als droner en maker van ambient soundscapes, Trevor Montgomery maakte folkrock als Lazarus, en Danny Paul Grody bleef met The Drift nog het dichtst bij de experimentele post-rock van weleer (de andere zes of zeven ex-leden laten we hier voor het gemak even buiten beschouwing). Bezige heren dus, maar het heeft hen er niet van weerhouden om toch weer samen de studio in te kruipen en een plaat vol te improviseren, deze maal onder het alias Moholy-Nagy. De naam is een verwijzing naar de Hongaarse kunstenaar die een van de grondleggers was van “lichtkunst”, en het lijkt er op dat het trio een plaat heeft willen maken die van alle kanten licht geeft. Synthesizers als de ondergaande zon, pianonoten als fonkelende sterren en dan zijn we wel door onze toepasselijke licht-metaforen heen, maar u begrijpt ongeveer waar we heen willen. Warme, dwalende improvisaties voor gitaar, klavier en een hoop elektronica. Op een enkel nummer komt er een kraut-drummer orde op zaken stellen en is er de vibe van vroege Kraftwerk, maar over het algemeen is het een aangenaam drijven op het kosmische licht. Door de algehele “no care in the world”-sfeer helt de plaat zo nu en dan stevig over richting new age en Popol Vuh. We vermoeden dat er tussen de sessies door een hoop yoga-oefeningen zijn gedaan.