GC #108

Drie jaar was het geleden dat we nog eens iets van A Place To Bury Strangers hadden opgevangen. Bij nazicht blijkt dat er sinds ‘Exploding Head’ uit 2009 nog een drietal ep’s onder onze radar gepasseerd zijn. Blijkbaar waren we APTBS een klein beetje vergeten. Maar al na vijftien seconden in ‘I Lost You’ is het duidelijk: dit is een warm weerzien. De formule van APTBS stond al op punt en is amper bijgestuurd: stalen baslijnen die van Peter Hook of Simon Gallup hadden kunnen komen, no nonsense drumpartijen en daar bovenop de straaljager-gitaren van Oliver Ackerman, steevast door een batterij door Ackerman zelf ontworpen Death By Audio-effectpedalen gehaald.
De titeltrack is een duet met de heerlijk ijskoude stem van Alanna Nuala (haar eigen Guilt ep downloadt u gratis via alannanuala.tumblr.com) en brengt APTBS dichter tegen popmuziek dan ze ooit waren. Maar ook in ‘So Far Away’ blijkt een erg goeie popsong verborgen te zitten – eentje waarin een verre echo weerklinkt van Echo And The Bunnymen, nog wel. Voor de hardliners die beginnen te vrezen dat APTBS zijn ziel verkocht heeft aan Justin Bieber: ‘Onwards To The Wall’ is 100% vintage APTBS: hooglijk opzwepend en vooral niet af te spelen in de nabijheid van de glazenkast. Nooit nog APTBS uit het oog verliezen – bij deze is 2012 dan toch nog met een goed voornemen begonnen.

Ze heeft weliswaar al flink wat samenwerkingen op haar naam staan, maar ‘Labyrinthe’ is de eerste officiële cd van Emmanuelle Gibello. Het werk van de Française is meestal een combinatie van visuele kunsten en elektro-akoestische klankcomposities, bijvoorbeeld voor multimedia- of internetperformances. Feitelijk is ‘Labyrinthe’ geen echt nieuw werk, maar een auditieve verzameling van vier van dergelijke performances. Gibello maakt gebruik van field recordings, zowel in de natuur als in stedelijke omgevingen, elektronica, videocamera’s en al dan niet aangepaste microfoons. ‘Crashtest #10’ is daarvan een goed voorbeeld. Deze registratie van Gibello’s optreden voor het Parijse Placard-festival begint met pastorale geluiden als vogelgefluit, kerkklokken, geruis van wellicht de wind en metalige klanken, waarbij je je kunt voorstellen dat iemand in de tuin aan het werk is. In het verdere kleine half uur klinken ook nog wat stemmen, gezang, maar er weerklinken ook steeds meer vervormde en moeilijk te duiden geluiden op. Uiteindelijk verdwijnt de kalmte zelfs in een drukte van elektronisch klanken. Met contrasten en langzame verschuivingen werkt ze vaker. Zo ook in het eveneens lange ‘Random erratum’, dat gebruik maakt van fragmenten uit de andere drie stukken op de cd. De twee overige stukken zijn beide voor (internet)radio-uitzendingen gemaakt. Vooral ‘Pour faire peur aux enfants dans le noir’ is een redelijk heftig stuk, vol met schelle, harde geluiden: schotgeluiden, gekraak en geschuur van hout, metaal, grote zware objecten, elektronisch geruis, gedruppel, getjirp, een plotse stem. Hoewel het allemaal geen grootse noviteiten zijn, werken de composities van Gibello goed. Tussen alle geluidskunst en field recordings levert ze met ‘Labyrinthe’ een toch opvallende en onderscheidende plaat op.

Over de bijdrage van Xiu Xiu aan de tweede plaat van het split 12inch vinylproject ‘The Green Corridor’ valt niet meer te vertellen dan ja, nee, misschien, ja, nee, misschien. Diezelfde woorden worden in het Engels een dikke twintig minuten herhaald, en dat is het dan. Voor de diehards en fijnproevers die daar in duiken is het natuurlijk interessant om te ontdekken dat er toch nog enige variatie in de opsomming zit, maar veel luisteraars zal het waarschijnlijk worst zijn. De reacties verschillen: voor de een is het een meditatief gebeuren, een ander wordt er helemaal opgefokt van. Lachen. Chad VanGaalen pakt het anders aan: hij biedt de luisteraar negen thuisgebakken tracks aan, die alle kanten opgaan en in het geheel niets van monotonie moeten hebben. Wat een contrast met de andere kant van de zwarte plak… Middelpunt is of de akoestische gitaar waarbij het spel wortelt in folk, of de elektrische gitaar waar flink en in punkstijl op geragd wordt. Daarbij komt dan de wat knauwende, scherpe stem van VanGaalen, iemand die eindeloos tekent en liedjes opneemt, en grote moeite heeft z’n huis te verlaten voor iets anders. Een flink gedeelte gaat van z’n energie zit in de – voornamelijk – aardig opgefokte liedjes, die uiterst lo-fi zijn opgenomen en het midden houden tussen meebrulpunk en orgastische freakfolk. Laat de man maar schuiven.

Moeilijk, moeilijk. Wat doe je met een plaat die je op eerste beluistering mateloos irriteert, zo zeer dat je niet verder komt dan het eerste nummer, maar die dan net terwijl je hem onbesproken opzij wil schuiven, blijkt te volgen op een debuut dat uitgegeven werd door nota bene Thurston Moore? Een debuut dat bovendien overal lovend blijkt te zijn besproken, vol verwijzingen naar J. Mascis en Townes Van Zandt? Toch nog maar eens opgezet, dan, en het eerste nummer maar overslaan. En ja hoor, in het tweede nummer horen we ook ineens Mascis. Waar Roberts in het eerste nummer – en zo nog wat nummers verderop – probeert zijn wat toonvastheid betreft erg dubieuze stem in het gelid probeert te houden, laat hij deze in de betere nummers gewoon gaan, wat stukken beter werkt. En als er in een nummer als ‘Every Time’ iemand een fijne bluesgrass-viool begint te spelen, valt ook de saaiheid van ‘s mans sobere gitaarspel niet meer zo op. Kortom, voor blues-liefhebbers valt er heus wel wat te genieten, vooral als hij de kraak in zijn stem er lekker laat zijn en rauw zijn emoties laat varen. Maar geen moment ontstijgt hij de middelmaat, zeker niet als hij probeert te zijn wat hij niet is en mooi probeert te zingen over een sobere achtergrond. Misschien klinkt het allemaal pas echt goed op de audioset in Thurstons huiskamer?

De Amerikaanse muzikant en multimediakunstenaar Marcus Fischer hield van januari 2009 tot en met januari 2010 een blog bij met de naam ‘Dust Breeding’. De bedoeling was om – een door veel kunstenaars zelf opgegeven opdracht – een jaar lang elke dag een creatieve uiting te posten. Uit de auditieve bijdragen is een keuze gemaakt, die nog wat zijn verfijnd voor de cd ‘Collected Dust’ – een wat grote naam voor zeven tracks. De composities laten zich het best omschrijven als zich traag uitvouwende klanklandschappen: ambient, zonder grote ontwikkelingen, voornamelijk elektronisch, met lichte variaties in textuur. Lang aangehouden elektronische tonen, zowel hoog als laag, worden gecombineerd met kleine, willekeurig geplaatste geluidjes, zowel elektronisch als ‘gevonden’ en gitaarklanken. Kraak-, doffe plok- en metalige schaapgeluidjes, af en toe een hoog piepje, een donkere brom of kort geritsel. In sommige tracks vormen de aangehouden tonen de voorgrond, bij andere zijn ze juist de achtergrond voor het gespetter, geritsel en gekraak. Hier en daar klinken een klankschaal en snaren, soms ontwikkelt zich een trage melodie uit gitaarklanken, zoals in ‘Cold Days’. Soms zijn de composities vrij leeg, aan andere keer zou je ze bijna druk noemen, zoals ‘Span’, waarin de lange tonen meer golven en de willekeurige geluiden flink worden rondgestrooid. Alles is relatief, de algehele sfeer blijft die van een weids, leeg landschap. Een stille kamer, waar gedurende de dag de baan zonlicht langzaam over de muur verschuift. Bijna meditatief.

De Duitsers van Lay Down Rotten zien er op hun foto’s lekker agressief uit. Als tuinkabouters eigenlijk, omdat hun baarden, zeker van frontman Jost Kleinert, uitnodigen er een ferme ruk aan te geven. ‘Ware gij wit, gij leek op de Kerstman, of een gelijksoortig geilig man, met zijn lederen broekie an’. Soit, niet iedereen snapt de grap van de g en de h en niet iedereen is een West-Vlaming. De verrotte, platgeslagen heren lieten drie jaar voorbijgaan sinds hun vorige album. In de tussentijd kwam Daniel ‘Kensington’ Reifert de rangen versterken. Die gitarist heeft aardig wat imposante riffs in zijn lijf, waardoor ‘Mask Of Malice’ een vette deathmetalplaat is geworden. Het tempo is hoog, de agressie klinkt oprecht, de songs beuken erop los. En of god onze vader en schepper het er nu mee eens is of niet, of hij zijn gebedje nu kreeg of niet, rotten zullen we toch. En dan kan je net zo goed ‘A Darker Shade Of Hatred’ op je plaat zetten, of ‘Swallow The Bitterness’. En zelfs ‘The Devil Grins’, want je hebt niets te vrezen. Niets doet ertoe, beuken zullen we ten allen prijze. De grunt zit goed, de riffs ook, elke song zit als gegoten aan ons lijf dat op barsten staat -van de opgekropte frustraties. Lay Down Rotten heeft al een reeks albums gemaakt die we niet eerder luisterden – de massa death metal releases is al jaren niet meer te volgen in zijn massale aanbod, maar we gaan zeker op zoek naar eerder werk van deze moffen. En dat wil hier wel wat zeggen, wegens death metal genoeg in onze rekken. Maar voor dit soort uitstekende doodsplaatjes gooien we met plezier een paar andere platen richting rochelkelder.

Vale Of Pnath uit Denver, Colorado debuteert met een knaller van een plaat vol complexe technische death metal. Pluspunt van het vijftal is dat ze ondanks de moeilijkheidsgraad van de muziek er toch in slagen de plaat coherent en melodieus te houden. Veel bands die technisch net zo onderlegd zijn, verzuipen al eens in hun complexiteit, maar Vale Of Pnath weet dit soort valkuilen goed te ontwijken. Bovendien gooien ze er quasi voortdurend blastbeats tegenaan, incarneert de grunt van Ken Sarafin net zo goed in een black metalscream en spelen de twee gitaristen, Vance Valezuela en Mickey Reeves, wel riffs maar lijkt het alsof ze voortdurend aan het soleren zijn. Van verveling is bij het beluisteren van ‘The Prodigal Empire’ dan ook geen sprake. Daarvoor is de variatie binnen en tussen de nummers te groot. Voor liefhebbers van death metal dan toch. Intens is het woord dat we zochten, een woord dat ook op het verhaal ‘The Dream-Quest of Unknown Kadath’ van H.P.Lovecraft van toepassing is, waarnaar de band is vernoemd. Het Italiaanse Illogicist heeft eindelijk een opvolger klaar voor het uit 2007 daterende album ‘The Insight Eye’. Of het zijn drie albums geperst in één album. Acht nummers bevat ‘The Unconsciousness Of Living’. Acht songs die elk op zich vier of vijf verschillende nummers in zich lijken te dragen, zo overlopend van ideeën, roffels, riffs, screams, tempowissels en solo’s zitten er telkens in dat we al snel het overzicht kwijt zijn. Italianen zijn het, en ze dachten waarschijnlijk dat vier jaar te lang was om een te volgen album op de markt te gooien. Het klinkt allemaal net te complex, te technisch, te gezocht om te blijven boeien. Een beetje alsof ze bewust niet wilden onderdoen voor Chuck Schuldiner, die met Death dit soort muziek op de kaart zette. Ons brein kookt over, het haar is er weer eens af en al houden we van chaos en tegendraadsheid, trop is teveel.

Tarball uit Groningen bestaat acht jaar, bracht twee demo’s uit (‘Mine To Take’ in 2006 en ‘Bite The Bullet’ in 2008) en debuteert met een plaat waarop tien nummers staan. Het kwartet weet in de meeste van die nummers muzikaal te overtuigen. De drums van Thomas Van Noorden klinken lekker, de gitaren van Siger Riddersma en Daan Romein komen bij momenten fel uit de hoek en ook de bas van Patrick Linthorst slaat aan. Die laatste weet hoe hij zijn bas lekker zwaar kan doen klinken, om de songs wat meer gewicht mee te geven. Wat echter stoort, is de bij momenten abominabele zang van Daan. Netjes zingen of brullen, het botst met de muziek die net iets teveel doet denken aan de crossover van twintig jaar geleden. Elke song heeft zo zijn momenten, met lekkere breaks of riffs, maar de band weet ze ook telkens weer in de vernieling te draaien. Het lijkt alsof Tarball krampachtig afwisseling wil brengen, zoekt naar mogelijkheden voor tempowissels en dan verzuipt in zijn eigen zoektocht. Naar het einde van de plaat toe is er beterschap. ‘Judge Me’ en ‘A Matter Of Time’ klinken iets meer uitgebalanceerd, al houdt de band het ook hier niet over de hele lijn interessant genoeg voor onze verwende oren. Goed geprobeerd, en helemaal mee met zijn tijd: de plaat is via allerlei netwerken te koop of te beluisteren en gratis te downloaden via bandcamp. En te koop op een lekker ouderwetse cd ook nog.

Eerder in deze Gonzo (circus) kon je al een interview lezen met Kurt Wagner. Frontman van het losse collectief Lambchop, schilder, ex-timmerman en familieman. In dat interview vertelt Wagner over de artistieke invloeden in zijn leven. Muzikaal spelen zijn klassieke muzikale opvoeding en de muziek van thuisstad Nashville een hoofdrol. En met de tiende plaat van Lambchop is het opnieuw raak. Weerom worden we geraakt door de ietwat schorre stem van Wagner en de muzikale versmelting van country, klassieke R&B en soul. Die laatste muzikale stijl komt misschien minder aan bod dan op eerdere albums. Subtieler misschien maar daarom niet minder effectief. De band rond Kurt Wagner heeft in die bijna twintig jaar dat ze actief zijn een volledig eigen muzikaal universum opgebouwd, een dat op het eerste gehoor vertrouwd en een beetje voorspelbaar aandoet. Langzaam wordt na herhaalde luisterbeurten duidelijk dat we de songs toch meer en meer waarderen. Ze voelen als een vertrouwde deken. Iets waar hoegenaamd niets mis mee is. Wagner maakt na een paar moeilijke jaren – een wankele gezondheid weet je wel- opnieuw een vitale indruk. Eind 2010 was er al de geslaagde samenwerking met Cortney Tidwell als KORT. En nu is er na vier jaar deze geslaagde terugkeer van Lambchop. We wentelen ons nog eens in dit warme dekentje.

We kenden de band Hellsongs al, en genoten van hun eerdere schijfjes. Niet dat Hellsongs iets origineels of nieuws doet. Verre van. Er zijn al zoveel bandjes die liedjes van anderen coveren en ze hertalen naar al dan niet andere genres. Wat de band wel onderscheidt is de zwoele stem van Siri Bergnehr die de hardrockklassiekers die ze onder handen nemen, een vrouwelijke toets meegeven. De songs klinken er net dat beetje anders en interessanter door, zelfs al zijn sommige van de songs die het trio doet, al door vele anderen gedaan, al dan niet excellent. En wat ze vooral kunnen is er voor zorgen dat we hun versies van die klassiekers, gewoon niet meer uit ons hoofd krijgen. En dat is in coverwereld geen sinecure. Deze keer kozen Hellsongs ervoor om in een uitgebreide bezetting vorm te geven aan hun geluid, met assistentie van Hellsingers De Luxe en een deel van The Gothenburg Symphony Orchestra. Hardrock met een orkestbezetting naspelen, is al net zo min origineel en toch weten Hellsongs er een hele leuke plaat mee te vullen. We herkennen uiteraard een aantal covers die de band op hun vorige platen al deed, maar die zitten toch in een heel ander jasje, met deze uitgebreide bezetting. ‘War Pigs’, ‘Seek & Destroy’, ‘Sin City’, ‘School’s Out’, ‘Run To The Hills’, ‘Heaven Can Wait’, het zijn op zich klassiekers die ook in een uitgebeende versie overeind blijven en als ze door Hellsongs als een soort lounge metal worden gebracht net zo goed klassiekers blijven. Hellsongs heeft eerbied voor de originele artiesten maar doet er toch maar fijn zijn eigen ding mee. Wat Nouvelle Vague doet voor newwave, doet Hellsongs voor hardrock en metal. En novelty of niet, we blijven elke keer weer genieten.

Twee jaar geleden was hij daar plots: Gonjasufi, het nieuwe, zorgvuldig in de markt gezette goudhaantje van Warp. ‘A Sufi And A Killer’ – muzikaal vooral op het conto van Gaslamp Killer te schrijven – was één lange aaneenschakeling van abstracte beats en gecratedigde exotica. Ook ‘The Caliphs Tea Party’, de remix-plaat met goed volk als Oneohtrix Point Never, Broadcast & The Focus Group en Bibio, bevatte een aantal zeer aardige tracks. Ondertussen zagen we Sumach Ecks wél twee keer een schabouwelijk concert geven, waarbij hij er de tweede keer (in het Antwerpse Trix) zelfs in slaagde om al tijdens het eerste nummer ruzie te hebben met het bijna voltallige publiek.
‘MU.ZZ.LE’ – tien songs, vierentwintig minuten – is, laat ons maar met de deur in huis vallen, een tegenvaller. Wég de beklijvende songs in mooie lofi producties, enter halfbakken, ruw geproduceerde songschetsen. Opener ‘White Picket Fence’ is exemplarisch – meer dan een sfeertje krijgen we niet. Een paar vertraagde elektrische pianoakkoorden die twee minuten lang herhaald worden, een halfbakken triphopbeat, daar moeten we het mee doen. Op ‘Feedin’ Birds’ is het meteen wéér van dattum: in dikke lagen dekens gewikkelde triphopbeats, een door een fuzzpedaal gedraaide stem en een galmbad dat waarschijnlijk een geladen sfeer moet suggereren.
Een paar schamele lichtpuntjes bewijzen dat Ecks het nog wel kàn. ‘Nikels en Dimes’ is een uitstekend nummer in een blikken trom-productie die met een beetje goede wil van een jonge DJ Shadow had kunnen zijn. Ook ‘The Blame’ is nog best verteerbaar: Ecks op zijn meest melancholisch, over een wollig synth-tapijt en een slowmotion funkbeat die in en uit de song schuift.
De kracht van ‘A Sufi And A Killer’ zat ‘m in Ecks’ songs, maar zeker evenzeer in de producties van Gaslamp Killer en Flying Lotus. Waarop Warp wacht om de teugels stevig aan te halen is ons een raadsel – een talent als Gonjasufi mag geen enkele platenfirma verloren laten gaan. Als Ecks op dit pad verder gaat, kraait er binnen twee jaar geen kat meer naar hem.

Uit Northampton, Massachusetts komt het trio Black Pyramid met een opvolger voor het naar zichzelf vernoemde debuut uit 2009. We rekenen er de plaat ‘Stormbringer’ niet bij, omdat die een compilatie van eerder verschenen singlestracks is. De band heeft sinds het debuut duidelijk niet stil gezeten, zie de singles die quasi allen verschenen na het debuut, en maakten ook progressie. Dat is duidelijk te horen aan ‘II’. De nummers zijn evenwichtiger opgebouwd, de zang van Darryl Shepard, die sinds 2011 de band vervoegde, klinkt beter dan die van zijn voorganger (Andy Beresky verliet de band naar het eind van 2011 toe), al is hij net zo min echt toonvast. Black Pyramid lost dat echter op een eenvoudige manier op door grotendeels te kiezen voor instrumentale muziek. En met twee epische songs: ‘Dreams Of The Dead’ duurt twaalf minuten en afsluiter ‘Into The Dawn’ zelfs vijftien minuten. In beide wordt nauwelijks gezongen, wel gebeukt. De band probeert High On Fire te verenigen met Black Sabbath en Electric Wizard en slaagt daar grotendeels in. Al haalt het korte akoestische ‘Tanglorn’ de vaart volledig uit de plaat met zijn Oosters getint gejengel. Aan het begin of op het einde van een bombastisch klinkend geheel zou dit weinig vervelen, nu is het volkomen misplaatst. Gelukkig herpakt de band zich snel met het stevig rockende ‘Sons Of Chaos’, waarin de riffs moddervet op de band werden gesmeerd. En dat geldt voor de volledige cd. Het is de productie die Black Pyramid de moeite waard maakt, door zijn logge doomgeluid met een lichte psychedelische feel. Voor de volgende plaat nog wat meer songs uitbenen en het kan een stoner- annex doomklassieker in wording zijn.

De afgelopen tijd maakte dit Londens collectief vooral naam met zijn visuele uitspattingen en remixes – iets wat ze doen onder de naam BretonLABS. Hun uitvalsbasis bevindt zich in een verlaten bankkantoor in het Zuidoosten van Londen. Na hun eerdere werk voor onder andere Tricky, Local Natives en Maps & Atlases vonden ze de tijd rijp om zich zelf op de muziek te storten. Daarvoor trokken ze naar de afgelegen Sundlaugin-studio van Sigur Rós. Niet dat ze ook maar enigszins in de buurt komen van de etherische soundscape-indie van die Ijslanders. Verre van zelfs. De jongens van Breton maken een soort van post-vanalles artpop overgoten met heel veel naar dubstep neigende elektronica. Er gebeurt wel heel veel in de songs. Haast elk gaatje wordt dichtgeplamuurd met een heel of half idee. Er duiken strijkers op, lome beats, of analoog aandoende synthgeluiden. Door die vele lagen raakten wij aanvankelijk de weg al eens kwijt op deze plaat. Iets wat toch niet echt de bedoeling is, lijkt me. Hoogtepunt van de plaat is voor ons ‘Governing Correctly’ met zijn dubby baslijn. Het nummer klinkt als Wire die in een artpop-bad zijn gevallen. ‘Interference’ klinkt in al zijn bombast dan weer als het themanummer van een James Bond-film van de 22ste eeuw. Her en der zien we dat het collectief een grote toekomst wordt voorspeld. Dat lijkt ons op basis van dit album ietwat voorbarig. Laten we er het op houden dat ze het in de periode waar vele muzikale stromingen het woord post als voorvoegsel krijgen zij een plaat hebben gemaakt die past in vele vakjes. Alleen zijn wij nog aan het nadenken in welk wij het gaan stoppen.

Zanger / gitarist Francis Rencoret, bassist Fredrik Cronsten en drummer Wille Alin hebben Stockholm, Zweden als thuisbasis. Eind 2010 besloten ze een bandje op te richten, en gaven hun band de bedrieglijke naam Dean Allen Foyd. Het lijkt de naam van een bluesbard uit het diepe Zuiden van de Verenigde Staten, en toch geeft het iets te maken met de debuutplaat van dit trio. Tussen de psychedelica zit namelijk een behoorlijke scheut blues verweven. Meestal starten ze een song met een reguliere melodie, maar al snel gaan ze gecontroleerd jammen. Veel van de songs faden op het einde weg, wat op een podium ongetwijfeld niet zal gebeuren. Dan kan het trio ongebreideld trippen en hun songs verder uitwerken, langer maken. Vooral de jaren 1960 en 1970 zijn van invloed op het geluid van de mannen, die heel wat hebben opgepikt van Syd Barrett en Arthur Lee, boegbeeld van Love. Wat hen nog dat tikkeltje meer in de bloemen zet, is het gebruik van fluiten, theremin, strijkers en een slidegitaar hier en daar. Deze extra instrumenten verruimen weliswaar het geluid, tegelijk drenkt het de band nog dieper in een ver verleden toen hippies de tegencultuur vormden. Toch zijn het negen nummers die behoorlijk goed in elkaar steken en onderling voldoende variatie bieden om niet te vervelen. Groot, zelfs binnen het eigen genre, zullen de Zweden nooit worden. Het zal ook niet de bedoeling zijn. Zich amuseren en tijdloze nummers opnemen is allicht de hoofdbetrachting van Dean Allen Foyd, en gelijk hebben ze.

Een plaat die de persoonlijke strubbelingen in het leven doet weerklinken, waar hebben we dat eerder gehoord? De zon heeft voor Marc Euvrie de laatste jaren weinig geschenen; depressie, eenzaamheid en gevechten met het zelf zijn de voedingsbodem voor The Eye Of Time, zijn elektronische eenmansproject. Want Euvrie, voortgekomen uit de Franse punk- en hardcorescene, heeft het bandleven vaarwel gezegd, want hij kan niet samenwerken met anderen. Sores in het hoofd kan voor mooie dingen zorgen, leert de muziekhistorie ons, al vrezen we voor een uiteenlopende waaier van stijlen, want The Eye Of Time is tot stand gekomen gedurende een periode van acht jaar. Dat is een peuterleven lang. Euvries geluid is sterk beïnvloed door de ritmische elektronica van Autechre en µ-ziq, al wordt deze fundering tweeledig uitgewerkt. Enerzijds worden de gebroken beats dik aangezet met bombastische klassiek en dark ambient; anderzijds flirt hij met industrial en noise. Dat veel tracks al lang op de plank liggen, is te horen – een zekere gedateerdheid blijft aan het oor kleven, zeker bij de Autechre meets klassiek-tracks, maar The Eye Of Time schittert in percussie-gedreven industrial, die beter lijkt passen bij de gemoedstoestand van hem en ons zelf. Zo had de gehele plaat moeten klinken, maar ach, het heeft de man acht jaar gekost om tot dit werk te komen, ook wij hebben een hart en wensen hem niets dan goeds. Van de twee discs is er slechts een te veel, zei zijn therapeut met een aai over de bol.