GC #108

Tindersticks vieren dit jaar hun twintigste verjaardag. Dat doen ze onder andere met dit nieuwe album. Ondertussen al hun negende plaat naast een viertal soundtracks en nog een boel soloprojecten en liveplaten. Het is dus niet zo dat de leden van de band stilgezeten hebben. Van de oorspronkelijke zes leden schieten er wel maar drie meer over. Eén daarvan is natuurlijk Stuart A. Staples die met zijn doordringende bariton het hart van de band vormde en nogal altijd vormt. Rond die stem weven de andere muzikanten al twee decennia uitgepuurde kamerpop. Dit nieuwe album begint dan ook behoorlijk verrassend met het bijna negen minuten lange spoken word-achtig nummer ‘Chocolate’. Een nummer dat even goed op het album van Aidan Moffat en Bill Wells had kunnen staan. Afsluiten doet het album met het loungy, instrumentale niemendalletje ‘Goodbye Joe’. Tussen die twee nummers serveert de band zeven vintage Tindersticks songs met als uitschieters ‘Show Me Everything’ met heerlijke vrouwenstem in de achtergrond en het ietwat dreigende ‘Medecine’. De band probeert dan wel hier en daar nieuwe elementen in hun muziek te brengen, maar laten we dat nu net de minst geslaagde elementen vinden. Nu, het gaat zoals het vaak gaat met een groep die al zolang bezig is. Echt vernieuwing is er niet meer te rapen, in het geval van Tindersticks blijven ze wel muziek maken waar ze zich niet voor hoeven te schamen.

De afgelopen jaren is de saxofoon aan een opvallende opmars bezig. In de vorige editie spraken we nog met Colin Stetson over zijn uitzonderlijke solowerk op de baritone saxofoon en in Gonzo (circus) 98 ging onze aandacht uit naar Shining die in 2010 met ‘Blackjazz’ de saxofoon een definitieve plek in de metal gaf. Dead Neanderthals past daar perfect bij. Qua instrumentkeuze, maar vooral ook qua onconventionele aanpak. Het duo combineert felle grindcoredrums met over de top vervormde baritonsaxofoon tot een imposante geluidsmuur. Op ‘Jazzhammer/Stormanngaskap’ slaat de band echter wel een andere weg in dan op de voorgaande ep ‘Dead Neanderthals’. Op deze 7inch speelde het tweetal tien nummers in nauwelijks tien minuten, ‘Jazzhammer’ en ‘Stormanngalskap’ duren elk op zich al net zolang als deze voorganger. Maar buiten de lengte is er weinig aan de sax en drums stormram uit Nijmegen veranderd. In ‘Jazzhammer’ zijn alle openingen naar rust of stilte voor een goede acht minuten geheel dicht gesmeerd. De drummer lijkt op hol geslagen terwijl de volledige longinhoud van de rietblazer wordt ingezet om het koper letterlijk en figuurlijk te doen scheuren. In ‘Stormanngalskap’ gaat het duo voor meer variatie. Daar waar het eerste nummer doet denken aan een haperende cdspeler, komen hier verschillende lagen aan blaaspartijen over een metal gespeeld jazzritme de boxen uit geknetterd. Kortom, ruim tien minuten imponerende en luid jazz voor noiseliefhebbers. We vragen ons af waarom de gitaar eigenlijk ooit zo populair is geworden.

Eyvind Kang zal in deze kolommen vooral bekend zijn om zijn samenwerkingen met Six Organs Of Admittance, Blonde Redhead en Sunn O))), maar de viool- en viola-speler maakte ook een hele reeks soloplaten. Veel daarvan bevinden zich aan het voorfront van avant-garde, experiment en noise, maar Kang heeft meer noten op zijn zang. Op ‘The Narrow Garden’ reist hij heen en weer tussen de middeleeuwen en Arabië. Nummers als ‘Mineralia’ en ‘Nobis Natatis’ weten wij niet anders te omschrijven dan “hoofse melodieën”. Let wel, neo-middeleeuws is geen genre waar we erg goed thuis in zijn. Verder dan mid-periode Dead Can Dance komen we meestal niet (of het moet Corvus Corax zijn, maar dat is wat ons betreft gewoon een hoempapa-band met doedelzakken en een hang naar ars nova-melodieën), dus vergeef ons de mogelijk gebrekkige vergelijkingen. Fraaie composities met de voor middeleeuwse muziek zo typerende naïeve speelsheid en eenvoud, uitgevoerd door vrouwenstemmen en een klassiek ensemble met veel percussie. Die laatste is veelal oosters van karakter, en elders maken de introductie van zwierige strijkers en bezwerende fluit dat gevoel nog sterker. Het bijna formele karakter van de nummers krijgt halverwege tegengewicht van twee nummers die de luisteraar met dissonant snarenspel in angstige afwachting houden. De ontlading komt vervolgens in de slepende afsluiter, die de luisteraar door de muzikale equivalent van een Indiaas sprookje leidt. Na een initiële worsteling met de door Kang gekozen stijl blijkt ‘The Narrow Garden’ dan uiteindelijk toch een knappe en meeslepende plaat te zijn.

Over Lana Del Rey is al heel wat inkt gevloeid. Dat ze het gemanipuleerde product zou zijn van een uitgekiende marketingstrategie bijvoorbeeld, inclusief een glamoureus femme fatale imago gebaseerd op Hollywood chic, de Amerikaanse Droom en hiphop gangsterstijl. Of dat ze al even fake zou zijn als haar lippen, et cetera. Laat het ons daarom hier over de muziek hebben. Feit is dat ze met de sensuele en romantische ballade ‘Video Games’ één van de mooiste en intrigerende pophits scoorde van 2011. Haar lage, zwoele stem, die haar in het rijtje van Anita Lane, Nico of Cat Power plaatste, plus een van mysterie, melancholie en nostalgie druipende video volstonden om van haar via YouTube een gigantische hype te maken. Een nieuwe indiester leek geboren. In het verleden bracht ze onder haar eigen naam (Elizabeth Grant) een ep (‘Kill Kill’) en een nooit officieel uitgebracht album uit (‘Lana Del Rey A.K.A Lizzy Grant’), maar ‘Born To Die’ wordt nu gelanceerd als haar langverwachte debuut. De verwachtingen waren dus op zijn minst hoog gespannen. De enige vraag die er echt toe doet, is of ze het niveau van ‘Video Games’ zou kunnen evenaren. Ja en (vooral) nee, blijkt nu. De titeltrack, ‘Blue Jeans’ of ‘Summertime Madness’ zitten in hetzelfde sensuele schuitje, maar voor elk parel is er minstens een even grote stinker. Zodra ze bijvoorbeeld hoger gaat zingen en de nummers vooral opvallen qua banaliteit (tekst én muziek) gaat ‘Born To Die’ finaal de mist in. Op die momenten verliest ze elke artistieke geloofwaardigheid en bewijst ze niets meer dan een willoos popje te zijn in de handen van een legertje co-auteurs en gastproducers. Plastic nummers als ‘Radio’, ‘This Is What Made Us Girls’ of ‘Lolita’ associëren we bovendien eerder met Beyoncé of godbetert Britney Spears. De oogst van ‘Born To Die’ is niet meer dan een prima ep en dat is ruim onvoldoende om al die inkt te rechtvaardigen.

‘Platforms’ is een plaat met een concept – iets met levensfases, denken we – dat we niet pakkend genoeg vertaald kregen om hier te reproduceren. ‘Platforms’ is tevens een plaat met knappe elektronica die het ook zonder concept uitstekend doet. Het duo Plaster is Italiaans van origine, woonachtig in Berlijn en onder de pannen bij het Oekraïense Kvitnu, een label dat wij al eerder enthousiast bespraken; bij bijvoorbeeld Zavolokas ‘Vedana’ en de verzamelaar ‘Myths & Masks’. Plaster speelde als voorprogramma van onder meer Alva Noto en Frank Bretschneider, en hun invloed is zeker hoorbaar op ‘Platforms’. Maar waar firma Raster-Noton vaak zeer klinisch te werk gaat, houden de Italianen wel van een vies randje. Naast pure, droge elektronica zijn er knarsende sequencers die aan de speakers schrapen, dissonant gepiep, beats die zo nu en dan buiten de maat lijken te zwalken: het geeft de muziek leven en het nodige venijn. De dreiging en de midtempo beats refereren soms ook aan EBM, en ‘Plaster’ komt regelmatig zij aan zij met Byetones ‘Symeta’ – althans het deel van die plaat waarop niet “gerockt” wordt. Ook liefhebbers van Senkings ‘List’ kunnen hun lol op met ‘Platforms’. Midden in dit alles is er een enkel rustpunt in de vorm van een fraai IDM-nummer, waar de luisteraar even uit kan hijgen. Plaster weet zichzelf ook in toom te houden, en de nummers niet uit te spinnen voorbij hun effectiviteit; met een nette veertig minuten speelduur voorkomen ze zo metaalmoeheid. Ze zijn tevens fraai verpakt, zoals altijd bij Kvitnu.

Deze alias van Detlef Funder is een minder bekende naam, en het is vooral zijn label Stimme Des Volkes Tonträger dat bij sommigen onder jullie een belletje zal doen rinkelen. Zijn eigen muziek uitbrengen, is nooit een prioriteit geweest omdat hij ook in de andere kunsten actief is: we noteren slechts een handjevol releases in vierentwintig jaar. Met de gelimiteerde cd ‘Temporary Audiosculptures And Artefacts’ lijkt Funder zijn twee passies te combineren, zij het via een term die we in ons leven al net iets te vaak gehoord hebben: beeldhouwen met geluid. Ruwweg combineert Konrad Kraft drie basisingrediënten: concrete geluiden en veldopnames worden vervormd en samengeperst tot elektronisch geritsel of drones, die op hun beurt repetitief maar soms brutaal worden doorkruist met luidere ongefilterde brongeluiden. We schrikken dus af en toe op, en daarom voelen we ons verplicht om de naam Illusion Of Safety (zowel de oorspronkelijke visie als de recente output) te laten vallen als referentiemateriaal. Omdat we per beeldhouwwerk gemiddeld acht minuten de tijd krijgen, hebben sommige stukken een meditatief karakter. In die mate dat we bij momenten vergeten dat we muziek beluisteren, en ons afvragen wie er in onze garage zit te rommelen.

Omdat de ambitieuze achttiendelige heruitgavenreeks sputtert, vormen de ruggen in ons cd rek al een tijdje de woorden ‘AMSUS TIET’, wat bij buitenstaanders de nodige hilariteit oproept, en de aandacht afleidt van de indrukwekkendheid van onze Tietchenscollectie. Maar niet langer getreurd, want nu is er eindelijk de C! ‘Marches Funèbres’ werd oorspronkelijk in 1989 uitgebracht door het Zweedse Multimood, en is het album waarvoor Tietchens zich het vaakst heeft moeten verantwoorden. ‘Linea 5’ beantwoordt nog enigszins aan de verwachtingen met repetitieve patronen van bewerkte loops, die heel sterk aan Steve Reich doen denken. De verrassing schuilt echter in ‘Grünschattiger Nachmittag’. Dit is immers een klassieke begrafenismars in de ware zin van het woord, zowel qua klankkleur als compositorisch. Het flatteert Tietchens dat hij een dergelijke dramatische grootsheid kan oproepen met relatief beperkte middelen als een minimoog en een ritmebox. Waar sommige liefhebbers hardnekkig de neus blijven ophalen wegens de toegankelijkheid van deze track, blijft het voor ons één van de Tietchens composities waar we het vaakst naar terugkeren. Bovendien bevat deze heruitgave ook ‘Grünschattiger Nachmittag 1979’: een vullertje zal je denken, maar noteer dat dit de meest sfeervolle track is die we de voorbije maanden hoorden. Absoluut essentieel!

Na tweeëntwintig jaar uit de rekken te zijn geweest, brengt Destiny dit legendarische livealbum opnieuw op de markt. Rich Kids On LSD, zoals de band voluit heette, kende zijn glorieperiode tijdens de jaren 1980, en probeerde het in de jaren 1990 via een reünie nog een keer, maar die reünie was weinig succesvol. Ondertussen zijn zanger Jason en toenmalig drummer Bomer overleden, beiden in 2006 in hun strijd tegen hun harddrugsverslaving. Derrick Plourde, die ook een tijdje drumde voor de band, pleegde in 2005 zelfmoord. De drie overgebleven originele leden verleenden hun medewerking aan de rerelease van de plaat, als eerbetoon aan hun overleden bandleden. De plaat verscheen oorspronkelijk net na het uitbrengen van ‘Rock’n Roll Nightmare’ en de Europese tournee die erop volgde. RKL was toen op zijn hoogtepunt en laat dat op dit album ook duidelijk horen. Dit is hardcore / skatepunk zoals die toentertijd op zijn best was. Snel, gedreven, virtuoos in zijn eenvoud en een groot voorbeeld voor bijna alle punkbands die na hen komen. Fat Mike NOFX schrijft dan ook met overtuiging en plezier een deeltje van het 20 pagina’s meegeleverde boekje, waarin ook interviews met de overgebleven leden, een zeldzaamheid. Bovendien bevat het album een paar bonustracks uit de periode 2000/2001, en uiteraard hun versie van ‘Detroit Rock City’ van Kiss, hier ‘Berlin Rock City’ genoemd. Dit album is essentieel voor de punkgeschiedenis, en sowieso een aanbeveling voor wie graag graaft in het verleden.

Een man van makkelijke plaatjes zal Gonjasufi wel nooit worden. Ook op ‘Mu.zz.le’, opvolger van ‘A Sufi And A Killer’, uit Sumach Valentine zich ongegeneerd in politiek, sociaal en spiritueel opzicht. Het straatleven, overvloedige ganja, inzichten uit het soefisme: allemaal laten ze zich gelden op deze nog geen vijfentwintig minuten tellende ep. Daarbij tekende Gonjasufi, in verschil met zijn debuut, ook helemaal solo voor de productie: met Roland Space Echo kon hij zelf wel aan de slag. Muziek mag een beetje pijn doen volgens de man, en een persoonlijk moeilijke periode, voorafgaand aan deze plaat is evenmin vreemd aan het donkere resultaat. ‘White Picket Fence’ zoekt het meteen in de lage registers, twijfelend tussen desillusie en een bedrukte stemming. Korrelige lo-fi overheerst de hele plaat, ook in ‘Feedin’ Birds’ – beeldtaal voor het hebben van kinderen – met een vocale bijdrage van een dame die me erg doet denken aan Niobe. Psychedelisch, bluesy, hoekig en dubby: aan adjectieven ontbreekt het ‘Nikels And Dimes’ niet, maar voor mij is ‘Venom’ de creatieve piek: J Dilla meets Tikiman, loom en dampend. Wat rest, is gruizige dub en psycho hop, soms dromerig en slepend, dan weer lethargisch en versuft, met een occasionele sixties of seventies toets. Thematisch draait de plaat verder om het innerlijke spanningsveld tussen demonen en hoop, wat van deze ep een prijzenswaardig eerlijke, tegelijk ook erg individuele plaat maakt, die onvermijdelijk zal wieden in de schare fans die zijn debuut opleverde.

Het Brusselse Inu Itu label begint stilaan steeds meer in ons hart te kruipen met eigenzinnige vinylreleases van opmerkelijke geluidskunstenaars. AMT is de Tsjechoslowaak Slavek Kwi die ooit jarenlang in België woonde, maar sinds 2000 in Ierland resideert. Als geluidskunstenaar is hij al sinds de vroege jaren 1990 bezig met het brengen van electro-akoestische geluiden binnen het concept van ‘geluidsbeelden’, film voor het oor als het ware. Hiervoor maakt hij vooral gebruik van field recordings van natuurgeluiden waarbij de beleving door de techniek van de musique concrète wordt beïnvloed. In 2007 assisteerde hij Francisco López nog bij zijn Mamori workshops in het Amazonewoud, hetgeen tegelijk de basis was voor deze plaat. Het geluid draait rond de Inia geoffrensis geoffrensis oftewel de Boto zoetwaterdolfijn die in de Amazone rondspartelt. Dit rozige zoogdier kan zich volgens Indiaanse legenden transformeren naar menselijke vormen. Om dit mystieke element wat meer kracht bij te zetten, bevat de plaat een klein essay over metamorfe dieren. Het thema transformatie staat centraal op beide kanten waar geluiden van het dier en zijn omgeving afgebroken en opnieuw samengesteld worden als audiolandschappen. In een langzaam afspelende droom horen we tikjes, echo’s, vertroebeld gekwetter, onderwaterbubbels, bovenwereldse insecten, evenals menselijke activiteit in de vorm van een verre propellermotor en ander achtergrondgeluid. Het resultaat is een minimalistische plaat om bij achteruit te zakken. We horen nuances van zang en sonar van de dolfijn en omringende natuurgeluiden alsof het uit de keuken komt van Chris Watson met een tikkeltje organische 12K. Gelukkig dus geen zweverige new age zoals de natuurgeluidenrage uit de jaren 1980, maar een geluid dat dieper gaat. Een ontspannende, bewuste natuurmens anno 2012 is er één die concepten kan smaken.

Uit Aberystwyth, Wales komt hij, The Drip Dry Man. Hij woont ondertussen in Madrid, al is hij geregeld op toernee. Dat is relatief eenvoudig als je alleen op de hort gaat, met je zelf in elkaar geknutselde primitieve voetdrum en dito gitaar. Twee heeft hij er, een reguliere en een sigarendoosmodel met drie snaren. De man trekt vreemde kostuums aan en smeert bevreemdende make-up op zijn smikkel, waardoor zijn show ietwat doen denken aan een burleske. Kijk alleen maar naar de prachtige hoes, met het werk ‘A Real Dark Night Of The Soul’ van de hand van Gordon Crabb, die de sfeer van de plaat perfect oproept. En dan hoor je ’s mans muziek, geworteld in oeroude bluestradities met een stem die het midden houdt tussen Tom Waits en Howlin’ Wolf. Hij vertelt, verhaalt meer dan hij zingt, de begeleiding is slepend traag en onderstreept nog beter zijn door merg en been gaande, raspende stemgeluid. Op de plaat wordt hij bijgestaan door Sven Karma op keyboards, en een aantal vrienden voegen hier en daar harmonica, basgitaar of achtergrondzang toe. De tien nummers, vijf op elke plaatkant, klinken daardoor net iets gepolijster en beter afgewerkt dan de ruwe bolsters die hij voor een publiek neerzet. We denken meteen aan de zompige blues uit het zuiden van de Verenigde Staten als de naald de groeven raakt. ‘Major Manchester’, ‘Posh & Dirty’, ‘Your Mama’, ‘Black Milk’, het zijn stuk voor stuk primitieve bluesrockparels. Te krijgen tijdens zijn concerten of in de speciaalzaak, wegens alleen op vinyl.

Stijn Debontridder, labelbaas van het prille Thanks But No Thanks Records, opereert vanuit Aarschot, België. Aan de drie minicd’s die we onder ogen krijgen, is de kerel een groot liefhebber van poppunk. En dat kan beide richtingen uit: zowaar bijna reguliere pop in het geval van Get Off My Shoes of de iets steviger poppunk van F.O.D. en 15 Minute Powernap. Jonas Meukens (voorheen van X!nk begot) is de frontman van Get Off My Shoes uit Antwerpen, terwijl Stijn zelf gitaar speelt. Het kwintet opent zijn plaat met een zalig instrumentale intro om er dan vijf uiterst melodieuze liedjes achteraan te gooien. Poppunk met een scheut springerige newwave, zoals in ‘We’re Going Down But We Don’t Care’, dat een beetje aan Bloc Party doet denken. Het huppelgitaarlijntje past perfect, de stem zit goed en al is deze stijl niet echt onze smaak, het is allemaal zeer goed gedaan. ‘Autumn’ gebruikt dan weer een beat die zo van Orchestral Manoeuvres In The Dark is gejat, om dan te grabbelen in het latere, mindere werk van die band om het liedje in zijn vorm te gieten. Mensen die al eens naar Weezer luisteren, zullen deze ep heel erg de moeite waard vinden. Als dit een Britse band zou zijn, werden ze meteen tot het snoepje van de week gebombardeerd. Uit Duffel komt F.O.D., dat zeven nummers brengt die helemaal in de stijl zitten van Green Day, Bad Religion, NOFX en The Descendents. Absoluut niet origineel dus, met een geluid dat iedereen al lang bekend is en dat voornamelijk zal scoren binnen zijn eigen publieksbereik. Niet dat de nummers slecht zijn, integendeel. De band heeft trouwens maar een kwartier nodig voor zijn zeven songs, dus veel tierelantijntjes zijn er niet, alleen de essentie blijft over. Het kwartet kan gerust concurreren met de eerder vernoemde grote namen, al zullen ze het nooit zo ver schoppen. Daarvoor zijn de liedjes net niet sterk genoeg, maar ze klinken wel stukken beter dan veel andere poppunk die we hier beluisteren, en meestal niet recenseren, wegens te zwak. 15 Minute Powernap komt net zo goed uit Duffel. Drummer Lode van F.O.D. neemt hier de rol van frontman voor zich. In tegenstelling tot wat de groepsnaam doet vermoeden, speelt de band recht voor de raap punkrock, al blijft het poppy element uiteraard behouden. Vijf nummers brengt het kwintet, en ze klinken in onze oren als de zwakkere broertjes van de hoop. Dat komt vooral door de iets mindere zang van Lode, die dus beter kan drummen dan zingen als wij het voor het zeggen zouden hebben. Al bij al zijn dit drie leuke ep’s van een Vlaams label dat zich duidelijk profileert en een voedingsbodem biedt voor de onderste regionen van elke Groezrockaffiche.

Nadat de Sex Pistols waren geïmplodeerd, begon John Lydon een band die minder berucht, maar muzikaal niet minder invloedrijk zou zijn: Public Image Ltd., een van de eerste post-punk-bands – zo niet de eerste. PiL was ook een onstabiele eenheid – bassist Jah Wobble beschreef de band ooit als “vier verschillende mensen op vier verschillende drugs” – en de oorspronkelijke kern van Lydon, Wobble en gitarist Keith Levene overleefde slechts twee lp’s. Na ‘Metal Box’ hield Wobble het voor gezien, en Levene werd na het derde album uit de band gezet. De band had inmiddels in Martin Atkins een vaste drummer gevonden, na eerder een hele rits slagwerkers te hebben versleten. Het duo Lydon/Atkins zou vervolgens met sessiemuzikanten ‘This Is What You Want… This Is What You Get’ opnemen, waarmee PiL zou worden bijgezet in het rijtje New Wave-bands. Uit de tijd van net voor dat album dateert dit optreden, opgediept uit het enorme archief van WDR’s Rockpalast. Niet de beste periode in ’s bands historie dus, en dat blijkt ook. Aan Lydon ligt het niet – hij is zijn zeurderige, verveelde zelf, maar je ziet het vuur nog wel onderhuids branden –, noch aan Atkins, een fantastische drummer, maar de drie huurlingen staan erbij als, inderdaad: extra’s. Competente musici, daar niet van – al lijken de bassen minder diep dan wat Wobble uit zijn bas toverde – maar erg geïnspireerd oogt het allemaal niet. De band speelt nummers van de eerste drie albums – met uitschieters ‘Annalisa’ en ‘Religion’ – plus een aantal die nog moesten verschijnen, en zowaar een versie van ‘Anarchy In The UK’. Het is daarmee vooral interessant als tijdsdocument en niet zozeer als muzikaal hoogstandje. Een minder legendarisch optreden van een legendarische band.

Een welkome heruitgave van een album dat eerder in 2010 in beperkte oplage werd uitgegeven. Yellow Swans waren toen al twee jaar ter zielen – hoewel hun overweldigende afscheidsplaat ‘Going Places’ nog moest verschijnen – en er werd reikhalzend uitgekeken naar Pete Swansons eerste platen onder eigen naam. Die borduurden initieel voort op het geluid van Yellow Swans, maar is inmiddels doorontwikkeld tot een soort verwrongen techno (lees: lawaai met een beat) op zijn laatste album, ‘Man With Potential’. Kant a van ‘Waiting For The Ladies’ ligt meer in de lijn van het eerdere ‘Where I Was’. Een lange trip langs een muur van overstuurde gitaarfeedback, waarin cyclische noisepatronen voor de hypnose zorgen. In fases van relatieve rust proberen afgeknepen oscillatoren aan de filters en begrenzers te ontsnappen, voordat de noise het weer overneemt. Het heeft iets van het werk van Ashtray Navigations waarin psychedelica is vervangen door weemoed. Ergens in de storm horen we Swanson eenzaam meeneuriën -en zingen. Minder massief dan Yellow Swans’ laatste opnamen, maar persoonlijker en, hoe idioot het misschien klinkt met alle noise, breekbaarder. Uit een heel ander vaatje tapt Rene Hell; op zijn albums ‘Porcelain Opera’ en ‘The Terminal Symphony’ liet hij al horen niet vies te zijn van kosmische Musik, en ook hier weeft hij een tapijt van analoge synthesizers die door eindeloze, duizelige arpeggio’s heen lopen. Het is allemaal minimaler en lichtvoetiger dan bijvoorbeeld Emeralds, maar Hell gebruikt op twee nummers zijn eigen stem op een manier die het net dat beetje extra geeft. Hulde dus aan het nieuwe Belgische Shelter Press, dat binnenkort ook nieuw werk van Felicia Atkinson zal uitbrengen.