GC #108

Een man van makkelijke plaatjes zal Gonjasufi wel nooit worden. Ook op ‘Mu.zz.le’, opvolger van ‘A Sufi And A Killer’, uit Sumach Valentine zich ongegeneerd in politiek, sociaal en spiritueel opzicht. Het straatleven, overvloedige ganja, inzichten uit het soefisme: allemaal laten ze zich gelden op deze nog geen vijfentwintig minuten tellende ep. Daarbij tekende Gonjasufi, in verschil met zijn debuut, ook helemaal solo voor de productie: met Roland Space Echo kon hij zelf wel aan de slag. Muziek mag een beetje pijn doen volgens de man, en een persoonlijk moeilijke periode, voorafgaand aan deze plaat is evenmin vreemd aan het donkere resultaat. ‘White Picket Fence’ zoekt het meteen in de lage registers, twijfelend tussen desillusie en een bedrukte stemming. Korrelige lo-fi overheerst de hele plaat, ook in ‘Feedin’ Birds’ – beeldtaal voor het hebben van kinderen – met een vocale bijdrage van een dame die me erg doet denken aan Niobe. Psychedelisch, bluesy, hoekig en dubby: aan adjectieven ontbreekt het ‘Nikels And Dimes’ niet, maar voor mij is ‘Venom’ de creatieve piek: J Dilla meets Tikiman, loom en dampend. Wat rest, is gruizige dub en psycho hop, soms dromerig en slepend, dan weer lethargisch en versuft, met een occasionele sixties of seventies toets. Thematisch draait de plaat verder om het innerlijke spanningsveld tussen demonen en hoop, wat van deze ep een prijzenswaardig eerlijke, tegelijk ook erg individuele plaat maakt, die onvermijdelijk zal wieden in de schare fans die zijn debuut opleverde.

Het Brusselse Inu Itu label begint stilaan steeds meer in ons hart te kruipen met eigenzinnige vinylreleases van opmerkelijke geluidskunstenaars. AMT is de Tsjechoslowaak Slavek Kwi die ooit jarenlang in België woonde, maar sinds 2000 in Ierland resideert. Als geluidskunstenaar is hij al sinds de vroege jaren 1990 bezig met het brengen van electro-akoestische geluiden binnen het concept van ‘geluidsbeelden’, film voor het oor als het ware. Hiervoor maakt hij vooral gebruik van field recordings van natuurgeluiden waarbij de beleving door de techniek van de musique concrète wordt beïnvloed. In 2007 assisteerde hij Francisco López nog bij zijn Mamori workshops in het Amazonewoud, hetgeen tegelijk de basis was voor deze plaat. Het geluid draait rond de Inia geoffrensis geoffrensis oftewel de Boto zoetwaterdolfijn die in de Amazone rondspartelt. Dit rozige zoogdier kan zich volgens Indiaanse legenden transformeren naar menselijke vormen. Om dit mystieke element wat meer kracht bij te zetten, bevat de plaat een klein essay over metamorfe dieren. Het thema transformatie staat centraal op beide kanten waar geluiden van het dier en zijn omgeving afgebroken en opnieuw samengesteld worden als audiolandschappen. In een langzaam afspelende droom horen we tikjes, echo’s, vertroebeld gekwetter, onderwaterbubbels, bovenwereldse insecten, evenals menselijke activiteit in de vorm van een verre propellermotor en ander achtergrondgeluid. Het resultaat is een minimalistische plaat om bij achteruit te zakken. We horen nuances van zang en sonar van de dolfijn en omringende natuurgeluiden alsof het uit de keuken komt van Chris Watson met een tikkeltje organische 12K. Gelukkig dus geen zweverige new age zoals de natuurgeluidenrage uit de jaren 1980, maar een geluid dat dieper gaat. Een ontspannende, bewuste natuurmens anno 2012 is er één die concepten kan smaken.

Uit Aberystwyth, Wales komt hij, The Drip Dry Man. Hij woont ondertussen in Madrid, al is hij geregeld op toernee. Dat is relatief eenvoudig als je alleen op de hort gaat, met je zelf in elkaar geknutselde primitieve voetdrum en dito gitaar. Twee heeft hij er, een reguliere en een sigarendoosmodel met drie snaren. De man trekt vreemde kostuums aan en smeert bevreemdende make-up op zijn smikkel, waardoor zijn show ietwat doen denken aan een burleske. Kijk alleen maar naar de prachtige hoes, met het werk ‘A Real Dark Night Of The Soul’ van de hand van Gordon Crabb, die de sfeer van de plaat perfect oproept. En dan hoor je ’s mans muziek, geworteld in oeroude bluestradities met een stem die het midden houdt tussen Tom Waits en Howlin’ Wolf. Hij vertelt, verhaalt meer dan hij zingt, de begeleiding is slepend traag en onderstreept nog beter zijn door merg en been gaande, raspende stemgeluid. Op de plaat wordt hij bijgestaan door Sven Karma op keyboards, en een aantal vrienden voegen hier en daar harmonica, basgitaar of achtergrondzang toe. De tien nummers, vijf op elke plaatkant, klinken daardoor net iets gepolijster en beter afgewerkt dan de ruwe bolsters die hij voor een publiek neerzet. We denken meteen aan de zompige blues uit het zuiden van de Verenigde Staten als de naald de groeven raakt. ‘Major Manchester’, ‘Posh & Dirty’, ‘Your Mama’, ‘Black Milk’, het zijn stuk voor stuk primitieve bluesrockparels. Te krijgen tijdens zijn concerten of in de speciaalzaak, wegens alleen op vinyl.

Stijn Debontridder, labelbaas van het prille Thanks But No Thanks Records, opereert vanuit Aarschot, België. Aan de drie minicd’s die we onder ogen krijgen, is de kerel een groot liefhebber van poppunk. En dat kan beide richtingen uit: zowaar bijna reguliere pop in het geval van Get Off My Shoes of de iets steviger poppunk van F.O.D. en 15 Minute Powernap. Jonas Meukens (voorheen van X!nk begot) is de frontman van Get Off My Shoes uit Antwerpen, terwijl Stijn zelf gitaar speelt. Het kwintet opent zijn plaat met een zalig instrumentale intro om er dan vijf uiterst melodieuze liedjes achteraan te gooien. Poppunk met een scheut springerige newwave, zoals in ‘We’re Going Down But We Don’t Care’, dat een beetje aan Bloc Party doet denken. Het huppelgitaarlijntje past perfect, de stem zit goed en al is deze stijl niet echt onze smaak, het is allemaal zeer goed gedaan. ‘Autumn’ gebruikt dan weer een beat die zo van Orchestral Manoeuvres In The Dark is gejat, om dan te grabbelen in het latere, mindere werk van die band om het liedje in zijn vorm te gieten. Mensen die al eens naar Weezer luisteren, zullen deze ep heel erg de moeite waard vinden. Als dit een Britse band zou zijn, werden ze meteen tot het snoepje van de week gebombardeerd. Uit Duffel komt F.O.D., dat zeven nummers brengt die helemaal in de stijl zitten van Green Day, Bad Religion, NOFX en The Descendents. Absoluut niet origineel dus, met een geluid dat iedereen al lang bekend is en dat voornamelijk zal scoren binnen zijn eigen publieksbereik. Niet dat de nummers slecht zijn, integendeel. De band heeft trouwens maar een kwartier nodig voor zijn zeven songs, dus veel tierelantijntjes zijn er niet, alleen de essentie blijft over. Het kwartet kan gerust concurreren met de eerder vernoemde grote namen, al zullen ze het nooit zo ver schoppen. Daarvoor zijn de liedjes net niet sterk genoeg, maar ze klinken wel stukken beter dan veel andere poppunk die we hier beluisteren, en meestal niet recenseren, wegens te zwak. 15 Minute Powernap komt net zo goed uit Duffel. Drummer Lode van F.O.D. neemt hier de rol van frontman voor zich. In tegenstelling tot wat de groepsnaam doet vermoeden, speelt de band recht voor de raap punkrock, al blijft het poppy element uiteraard behouden. Vijf nummers brengt het kwintet, en ze klinken in onze oren als de zwakkere broertjes van de hoop. Dat komt vooral door de iets mindere zang van Lode, die dus beter kan drummen dan zingen als wij het voor het zeggen zouden hebben. Al bij al zijn dit drie leuke ep’s van een Vlaams label dat zich duidelijk profileert en een voedingsbodem biedt voor de onderste regionen van elke Groezrockaffiche.

De R&B-legende Andre Williams heeft al een roerig leven achter de rug, maar hij heeft nog steeds geen genoeg van zijn muzikantenbestaan. Dat is niet verwonderlijk, want zijn muzikale carrière is er een om je vingers bij af te likken. Al vroeg in de jaren 1950 scoorde hij een grote hit met ‘Bacon Fat’, hij bracht platen uit bij labels als Motown en Fortune Records in Detroit – waar we ook onder andere Nathaniel Mayers van kennen – en hij werkte samen met imposante namen als Stevie Wonder, Funkadelic en Parliament. In de jaren 1980 viel hij diep door zijn drugsverslavingen, maar hij heeft zich daarna weer herpakt en ging gewoon door met het uitbrengen van platen.
Zijn kenmerkende vuige sound heeft hij altijd weten te behouden, al pakt hij het op zijn nieuwe plaat wat kalmer aan – de beste man is inmiddels al de respectabele leeftijd van 75 jaar gepasseerd. De grooves zijn er echter niet minder om, en hij bewijst opnieuw nog genoeg oerdrift in zijn lijf te hebben om ons te herinneren aan die heerlijke R&B uit vroege jaren 1950, waar je nog als een beest op kon dansen.

Nadat de Sex Pistols waren geïmplodeerd, begon John Lydon een band die minder berucht, maar muzikaal niet minder invloedrijk zou zijn: Public Image Ltd., een van de eerste post-punk-bands – zo niet de eerste. PiL was ook een onstabiele eenheid – bassist Jah Wobble beschreef de band ooit als “vier verschillende mensen op vier verschillende drugs” – en de oorspronkelijke kern van Lydon, Wobble en gitarist Keith Levene overleefde slechts twee lp’s. Na ‘Metal Box’ hield Wobble het voor gezien, en Levene werd na het derde album uit de band gezet. De band had inmiddels in Martin Atkins een vaste drummer gevonden, na eerder een hele rits slagwerkers te hebben versleten. Het duo Lydon/Atkins zou vervolgens met sessiemuzikanten ‘This Is What You Want… This Is What You Get’ opnemen, waarmee PiL zou worden bijgezet in het rijtje New Wave-bands. Uit de tijd van net voor dat album dateert dit optreden, opgediept uit het enorme archief van WDR’s Rockpalast. Niet de beste periode in ’s bands historie dus, en dat blijkt ook. Aan Lydon ligt het niet – hij is zijn zeurderige, verveelde zelf, maar je ziet het vuur nog wel onderhuids branden –, noch aan Atkins, een fantastische drummer, maar de drie huurlingen staan erbij als, inderdaad: extra’s. Competente musici, daar niet van – al lijken de bassen minder diep dan wat Wobble uit zijn bas toverde – maar erg geïnspireerd oogt het allemaal niet. De band speelt nummers van de eerste drie albums – met uitschieters ‘Annalisa’ en ‘Religion’ – plus een aantal die nog moesten verschijnen, en zowaar een versie van ‘Anarchy In The UK’. Het is daarmee vooral interessant als tijdsdocument en niet zozeer als muzikaal hoogstandje. Een minder legendarisch optreden van een legendarische band.

Een welkome heruitgave van een album dat eerder in 2010 in beperkte oplage werd uitgegeven. Yellow Swans waren toen al twee jaar ter zielen – hoewel hun overweldigende afscheidsplaat ‘Going Places’ nog moest verschijnen – en er werd reikhalzend uitgekeken naar Pete Swansons eerste platen onder eigen naam. Die borduurden initieel voort op het geluid van Yellow Swans, maar is inmiddels doorontwikkeld tot een soort verwrongen techno (lees: lawaai met een beat) op zijn laatste album, ‘Man With Potential’. Kant a van ‘Waiting For The Ladies’ ligt meer in de lijn van het eerdere ‘Where I Was’. Een lange trip langs een muur van overstuurde gitaarfeedback, waarin cyclische noisepatronen voor de hypnose zorgen. In fases van relatieve rust proberen afgeknepen oscillatoren aan de filters en begrenzers te ontsnappen, voordat de noise het weer overneemt. Het heeft iets van het werk van Ashtray Navigations waarin psychedelica is vervangen door weemoed. Ergens in de storm horen we Swanson eenzaam meeneuriën -en zingen. Minder massief dan Yellow Swans’ laatste opnamen, maar persoonlijker en, hoe idioot het misschien klinkt met alle noise, breekbaarder. Uit een heel ander vaatje tapt Rene Hell; op zijn albums ‘Porcelain Opera’ en ‘The Terminal Symphony’ liet hij al horen niet vies te zijn van kosmische Musik, en ook hier weeft hij een tapijt van analoge synthesizers die door eindeloze, duizelige arpeggio’s heen lopen. Het is allemaal minimaler en lichtvoetiger dan bijvoorbeeld Emeralds, maar Hell gebruikt op twee nummers zijn eigen stem op een manier die het net dat beetje extra geeft. Hulde dus aan het nieuwe Belgische Shelter Press, dat binnenkort ook nieuw werk van Felicia Atkinson zal uitbrengen.

Burnt Friedman werkt onverstoord verder aan een steeds verder uitdijend oeuvre. Naast zijn pionierende werk in digitale dub als Nonplace Urban Field werkte hij samen met onder meer Uwe Schmidt (Atom Heart), David Sylvian en Can-drummer Jaki Liebezeit. Allemaal projecten waarin een focus op ritme een constante factor is, en waarin ook een voorliefde voor niet-westerse muziek vaak terugkeert. Dat is op ‘Bokoboko’ niet anders. De plaat is zeer ritmisch, met een hoofdrol voor alles van gamelan, tabla’s en woodblock, tot geprepareerde olievaten. Daarmee is de muziek veel organischer dan veel van Friedmans elektronische werk. Tegelijkertijd verraden de digital editing en de synthesizers de westerse herkomst. In een paar uptempo-nummers maakt Friedman met Indiase instrumenten een variant op Bollywood-disco die is ontdaan van bijna alles behalve de beat. De nummers zouden eindeloos kunnen doorgaan en veel van de percussie klinkt alsof ze live geïmproviseerd werd. Hier en daar neemt Friedman gas terug voor een moody intermezzo waarin een fluit de hoofdrol speelt. Om uiteindelijk weer terug te keren naar een groove zoals Shackleton hem zou maken als hij in Mumbai was opgegroeid, roffelend op alles waar maar geluid uit komt. ‘Bokoboko’ werkt na een tijdje wel een beetje op de zenuwen, maar waarschijnlijk had Friedman dan ook geen huiskamerplaat voor ogen; eerder iets voor in een bar, ergens in een drukke Aziatische stad.

Zoek de gemene deler van Yazoo, Erasure en Depeche Mode. Denk dertig jaar terug in de tijd en bedank Radio 2 voor de nachtelijke specials over één van de bekendere elektroproducers uit de jaren 1980. Vince Clarke was dat ijle mannetje achter Alison Moyet. Martin L. Gore schreef intussen alle songs voor Depeche Mode. Heel even werkten beide heren samen, om dan dertig jaar later elkaar terug tegen te komen in hun liefde voor elektronische muziek. Synthpop is compleet van het toneel verdwenen. De heren zijn karig met informatie. Net zoals hun songs karige technodreunen zijn, de titels je niets wijzer maken en enkel de bezwete dansvloer dolgelukkig wordt van ‘Ssss’. Stampen met de voeten, zwaaien met de handen. Rudimentaire techno roept om rudimentaire danspasjes. De vooruitgeschoven single ‘Spock’ drijft op hedonistische nachten, opvolger ‘Single Blip’ voegt er niets aan toe. ‘Ssss’ is de pure soundtrack voor het nachtbraken. Enerverend in je luie zetel, opwindend in je lovertjes-outfit.

Als we niet beter zouden weten dan waren we er van overtuigd dat Dan San een band uit Londen was, waar een van de mannelijke leden een relatie met Laura Marling heeft of heeft gehad. De Walen liggen in het geluid namelijk precies tussen Mumford & Sons en Noah And The Whale. Aanstekelijke indiefolk met lichte verwijzingen naar postrock en veel harmonische samenzang. Het debuut ‘Domino’ begint meteen met een van de hoogtepunten van de plaat, ‘Moon’. Klein beginnend in een combinatie van een ijzige gitaardrone over folk tolkwerk, waar geleidelijk piano, viool, drums en uiteindelijk de zang toe wordt gevoegd. We are lost in the dark room, herhaalt de band als enige tekst. Weinig woorden, maar in de muzikale context meer dan genoeg om te bezweren. Een formule die Dan San meerdere male herhaalt en steeds met het gewenste effect. Donkere frase die botsen met de juiste lichte folk, die eerder bij een betoverend blauwe lente hemel lijkt te horen. ‘Domino’ vormt een warm en dromerig geheel, waarin het makkelijk wegzakken is met daarbinnen een paar uitschieters die langer blijven hangen. Met name ‘The End Of The Day Part II’, waarin het kwartet Luikenaren het midden lijken te zoeken tussen Crosby, Stills, Nash And Young en Pink Floyd, is een indrukwekkend epos. Maar ook de eerste single ‘Question Marks’ en ‘Heavy Mist’ zullen het goed doen, zeker bij liefhebbers van de Londense folkscene of de baardfolk van Fleet Foxes, net als de opener ‘Mist’. De rest blijft daar nog wat bij achter, maar ontstijgen het niveau ‘opvulling’ wel degelijk.

Autopsie van een piano. De Amerikaanse klankenonderzoeker Daniel Menche bouwt vier dreigende landschappen op (sommigen zullen veeleer zeggen breekt af) met geluiden die aan een piano worden ontlokt en die hij vervolgens vervormt. Zoals de titel ‘Guts’ al laat vermoeden, worden ook de ingewanden niet met rust gelaten. Doorheen de dikke samengeperste klanklagen zijn de metalige invloeden van wat ooit snarengeschraap was steeds duidelijk herkenbaar. Eigenlijk is dit edele noise: Frédéric Chopin die met instrument en al in een venijnige vuilnisverbrijzelaar wordt gekieperd. Af en toe horen we dat een piano ook toetsen heeft, die kunnen worden ingedrukt om muzieknoten te produceren. Uiteraard blijft de toon nadien eindeloos nadreunen. Het is geen geheim dat wij het werk en de aanpak van Menche een warm hart toedragen, en daarom bevelen we je aan zowel de cd als de dubbelelpee aan te schaffen, gezien (onder andere wegens tijdsbeperkingen) één track in twee verschillende gedaantes terugkeert. Ook het artwork (een röntgenfoto van een chihuahua) verdient je volgehouden aandacht.

Me And Cassity is de band van de Duitser (Hamburg) Dirk Darmstaedter. Lang geleden had hij al eens een bandje, The Jeremy Days, die in het alternatieve Duitse circuit speelde halfweg de jaren 1980. ’s Mans carrière zwalpt al die jaren al een beetje tussen muziek maken met een band of alleen. Me And Cassity is de naam die Darmstaedter hanteert als hij zin heeft om met anderen een plaat te maken en het was nu weer eens tijd daar het vorige album een puur akoestische solokwestie was. Tien liedjes kwamen er uit zijn pen, geschreven op hotel, thuis of in de kantoren van Tapete, het label dat hij mee heeft opgericht. En het zijn stuk voor stuk quasi perfecte popsongs geworden, die zeker een plek verdienen op de radio, en ook op de Amerikaanse radiostations die bands als The Eagles en The Lovin’ Spoonful in rotatie hebben staan. Darmstaedter bracht een deel van zijn jeugd door in Teaneck, New Jersey, en werd in die tijd zwaar beïnvloed door voornoemde bands. De mondharmonica op opener ‘Time To Put The Hammer Down’ duwt deze song dicht naar het werk van Bob Dylan en tekstgewijs zijn er ook raakvlakken met Bruce Springsteen. Onder meer ‘Bring It On’ bevat een bijdrage van Martin Wenk (Wilco, Arcade Fire) op trompet en ook violiste Anne de Wolff (Calexico, Neko Case) helpt mee. Het zijn bijdrages die de initieel al sterke liedjes alleen maar extra cachet geven. ‘Appearances’ is misschien geen typische Gonzo (Circus)-plaat, ze is wel goed gemaakt en niet meer uit het koppie te krijgen.

Het is bijna niet te geloven. Corrosion Of Conformity (C.O.C.) bestaat sinds 1982 en behalve een hiaat tussen 2006 en 2010 bestaat de band nog steeds. En ze spelen nog steeds door de duivel achternagezeten heavy metal. Neen, geen zijsprongen of updates, gewoon heavy metal. Punt. De vier heren die nu de band vormen, zijn, weliswaar met hier en daar een pauze, nog steeds de quasi oorspronkelijke vier. En dan rekenen we Pepper Keenan mee, die nu deel uitmaakt van Down. Bassist Mike Dean was te horen op het Probot-project van Dave Grohl, terwijl niemand minder dan James Hetfield van Metallica meezong op het nummer ‘Man Or Ash’ van de plaat ‘Wiseblood’ uit 1996. Het vorige, zevende, album van de band, ‘In The Arms Of God’, dateert alweer uit 2005, dus het zal menigeen verrassen dat C.O.C. nu plots een volledig nieuw album uit heeft. Inspiratie voor de titel hadden ze duidelijk niet, voor de elf nummers des te meer. Verwacht uiteraard geen nieuwigheden van deze oudgedienden. Ze zijn ooit wel begonnen als punkband, om dan thrash te gaan spelen, maar eigenlijk wilden de heren altijd al gewoon stevige heavy metal brengen met wat southern rock en blues er doorheen gemengd. En gelijk hebben ze, want waarom zouden ze hun sound veranderen als ze nog steeds het gros van de stonerbands naar huis spelen? Het instrumentale ‘El Lamento De Las Cabras’ zorgt voor een mooi orgelpunt tussen krakers als opener ‘Psychic Vampire’, ‘The Doom’ of ‘Leeches’. De heren zijn prima in vorm, het geluid, opgenomen in Grohls studio, is super, de zang is nagenoeg perfect, de riffs zijn meesterlijk goed, dit alles voor liefhebbers van het genre natuurlijk. Laat ze openen voor Foo Fighters, de connectie is er toch al, en C.O.C. speelt stadions plat.

John K. Samson heeft zijn roots in Winnipeg, Canada en speelde bas in het midden van de jaren 1990 bij de punkband Propagandhi!. Tegenwoordig zingt hij in de folky Canadese punkband The Weakerthans, met platen op onder meer Epitaph. De man is gehuwd met Christine Fellows, een Canadese singersongwriter. Het heeft John allicht aangezet tot het maken van dit eerste soloalbum, waarop voornamelijk singersongliedjes prijken. De helft van de liedjes komt van twee eerder verschenen ep’s, zijnde ‘City Route 85’ en ‘Provincial Road 222’, aangevuld met zes nummers die niet eerder verschenen. Samson nam de songs die eerder verschenen, wel opnieuw op. Een pietje precies, die elk detail wil horen zoals het in zijn hoofd zit. Het gros van de songs zijn uitermate minimaal, Samson met een akoestische gitaar of een klein orgeltje, zingend over zijn geboortestreek, sneeuwlandschappen of een ampersand. ‘When I Write My Master’s Thesis’ en ‘Longtidunal Centre’ liggen meer in de lijn van zijn groepswerk en rocken een eind weg, al kleuren de songs niet echt binnen de geijkte lijntjes. Nummers met titels als ‘I petitions.com/petition/rivertonrifle’ of ‘Letter in Icelandic from the Ninette San’ hebben geen ambitie om een hit te worden. Ze laten daarentegen een intellectuele punker aan het woord die zin heeft om rustig zijn verhalen te vertellen. Een provinciale rocker, zoals hij het zelf al stelt, die vooral wil musiceren over zijn eigen achtertuin.

De uiterste grenzen bewandelen van het elektronische muziekspectrum: daar is het Peter Van Hoesen en Yves De Mey om te doen wanneer beide heren als Sendai aan het knutselen gaan. Het gaat om de essentie van de muziek, optie techno, maar de beats zijn vergeten. Sendai gaat diep onderhuids. ‘Geotope’, het debuut, is een vaag dansbare verzameling van gebroken ritmes die knellen in het luchtledige en je opzuigen. Opener ‘Terminal Silver Box’ is het kraakpand in je oren, de hartslag die tinnitus veroorzaakt en de rust die je nooit vinden zal. Het is het begin van een abstracte digitale trip boordevol ritselende elektronica, waarvoor onuitspreekbare superlatieven werden uitgevonden. Sendai is verknipt dansbaar. Geluiden zwellen aan en klinken als de sonische waterlanders van jaloezie van Demdike Stare en Sandwell District. Het statisch knetterende ‘A Refusal To Celebrate A Statistical Probability’ is een dreigende vlakte van tegenspartelende elektrische symbolen. Het is een in extremen uitgerokken fysicawetgeving die ook op ‘Win Trepsit/Brief Delay’ wordt doorgedreven. ‘Geotope’ is de tijdsopname van het ideale moment waarop digitale muzikale vormgeving perfect samengaat met de zoektocht naar verpulverende, pulserende krachten. Dit is Belgisch en absolute wereldklasse.
Ook solo moet Peter Van Hoesen totaal niet onderdoen. Sinds de release van ‘Entropic City’ liggen alle technogoden aan zijn voeten omdat hij de perfecte kunst van dansbaar versus abstract lijkt te beheersen. Hij beantwoorde de aandacht met stilzwijgen, enkele remixopdrachten voor onder meer Exercise One niet te na gesproken. Hoe dan ook, 2012 lijkt het ultieme jaar van bevestiging voor Van Hoesen te worden. Ook al is het een voorlopig tevreden stellen met de 12inch ‘Transitional State’ waarop Van Hoesen zich niet richt op het harde, lineaire beukwerk dat momenteel hoogtij viert, maar opteert voor een subtielere dansvloerbenadering waarbij de beats bijna ondergeschikt lijken aan het ingenieuze, bovenliggende klankenpallet. Tot de B-kant met zijn in twee gesplitste titeltrack ‘Transitional State 1’ en ‘Transitional State 2’ de dreun in je dag brengt. Een niet te missen zoethouder.

Je kan het ons niet kwalijk nemen dat wij meestal een dikke streep door Kruder & Dorfmeister-gerelateerde releases trekken. Lounge en derivaten zijn nu eenmaal ons ding niet. Als in een achteloos moment een ep van Peter Kruder het toch tot de stereo maakt, valt de mond open van verbijstering. Dit hadden wij dus door onze ingenomenheid bijna compleet gemist? Het filmische ‘Xenomorph’ is een deephouse-pareltje dat vrijelijk ademt onder zijn vele van samples-aaneenhangende laagjes. Het is verdwalen in door maanlicht verlichte weidse landschappen, zelfs als het avontuur je niet verder brengt dan de zandheuvels van Soestduinen. Op ‘Vespertilio’ leunt Kruder nauwer aan bij krautrocklegendes als Can dan bij de dansvloer. Dansen gaat, maar het psychedelische karakter van de immens lang uitgesponnen track, dat rond een spaarzame loop is opgebouwd, houdt de bewegingen zwak. Niet dat dat stoort. Kruder weet net op tijd de spanningsboog strak te houden.

Het uit Brooklyn afkomstige duo Tanlines bracht vanaf 2008 een aantal dansbare singles uit op hippe labels als Kitsuné en Young Turks, die vooral opvielen door het fijne synthesizergeluid. Dat smaakte al snel naar meer, maar het duurde alsnog vier jaar voordat de heren Eric Emm en Jesse Cohen een volledige plaat uitbrachten. Gelukkig hebben ze het wel meteen goed aangepakt, want het is een heerlijke plaat geworden. De melodieën zijn krachtig en blijven zelfs na ettelijke luisterbeurten overeind staan. De nummers zijn geworteld in de jaren 1980 gitaarrock, maar in de studio zijn ze gekneed tot regelrechte danshits. Niet verbazingwekkend, want achter de knoppen van de mix zat de legendarische Jimmy Douglass – die zich al talloze keren heeft bewezen als hitkanon in zijn lange carrière. Hij werkte onder meer samen met Led Zeppelin, The Rolling Stones en Gang Of Four, en later in de jaren 1990 sloeg hij moeiteloos een andere richting in door samen met Timbaland, Aaliyah en Jay-Z te werken. Hij mixt dit debuut van Tanlines tot een fris geheel, die bol staat van de catchy nummers – zoals de eerste single ‘Brothers’, die moeiteloos tussen je oren blijft plakken.

Als er deejays zijn die dance en house mixen, die jazz mixen, oude soul, funk en bossa mixen, waarom dan ook niet een artiest die klassieke muziek in de mix gooit? Dat is waar Von Rosenthal De La Vegaz zich op heeft toegelegd, met als recente uitkomst ‘Nuit Classique’. Deze tweede mixcd opent Von Rosenthal met een telefoongesprekje, een uitnodiging ‘to come on over’, want zo begint het meestal, stelt de deejay. Er is ergens een feestje, een after party, een vriend, je wordt uitgenodigd, stapt in de auto en rijdt er naar toe door de nacht, begeleid door aangename muziek. Dat moet dan een mix zijn als deze: fragmenten uit stukken van Bach, Vivaldi, Pärt en Wagner, maar even eenvoudig een contemporaine compositie van Philip Glass of een James Bond-sountrack van John Barry. De overgangen die Von Rosenthal maakt klinken soms – niet altijd – soepel, de combinaties zijn soms verrassend (nee, wij zijn geen puristen, worden zelfs warm bij goede combinaties van genres of hoge en lage kunsten) en de opnamen die deejay Von Rosenthal heeft gebruikt, zijn niet van de minste orkesten. Maar! Zijn mixes koorddansen tussen okee en kitsch. De gekozen fragmenten liggen vaak wel erg makkelijk in het gehoor en met de enorme overdaad aan strijkers dient hij net zoiets op als een schaal met louter zoete petitfours. Eigenlijk verraadt hij zich al met de hoes van de cd: mooie vrouw, snelle auto, nonchalant sigaretje, het hele clichébeeld van stijlvol, classy leven. Minder voor de hand liggend en meer spanning zou kunnen voorkomen dat we achter het stuur in slaap vallen.