GC #109

Strings Of Consciousness is een project met vele gezichten. Letterlijk en figuurlijk. De line-up is op dit twee hoofdstuk van een trilogie met de aanwezigheid van Cosey Fanni Tutti (Throbbing Gristle, Chris & Cosey), Graham Lewis (Wire), Lydia Lunch, Eugene Robinson (Oxbow), Julie Christmas (Made Out Of Babies), Andria Degens (Pantaleimon, Current 93), Andy Diagram (Pere Ubu, Spaceheads) en Alison Chelsey (alias Helen Money) écht behoorlijk impressionant te noemen. Centrale spinnen in dit eclectische web zijn twee Fransen, namelijk Philippe Petit en Hervé Vincenti. Het gros van de gasten werd gerekruteerd voor hun vocale bijdragen, maar een brede waaier aan instrumenten, klankkleur en sfeer maakt van ‘From Beyond Love’ een luistertrip vol afwisseling. Het geheel meandert tussen leftfield pop (de openingstrack had bijvoorbeeld van Björk kunnen zijn) en uitgesproken dramatisch; en van ingetogen als een de donkere jazzsoundtrack van een film noir tot onderhuids dreigend en verhalend. Het ganse album werkt toe naar afsluiter ‘Hurt Is Where The Home Is’ waarop Robinson en Lynch de luisteraar meenemen naar een emotionele maalstroom. ‘From Beyond Love’ is dan ook niets minder dan een bravourestuk.(www.stringsofconsciousness.info)
Improvisatie is de rode draad op ‘Egor’, een vier nummers tellende liveregistratie een jaar geleden opgenomen in Moskou. The Mount Fuji Doomjazz Corporation werd overigens speciaal in het leven geroepen als het live improvisatie alter ego van The Killimanjaro Darkjazz Ensemble. ‘Egor’ is ondertussen al het vierde album voor dit (van oorsprong Nederlandse) collectief en laat vooral een ervaren band horen. De naam van het project verklapt ook nu weer de muzikale inhoud: donkere, atmosferische, cinematografische drones die door het gebruik van trombone, drums en gitaar een extra jazzy feel krijgen. Fans van Bohren & Der Club Of Gore, zo stipuleert ook het klevertje op de cd, weten alvast wat te checken!

Sympathiek lo-fi huisvlijt uit Rotterdam. Een zelfgebrand 3” cd’tje, begeleid door een aardig briefje dat zich uitput in excuses voor dat formaat. ‘Ik En Jij Allebei’ is een collectie van zes remixes en interpretaties van Yoshimi’s vorige album, ‘Sowieso’ en wordt als gratis download en gelimiteerde, alleen bij liveshows te verkrijgen cassette uitgebracht door Kikvors. Uit de bio leren we verder dat Yoshimi (Niek Hilkmann) vooral zijn eigen verwarring tot onderwerp heeft genomen, en daar liever niet al te uitgebreid over communiceert, teneinde verdere verwarring te voorkomen. Koketterie of oprechte bescheidenheid, het wordt ons ook bij beluistering niet meteen duidelijk. Bovendien doet dat er weinig toe, op voorwaarde dat de muziek goed zit. Gedeeltelijk, zo zal blijken.
Bij ‘Sowieso’ liet onze (avs) nog weten dat Niek Hilkmann écht niet kan zingen. Dat vinden wij alleszins niet erg: bij dit soort lo-fi vereist is charme belangrijker dan vocale prestatie en de remixers van dienst zijn zo barmhartig geweest om Hilkmans vocalen in de mix te begraven.
Transfolmer doet met veel heliumsynths en vocoders ‘Altijd De Laatste ergens bij Air uitkomen: best charmant. ‘Zoete Flarden’ doet in de Analogue Dear remix dan weer denken aan wat Hellosinnation indertijd uitspookte – schattige, kortademige vocalen in een trippy, uptempo arrangement. Maar na die eerste twee geslaagde bewerkingen is voor ons het vet van de soep.
‘Het Geluid Van Een Kunstenaar’, een nieuw lied met Tijmen Riedé en Alex van Holstein is ons een beetje té voor de hand liggende cabareteske rijmelarij en mist bovendien de ontwapenende charme die de eerste twee nummers er deed uitspringen. Ook de drie laatste tracks (respectievelijk door ene Spoelstra, Ricky DeSire en Arpatle en Toxic Chicken) die het met meer dansbare beats doen overtuigen niet meer. Jammer, maar de eerste twee tracks charmeerden genoeg om onze ogen open te houden voor toekomstig werk van Yoshimi.

Het kwintet Lüger komt uit Madrid en verrast met zijn tweede album. En dit album is net zo eclectisch van opbouw als hun naar zichzelf genaamde debuut. De vijf mannen zijn met Lüger verre van aan hun proefstuk toe. Ze spe(e)l(d)en eerder in illustere bands als Los Imposibles, The Awesome J’Haybers, Tres Delicias, Steelwood en Jet Lag. Lüger zal echter de band zijn waarmee ze enige bekendheid kunnen verwerven, net door hun aanpak. Ze beginnen met een instrumentaal nummer, ‘Belldrummer Motherfucker’, dat doet denken aan Tangerine Dream en Kraftwerk. Afsluiten doen ze met ‘Zwischenspiel/Quidquid Latet Apparebit’, een heel vreemd overkomend stuk psychedelica met een sitar, veel folkinvloeden die er geen zijn en ook wat industrieel aandoende geluiden die de verwarring helpen verhogen. Zeker nadat we net vijf heel goede songs hebben gehoord die zwaar beïnvloed zijn door Can en Neu! en net zo modern aandoen als Oneida of Dead Meadow. In die vijf wordt wel gezongen, is de ritmiek alomtegenwoordig en rockt de band er een aardig stuk op los, in psychedelische zin uiteraard. Wat deze Spanjaarden vooral siert, is dat ze krautrock weten te verenigen met hedendaagse psychedelica en er zelf voldoende eigen elementen aan toevoegen om te boeien. Alleen het eerder genoemde slotnummer gooit wat roet in het eten, verwart ons, haalt ons uit de trip.

Shelley Short is een singer-songwriter uit Portland, Oregon, die met haar vijfde album het klankenspectrum van haar liedjes wat meer openbreekt. Ze maakt nog steeds voornamelijk folkgetinte liedjes, maar door het samenbrengen van een aantal vrienden uit haar thuisregio, die maar al te graag een handje toestaken, klinken sommige liedjes behoorlijk indie. Dat verwondert niet, daar ze haar laatste toer mocht openen voor Loudon Wainwright III en M. Ward. Mike Coykendall van die laatste band helpt in twee nummers met ingetogen drums, bas en harp om bijvoorbeeld ‘Flight Away’ een breekbare verdieping hoger te tillen. Rachel Blumberg en Nate Query, beiden van de alom geprezen The Decemberists dragen hun steentje bij, al is het voornamelijk Alexis Gideon (met diverse releases op zijn naam) die het leeuwendeel van de gastbijdrages voor zijn rekening neemt. Hij bespeelt een waaier aan instrumenten om de liedjes bij te kleuren, waardoor ze allemaal net dat beetje anders gaan klinken. En uiteraard bespeelt Short ook zelf heel wat instrumenten: ukelele, piano, duimpiano, gitaar, Wurlitzer, klokkenspel en percussie. En dat siert Short, die grote bewondering heeft voor artiesten als Melanie, Bob Dylan, Woodie Guthrie, maar die net zo goed Roberta Flack en Ween tot haar favorieten rekent. ‘In The Net’ is daar een mooi voorbeeld van, met een schitterend zingende Short, zwoel en jazzy, met veel melodie en toch weer net dat beetje anders. Een liedje als ‘Electricity’ klinkt dan weer kinderlijk naïef, speels en ingetogen. Zo laveert de plaat tussen folk, jazz, indie, ballades en slaapliedjes zonder ook maar een moment te vervelen. Rustgevend en mooi, meer heeft een mens soms niet nodig.

Erg lang is ze nog niet bezig – haar debuut verscheen in 2010 – maar Alicia Merz timmert driftig aan de weg. Solo, als Birds Of Passage (zie GC#107), maar ze leent haar ijzige fluisterstem ook aan allerhande samenwerkingen. Met Leonardo Rosado (zie GC#106), Nadja, I’ve Lost en als Brother Sun, Sister Moon met Gareth Munday. In ieder geval op papier een curieuze match, want Munday maakt als Roof Light funky disco-house platen. Maar blijkbaar wilde hij ook wel eens wat anders, want hij begeleidt Merz stem niet met four to the floor, maar met een mix van krakerige folktronica, alt hiphop en collages van lachende kinderen, fluitende vogels, stuiterende strijkers en bandrecorder-gesputter. Althans, wanneer hij er aan te pas komt. Ongeveer de helft van de plaat klinkt als Merz solo: haar ver weg-stem en gitaar, zij vrolijker dan normaal en aangevuld met bellen en een fluit; Birds Of Passage in kerststemming. De twee lijken meer langs elkaar heen spelen dan samen, en Munday lijkt nergens goed te durven Merz’ stem net zo onder handen te nemen als dat hij zijn samples neemt. Dat is wel jammer, want een paar nummers die nu instrumentaal zijn waren een stuk spannender geweest wanneer het contrast tussen speelsheid en melancholie sterker was uitgewerkt. Het slotakkoord is voor ambientartiest Listening Mirror, die in zijn remix korte metten maakt met alle idiotie en Merz’ stem diep een enorme ijsgrot in sleurt. Zo kennen we haar weer.

Een aanlokkelijke titel voor een fantastische lp. Dat weet u dan vast. De twee plaatkanten bevatten een in totaal veertig minuten durende versie van een geluidswerk dat Israel Martinez maakt in opdracht van het Mexican Contemporary Art Museum. Het werk – oorspronkelijk een loop van 56 minuten – bestaat uit een mix van door Martinez gemaakte field recordings, elektronische geluiden die hij maakte met analoog/digitale synthesizers en computer, en samples die hij nam van stiltes in films. Martinez’ idee is dat cinema de kijker/luisteraar min of meer heeft geleerd dat geluid altijd ondergeschikt is aan beeld. In het museum blijft het geluidswerk doorgaan, of er nu wel of geen bezoekers in de zaal zijn. Op die manier heeft Martinez op metaforische wijze het geluid willen bevrijden van de afhankelijkheid van het beeld. In de collage wisselen abstracte stukken met willekeurige metalige slagen en ruis af met geluidsopnamen van treinen, deuren, een blaffende hond, elders weer vuurwerk, stemmen, vogels of het inschenken van een glas. Soms zijn de overgangen abrupt, op andere plekken raken de veldopnames bijvoorbeeld vervormd tot abstracter geluid en een onherkenbare ruis; vervormde geluiden wisselen weer af met vibrerende tonen en drones. Telkens roept Martinez de luisteraar weer bij de luisterles: overal is geluid – ook in de stilte – en alle geluid is het waard om naar te luisteren. ‘Two Expressos In Seperate Cups’ wordt uitgebracht als download en als gelimiteerde vinyleditie. De lp, in een oplage van 200 exemplaren, is gestoken in een bijzonder fraai vormgegeven poster van Bas Mantel. Na al even boeiende uitgaven als ‘El Hombre Que Se Sofoca’ en ‘Triptych’ kunnen we stellen dat Martinez een belangrijk geluid in de elektronische, experimentele muziek levert.

New Age Steppers was een van de projecten van dubproducer Adrian Sherwood waarin hij verschillende artiesten uit zijn stal samenbracht, zoals Mark Stewart, Style Scott en Bim Sherman – een soort On-U-sound This Mortal Coil. Het meest in het oog en oor springende van het stel was de extravagante Ari Up, tevens zangeres van The Slits. Na drie platen met opgewekte en experimentele (dub)reggae ging de band in 1983 in winterslaap, tot Sherwood en Ari Up, die in 2006 ook The Slits nieuw leven in blies, in 2008 weer samen gingen werken aan wat uiteindelijk ‘Love Forever’ werd. Dat definitief het laatste album zal zijn, want Ari Up overleed in 2010 aan kanker. Het is dan ook onmogelijk om ‘Love Forever’ niet te zien als een laatste saluut van Sherwood aan Ari, en van Ari aan de wereld. “I’m a wounded animal,’ zingt ze, maar haar geestdrift is er niet minder om – hetzelfde nummer eindigt met Ari’s lach. Muzikaal is ‘Love Forever’ een mixed bag: On-U-reggae, popliedjes (een enkel nummer doet denken aan Neneh Cherry, die ooit ook deel uitmaakte van New Age Steppers), dubby house, invloeden uit dubstep, gospel en rootsreggae, kundig verenigd door Sherwoods typische productietechnieken. ‘Love Forever’ is misschien niet overal even sterk, maar een toch een waardig afscheid van een bijzondere vrouw.

Inverloch is een nieuwe naam aan het firmament, of toch weer niet. De Australiërs hebben namelijk de helft van de legendarische band diSEMBOWELMENT in de gelederen. Meer nog, de band zet gewoon de lijn verder die diSEMBOWELMENT twintig jaar geleden op pauze zette. Al zullen velen absoluut nog nooit eerder van het kwartet gehoord hebben. Ze deden hun ding tussen 1989 en 1993, en een eerste mogelijkheid tot (hernieuwde) kennismaking kwam er in 2005 met de compilatie ‘diSEMBOWELMENT’, waarop hun verzamelde werk prijkt. Op dat ogenblik kende iedereen die een beetje vertrouwd is met de extremen binnen de metalwereld het begrip funeral doom, een begrip waar in de tijd dat diSEMBOWELMENT bestond, nog geen sprake van was. Bands als Esoteric, Winter en Thergothon plukten de vruchten van de primaire stappen die de Aussies in het genre hadden gezet. Onder de noemer Dusk speelden de twee die nu in Inverloch zitten, songs van de oerband. Dat wordt nu losgelaten, de naam is nu Inverloch en de nummers nieuw. Vier epische stukken, die grotendeels atmosferisch van aard zijn om dan plots uit te barsten in met blastbeats overgoten geweld met een grom eronder. De cd begint zelfs met pure stilte, om dan heel geleidelijk op te bouwen naar bruut geweld. Het probleem met de plaat is dat we de productie maar matig vinden. We slagen er niet in om de als grimmig bedoelde sfeer binnen te treden. Het kan aan onze goedkope stereo liggen, of het te lage volume, maar we vinden er eigenlijk niet veel aan, hoe goed bedoeld ook. Tweeëntwintig minuten duurt het cd’tje, allicht gewoon een voorsmaakje van wat komen gaat. We geven ze het voordeel van de twijfel.

Met een debuut in 1987 is Mutter eigenlijk wat te laat voor de Neue Deutsche Welle, maar dat laten ze al een kwarteeuw niet aan hun hart komen. De groepsleden hebben stevige familiebanden met onder andere Die Tödliche Doris en de tweede incarnatie van Der Plan, maar wie hoopt op speelse experimenteerdrift zal sip op het neusje kijken. Mutter kiest nadrukkelijk voor een traditioneel instrumentarium, en de meest toegankelijke popvariant van NDW. Ondanks de afgelikte productie opent dit album veelbelovend met ‘Von Dem Schönen Schein Und Dem Dummen Sein’, maar alles wat daarop volgt is van mindere kwaliteit. Bovendien bedient Mutter zich bij momenten van stevige rockgitaren ter ondersteuning van geëmotioneerde Duitse zang: een mensonvriendelijke combinatie die enkel bij onze Oosterburen nog niet bij wet verboden is. Samengevat is dit voor ons een situatie van te weinig en te laat, doch niet dramatisch genoeg om op ons moeder te roepen.

Wat is er aan de hand in Spanje? Na Alex Under en Jon Talabot, komt ook Undo met een leuke (indietronic) plaat, zoals je eigenlijk meer verwacht van Apparat en vriendjes. Het geluid is bij momenten enorm schatplichtig aan Sascha Ring, maar Undo weet er een eigen twist aan te geven waardoor het net niet storend werkt. Integendeel, ‘Motas De Polvo’ is het alternatief voor zij die ‘The Devils Walk’ nog steeds geen blik waardig gunnen. Gelukkig heeft Undo last van muzikale schizofrenie en trekt hij halverwege het album de danceclubkaart waardoor ‘Motas De Polvo’ niet bij het zeemzoeterige indietronica blijft hangen. Zo staan ‘Before It Disappears’ en het fluisterend ingezongen ‘Whispers’ in wild contrast met het meer op acid gedreven ‘Jupiter’ en ‘Password’. Op de titeltrack krijgt de stem de vocoder-behandeling waarmee Undo zichzelf niet als bijster origineel laat typeren. Nergens is hij echt opvallend vernieuwend, maar zodra ‘El Crit’ je weer de dansvloer opsleurt, ben je al lang gezwicht voor de Barcelonese zon die op ‘Motas De Polvo’ doorkomt.

Een remix-ep met ons louter onbekende artiesten: Sogar, Absent, Incite/, Dust Engineering Ltd en Weiss remixen bronmateriaal van Kabutogani’s ‘Bektop’ album, dat twee jaar terug verscheen op Mille Plateaux. Glitchy, minimale elektronica dus, waar immer de geest van acts als Alva Noto of snd doorheen schemert. Maar tegelijk zijn de verschillende artiesten hier minder conceptueel dogmatisch dan de Raster-Noton-familie, met positief gevolg. Na een opener vol kriebelige microgeluiden en een crispy beat wordt in het tweede nummer op fraaie wijze een viool gedeconstrueerd. Elders voeren nerveuze glitch en ultrasone geluiden de boventoon, terwijl ruis en dissonante zoemtonen af en aan vliegen. Had iemand ooit al ‘insectronica’ als genre geopperd? Als afsluiter komt dan toch een facsimile van Noto’s ‘Unitxt’ de hoek om zeilen, even onvermijdelijk als Picasso in een les over moderne kunst.

De Ultra-modernen hebben luidkeels laten weten dat de vergetelheid niet langer hun plaats van bestemming is. En terecht, zoals u in ons vorige nummer uitgebreid heeft kunnen lezen. Inmiddels zit de toe-eigening van een vergeten tijdperk erop: de concertavonden der nostalgie zijn geweest, het spektakel van de Ultra-manifestaties anno 2012 was een succes, de boeken, heruitgaven, interviews en media-aandacht deden de rest: eindelijk erkenning voor de intellectuele punkers van toen. Want vergeten waren ze, totdat een besloten facebookgroep (hoe modern) de voortekenen van een revival verklapte en de reünie van de grijze bakkebaarden onvermijdelijk werd. Bij een reünie horen memorabilia, zoals deze Vinyl-box, de doos bevat naast een eenmalige, nieuwe editie van het tijdschrift Vinyl (jaargang 32, no. 1), de heruitgave op cd van de Ultracassette uit 1981 met 32 tracks van onder meer Suspect, Meat, Plus Instruments, Tox Model, Young Lions, Puber Kristus, Mick Ness en Mekanik Kommando, een poster van de expositie ‘God Save the Queen’, een foto door Maarten Corbijn uit 1981 en de lp ‘The Moon is Big’ door de Rotterdamse Ultra’s van nu Rats On Rafts. Een nostalgische doos die de verbinding legt met het heden door het dopen van de jonge Rotterdammers als geestverwanten van nu. Het Ultra-proces 2012 is voltooid, de geschiedenisboeken zijn aangevuld, de herwaardering was daar, nu is het wachten op de noodzakelijk reissues van de vergeten juweeltjes van Mu, Das Wesen, Det Wiehl en Smalts. Ultra: opdat we nooit vergeten.

Nog steeds goed voor een regelmatige portie in vinyl gedrukte waanzin: Meeuw Muzak. Enkele maanden terug alweer vielen er drie mooie 7inches in onze brievenbus. Chris Imler(Driver&Driver, Spankings en Golden Showers) levert twee lappen vuile Teutoonse knutselachtige beats-en-bleeps. ‘Vorwärts’ is een stevig kapotte beat, met daarover Imler die een ‘Jungen’ toeblaft dat hij moet ‘arbeiten’. De bio heeft het over een “sci-fi romanticist socialist anthem”, wij houden het graag bij griezelig, geestig én goed. Maar waarschijnlijk is het toch de b-kant die we over vijf jaar zullen grijsgedraaid hebben: een versie van ‘Let’s Dance’ (origineel van de Mexicaanse rocker Chris Montez – als u het hoort kent u het zéker) die het alvast op onze huiskamerdansvloer uitstekend doet.
Single twee dan: ‘Fog Frog’ is een stukje spoken word van de in Duitsland bekende muzikant-columnist Max Goldt. Felix Kubin en Mark Boombastik meten Goldts originele opname een bruut jungleritme en een wat robotachtige baslijn aan. Absurdisme op een hoog niveau: aan Goldts geratel over kikkers en mist valt geen touw vast te knopen, maar dat was vast helemaal de bedoeling. Op de b-kant wordt Max Goldts ‘Ladies Ladies’ uit 1983 een recht-door-zeeë, licht carnavaleske beat aangemeten door Kubin. Dolletjes!
Geen flauw idee hoe Pampidoo bij Meeuw Muzak uitkomt, maar op een absurde manier houdt het steek om de digitale dancehall van Pampidoo na de releases van Imler en Goldt op de draaitafel te gooien. Pampidoo zingt niet, hij gorgelt en schreeuwt. ‘Ghetto Rock’ is een productie van Tapes (Jackson Bailey) waarop Pampidoo zijn dierlijke vocalen etaleert. B-kant ‘Brain Hunger Riddim’ is in se dezelfde track, maar dan zonder het vocale stuntwerk van Pampidoo.

De omgeving absorberen, geluiden extraheren en je laten inspireren door de leegte, de schoonheid en de eenzaamheid. Christian Löffler groeide op in de Noord-Duitse stad Greifswald, nabij de Baltische zee. Het klotsende zeewater, de beboste wouden en de kille winters vat hij sinds enkele jaren in zijn eigen idioom van detailrijke sluimerende techno. Met een vleugje sentiment en de nodige romantiek benadert hij zijn dagdagelijkse geluiden die stadsbewoners al jaren ontberen. Tracks verschenen her en der verspreid, maar werden voornamelijk door het Keulse Ki Records op zwart goud gebrand. ‘A Forest’ is het grote debuut voor Löffler. Het is ook het moment dat zijn buitengewone delicate muziek toeristen naar de woeste omgeving zal lokken met het melancholische ‘A Forest’ in de oren. Hij speelt met stilte en kabaal, hij vernietigt en huldigt, manipuleert en waardeert de harmonische eenheid van de natuur en zijn eigen elektronische na-aperij. Ondanks het sentiment en de melancholie die van de songs afdruipt, blijft hij bedeesd klinisch en statisch alsof hij als toeschouwer louter bewondert. Een bewondering die je ook als luisteraar voelt. Een die je overvalt als een zonnegloed op een kille dag. Muziektermen klinken als tranen in ‘Harmony’. Met ‘Signals’ en ‘Blind’ duikt Christian in het clubgewoel in duel met Pantha Du Prince. De poëtische woorden van Marcus Roloff op ‘Swift Code’ bevestigen wat je al wist, ‘A Forest’ is pure poëzie. Verslavend in zijn schoonheid.

Het Zweedse Cold Meat Industry ligt al een poos wat uitgeteld in de touwen en het Belgische Spectre heeft recent zelfs de handdoek in de ring gegooid. Old Europe Cafe (Italië), Steinklang Industries (Oostenrijk) en Tesco Organisation (Duitsland) blijven weliswaar fungeren als leverancier van industrial, noise, power electronics, martial, dark ambient enzovoort, maar het is vooral het Britse Cold Spring dat zich momenteel het sterkst aan het profileren is in die niches. Niet dat daar nog veel vernieuwing of verrassing te rapen valt, maar kwaliteit komt (gelukkig) nog steeds bovendrijven. Heldentod laat, in tegenstelling tot de krijgshaftige naam, ditmaal geen oorlogsmuziek horen, maar een mix van old school industriële muziek, death industrial, power electronics en noise. Alle sporen van martial en neofolk werden grotendeels uitgewist en het instrumentarium is op ‘The Ghost Machine’ volledig elektronisch. SPK is daarbij, zoals zo vaak, het voornaamste lichtbaken. Recentere referenties zijn Haus Arafna en Anenzephalia, al heeft Heldentod voldoende eigenheid om dit officiële debuut te legitimeren.
Kreuzweg Ost (met Michael Gregor van Summoning en Amestigon) is wél op oorlogspad. Met de zegen van God (‘Geh Mit Gott’ en de albumtitel) worden de soldaten van het christelijke Avondland (‘Heiliger Gehorsam’) het vuur van de Heilige Oorlog ingegooid, lijkt het wel. Militante speeches, heroïsch tromgeroffel en dirigistische marsmuziek zijn de voornaamste ingrediënten zodat vergelijkingen met Der Blutharsch oude stijl en Von Thronstahl niet kunnen uitblijven. Nu dit subgenre nagenoeg is leeggebloed, is er opnieuw wat ruimte voor dit soort geluiden. ‘Gott Mit Uns’ is geen seconde origineel, maar goedgemaakt en geloofwaardig is het wél.

We inspecteren het prul van een promo, een beviltstifte cd-r gevouwen in een verfrommeld blaadje, twee nietjes en klaar; ineens lijkt een download een goed iets. Tussen de scheuren door is te lezen over Adrian Collier en Shaun Herbert. Zij zijn sedert 1995 actief als Auto-Pilot, dit is ‘The Atlantic Machine’, hun most emotional album, de verse worp van een Engels duo waar we niets van weten. Het kantoor valt stil. We staren weifelend naar buiten. Er wordt gemijmerd over Air, Red Snapper en de Dope On Plastic-serie, want daar doet Auto-Pilot aan denken, een plezierige filmsoundtrack met als basis triphop, waartussen de drumbreaks van alles te vinden is. Instrumentale nummers en songs schieten voorbij, elk een beeld van een andere film. In het begin is er verwarring, want de enige hiphoptrack op het album klinkt als Eminem. De rest niet, we knijpen de handen wit. Drumbreaks, flarden ambient, treurige en vooral sfeervolle britpop, een pluk postrock en ergens ook wat dub. Episch mag het allemaal niet zijn, maar het goede gevoel voor melodie maakt ‘The Atlantic Machine’ alleszinds aanstekelijk en is slim genoeg om interessant te zijn. De filmische pop en rollende drumbreaks zijn hartstikke emotional, ondertussen staren we naar de papierzooi die ooit de hoes moest zijn. Het geeft niet. Er staat een lege stoel op kantoor, iemand is nieuwe nietjes halen.

De muziekorganisatie Trytone, met eigen label, heeft van meet af aan laten horen hoe divers en spannend het (Nederlandse) jazzlandschap eruit ziet. Als bewijs daarvan heeft het weer twee uitstekende cd’s uitgebracht. Een groep die al regelmatig door het label werd uitgebracht is Bite The Gnatze, een gezelschap rond componist en gitarist Paul Pallesen. Het nieuwe ‘Peeling Off Slowly’ bevat weer een mengsel van gecomponeerde jazz met verrassende harmonieën, melodieën die vloeiend en dan weer hoekig zijn, met ruimte voor improvisatie en humor. De composities kunnen daardoor het ene moment lijken te verwijzen naar oude stijl jazz, zoals ‘Blues Under The Kilt’, of te refereren aan Thelonious Monk, om dan een hoek om te slaan en de luisteraar ineens in een andere sfeer te plaatsen. Daarbij valt op hoe fraai, ook in vrije improvisaties, de instrumenten samen klinken. Alle muzikanten stellen het groepsgeluid voorop. Hoe verrassend ze de klanken van hun instrumenten kunnen combineren laat ‘A Bright Light On An Empty Sofa’ horen, een ingetogen compositie waarin lapsteelguitar, bouzouki en klarinet samenkomen. In het volgende stuk wordt er weer flink op los geswingd. Terwijl het afsluitende titelnummer weer de grens met modern gecomponeerde muziek opzoekt.
Ook ‘Opositor’ van het trio rond saxofonist en klarinettist Natalio Sued biedt een mooie mix van gecomponeerde en geïmproviseerde muziek. Sued, van geboorte Argentijn, woont sinds 2001 in Nederland en is hier muzikaal geschoold. Samen met Raphael Vanoli (gitaar, effecten) en Gerri Jäger (drums) vormt hij een trio dat jazz en improvisatie graag voorziet van rock-elementen. De toon zet het drietal met ‘Do, Dici?’. Na een kalm intro met een licht vibrerend saxgeluid gaat de muziek over in een hoekige melodielijn, uptempo drumwerk en strak gespeelde, afgemeten klanken van de gitaar. Na een vrij intermezzo van de drummer gaat de openingstrack verder met vervormde gitaarslagen en een grommende blazer. ‘Opositor’ heeft een uitstekende balans tussen mooie en strak gespeelde melodieën enerzijds en sfeervolle geluidslandschappen anderzijds (zoals de metalige klanken van Vanoli en het geritsel en gerinkel van Jägers percussie in ‘Los Venenos’; tussen zachtheid en kracht. Vaak is dat binnen een nummer, maar ook tussen nummers. ‘Zamba Satie’ is een kalm, mooi nummer, ‘Rock, Nena!’ doet waar de titel toe aanspoort. Toch lijkt de cd vooral gekenmerkt door die fijne afwisseling van jazz en improvisatie die uitmondt in abstracte, sfeervolle soundscapes.

Het Duitse Denovali heeft zich in korte tijd opgewerkt tot een kwaliteitslabel (met, sinds enkele jaren, een toonaangevend festival) in de ‘post-genres’, of: avontuurlijke muziek met gitaren. Een paar jaar geleden sloegen ze het Noorse The Samuel Jackson Five aan de haak. In eerste instantie werden de eerste drie cd’s, die een trilogie vormen, verzameld uitgegeven in een mooie – intussen uitverkochte – vinylbox. En nu is er dan eindelijk, vier jaar na ‘Goodbye Melody Mountain’, een vierde plaat, in principe de start van een nieuwe trilogie. Nieuw is alvast het toevoegen van zanglijnen op een aantal nummers. Vreemd overigens dat dit nu pas gebeurt, want een van de gitaristen is een geschoolde zanger, en zeker live vallen zijn stemkwaliteiten in de goede zin op. ‘Tremulous Silence’ is in deze categorie een sterkhouder op de plaat, met zijn ingetogen intro en hartverwarmende samenzang als finale; een nummer dat vreemd genoeg erg aanleunt bij de lofi van Lou Barlow en Jason Loewenstein. ‘Radio Gagarin’ ademt dan weer de Solaris-sfeer van de NASA-hoes. Maar evengoed staan er op deze titelloze plaat nummers die je als fan mag verwachten: ‘…And Then We Met The Locals’, weliswaar een oudere song, combineert uptempo gitaren met een langere, ingenieuze opbouw. En ‘Race To The Self-Destruct Button’ is zo een van die catchy rocksongs zoals alleen The Samuel Jackson Five ze weet te maken. The Samuel Jackson Five – weer herleid tot een vijftal, zoals het hoort – levert daarmee opnieuw een rijk georkestreerde en erg gevarieerde plaat. Een plaat die bovendien aanstekelijk is zonder plat of voorspelbaar te worden. Hun beste tot nu toe, én een goede introductie tot eerder werk.