GC #109

De Ultra-modernen hebben luidkeels laten weten dat de vergetelheid niet langer hun plaats van bestemming is. En terecht, zoals u in ons vorige nummer uitgebreid heeft kunnen lezen. Inmiddels zit de toe-eigening van een vergeten tijdperk erop: de concertavonden der nostalgie zijn geweest, het spektakel van de Ultra-manifestaties anno 2012 was een succes, de boeken, heruitgaven, interviews en media-aandacht deden de rest: eindelijk erkenning voor de intellectuele punkers van toen. Want vergeten waren ze, totdat een besloten facebookgroep (hoe modern) de voortekenen van een revival verklapte en de reünie van de grijze bakkebaarden onvermijdelijk werd. Bij een reünie horen memorabilia, zoals deze Vinyl-box, de doos bevat naast een eenmalige, nieuwe editie van het tijdschrift Vinyl (jaargang 32, no. 1), de heruitgave op cd van de Ultracassette uit 1981 met 32 tracks van onder meer Suspect, Meat, Plus Instruments, Tox Model, Young Lions, Puber Kristus, Mick Ness en Mekanik Kommando, een poster van de expositie ‘God Save the Queen’, een foto door Maarten Corbijn uit 1981 en de lp ‘The Moon is Big’ door de Rotterdamse Ultra’s van nu Rats On Rafts. Een nostalgische doos die de verbinding legt met het heden door het dopen van de jonge Rotterdammers als geestverwanten van nu. Het Ultra-proces 2012 is voltooid, de geschiedenisboeken zijn aangevuld, de herwaardering was daar, nu is het wachten op de noodzakelijk reissues van de vergeten juweeltjes van Mu, Das Wesen, Det Wiehl en Smalts. Ultra: opdat we nooit vergeten.

Nog steeds goed voor een regelmatige portie in vinyl gedrukte waanzin: Meeuw Muzak. Enkele maanden terug alweer vielen er drie mooie 7inches in onze brievenbus. Chris Imler(Driver&Driver, Spankings en Golden Showers) levert twee lappen vuile Teutoonse knutselachtige beats-en-bleeps. ‘Vorwärts’ is een stevig kapotte beat, met daarover Imler die een ‘Jungen’ toeblaft dat hij moet ‘arbeiten’. De bio heeft het over een “sci-fi romanticist socialist anthem”, wij houden het graag bij griezelig, geestig én goed. Maar waarschijnlijk is het toch de b-kant die we over vijf jaar zullen grijsgedraaid hebben: een versie van ‘Let’s Dance’ (origineel van de Mexicaanse rocker Chris Montez – als u het hoort kent u het zéker) die het alvast op onze huiskamerdansvloer uitstekend doet.
Single twee dan: ‘Fog Frog’ is een stukje spoken word van de in Duitsland bekende muzikant-columnist Max Goldt. Felix Kubin en Mark Boombastik meten Goldts originele opname een bruut jungleritme en een wat robotachtige baslijn aan. Absurdisme op een hoog niveau: aan Goldts geratel over kikkers en mist valt geen touw vast te knopen, maar dat was vast helemaal de bedoeling. Op de b-kant wordt Max Goldts ‘Ladies Ladies’ uit 1983 een recht-door-zeeë, licht carnavaleske beat aangemeten door Kubin. Dolletjes!
Geen flauw idee hoe Pampidoo bij Meeuw Muzak uitkomt, maar op een absurde manier houdt het steek om de digitale dancehall van Pampidoo na de releases van Imler en Goldt op de draaitafel te gooien. Pampidoo zingt niet, hij gorgelt en schreeuwt. ‘Ghetto Rock’ is een productie van Tapes (Jackson Bailey) waarop Pampidoo zijn dierlijke vocalen etaleert. B-kant ‘Brain Hunger Riddim’ is in se dezelfde track, maar dan zonder het vocale stuntwerk van Pampidoo.

De omgeving absorberen, geluiden extraheren en je laten inspireren door de leegte, de schoonheid en de eenzaamheid. Christian Löffler groeide op in de Noord-Duitse stad Greifswald, nabij de Baltische zee. Het klotsende zeewater, de beboste wouden en de kille winters vat hij sinds enkele jaren in zijn eigen idioom van detailrijke sluimerende techno. Met een vleugje sentiment en de nodige romantiek benadert hij zijn dagdagelijkse geluiden die stadsbewoners al jaren ontberen. Tracks verschenen her en der verspreid, maar werden voornamelijk door het Keulse Ki Records op zwart goud gebrand. ‘A Forest’ is het grote debuut voor Löffler. Het is ook het moment dat zijn buitengewone delicate muziek toeristen naar de woeste omgeving zal lokken met het melancholische ‘A Forest’ in de oren. Hij speelt met stilte en kabaal, hij vernietigt en huldigt, manipuleert en waardeert de harmonische eenheid van de natuur en zijn eigen elektronische na-aperij. Ondanks het sentiment en de melancholie die van de songs afdruipt, blijft hij bedeesd klinisch en statisch alsof hij als toeschouwer louter bewondert. Een bewondering die je ook als luisteraar voelt. Een die je overvalt als een zonnegloed op een kille dag. Muziektermen klinken als tranen in ‘Harmony’. Met ‘Signals’ en ‘Blind’ duikt Christian in het clubgewoel in duel met Pantha Du Prince. De poëtische woorden van Marcus Roloff op ‘Swift Code’ bevestigen wat je al wist, ‘A Forest’ is pure poëzie. Verslavend in zijn schoonheid.

Het Zweedse Cold Meat Industry ligt al een poos wat uitgeteld in de touwen en het Belgische Spectre heeft recent zelfs de handdoek in de ring gegooid. Old Europe Cafe (Italië), Steinklang Industries (Oostenrijk) en Tesco Organisation (Duitsland) blijven weliswaar fungeren als leverancier van industrial, noise, power electronics, martial, dark ambient enzovoort, maar het is vooral het Britse Cold Spring dat zich momenteel het sterkst aan het profileren is in die niches. Niet dat daar nog veel vernieuwing of verrassing te rapen valt, maar kwaliteit komt (gelukkig) nog steeds bovendrijven. Heldentod laat, in tegenstelling tot de krijgshaftige naam, ditmaal geen oorlogsmuziek horen, maar een mix van old school industriële muziek, death industrial, power electronics en noise. Alle sporen van martial en neofolk werden grotendeels uitgewist en het instrumentarium is op ‘The Ghost Machine’ volledig elektronisch. SPK is daarbij, zoals zo vaak, het voornaamste lichtbaken. Recentere referenties zijn Haus Arafna en Anenzephalia, al heeft Heldentod voldoende eigenheid om dit officiële debuut te legitimeren.
Kreuzweg Ost (met Michael Gregor van Summoning en Amestigon) is wél op oorlogspad. Met de zegen van God (‘Geh Mit Gott’ en de albumtitel) worden de soldaten van het christelijke Avondland (‘Heiliger Gehorsam’) het vuur van de Heilige Oorlog ingegooid, lijkt het wel. Militante speeches, heroïsch tromgeroffel en dirigistische marsmuziek zijn de voornaamste ingrediënten zodat vergelijkingen met Der Blutharsch oude stijl en Von Thronstahl niet kunnen uitblijven. Nu dit subgenre nagenoeg is leeggebloed, is er opnieuw wat ruimte voor dit soort geluiden. ‘Gott Mit Uns’ is geen seconde origineel, maar goedgemaakt en geloofwaardig is het wél.

We inspecteren het prul van een promo, een beviltstifte cd-r gevouwen in een verfrommeld blaadje, twee nietjes en klaar; ineens lijkt een download een goed iets. Tussen de scheuren door is te lezen over Adrian Collier en Shaun Herbert. Zij zijn sedert 1995 actief als Auto-Pilot, dit is ‘The Atlantic Machine’, hun most emotional album, de verse worp van een Engels duo waar we niets van weten. Het kantoor valt stil. We staren weifelend naar buiten. Er wordt gemijmerd over Air, Red Snapper en de Dope On Plastic-serie, want daar doet Auto-Pilot aan denken, een plezierige filmsoundtrack met als basis triphop, waartussen de drumbreaks van alles te vinden is. Instrumentale nummers en songs schieten voorbij, elk een beeld van een andere film. In het begin is er verwarring, want de enige hiphoptrack op het album klinkt als Eminem. De rest niet, we knijpen de handen wit. Drumbreaks, flarden ambient, treurige en vooral sfeervolle britpop, een pluk postrock en ergens ook wat dub. Episch mag het allemaal niet zijn, maar het goede gevoel voor melodie maakt ‘The Atlantic Machine’ alleszinds aanstekelijk en is slim genoeg om interessant te zijn. De filmische pop en rollende drumbreaks zijn hartstikke emotional, ondertussen staren we naar de papierzooi die ooit de hoes moest zijn. Het geeft niet. Er staat een lege stoel op kantoor, iemand is nieuwe nietjes halen.

De muziekorganisatie Trytone, met eigen label, heeft van meet af aan laten horen hoe divers en spannend het (Nederlandse) jazzlandschap eruit ziet. Als bewijs daarvan heeft het weer twee uitstekende cd’s uitgebracht. Een groep die al regelmatig door het label werd uitgebracht is Bite The Gnatze, een gezelschap rond componist en gitarist Paul Pallesen. Het nieuwe ‘Peeling Off Slowly’ bevat weer een mengsel van gecomponeerde jazz met verrassende harmonieën, melodieën die vloeiend en dan weer hoekig zijn, met ruimte voor improvisatie en humor. De composities kunnen daardoor het ene moment lijken te verwijzen naar oude stijl jazz, zoals ‘Blues Under The Kilt’, of te refereren aan Thelonious Monk, om dan een hoek om te slaan en de luisteraar ineens in een andere sfeer te plaatsen. Daarbij valt op hoe fraai, ook in vrije improvisaties, de instrumenten samen klinken. Alle muzikanten stellen het groepsgeluid voorop. Hoe verrassend ze de klanken van hun instrumenten kunnen combineren laat ‘A Bright Light On An Empty Sofa’ horen, een ingetogen compositie waarin lapsteelguitar, bouzouki en klarinet samenkomen. In het volgende stuk wordt er weer flink op los geswingd. Terwijl het afsluitende titelnummer weer de grens met modern gecomponeerde muziek opzoekt.
Ook ‘Opositor’ van het trio rond saxofonist en klarinettist Natalio Sued biedt een mooie mix van gecomponeerde en geïmproviseerde muziek. Sued, van geboorte Argentijn, woont sinds 2001 in Nederland en is hier muzikaal geschoold. Samen met Raphael Vanoli (gitaar, effecten) en Gerri Jäger (drums) vormt hij een trio dat jazz en improvisatie graag voorziet van rock-elementen. De toon zet het drietal met ‘Do, Dici?’. Na een kalm intro met een licht vibrerend saxgeluid gaat de muziek over in een hoekige melodielijn, uptempo drumwerk en strak gespeelde, afgemeten klanken van de gitaar. Na een vrij intermezzo van de drummer gaat de openingstrack verder met vervormde gitaarslagen en een grommende blazer. ‘Opositor’ heeft een uitstekende balans tussen mooie en strak gespeelde melodieën enerzijds en sfeervolle geluidslandschappen anderzijds (zoals de metalige klanken van Vanoli en het geritsel en gerinkel van Jägers percussie in ‘Los Venenos’; tussen zachtheid en kracht. Vaak is dat binnen een nummer, maar ook tussen nummers. ‘Zamba Satie’ is een kalm, mooi nummer, ‘Rock, Nena!’ doet waar de titel toe aanspoort. Toch lijkt de cd vooral gekenmerkt door die fijne afwisseling van jazz en improvisatie die uitmondt in abstracte, sfeervolle soundscapes.

Het Duitse Denovali heeft zich in korte tijd opgewerkt tot een kwaliteitslabel (met, sinds enkele jaren, een toonaangevend festival) in de ‘post-genres’, of: avontuurlijke muziek met gitaren. Een paar jaar geleden sloegen ze het Noorse The Samuel Jackson Five aan de haak. In eerste instantie werden de eerste drie cd’s, die een trilogie vormen, verzameld uitgegeven in een mooie – intussen uitverkochte – vinylbox. En nu is er dan eindelijk, vier jaar na ‘Goodbye Melody Mountain’, een vierde plaat, in principe de start van een nieuwe trilogie. Nieuw is alvast het toevoegen van zanglijnen op een aantal nummers. Vreemd overigens dat dit nu pas gebeurt, want een van de gitaristen is een geschoolde zanger, en zeker live vallen zijn stemkwaliteiten in de goede zin op. ‘Tremulous Silence’ is in deze categorie een sterkhouder op de plaat, met zijn ingetogen intro en hartverwarmende samenzang als finale; een nummer dat vreemd genoeg erg aanleunt bij de lofi van Lou Barlow en Jason Loewenstein. ‘Radio Gagarin’ ademt dan weer de Solaris-sfeer van de NASA-hoes. Maar evengoed staan er op deze titelloze plaat nummers die je als fan mag verwachten: ‘…And Then We Met The Locals’, weliswaar een oudere song, combineert uptempo gitaren met een langere, ingenieuze opbouw. En ‘Race To The Self-Destruct Button’ is zo een van die catchy rocksongs zoals alleen The Samuel Jackson Five ze weet te maken. The Samuel Jackson Five – weer herleid tot een vijftal, zoals het hoort – levert daarmee opnieuw een rijk georkestreerde en erg gevarieerde plaat. Een plaat die bovendien aanstekelijk is zonder plat of voorspelbaar te worden. Hun beste tot nu toe, én een goede introductie tot eerder werk.

In 1993 kochten we ‘Curves That Kick’ van de sludgerockband -16-. Het was na de single ‘Doorprize’ pas het tweede stuk vinyl dat de band uit Los Angeles uitbracht. Het titelnummer, ‘Amish’ of ‘Astroglide’ herinneren we ons nog steeds, als we goed nadenken tenminste. De band hield er in 2004 even mee op, om in gewijzigde bezetting in 2007 weer verder te doen. Hun eerste wapenfeit was de plaat ‘Bridges To Burn’, waarna de compilatie ‘The First Trimester’ volgde om het hiaat met onderhavige cd te overbruggen. -16- wil niet opnieuw helemaal van de radar verdwijnen, zoveel is duidelijk. Makkelijk is het natuurlijk allemaal niet, want er zijn sinds de jaren 1990 zoveel bands gepasseerd die sludgerock hebben uitgebeend, dat niemand nog opkijkt wanneer deze veteranen nieuwe songs brengen. Niet dat ‘Deep Cuts From Dark Clouds’ slecht is. De band staat alleen niet meer aan de barricades van het genre, maar behoort tot de middenmoot. Scott Hull (Pig Destroyer) deed de mastering om de band toch actueel te laten klinken, en daar slaagde hij behoorlijk in. Wat we wel super vinden is dat -16- na al die jaren het nog niet verleerd is om in vitriool gedrenkte teksten te schrijven. De mannen zijn nog net zo boos en vooral depressief en wanhopig als in hun jonge jaren en dat zullen we geweten hebben. ‘Theme from Pillpopper’, ‘Bowels Of A Baby Killer’ en ‘The Sad Clown’ zijn mooie aanvullingen in het oeuvre van de band. Kortom, dit is een degelijke middenmoter van een band die ooit zijn tijd vooruit was.

De Zuid-Afrikaanse mc/producer/grafisch ontwerper Spoek Mathambo wrong zich via YouTube vorig jaar in de schijnwerpers met ‘Control’, een behoorlijke eigenzinnige cover van Joy Divisions ‘She’s Lost Control’. Een markante video deed de rest. Dat nummer was afkomstig van ‘s mans debuut ‘Mshini Wam’ dat al in 2010 verschenen was. Dat alles was ook Sub Pop niet ontgaan. De ep ‘Put Some Red On It’ verscheen vorig jaar op het Amerikaanse label dat na de bejubelde hiphop van Shabazz Palaces met Spoek Mathambo het gitaaretiket nog wat meer lijkt los te weken. En nu is er ‘Father Creeper’ waarop Nthato Mokgata (want zo heet de man) opnieuw de hedendaagse culturele underground melting pot van Johannesburg in al zijn facetten laat horen. Lees: een hyperactieve mix van opzwepende hiphop, zijn eigen electrovariant (“township tech”), dubstep, kwaito, house, rock en Afropop. We kunnen ons echter niet van de indruk ontdoen dat de druk wat van de ketel is. Dit tweede album mist namelijk wat spanning en vooral de urbane urgentie van zijn debuut. Het klinkt allemaal stukken braver dan op ‘Mshini Wam’ ook. Stukken minder militant en meer gericht op de hippe hitlijsten, lijkt het wel. Dat maakt van ‘Father Creeper’ hoegenaamd geen zwak album, maar voor het (ranzige en marginale) geluid van de Zuid-Afrikaanse onderbuik opteren we op dit moment liever voor Die Antwoord.

Dragontears werd opgedoekt, waardoor de leider van die band, Lorenzo Woodrose, zich volledig kan toeleggen op Baby Woodrose. Niet dat er na verloop van de tijd nog zoveel verschillen bleken te zijn tussen de twee. En zoals we hadden verwacht, bevat dit zesde album opnieuw superieure spacerock waar het huidige Hawkwind serieus te kakken wordt gezet. Soms klinkt Baby Woodrose als een lichtere versie van Monster Magnet in zijn beginjaren. Dat is evenmin erg, want Woodrose doet het stukken beter dan wat Wyndorf de laatste jaren produceert. Die vergelijking maken we vooral door het stemgeluid van beider mannen, dat wel heel dicht bij elkaar aanleunt. Met dat verschil dat Lorenzo echt wel kan zingen, en Wyndorf het nogal eens louter van de oerkracht van zijn stem moet hebben. Uiteraard zit de gitaarsound in de effecten (een regerende echomachine) verzopen en dienen bas en drums voornamelijk om de boel enig ritme te geven waarop kan worden uitgefreakt. Jammen zoals eind jaren 1960, met een vette knipoog naar bijvoorbeeld The Seeds en 13th Floor Elevators, doet de band bijvoorbeeld uitgebreid in ‘Bullshit Detector’. De songs ervoor worden eerder bondig gehouden, overladen met fuzz, maar vol popgeoriënteerde melodieën en hooks. ‘Dandelion’ is zo’n quasi perfecte psychedelische popsong, met gastvocalen van Emma Acs. Hoe verder we op de plaat belanden, des te psychedelischer gaat het er aan toe. En eigenlijk is dat best fijn, want zo worden we de plaat ingezogen en kan ons hoofd zich geleidelijk laten verleiden door de spacey trip. Lorenzo Woodrose hoeft er voor ons geen andere projecten meer op na te houden. Platen als deze zijn voor ons hemels genoeg.

Als een jaar of tien produceert Kroaat Petar Dundov zeer verdienstelijke 12inches op de diverse snijvlakken van (minimal) techno, elektro en house. Altijd met het oog op de clubs, maar zeker de laatste paar jaar met veel aandacht voor melodie, zoals op zijn debuutalbum ‘Escapements’ (2008). En nu helemaal op zijn nieuwe plaat, ‘Ideas From The Pond’, wederom uit op het Gentse Music Man. In zeven lange, dromerige nummers drijft Dundov steeds verder weg van de dansvloer. Het openingsnummer zet meteen de toon: een lang intro, een beat die meer met elektropop dan techno van doen heeft, ingehouden tempo en warme synth-pads. Ergens halverwege steekt een (synth die klinkt als een) fluit de kop op, en ook op de rest van het album zijn er elementen – borrelende sequencers, arpeggio’s – die Tangerine Dream en Vangelis in herinnering roepen. Warm en melodisch dus, maar door het geïmproviseerde karakter van de melodieën ook behoorlijk meanderend. Voeg daarbij een zich weinig ontwikkelende – of gedurende de laatste pakweg vijfentwintig minuten geheel ontbrekende – beat, en je blijft zitten met een plaat die wel erg ontdaan is van urgentie: er gebeurt eigenlijk niet veel en het gaat maar door. Maar we vermoeden dat Dundov de plaat dan ook bedoeld heeft als spacey achtergrond om bij weg te dromen, niet als een aandacht eisend opus. Zondagmiddagtechno, en dat bedoelen we niet onaardig.

De nieuwe aanwas op Brainfeeder, het label van Flying Lotus, komt uit Essex en heet voor zijn moeder Stuart Howard. Howard verenigt in ‘When You’Re Gone’ talloze stijlelementen zoals we zijn gewend in deze tijden van chaotische genrestapeling en grenzeloos productiewerk. Lapalux is tenslotte een kind van de internetgeneratie, nimmer gehinderd door hokjesdenken en genreconventies. Ook voor hem is synergie een vanzelfsprekendheid: het samengaan van delen levert meer op dan de som der delen. Zwoeldronken beats slepen zich voort onder de langgerekte, gefilterde vocalen met een r&b-feel, traag en loom met een poppy insteek. De nieuweling schaart zich direct onder notabele verwanten als James Blake en Darkstar, maar heeft ook elementen in zich die we vinden bij Bala Acam en Holy Other, de ongrijpbare grensverleggers op Tri Angle Records. De post-dubstep-joker trekken we maar weer uit de kast, bij gebrek aan betere omschrijvingen voor deze eigentijdse mix van soundscapes, beats, r&b, drag en dubstep. Daaronder scharen we ook Gang Colours, de eenmansformatie die de traagheid evenwel omarmt op ‘The Keychain Collection’, in een soortgelijke vorm van chopped en screwed r&b, maar dan wat zoeter klinkend door de piano die de zachte beats en vocalen begeleid. Zowel Gang Colours als Lapalux maken eigentijdse futuristische popmuziek, net zoals Blake en Darkstar door de songgebaseerde structuur, zonder in geluid complex of abstract te worden. Dit zijn zomerslome luisterplaten, gemaakt voor de ochtend van de dag, voor als u net bent ontwaakt, of beter, als het bed nog moet worden gevonden.

Op 17 februari laatstleden stelde Smeraldina-Rima in de Antwerpse Scheld’apen Robbie Basho’s ‘Twilight Peaks’ voor. Basho zelf – onder de zoden sinds een onhandige chiropractor in 1986 zijn nek brak – kon er niet bij zijn, maar Glenn Jones deed een lovenswaardige poging om de man, met een paar stukken van zijn hand en een handvol mooie anekdotes gepaste eer te bewijzen. Glenn Jones producete, op vraag van Smeraldina-Rima, overigens ook deze heruitgave.
Een mooie postume herkansing voor ‘Twilight Peaks’, want ten tijde van de originele release was Basho al een poos in de vergetelheid geraakt. Na afwijzingen door Windham Hill, Rounder en June Appal kwam Basho’s laatste in 1984 als tape uit op Vital Body Marketing/The Art of Relaxation, een label dat zich verder vooral specialiseerde in soundtracks voor massages en opnames van watervallen, kabbelende rivieren en regenwouden. Basho wordt steevast in één adem genoemd met John Fahey en Leo Kottke, maar waar die fingerpickig collega’s duidelijk minstens een paar ingrediënten van hun mosterd bij de Amerikaanse countryblues haalden, zocht Basho het in meer Oosterse sferen. Geen bluesy twang, dus, wél opvallend heldere en met grote precisie gespeelde melodieuze fingerpicking. Naar onze smaak had er wat minder galm over de tracks mogen uitgespreid worden, maar uit de hoesnota’s van Glenn Jones leren we dat het origineel – zeer tegen Basho’s zin – door Vital Body Marketing van nog een pak wolliger reverb voorzien was.
Wie ‘Twilight Peaks’ op vinyl koopt, krijgt de prachtige gezeefdrukte hoes van Wouter Vanhaelemeesch op groot formaat, wie voor de cd gaat krijgt er twee extra live tracks (‘Twilight Peaks’ en ‘Nice Enough For Love’) bij. Maar het meest hebben we nog genoten van de liner notes. Richard Osborn doceert een heerlijk omvattende musicologische geschiedenisles, maar vooral Glenn Jones’ verslag van zijn vriendschap met Basho en hun correspondentie is – in een tijd waarin brievenboeken een lang verdwenen goed zijn – een hartverwarmende en liefdevolle ode aan de vriendschap én de muziek. Hebbeding!

Tot de laatste morzel worden de archieven van de jaren 1980 uitgeschud. Geen cassette, obscure single of live-opname die tegenwoordig veilig is. Het Franse Infrastition gaat daarbij voornamelijk op zoek naar cold wave. Oorspronkelijk spitte het label uitsluitend in de eigen bodem, denk onder meer aan Ptôse, Clair Obscur, Guerre Froide, Martin Dupont of Die Bunker, maar sinds enkele jaren wordt ook de Nederlandse underground flink in het vizier genomen: nog voor de hernieuwde aandacht voor de Nederlandse Ultrabands kwam Infrastition op de proppen met cdheruitgaves van Bazooka en Das Wesen. Nog meer (obscure) Nederlandse wavegeschiedenis is er nu met de rerelease van ‘Vista’ van Flue, een lp in 1983 uitgebracht op Torso. ‘Vista’ was destijds de opvolger van het twee jaar eerdere verschenen ‘One And A Half’. Met uitzondering van het stilistische buitenbeentje ‘Prolusion’ dat ons aan de kamermuziek doet denken van The Balanescu Quartet stond dit Nederlandse duo voor een licht avontuurlijk geluid dat anno 2012 klinkt als een brugje tussen Frank Tovey en Aimless Device.
Met Norma Loy zijn we opnieuw in Frankrijk aanbeland. De band werd opgericht in 1981 als een ‘gewone’ new wave band, maar gaandeweg evolueerde (live) een en ander in een meer multimediale richting, beetje zoals Von Magnet, inclusief dansers, videoprojecties et cetera. ‘Rebirth’ dateert van 1990 en was hun vierde album. Opvallend zijn een aantal covers : ‘Voodoo Chile’ van Jimi Hendrix en ‘TV Eye’ van The Stooges. Niet geheel onverwacht is ‘Cheerie Dream’ , een ratjetoe van Suicide nummers als ‘Cheree’ en ‘Girl’ bij de bonusnummers: de band dankt immers rechtstreeks aan Alan Vega hun naam.
’Radio Pilot’ ten slotte, een flinke dubbelcd met niet minder dan 37 nummers van een alweer een zoveelste obscure Franse band die krek klinkt als Stereo Total, is een beetje veel van het goede. X-Ray Pop was hun tijd met dit geluid – een mix van catchy minimal wave en ontwapenende pop – weliswaar vooruit, maar een gebrek aan variatie in klankkleur en vooral een tsunami aan onderling inwisselbare nummers nekken deze compilatie. In juiste doses werkt het echter wel en waar voor je geld is het ook best wel, maar trop est trop.

Valeot is een relatief jong label uit Wenen dat zich naar eigen zeggen richt op “post-moderne muziek die niet een genrehokje past”. Hun webstek verraadt releases van behoorlijk onbekende bands en muzikanten zoals Alexandr Vatagin, Tupolev, Milhaven en Werner Kitzmüller. De enige naam in het rijtje die een belletje doet rinkelen, is Port-Royal. Oorkleppen lijkt het label alvast niet op te hebben want naast postrock en ambient staat er ook folk op het menu. Met Kutin (Peter Kutin uit Wenen, tevens lid van Dirac) landen we zachtjes bij verstilde, bij momenten zelfs héél stille soundscapes die in grote mate afkomstig zijn van ’s mans elektrische gitaar en laptop. Slechts in drie van de zeven tracks wordt dat beperkte instrumentarium uitgebreid met contrabass, viool en een extra synthesizer, maar het globale geluid is heel minimalistisch en bij momenten ietwat abstract en steriel. Dat ‘Ivory’ (zijn derde solorelease) tot stand kwam in een periode waarin Kutin werkte aan muziek voor stille films in opdracht van het Oostenrijkse filmarchief is meer dan veelzeggend én meteen ook de perfecte houvast om dit album te duiden. Namelijk als een soundtrack waarbij je de beelden zelf moet fantaseren. Op zijn dromerigst, zoals in ‘World Without End’, zoekt en vindt Kutin aansluiting bij Stars Of The Lid of Grouper.
Gitaar, piano, elektronica en veldopnames zijn de bouwstenen waarmee de Italiaan Attilio Novelllino aan het componeren slaat. Het resultaat is iets ruwer, korreliger en onheilspellender dan bij Kutin. Novellino flirt namelijk ook met ruis, noise (‘Ilyria’) en dissonantie waardoor het geheel ook iets dreigender overkomt. ‘Through Glass’ is zijn tweede album, maar laat niettemin een bijzonder mature indruk na. Sterk album voor wie nog een gaatje heeft tussen pakweg Growing en Tim Hecker.

Quakers, het genootschap der hiphopvrienden, is het supercollectief dat uit maar liefst 35 leden bestaat met als kern de producers Fuzzface, 7-Stu-7 en Katalyst. Het trio staat beter bekend als Geoff Barrow (Portishead), Stuart Matthews (studio-engineur van Portishead) en Ashley Anderson (producer en mede-uitbater van Invada Records) die uit onvrede over de hedendaagse stand van zaken in de hiphop de krachten hebben gebundeld en talloze bekende en onbekende talenten om zich heen hebben verzameld. De lijst is imposant, met heren uit de golden era: Prince Po en The Pharcyde’s Booty Brown, indie rap-veteranen Dead Prez en Phat Kat, afgetopt met Stones Throw’s finest Aloe Blacc, Guilty Simpson en MED. En dan zijn er ook nog de minder bekende goden Coin Locker Kid, Lyric Jones en Estee Nack. Er worden op ‘Quakers’ maar liefst 41 tracks afgeleverd die de glorie van de beats en rhymes-cultuur in al zijn facetten moet laten weerklinken. En zo geschiede, de liefde van Barrow en consorten voor hiphop moge duidelijk zijn. Het genre is tenslotte het grote fundament van het legendarische geluid van Portishead. Quakers gebiedt alles in zich wat hiphop boeiend maakt: intelligente, strakke, volle beats, virtuoos sample-geweld, een coherente flow en vloeiende teksten met betekenis. Het collectief getuigt van sterk vakmanschap, dat gezien het aantal deelnemers opmerkelijk coherent klinkt.

In verschillende constellaties hadden de vijf heren al met elkaar gespeeld, maar ‘Holy Abyss’ brengt ze voor het eerst samen op een cd. Gitarist/componist Joel Harrison en bassist/componist Lorenzo Feliciati namen het initiatief; Roy Powell met zijn Hammond B-3-orgel en piano, trompettist Cuong Vu en drummer Dan Weiss voegden zich erbij. ‘Holy Abyss’ brengt niet alleen vijf ervaren jazzmuzikanten bij elkaar, maar ook verschillende stijlen. De composities zitten vol verrassende maten, tempowisselingen en uiteenlopende sferen. Regelmatig neigen de stukken naar jazzrock, wat niet verwonderlijk is met de prominente rol van voorganger Harrison. Na de wat pathetische en breed uitgesponnen openingstrack ‘Requiem for an Unknown Soldier’ kan er worden gerockt in ‘Saturday Night in Pendleton’. In het daaropvolgende nummer, een uptempo swingend stukje neobop, mag Powell een improvisatiesolo weggeven, waar Harrison en Vu mooi op inhaken. Harrison heeft aan Vu op deze cd een sterke sparring partner. Beide hebben prachtige, volle klanken, die ze van tijd tot tijd graag voorzien van een rauw randje, al dan niet via elektronica. Toch lijkt Vu hier niet voluit te kunnen of willen gaan, wat vooral blijkt als het kwintet ‘Faith’speelt. Al kent de uitvoering van deze compositie van Vu hier een mooi samenspel, ze mist de intensiteit en indrukwekkende drive die het nummer op Vu’s eigen cd ‘Pure’ bezit. Zijn Harrison en Vu de peilers van deze cd, en mag Powell soms aangename maar niet heel verrassende solo’s neerzetten, Feliciati en Weiss beperken zich vooral tot, weliswaar uitstekende, begeleiders. Een goede samenwerking van vijf goede spelers, het resultaat is degelijk maar niet bijzonder spannend.

Hype Williams ontleden, is onbegonnen werk. Het duo, dat op deze plaat onder hun ‘eigen’ namen Dean Blunt en Inga Copeland opereert, verzint in interviews hele alternatieve werkelijkheden bij elkaar en op plaat eigenlijk ook. Het is de verbeelding aan de macht en volkomen intuïtief. Of het ‘ergens over gaat’ weten we niet, maar een groeiende schare (jonge) muzikanten lijkt zich überhaupt niet voor die overweging te interesseren. “Nothing means anything any more, so people should stop trying to make sense of things”, zei Blunt in een recent interview. Muzikaal is ‘Black Is Beautiful’ een logisch, vriendelijker vervolg op Hype Williams’ ‘One Nation’: halve en hele schetsen met kale synths, diepe bassen, goedkope drummachines, alles met een constante demping, als een mixtape met teveel Dolby. In vijftien nummers werken ze zich door een scala aan stijlen heen, waarbij vooral de nummers waarop Copeland zingt (als zij het is) opvallen. Naast die zoete, Aziatisch aandoende pop zijn er de gebruikelijke synthesizer-improvisaties over een hortende beat, experimentele nummers met gefluister en spooky piano, dertig seconden panfluit, footwork, een lang elektrodub-nummer, gedeconstrueerde rave, et cetera. Dat klinkt als een zooitje, maar juist de manier waarop de verschillen tegen elkaar aanschuiven maakt de plaat leuk. We hebben ‘Black Is Beautiful’ herhaaldelijk in de cdspeler geschoven, in eerste instantie om de plaat te begrijpen, maar toen we dat eenmaal los hadden gelaten, omdat hij aangenaam betekenisloos is.