GC #109

Met een nieuwe gelimiteerde (500 stuks) elpeereeks op gekleurd vinyl wil Drone Records de legendarische 7inch reeks verder zetten op een, naar eigen zeggen gebruiksvriendelijker formaat. Elke uitgave krijgt een verpakking van de Britse schilder Pete Greening, waar we lang naar staren, terwijl we ons afvragen welke invloed drones op ons brein hebben. Of misschien worden sommige drones zelfs door het eigen brein gegenereerd? Dit compilatiealbum biedt een mooie viersnee van wat er op de dreunmarkt te koop is. Het Spaanse Ubeboet opent sfeervol met vervormde koorzangen, een geschikt voorspel voor het rituele en artisanale (geen elektronica) Halo Manash. We blijven in Scandinavië met Jarl (beter bekend als de helft van IRM), die hypnotiserend gedreun uit een sitar haalt onder de fascinerende noemer ‘Zero In Scream’. Het Zwitserse B°Tong kiest nog nadrukkelijker voor het experiment door dronescapes te maken met bewerkte concrete geluiden. Het bronmateriaal wordt niet vrijgegeven, en ook titels als ‘Vam’, ‘Lam’, ‘Ram’ en ‘Pam’ helpen ons geen stap verder. Zowel naar vorm als naar inhoud is ‘Drone-Mind Mind-Drone’ een veelbelovende start, en we kijken tevreden zoemend uit naar volume 2.

In 2008 begon Beep! Beep! Back Up The Truck als een klein lokaal label met voornamelijk bevriende bands. De eerste releases van onder andere Kismet, The Walt en We Vs. Death waren van Utrechtse bodem, en vanuit die vruchtbare bodem ging het label zich uitbreiden. Zover dat al snel internationale namen volgenden waarvan Conduits de eerste Amerikaanse is. En daarmee heeft het label een winnend en beslagen paard – met leden uit onder andere Cursive en The Good Life – in huis gehaald. In deze formatie maakt het kwintet een aansprekende mix van shoegaze en postrock, die vooral doet denken aan Wye Oak, maar dan nog meer badend in een zee van gitaren. Trage atmosferische opbouw met lang uitgerekte gitaar en orgeldrones waarin frontvrouw Jenna Morrison met haar onderkoelde en ingehouden zang een verleidelijke rol speelt. Alsof zij als een zeemeermin je de nummers in wil trekken. Een verleiding die met elke luisterbeurt harder aan je gaat trekken, ook omdat het veld van gitaren, toetsen en melodische bas er om heen je geregeld in een postrocktrance weten te trekken. Zeker de ruim acht minuten van ‘The Wonder’ werken meditatief, wellicht enkel live nog te overtreffen. Een indrukwekkend debuut! Minder indrukwekkend is O Emperor die hun debuut ‘Hither Thither’ nu ook internationaal uitbrengen op K&F Records. Dit Ierse vijftal had dit album al af in 2009, maar wilde niet buigen voor Universal. Dat een groot label interesse in de band had, is echter niet verbazingwekkend. In de dertien nummers horen we referenties naar Muse, Mumford & Sons, Crosby, Stills, Nash And Young en meer eigenwijze bands als Menomena en Radiohead. Een mooie mix die al succesvol was in eigen land en ook weet te boeien. Maar geen van de nummers blijft hangen of springt er uit. Juist door de brede variatie, waarbij de band het ene moment in de psychedelische folk van de jaren 1960 zit en het volgende moment als Grizzly Bear met postrock gitaren klinkt, zorgt voor een gebrek aan samenhang. Uiteraard hoeft het geen enkel probleem te zijn om psychedelische folk samen te brengen met Randy Newman-stijl popliedjes, maar dan moet je ook proberen het echt samen te brengen. Lukt dat op een volgende plaat, dan zou het wel eens een van onze favorieten kunnen worden, vooral gezien de duidelijke compositorische talenten die deze Ieren bezitten.

Junior Electronics is het soloproject van Joe Watson. Hij is muzikant en geluidstechnicus en speelde sinds 2004 keyboards bij Stereolab. Hij deed de engineering voor hun laatste drie platen en werkte ook al met onder meer The High Llamas, Monade, Mary Hampton en John Cunningham. Hij runt ook nog eens zijn eigen studio in zijn thuisstad Brighton, dus van luiheid kunnen we de man zeker niet beschuldigen. En van enige ambitie evenmin. Hij maakt het zich wel graag heel moeilijk, ook voor zijn tweede plaat onder de naam Junior Electronics. Hij gebruikt niet alleen in de lay-out van zijn release mesostics (een soort gedicht, vergelijkbaar met een acrostichon, veel gebruikt door John Cage aan het eind van zijn leven), maar ook in de nummers zelf. De computer wordt wel gebruikt, maar eerder als taperecorder. Tijdens zijn opnames kon hij de songs in grote gedeeltes knippen, maar editen van details of knutselen aan de ritmiek maakte hij zo onmogelijk. Hij probeerde ook zoveel mogelijk analoge instrumenten te gebruiken, en ook de mix en productie hield hij zo analoog als mogelijk, voor een computerwizard een hele onderneming. Hij kreeg assistentie van Mary Hampton (folkzangeres, ondermeer Sterolab’s zijproject Imitation Electic), Isidore Guild, Grant Allardyce, Alan Hay en Emilie Essel om zijn ideeën vorm te geven. Het resultaat is een beetje poppy elektronica waar geen lijn in te trekken valt. Het is een beetje te veel gericht op het achterliggende proces en te weinig om daadwerkelijk goede songs te doen. Bijgevolg is deze plaat een flauw allegaartje dat we snel zullen vergeten.

Met het geweldige wilde optreden van Baba Zulu (uit Istanbul) met de onuitputtelijke frontman Murat Ertel in de Recyclart afgelopen zomer nog in onze kop, kijken we met grote ogen en oren uit naar deze nieuwe plaat. U zult de heren misschien al eens gezien hebben als u de muziekdocumentaire ‘Crossing The Bridge’ van de Duits-Turkse regisseur Fatih Akin kent, waar ze jamden met Einstürzende Neubauten bassist Alexander Hacke. Het is inmiddels al hun vijfde album en deze keer hebben ze knoppendraaiers gevonden in Dr. Das van Asian Dub Foundation en jazzman Bugge Wesseltoft. Dit tweetal heeft hoorbaar een sterke hand gehad in het geluid, want er is veel aandacht voor diepe bassen afgewisseld met lichte folkcomposities. Wie bombastische saz psychedelica verwacht komt helaas een klein beetje bedrogen uit en het is ook spijtig dat een paar songs in het Frans en Engels gezongen worden. Liever hadden we het in origineler Turks gehoord zoals de nu legendarisch geworden psychedelica beweging uit de jaren 1970 wel altijd in de vaderlandse taal zong. De songs ‘Kelebekler Kuslar/Butterflies Birds’ en ‘Hopce’ zijn dan onze favorieten, terwijl ‘Hayde Hayde’ en ‘Worried Leaf/Efkarli Yaprak’ met zangeres Elena Hristova ook niet onaardig zijn. Het is een mooie plaat die echter de pit mist van hun liveshows; wild worden we er bijgevolg niet van. We zullen er maar bij neerzitten met een narguile waterpijp.

In 1976 werd de Spanjaard Stefano Ruggeri geboren. Hij studeerde klassieke piano om uiteindelijk drie jaar te stoppen in het tot de perfectie verheffen van de acht instrumentale stukken die samen zijn debuutalbum ‘Lucen’ vormen. Hij houdt het daarbij niet uitsluitend bij zijn geliefde piano. Hij is een groot liefhebber van het elektronische werk van Alva Noto, Thomas Köner en Mira Calix en integreert hun soundscapes, minimalistische beats en ingehouden emotionaliteit in zijn muziek. En die muziek is net zo goed schatplichtig aan het klassieke genre, met als grootste invloeden toch wel Alban Berg, Anton Webern en Gustav Mahler. De misschien vreemd klinkende mengeling van deze invloeden resulteert echter in een dromerig geheel waarin knisperende beats, ijl pianospel, strijkers en aan ambient verwante geluidslandschappen voor een spookachtige of introspectief dromerige sfeer zorgen. Een uitgebalanceerd, afgemeten en mathematisch afgewogen geheel dat wankelt op het koord van herhaling en verwondering. De acht stukken lopen quasi naadloos in elkaar over, nemen ons mee op een kosmische trip zonder duidelijke eindmeet en vermengen Murcof met Arvo Pärt alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. AfarOne brengt klassieke elektronische muziek die naam waardig en staat heel mooi tussen het werk van alle genoemde artiesten.

Trio uit Straatsburg. Ze hebben wel alle drie andere bands: saxofonist Claude Spenlehauer speelt in micro_penis en Hell’s Gate, de zelfverklaarde broers Gully laten zich evenmin onbetuigd. Gitarist Nicolas speelt bij Cheval en drummer Pascal bij Zakarya. Die laatste band heeft vier albums uit op het roemruchte Tzadik-label van John Zorn, een mooie referentie. Als Myself bouwen ze sinds 2005 aan een voornamelijk instrumentaal universum dat nauw aanleunt bij het vroege werk van Zu, al zit er minder metal in attitude en sound. Een andere referentie is The Flying Luttenbachers, iets minder energiek en snel dan in de absolute begindagen van de band van Weasel Walter, maar wel dicht aanleunend bij de tweede periode van die band, tot voordat ze helemaal aan het jazzen gingen. ‘Haro!’ is pas het tweede album van Myself, na ‘Me!’ uit 2007. De productiviteit ligt dus absoluut niet hoog, en misschien is het net daardoor dat de elf nummers behoorlijk gebald en uitgepuurd klinken. Van jazz is weinig sprake, ondanks de andere activiteiten van de leden en de aanwezigheid van een saxofoon. Rock met een serieuze hoek af, een beetje tegendraads en heel soms een beetje geforceerd klinkend, doet Myself zijn best om stevige songs neer te zetten. Het trio gaat heel ritmisch te werk, waardoor de saxofoon van Spenlehauer vrij spel krijgt om de nummers in te kleuren, zonder dat het op zinloze improvisatie uitdraait. De plaat heeft meerdere luisterbeurten nodig om echt te overtuigen, maar uiteindelijk lukt het ze wel.

Masha Qrella heeft al een heel verleden achter zich met bands als Mina, NMFarner en Contriva. In een eigen studio – Villa Qrella in Berlijn – heeft ze daar met andere bandleden jaren kunnen aan schaven, met behoorlijk subtiele en fijnzinnig uitgewerkte muziek als resultaat. De behoorlijk sfeervolle en relaxte liedjes van Masha zijn stuk voor stuk schitterende pareltjes uit Pankow, waarmee je als luisteraar direct een intieme band hebt. Geen stoere poses, instrumentale krachtpatserij of haken naar de hype: deze singer-songwriter gaat het eigen gangetje en kleedt haar droomwereld vakkundig en liefdevol in. Haar wat zwoele stemgeluid gaat altijd vergezeld van een simpele beat, rollende bas en golvende gitaargeluiden, waardoor een wat dromerig effect ontstaat. Zo kom je uit bij intense maar aangename popmuziek, met een been in de underground en met de andere in de lievelingslijstjes. Een hele prestatie.

‘Aeons’ is te vreemd, te disoriënterend en te ongemakkelijk om te catalogeren als new age of zelfs muzak. Mediteren of ontspannen zit er namelijk niet in; en echt vrolijk(er) word je ook niet van de vier lange “kosmische” composities van Daryl Groetsch. Met een discografie om u tegen te zeggen – massa’s cassettes en cd-r’s plus flink wat reguliere cd- en vinylreleases op onder meer Ultra Eczema, Digitalis en Expansive – heeft deze vlijtige Amerikaan zijn sporen meer dan verdiend en zijn productieskills danig verfijnd. Ooit grossierde hij in industriële soundcapes, noise en diepe drones, maar de laatste jaren is Het Heelal zijn werkterrein. Daarmee maakt hij deel uit van een nieuwe golf van artiesten zoals Josh Burke, Oneohtrix Point Never of dichter bij huis Dolphins Into The Future die maar al te gretig teruggrijpen naar Tangerine Dream en Klaus Schulze. Vernieuwend, verrassend of onderscheidend is het dus allemaal niet (meer) en ook deze ‘Aeons’ rijst niet boven de betere middelmaat uit.
Panabrite is het sonische ruimteschip van Norm Chambers uit Seattle en ook hij heeft ondertussen een aanzienlijke discografie bij elkaar gecomponeerd. ‘Sub-Aquatic Meditations’ is de perfect gekozen titel voor zijn trip naar onverkende oorden. Panabrite maakt (analoge) soundscapes die zich perfect lenen voor een documentaire over de diepste regionen van onze oceanen. ‘Sub-Aquatic Meditatins’ roept namelijk beelden op van haast buitenaardse wezens die in een tijdloze verstilling zweven op het eindeloze ritme van het water. Ook dit is eerder gedaan – een spontane referentie zijn sommige filmscores van Popol Vuh – maar het werkt. Tenminste voor wie dit soort geluiden niet onmiddellijk wegzet als kitscherige ambient.

Erik Paul laat nog eens van zich horen, en daar zijn we alleen maar blij om. Waarom dan? Wel, omdat we de bands waar hij in zat, missen. Arab On Radar en Chinese Stars zijn hier grote namen. Noise en no wave in een knettergekke, schizofrene mix met bevreemdende, atonale voordracht erboven op. Chinese Stars was net iets minder chaotisch, overstuurd en knallend dan Arab On Radar, maar bleef wel nog goed overeind. Erik Paul bracht de platen van Chinese Stars al uit op zijn eigen label Anchor Brain, en doet dat uiteraard ook met Doomsday Student, in een samenwerking met zijn maten van Skin Graft, waar Arab On Radar bij zat. Drie van de vier originele Arab On Radar-leden zitten in de band. Alleen Jeff, de tweede gitarist, ontbreekt. Die maakt het mooie weer met Made In Mexico en is een beetje kwaad dat zijn vroegere kompanen de sound van Arab On Radar heel dicht benaderen. Tja, met dezelfde geschifte zanger/gitarist en nog twee van de originele mannen, metronoomdrummer Craig Kureck voorop, is dat niet zo verwonderlijk. De toevoeging van Paul Vieira, die al met Eric Paul en Craig Kureck in Chinese Stars zat (waarin onder meer ook Rick Pelletier van Six Fingers Satellite), voorspelt evenmin een grote muzikale koerswijziging. Blijkbaar missen ze hun vroegere band net zo erg als wij, en gaan ze op herhalingsoefening. Al is dat ook niet helemaal waar. Ze zijn ouder, beheersen hun instrumenten nog beter en gaan nog meer en dieper in op de essentie. Het gaat nog steeds over lichamelijke of seksuele dysfuncties en dit in combinatie met het vermeende obsessief-compulsieve, posttraumatisch stresssyndroom gerelateerde karakter van Erik Paul. ‘Her Hairy Graveyard’, ‘Slap That Loudmouth’ en ‘Ape In Love’ zijn nu al klassiekers.

Rustig gepluk aan snaren, kalm getik en korte streken over de snaren, en dan weer heftiger stukken met wringende en krassende geluiden. Het trio Barrel haalt alles uit de instrumenten wat het kan krijgen. ‘Gratuitous Abuse’ bevat drie opnames van Alison Blunt op viool, Ivor Kallin op viool en altviool en Hannah Marshall op cello; twee optredens en een ‘studio-sessie’ bij collega-improvisator John Bisset thuis. Een echte melodie wordt het nooit bij dit trio, hooguit wat fragmenten waarbij ieder bovendien iets anders lijkt te doen. Als de improvisatie ‘Rigwiddie Snauchle Strikes Again In Style’ uit het gekras en gepiep in rustiger vaarwater is beland, komen er gestamp, gerinkel en stemmen bij. Uiteraard wordt er geen liedje gezongen, maar er worden klanken gezongen en geroepen, zoals de muzikanten dat ook met hun instrumenten doen. Een keelgezang verandert in geforceerd stemgeluid, en vervolgens in een overdreven gehoest. Kortom, de geluidswereld die Barrel schept, is gebaseerd op allerlei klanken, of die nu met instrumenten, stemmen of anderszins worden voortgebracht. Alles samen maakt het complete geluidsbeeld. Het gaat de improvisators hier om gebruik van intrinsieke waarden: rauw, glad, snel, traag, aanhoudend, kort, hoog, laag. Daarbij lijken de musici op elkaar te reageren, een ontwikkeling ontstaat omdat een van de muzikanten een bepaalde afslag besluit te nemen, of een mogelijke richting hoort. Zo ontstaat er een fragment dat doet denken aan klassiek gecomponeerde muziek, waar een tweede instrument perfect op aansluit, maar het vervolgens ook ombuigt naar een andere richting. Boeiend, maar zeker geen gemakkelijk in het gehoor liggende muziek.

Een productief label als Ad Noiseam is er eigenhandig verantwoordelijk voor dat we net iets teveel dubstep met industriële invloeden achter de kiezen hebben, maar op het gevaar van onomkeerbaar tandbederf af, kan er nog eentje bij. Dit is het albumdebuut van een eenmansproject uit Letland dat in het genre snel een goede reputatie opbouwde via mp3’s en één 12inch. Oyaarss wil de menselijke aanwezigheid uit de Natuur wegslaan met een loodzwaar ritme van 140 slagen per minuut. Het duistere gevoel voor schoonheid (melodieën, Letse stemsamples, romantische intro’s) valt ten prooi aan een genadeloos pompende mensetende machine, samengeperst metaal en andere fabrieksgeluiden. ‘Bads’ staat trouwens niet voor de Engelse slechteriken, maar betekent honger. Maar je bent gewaarschuwd: na de consumptie van deze cd zal je nog wekenlang schroot oprispen.

Verborgen parels in eigen land. Rode sterren over Leuven, verpakt op doorschijnend vinyl. De zwarte rooksporen in de plaat dragen bij aan de ijle start van ‘4 Track 12”’. De titel is eenvoud, de plaat ontvouwt zich minder simpel. ‘Two Lovers Jumping Off The Roof’ is in uiterste slow-motion verhulde elektronische jazz. David Sylvian springt in gedachten. De chaos van de val zindert op de achtergrond. De stem grijpt je bij de keel. Verstikkend. De stem dooft uit. ‘Drawing Circles’ is een hyperkinetische in pulp graaiende soundscape met een ritme dat raast als de eerste stoomlocomotief. Weemoed overschaduwt de dans gevangen in een ronde beweging. Echo’s houden zich vast aan delays. ‘Trifling Madness’ is de beatloze doe-het-zelftechno van Container. Rasperig en onder elektronische sneeuw bedolven. Het synthetische kerkorgel op ‘Stop Staring At The Ground’ sluit zich aan bij de mdma-synthpop van Grimes met de song uitgeveegd. Die moet je je maar inbeelden. Stop met het staren naar het buitenland, Red Stars Over Tokyo mag zo in je platenkast naast Patten, Vatican Shadow en Farben.

De Nederlanden, de Lage Landen. Voor de onoplettende reiziger een amorf uitzicht in de reis van Maastricht naar Delfzijl. Vlak, met overal de horizon in zicht. Tussen de horizon en het gekozen vehikel waarin de reis van het onderste puntje naar het bovenste puntje wordt voltrokken een uitgestrekte groene weide, vaak begraasd en bescheten door even eenvormige koeien als dat landschap. Een enkele keer wordt het beeld doorbroken door een rechtlijnige vinexwijk, stad of een rivier. Maar ook die zie je aan de einder verdwijnen, het zicht beperkt door niets anders dan het zicht zelf. Saai, eentonig en oppervlakkig. Als je niet goed kijkt. In de eeuwige vlakte ligt namelijk een zee aan spelende details verborgen, van de wolkpatronen boven die immer rechte streep tot de kleine spellingen in het vlekkenspel van de verschillende Berta’s in de wei. Een plotselinge graffiti van een overleden gitaarheld op een elektriciteitshuisje midden in het veld of een door de wind gevelde boom. Met een scherp oog biedt dat lage vlakke land een feest aan verrassingen. Daar je band naar noemen is dan ook nogal riskant, maar The Netherlands maakt de naam waar. Op eerste gehoor is ‘Ampul’ de zoveelste voort meanderende postrock/ambient plaat met elektronica er in verwerkt. Leuk voor tijdens die rit van Maastricht naar Delfzijl. Gaan we het album echter nauwkeuriger beluisteren, dan poppen kleine spellingen op uit het groene egale veld. Ontwaarden we ineens vocalen ver achter de horizon – of zijn dat synthesizers – en verbreden bleeps, blops en een aanzwellende hoorn ons blikveld tot bijna 360°. Alles hangt in een haast natuurlijke ambiance samen, en om daar de schoonheid van de details in te horen verdient rust en tijd. Even zitten met de hoorns op het hoofd en in 25 minuten tijd wordt een vlakke wereld sferisch.

Openen met een song genaamd ‘Hebron’ en er samples opzetten uit de film ‘Apocalypse Now’ van Francis Ford Coppola, lijkt er enigszins op te wijzen dat Kovlo enige politieke gedrevenheid in zijn voor het overige instrumentale postrock wil integreren. Zes nummers bevat hun derde album, die een reis verbeelden van een kind dat met verwondering naar de wereld om zich heen kijkt. Naar de globe in zijn totaliteit, met angsten voor bepaalde plaatsen of eindeloze fascinatie voor andere. Zes heel verscheiden steden zijn het: ‘Hebron’, ‘Oaxaca’, ‘Rovaniemi’, ‘Qujing’, ‘Blenheim’ en ‘Angkor Wat’. Elke song vertelt zijn eigen verhaal, soms heftig, soms ingetogen maar steeds de paden van de betere postrock bewandelend. Het kwartet nam zelf de productie in handen, en al werd voorganger ‘I’m So Happy On This Boat’ onder handen genomen door Rob Ellis (PJ Harvey, Marianne Faithful), wat je zelf kan, doe je beter. Kovlo maakt zijn sound weidser, orkestraler en weet, ondanks de veelheid aan postrock die wordt uitgebracht, toch een heel bevredigende plaat te maken. In het genre is dit namelijk een nauwelijks ontdekt pareltje dat zeker wat meer aandacht verdient. En of ze nu uit het Italiaans sprekende deeltje van Zwitserland komen of rasechte Italianen zijn, ze houden wijselijk hun mond en leggen zich toe op het zo metronomisch precies als mogelijk hun instrumenten te laten spreken.

Hun label, Twisted Nerve, is vooral bekend als de thuishaven van Andy Votel en Badly Drawn Boy. Op dit kleine labeltje komt nu ook het tweede album van The Liftmen uit. De groep uit Bristol werd opgericht in het midden van het vorige decennium. Dankzij de rellen van afgelopen zomer in Londen moest de release worden uitgesteld. De voorraad van deze nieuwe plaat lag namelijk in de uitgebrande opslagplaats van verdeler PIAS. Een hele tegenslag, en niet alleen voor deze band. Maar nu is er toch deze plaat. Een plaat die moeilijk te vatten is in stijlen. We horen invloeden van indiepop maar ook krautrockachtige structuren en invloeden uit jazz. Maar dan jazz zoals een band als Karate die gebruikte. Voor de elektronische elementen op de plaat krijgen ze de hulp van stadsgenoot SJ Esau. Het resultaat van deze mengelmoes is een soms inventieve indiepopplaat, met als nadeel dat er te weinig gesnoeid werd in de songs. Als geheel duurt het album gewoon te lang. Op het einde van elke luisterbeurt waren onze zenuwen iets te veel op de proef gesteld. En dat echt niet de bedoeling zijn, lijkt ons.

Daniel Martin-McCormick kon natuurlijk niet weten dat Whitney Houston een laatste heet bad zou nemen, die dag in februari, een week na het afwerken van ‘Hive Mind’. Die sample uit ‘I Will Always Love You’ bleef dan ook overeind in de geek funk van ‘Doesn’t Matter (If You Love Him)’, met verder een feature van Lady Gaga. ‘Privacy Settings’ klinkt een beetje als weirde tribal in een bespookte science fiction setting. Goed: daarmee zijn wij nog niet onder de indruk. Meer gecharmeerd zijn we door de afro house feel in ‘Floridian Void’, dat dan weer wel een vocale sample mist om Moodymann/Theo Parrish proof te zijn. Ook ‘Israel’ is integraal uit samples opgetrokken (met ondermeer quotes van de Amerikaanse komiek Steve Harvey), maar blijft een percussief rommeltje. Het meest bezield klinkt deze ep in ‘First Wave’, met bijna epische sci-fi ambience.