GC #110

Het tweede album van de Belgische formatie Mary & Me wordt overal goed ontvangen. Het moet gezegd dat zangeres/kunstenares Elke Andreas Boon en haar muzikale compagnon Pieter-Jan De Waele hun best hebben gedaan om een stel puike muzikanten om zich heen te verzamelen. Maar om dan te spreken van freakpop of luisterliedjes-met-angels gaat wat te ver. Op Subjectivisten.nl staat zelfs: “Een zuchtmeisje in een David Lynch-achtige setting”. Het is wel erg gemakkelijk om iedere zingende vrouw als zuchtmeisje te bestempelen. Zeker niet in dit geval waar van zwoele zang nooit sprake is. En het mysterieuze van Lynch hoor je ook nergens terug. Wel is de muziek van een aantal tracks uit meerdere muzikale lagen opgebouwd van instrumenten als piano, blazers en strijkers of klinkt een intro wat Cure-achtig. ‘Beautiful Number’ zou zo’n Lynch-nummer kunnen zijn. Maar goed beschouwd is het een iets te volgepropte popsong. Dat laatste geldt voor heel het album; het is mooie popmuziek met af en toe wat dromerige ogenblikken. Maar het prikkelt of prikt nergens zoals bijvoorbeeld bij freakpop. De liedjes zijn vaak catchy zoals de titelsong of soms redelijk plat, zoals het rockende ‘Fire Zone’. Van het album is een Franstalige ep getrokken met vier vertaalde songs van het Engelstalige album, aangevuld met een nieuwe titel ‘Pas De Gagnant’. De vertaalde tracks klinken qua begeleiding precies hetzelfde, dus veel nieuws is er niet onder de zon. In het Frans zingen maakt je niet automatisch tot een zuchtmeisje. Laten we het er maar op houden dat Mary & Me uit Gent een mooi tweede album heeft afgeleverd met lekkere popsongs, niets meer en niet minder.

Matías Zundel, ook bekend als Lagartijeando, is in zijn thuisstad Dolores muziekleraar, maar in Buenos Aires en daarbuiten een elektronische cumbia producer en live artiest. Na de ‘Neobailongo’ EP uit 2010 is ‘Amazonico Gravitante’ zijn debuutplaat die het wachten waard was. Zijn geluid is een mengeling van folklorische muziekstijlen uit het Andesgebergte en Bolivia zoals tinku, huaynos, charangueada, bomba en musica tipica aangescherpt door elektronische klanken, beats en effecten. Folklorische dansmuziek 2.0 die in Zuid-Amerika en met name Argentinië de laatste jaren een flinke toeloop geniet door het vernieuwende ZZK label. Na een kort intro wordt er een begin gemaakt met logge digitale cumbia in ‘En Alto De La Paz’, waarna het in digitale folklorische wateren terecht komt via ‘Por El Pueblo’ en ‘El Borracho’. De prettige meezinger ‘No Llores Mas’ en ‘La Montana en el Medio del Mundo’ zijn mooie songs waar Zundel zich vooral bedient met de kleine Boliviaanse charango gitaar. In het snelle ‘Aero Tinku’ wordt een panfluitriedel van inheemse tinku muziek gerijmd met elektronische beats terwijl het folklorische karakter behouden blijft. De song ‘Taki Onkoi’ is met een meetokkelende charango, fluwelen beats en een spielerei aan achtergrondgeluiden een puur pareltje waarbij de gedachte aan Four Tet niet veraf lijkt. In ‘Bronca’ geeft vrouwelijke MC Miss Bolivia haar zwoele latino dancehall stem te leen, totdat er in ‘Zinud vs. Melo de Tabaco’ een portie stevige ghetto bass op een bedje van accordeons wordt geserveerd. De afsluiter ‘Tarde en La Siesta Cosmica’ is ook een pareltje die begint met knisperende insecten in minimale elektronische sferen gevolgd door speelse doffe beats en een marimba melodie alsof het een bezwerend inheems ritueel betreft. De verfrissende cumbia wind uit Argentinië blijft ons maar tegemoet waaien.

Jimmy Tamborello alias Dntel is een meester in creëren van een eigen universum, waarin hij de luisteraar meezuigt. Dat deed hij al met zijn IDM-achtige debuut ‘Early Works For Me If It Works For You’ uit 1998 en ook het vervolg ‘Something Always Goes Wrong’ uit 2001 had die kracht. Maar ook voordat zijn deejaytijdperk aanbrak, was Tamborello al actief in de muziek. Op de middelbare school maakte hij al elektronicatracks met onder andere een keyboard en drumcomputer. Vervolgens speelde hij enkele jaren basgitaar in de Enocore (muziek zoals Brian Eno kon produceren) band Strictly Ballroom. De kennis en ervaring die hij opdeed in die voorgaande projecten zijn terug te horen op zijn nieuwste plaat ‘Aimlessness’, die uitkomt bij Pampa Records. Het eerste nummer ‘Waitingfortherest 11’ is een soundscape en de plaat opent daarmee op een rustige, bijna kerkelijke manier. Vervolgens schudt ‘Jitters’ ons wakker. In dit tweeden nummer laat Tamborello ons mee stuiteren op vrolijke bliepjes. Soundscapes en elektro-songs blijven elkaar afwisselen, waardoor ‘Aimlessness’ mooi in balans is. Dit doet soms sterk denken aan platen van Four Tet, die de luisteraar ook heen en weer kan slingeren tussen melancholie en intense blijheid. Nummers als ‘Bright Night’ en ‘Puma’ bevatten dezelfde speelsheid als het werk van Gold Panda en Bibio. Dntel zet door zijn achtergrond met ‘Aimlessness’ een diverse zomerse plaat neer die kan fungeren als hangplaat en dansplaat.

De laatste vijf jaar begon het een beetje stil te worden rond Adam Drucker alias Doseone. Had hij dan toch, zoals ontelbare hiphop artiesten voor hem, zijn microfoon aan de wilgen gehangen ten gunste van kortstondige samenwerkingen en zijn label Anticon? Het leek er wel even op. Maar Drucker was, met zijn hoge stem en punkkapsels, natuurlijk altijd al een beetje een vreemde eend in de hiphop bijt. Op ´G Is For Deep´ gaat hij dan ook compleet voorbij aan alle animositeit tegen tijdgenoten die de gemiddelde beat poet tegenwoordig placht te hebben en doet, hoewel vergezeld door de inmiddels verplichtte chipsamples -die in het geval van Drucker gelukkig dan wel weer wonderwel combineren met zijn stem-, vooral zijn eigen ding. Druckers stem gaat in ieder geval hoger en sneller dan ooit in stratosferen waar alleen de bit synths hem nog kunnen bijhouden, waardoor je je soms afvraagt of hij -als een soort hiphop Obelix- als kind misschien in een toverketel vol Auto-Tune is gevallen?

Het lidmaatschap van voormalig Black Lips-gitarist Jack Hines roept natuurlijk hoge verwachtingen op. Die werden op het debuut uit 2011 moeiteloos ingelost en op deze opvolger, inderdaad, nu al, staat evenmin een zwakke noot. Julie Hines (zijn zus?) bespeelt de bas, en de zang wordt afwisselend door Jack en door nachtbraakster Vashti Windish (ook Golden Triangle) verzorgd. Een kwintet is het, dit K-Holes, met nog een extra dame (Sara Villard) die met haar saxofoonuithalen duidelijk de songs mag inkleuren en drummer Cameron Michel die zijn best mag doen om iedereen in het gareel te houden. Tien postpunknummers in een grimmige sfeer is wat ‘Dismania’ heeft te bieden. En dat gebeurt op een veelzijdige manier, eentje die hen niet op een groot voorbeeld vastpint, maar vele gezichten van de band laat horen. Opener ‘Child’ bijvoorbeeld neigt naar het ruigste van Mazzy Star, maar het is vooral in de songs die worden gezongen door Vashti dat we een onmiskenbare verwantschap met Siouxie And The Banshees ontwaren. ‘Rats’ is zelfs een heel fel en sterk nummer, net als ‘Numb’ en ‘Acid’. Als Jack Hines de zang voor zijn rekening neemt, kiest hij meteen ook voor de tragere nummers, al zijn die net zo intens als de rest. De saxofoon scheurt bij K-Holes de songs niet aan flarden, integendeel, de sax zorgt voor een swingende melodieuze lijn die helpt het schreeuwerige en de donkere textuur aan banden te leggen. Afsluiter ‘Nothing New’ neemt meer dan vijf minuten van het half uur in beslag en hier etaleert de band zijn interesse in trashy psychedelica. Het is meteen een mooie afsluiter die veelbelovend klinkt en zeker navolging verdient op de volgende plaat.

De uit Brooklyn afkomstige producer Fostercare heeft vooral bekendheid verkregen in de (kortstondige?) hype van de witch housescene. De split die hij samen met Ritualz heeft gedaan, is inmiddels een van de klassiekers in het genre, dat vooral bestaat bij de gratie van onsamenhangendheid. Dit geldt ook voor het lp-debuut van Fostercare waarop in tien nummers bijna even zoveel stijlen voorbijkomen en de grootste gemene deler goth lijkt te zijn. Openingstrack ‘The Empire Will Drain U’ is een ouderwetse jaren 1990 goth clubnummer met lichte trance-invloeden, waarbij de lichtvoetigheid in contrast staat met het gezongen “the empire will drain your soul”. Wellicht dat hier Hardt & Negri-invloeden aan ten grondslag liggen, want de tekst bij de cd verhaalt over Deleuziaanse en Zizekiaanse inspiraties. Deze zijn overigens moeilijk uit het werk te halen, of het moet zijn dat Fostercare zijn amalgaam aan stijlen als een soort assemblage ziet. Naast de al genoemde gothic trance, horen we nog jungle, oldschool Prodigy-achtige dance, EBM, rave, drum-’n-bass, 808-loopjes en zelfs wat techno. Afsluiter ‘Daedalus’ is eigenlijk nog het meest witch house, met diep, voortslepend geluid en extreem vertraagde en onverstaanbare zang. Fostercare heeft een aparte plaat afgeleverd waarvoor we niet altijd in de stemming zullen zijn, maar hij kan een geweldige toevoeging betekenen aan een festival als Summer Darkness.

Best Of’s zijn nooit de beste graadmeter van een band’s oeuvre. Het zijn albums die puur bedoeld zijn om een degelijk overzicht te geven van de hits van een band of artiest voor de luie of arme muziekliefhebber. Normaal worden zulke platen altijd rond kerst uitgebracht, al lijkt hier de logische optie van de lente gekozen met oog op de vele lente en zomerfestivals waar deze verzamelaars dan als zoete broodjes over de toonbank zullen gaan. Toegegeven; Boban en Marko Markovic zijn met hun Orkestar wel één van de betere koperen bands binnen de Balkan scene die nog altijd overeind staat in de lage landen en de rest van Europa, zelfs al ligt de herhaling en overplay van deze muziek al jarenlang op de loer. De betere composities op deze verzamelaar zijn ‘Mundo Cocek’, ‘Od Scra’, ‘Sat’ en ‘Obecanje’, al zijn dit allemaal traditionele songs die al van voor de eeuwwisseling zijn en vooral afkomstig van de trompet van vader Boban Markovic. Ach, de familieband uitbouwen voor je zoon, het zal een lokaal gebruik zijn en de garantie van een pensioen. Marko’s composities zijn te herkennen aan een moderner doch platter geluid met beats, hiphop en hulp van externe producers uit de westerse Balkan scene zoals Robert Soko. Toch lijkt er aan dat gouden decennium een einde te komen en is het maar de vraag wat de band daar tegenover kan stellen om de oude en nieuwe fans te blijven behagen. We drinken nog een straffe zelfgestookte pruimen slivovice op een goede bekomst.

De Duitse zanger, liedjesschrijver en instrumentalist Konstantin Gropper is de man achter Get Well Soon, dat met ‘The Scarlet Beast O’Seven Heads’ een derde album uitbrengt. De muziek is zonder meer bombastisch, groots, stralend en toch fijnzinnig, met een diep melancholische ondertoon en een voorliefde voor doem, treurnis en de zelfkant. Delf een gat om in weg te kruipen voor de wereld en Gropper graaft nog doodleuk en met graagte een meter dieper. Maar, het moet gezegd, de muziek is als een weldadig bad, ook al moet je er af en toe een goor insect of rottend lijk uitkicken. Het hoort erbij, daar deal je gewoon mee. De term James Last van de freakfolk wordt vlak voor het midden pas echt van toepassing, maar dan hebben we het over diepte, lichtvoetige swing en zwierig sentiment, en uiteraard niet over de onverholen commerciële inslag van de Bremer orkestleider. Hoewel, misschien doet Get Well Soon toch een gooi naar de eretitel Hansi from Hell…

Sinds zijn oprichting in 1974 is Martin Davidsons Emanem een van de vooraanstaande labels voor vrije improvisatie. Hoewel er al heel wat buitenlandse kleppers passeerden (met onlangs nog twee archiefreleases van sopraansaxgigant Steve Lacy), ligt de nadruk vooral op de Britse scene, waarbij naast de veteranen soms ook jonge(re) muzikanten te ontdekken vallen. Dat is ook het geval op dit album van pianist Veryan Weston (°1950), die wordt vergezeld door dertigers Hannah Marshall (cello) en Ingrid Laubrock (sopraan- en tenorsax). Vooral die laatste is de voorbije jaren bezig aan een steile opmars en een van de meest vooraanstaande vrouwelijke rietblazers van haar generatie, naast o.m. ook Christine Sehnaoui, Silke Eberhardt, Matana Roberts en Jessica Lurie. Op dit album valt de Duitse, via Londen naar Brooklyn uitgeweken artieste te horen in een context die vanaf de eerste seconde getuigt van een merkwaardige durf en radicale openheid. Een minder toepasselijke titel vinden lijkt moeilijk, want de drie nemen er hun tijd voor, laten de muziek een verrassend parcours uittekenen dat lijnrecht tegenover inderhaast opgestelde constructies ingaat. Haar vorige plaat met Sleepthief (met pianist Liam Noble en drummende echtgenoot Tom Rainey) liet al horen dat Laubrocks instrumentbeheersing stilaan indrukwekkend is, en dat wordt bevestigd op ‘Haste’. In combinatie met Marshall en Weston, die regelmatig terugplooit in introspectief spel met schijnbaar verdwaalde noten, maar regelmatig ook klaterende clusters uitrolt, leidt het tot soms bedwelmende, maar vooral vaak misleidende vrije improvisaties die in een klein uur een behoorlijk taaie ervaring bieden, met passages vol weerbarstig geblaat, abrupte intervalsprongen en soms verrassend nuancerijk samenspel. Net als de recente plaat van John Butcher en Mark Sanders op Emanem, maar dan met een iets bescheidener telepathie, is dit een taaie kluif die vooral mikt op getrainde oren, maar voor de liefhebbers ongetwijfeld een eclectische delicatesse is.

‘Fuck All Y’All!’ is na bijna dertig jaar nog steeds het motto van Antiseen, het stelletje ongeregeld met basis in Charlotte, North Carolina. In 1983 begonnen zanger Jeff Clayton en gitarist Joe Young de band en al waren er doorheen de jaren af en toe bezettingswissels, de twee bloedbroeders gingen onvermoeibaar verder. Hun populariteit in Europa is bescheiden, maar de liefhebbers zijn wel fanatieke aanhangers. De band heeft meer dan vijftig releases op zijn naam staan, al is het nu alweer een hele tijd geleden dat er een album verscheen. ‘New Blood’ is evenmin nieuw, maar een mooie verzameling van onvindbare singles uit de periode 2008-2011. We hadden geen vernieuwing verwacht, en we krijgen die dan ook niet. De destructieve rockers, waarbij Clayton zichzelf al eens aanvalt met gebroken glas of een met prikkeldraad omwikkelde baseball bat en hij zijn vingers kapot ramt op zijn wasbord, staan voor brutaliteit, bloed, woede en harde, eenvoudige punkrock. Opener ‘Reconstruction’, met als gast John Bridges van Rapegoat zet de toon: onvervalste punkrock met die typische versnelling halfweg en Clayton die brult als vanouds. Primitief, dat zeker, en er staan zo nog wel een paar van die typische betonpunksongs op de plaat. Antiseen is niet voor niets het ondergrondse opperbroertje van Motörhead. Covers naar hun hand zetten kan de band ook al als geen een. ‘The Witch’ van The Sonics, ‘Chainsaw’ van The Ramones, of ‘Invader 1 Must Die’ van hun maatjes van Cocknoose krijgen de betonmolen over zich heen. Die laatste komt ook te prijken op een compilatie met songs die Antiseen heeft opgenomen over hun adoratie voor worstelen en worstelaars, hoe extremer hoe liever. Eén echt nieuwe song (‘The Mysterious Green Mist’) en een livenummer dat goed weergeeft hoe de band op een podium klinkt, zorgen voor een behoorlijk totaalbeeld voor ieder die Antiseen niet kent. En afwisselen doet de band met snufjes hillbilly en cuntry tussen de ruige punk in. Jeff Clayton laat het bloed weer vloeien en toont aan dat dertig jaar destructo rock hem niet kapot krijgt.

Brooklyn is de thuisbasis van de psychedelische rockers van Naam. Ze debuteerden met een naar zichzelf genaamd album in 2009 en laten nu vijf nieuwe songs, samen iets minder dan een half uur, op ons los. Ryan Lee Lugar (gitaar, zang, tambura), John Preston Bundy (bas, zang, piano, synthesizer), Eli Pizzuto (percussie) en Johny Weingarten (orgel, piano, mellotron, lap steel) houden van psychedelische rock, die wordt doorspekt met krautrock en boogie. De vijf songs zijn als een staalkaartje van het kunnen van Naam. Spacerock die soms nauw aanleunt bij stoner wisselt af met repetitieve krautrockgerelateerde ritmes. De hoofdmoot van het schijfje wordt deze keer echter ingenomen door kosmische muziek die net niet boeiend genoeg in elkaar steekt. Meermaals denken we ons in een lift naar een zeer hoge verdieping te bevinden. Op zijn best valt Naam tussen Can, Hawkwind en King Crimson te situeren, al gaan ze hier toch net iets te veel de kant van Tangerine Dream op. En dan zijn we nog positief, want het is eigenlijk bij momenten nog veel erger dan dat. Met dit tussendoortje weet Naam eigenlijk nauwelijks te overtuigen. Om echt een oordeel te vellen, wachten we tot een volledig album, waar hopelijk wat meer evenwicht en inventiviteit in zal terug te vinden zijn. Een kosmisch zoethoudertje waar twee van de vijf nummers nauwelijks die naam waardig zijn is dit.

Drums, sax, klarinet, gitaar. Dit zou jazz kunnen zijn. Het trio Skiv gebruikt ook effectenbakken en elektronica. Experimentele elektro, misschien? Geen van beide. Of allebei, maar als ingrediënten voor een totaalgeluid dat net zo eenvoudig tegen rock aanleunt. ‘Disturbed Walk’ wordt van voor tot achter, dat wil zeggen 42 minuten lang, voortgedreven door de strakke, stevige, swingende maar ook gevarieerde drumritmes van Alain Deval, aangevuld met hier en daar metalig klinkende percussie of elektronische ritmes. In het openingsnummer blaast Pierre Spataro daar cirkelende, uptempo klarinetlijntjes, afgewisseld met lange, bijna weemoedige noten. Gitaar (Jerémy Michel) en elektronica dragen bij aan de ritmiek. De volgende track is volkomen anders: een scheurende gitaar, een stampend ritme, felle accenten van de klarinet en ratelende elektronica. Kermis in de haven, zoiets. ‘Nova’ heeft met een lyrische melodie tegen dichtgestreken geluidsmuren dan weer postrock-achtige trekken, terwijl ‘Unbridled Escalator’ aanleunt tegen trashy jazzrock. Er zijn momenten dat Skiv bijna poppy gaat klinken, maar nee, daar is de muziek toch niet rechtlijnig genoeg voor. ‘Disturbed Walk’ is een cd vol wendingen: in ritme, in geluid, in sfeer. Wat constant blijft, is de dichtheid van geluid, het stevige tempo en de aangenaam hoge verrassingsfactor. Nee, Skiv laat zich niet makkelijk onder een genre wegstoppen maar wie maalt daar om? Hier ligt een bijzonder prettige cd.

Zanger/gitarist Luke Temple heeft een fluwelen stem die zowel intrigeert als geruststelt. Zijn eenmansproject Here We Go Magic is in de loop der jaren uitgegroeid tot een heuse band, die wat meer pop en rock binnen heeft gebracht in het Temple-universum. Met goed gevolg trouwens, want de omfloerste, licht funkende pop is ronduit wonderschoon. JJ Cale kan zo – hup – z’n gitaar doorschuiven naar Luke. Deze houdt dan wel wat minder van keurig afgebakende 3 minuten liedjes, maar weidt graag wat langer uit en geeft er met liefde een hypnotiserende opeenstapeling van geluidseffecten bij. De stem ligt lekker ingebed in de muziek, gaat er zelfs soms wat achter schuil, maar dat verschilt per liedje. Hoe meer up-tempo, hoe dieper weggedoken, lijkt het wel. Al met al is het een, inderdaad, magisch geheel, mooi en pakkend.

Volgend jaar viert Ben Chasny een bescheiden jubileum. Dan is het vijftien jaar geleden dat hij zijn eerste, trouwens titelloze, plaat uitbracht als Six Organs Of Admittance. Nu zijn we bijna dertig officiële releases later en komt ‘Ascent’ uit. Zijn platen zijn meestal gedrenkt in donkere, akoestische dronefolk. Voor deze nieuwe pakte hij het echter anders aan. Hij bracht zijn vrienden van Comets On Fire samen in de niet onbekende Louder Studios in Green Valley, California, een idyllische plek tussen San Francisco en Sacramento. Daar ging hij samen met hen schaven aan deze nieuwe plaat. Bij de her en der al te vinden opener van het album ‘Waswasa’ horen we een volledig elektrisch, rockende band. Six Organs Of Admittance klinkt hier als Comets On Fire. Niet onlogisch natuurlijk. In latere nummers zoals ‘Your Ghost’ wordt duidelijk gas terug genomen en horen we de akoestische Chasny weer de overhand nemen. En dat met een kleine, dronende folksong. Het venijn van de plaat zit bij deze in de staart. De symbiose tussen zijn twee bekendste projecten valt perfect samen in de nummers ‘Even If You Know’ en ‘Visons (From Io)’. Donker, psychedelisch, dreunend en geen seconde vervelend. Vijftien jaar bezig en nog altijd de moeite wat de man uitbrengt. Trouwens, wel een beetje vreemde muziek volgens een kennis uit de muziekindustrie, maar gelukkig wel sympathiek. Niet onbelangrijk.

Opmerking vooraf; geen nieuwe plaat van de Britse IDM artiest Bola (Darrell Fitton), maar wél een Ghanese muzikant met dezelfde (en zijn echte) naam waarvan een song te horen was op MTG#96. In het interview met Brian Shimkovitz (Awesome Tapes From Africa) in Gonzo (circus)109 kon u al lezen hoe hij in contact kwam met Bola via zijn ‘Volume 7’ cassette uit 2009. Deze is nu heruitgebracht als tweede release op het verse Awesome Tapes label waar de muziek ironisch genoeg niet als cassette verkrijgbaar is, maar als lp, cd of mp3. Het belangrijkste criterium van het label is enkel Afrikaanse muziek uit te brengen die nog nooit buiten het land van oorsprong uitgegeven werd. Bola komt uit het dorre Noorden van Ghana en speelt de tweesnarige kologo luit, net als zijn bekendere landgenoot King Ayisoba die hem tevens heeft geholpen bij het uitbrengen van deze plaa. Zijn geluid geeft een moderne twist aan traditionele griotgezangen; hij gebruikt drumcomputers en keyboards in een agressievere speelstijl. Bola’s ritmische aanslagen op de kologo, doffe elektronische beats en zijn krachtige rauwe stem brengen de luisteraar snel in een trance waaruit men niet wil ontsnappen en het album in één hypnotiserende sessie verteerd kan worden. We weten niet precies waar de beste man over zingt, behalve folkloristische lofzangen en levenslessen die doorgegeven worden via zijn goede vibraties; en die voelen we zeker. De songs ‘Burilbunbol Suma’, ‘Makamiba’ en ‘Abayetidu Ma’ steken er het meest bovenuit doordat het ritme en de stem elkaar krachtig bijstaan. In andere songs gaat het soms even een versnelling lager, al is dat slechts het enige kleine minpuntje van deze sterke release. Bola is een juweeltje van een ontdekking uit het niets. Tevens te zien op diverse zomerfestivals in uw buurt.

Die dubstep kennen we nu wel. Dat lijkt door het hoofd van Anthony William te zijn gegaan. Als deejay van dat genre maakte hij al enige tijd naam als Headhunter en produceerde hij uitgeklede dubstep. Ook werkte hij samen met het Berlijnse electroduo Modeselektor. Toch vond William het tijd om de dubstep achter zich te laten. Met zijn authentieke Roland TR-808 gaat hij nu verder onder de naam Addison Groove en brengt het album ‘Transistor Rhythm’ uit. Daarbij is geen spoortje dubstep te bekennen. William, afkomstig uit Bristol, laat een gestripte versie van Chicago Juke horen, iets wat hij ook al eens deed in zijn dubstepsets en waarmee hij met ‘Footcrab’ een klein hitje scoorde. Voor die kale Juke roept hij voor enkele nummers de hulp van de Amerikaanse mc Spank Rock in. Diens agressieve stem laat Williams Juke soms erg neigen naar de Ghetto House van DJ Funk. Een beetje fout, maar de draai die Williams er aan geeft, maakt een hoop goed. De platheid van DJ Funk wordt ingewisseld voor diepe bassen en beats. Ook het tempo is wat naar beneden gedraaid, waardoor de tracks wat minder chaotisch zijn. Sommige elementen heeft William wel in tact gehouden. Zo laat hij Spank Rock op ‘Beeps’ tientallen keren achter elkaar ‘Oh that pussy is..’ zeggen, en andere gerelateerde zinnen. Die seksuele teksten horen bij de Ghetto House, maar als in ‘Rudeboy’ bijna constant ‘fuck you’ wordt gesampled komt het wat geforceerd over. William laat met ‘Trasistor Rhythm’ horen dat hij de dubstep prima achter zich kan laten en de Chicago Juke succesvol een Addison Groove-draai kan geven.