GC #110

De eerste Fenn O’Berg albums werden boven alles gekenmerkt door een gezonde dosis absurdisme. Wat Christian Fennesz, Jim O’Rourke en Peter Rehberg ook uit hun laptops meenden te moeten toveren, het was altijd vervreemdend en ietwat gestoord. En ook behoorlijk nerdy – zeker live: drie geeks, gebogen over hun laptop – maar dat benadrukte alleen maar het gebrek aan interesse in conventies of reputaties. Na twee platen hadden de heren het te druk met hun andere bands en projecten, tot acht jaar later ‘In Stereo’ verscheen (zie GC#97), een fraaie symfonie van abstracte elektronica, maar minder bijzonder dan de eerste twee albums. Dat dat ook voor ‘In Hell’ geldt, is niet verwonderlijk, want de muziek werd live opgenomen in 2010, het jaar dat ‘In Stereo’ verscheen. De muziek bestaat uit ongrijpbare elektronica: samples, beats, gekraak, elektronische potten en pannen, flarden drones, half-herkenbare geluiden, heftige processing, jump cuts, et cetera. Behoorlijk wild, en hier en daar doen de heren hun best een deel van het surrealisme van weleer terug te vinden – met abrupte melodieën, en de raadselachtige verschijning van Bostons ‘More Than A Feeling’ – maar het voelt allemaal een beetje klinisch. Veel energie gaat zitten in het micro-management van de geluiden, zonder dat er een bepalend, overkoepelend idee lijkt te zijn. Misschien is ‘In Hell’ wel experimenteler dan eerder werk, maar het vrijwel complete gebrek aan lijn maakt het uiteindelijk ook veel minder sterk dan ‘The Magic Sound Of’ en ‘The Return Of’.

Wat ooit gecomplimenteerd werd als een duidelijk afgebakend concept, loopt het risico om vroeg of laat geconfronteerd te worden met de eigen vormbeperkingen. Als je label Glacial Movements heet, en je van de artiesten verwacht dat ze ijzige ambient soundscapes creëren, kom je na veertien releases op een punt dat het voor de luisteraar niet veel meer uitmaakt of je de noordenwind voor de zoveelste keer over een sneeuwlandschap dan wel een gletsjer hoort tekeer gaan. Maar alle kwantitatieve vooroordelen ten spijt, zijn dit twee verdomd degelijke cd’s. Het duo Pjusk is in elk geval authentiek door de Noorse afkomst en het feit dat ze in een afgelegen sneeuwhut verzamelen om te componeren. Hun concept-cd rond bevroren water klinkt bij momenten erg dreigend, en roept beelden op van Lustmord en vidnaObmana die samen in een koelcel worden opgesloten. Maar dat Pjusk ook melodieuze aspiraties heeft, bewijst het soundtrackachtige ‘Skifer’. Ook Italië heeft frisse dagen, maar Lino Monaco en Nicola Buono evoceren op ‘Descending Into Crevasse’ toch eerder het koudegevoel van een smeltend ijsje. Hun koeltechnieken worden immers doorkruist met warme tonen van analoge synthesizers, waardoor ons onderbewuste in kosmische jaren 1970 modus komt. Geen wonder dat Retina.it al podia mocht delen met zowel Biosphere als Kraftwerk.

Bij My Bloody Valentine duurt alles lang. Zo duurde het bijna twee jaar om hun laatste, ondertussen legendarische album ‘Loveless’ af te maken. Zo lang zelfs dat label Creation er (volgens geruchten) bijna door op de fles ging. En ook de aangekondigde drie reissues – ‘Isn’t Anything’ (1988), ‘Loveless’ (’91) en ‘Ep’s 1988-1991’ – lieten erg lang op zich wachten. Kevin Shields torst de reputatie van een onmogelijke perfectionist met zich mee, vandaar dat deze geremasterde heruitgaves meermaals werden aangekondigd om vervolgens alweer te worden uitgesteld. Maar nu zijn ze er dus. De twee reguliere studioalbums, waarvan ‘Loveless’ in twee nauwelijks van elkaar te onderscheiden versies komt, zijn echter een tweede aankoop niet waard. Wie de cd’s al heeft, kan zijn geld beter elders aan spenderen. Véél interessanter is deze 24 tracks tellende dubbelcd waarvan het gros bestaat uit materiaal afkomstig van drie ondertussen onvindbare ep’s, namelijk ‘You Made Me Realise’, ‘Glider’ en ‘Tremelo’; aangevuld met de ‘Feed Me With Your Kiss’ single plus vier zeldzame en drie nooit eerder (officieel) uitgebrachte nummers. We horen de evolutie in sound die de band zou doorlopen: gaandeweg wordt hun experimentele aanpak geperfectioneerd en wordt duidelijk waar ze met hun orgelpunt ‘Loveless’ zouden uitkomen. Deze essentieële compilatie illustreert op een overtuigende manier het belang van My Bloody Valentine als vernieuwers en is minstens zo sterk als ‘Isn’t Anything’ en ‘Loveless’. Geruchten over nieuw werk zijn momenteel weer heel sterk, maar met My Bloody Valentine is er maar één goede raad die telt: geduld uitoefenen. Veel geduld.

Neoklassiek lijkt de nieuwe DIY-stroming wel. De stroom releases op dat vlak neemt hand over hand toe, wat zorgt voor verbreding en verdieping. Verbreding is er zeker bij Philippe Petit en vrienden. Voor hen gelden musique concrète, elektroakoestisch en impro jazz als leidraad op zoek naar de dramatische verhaalkracht van het genre – in de breedst mogelijke zin dan, tot non-music toe. Petit is trouwens als ex-muziekjournalist en dito radiomaker, labelbaas van BiP_HOp, non-conformistisch deejay en voormalig studiogezel van onder meer Lydia Lunch, Cosey Fanni Tutti en Justin Broadrick best goed geplaatst voor een bredere kijk op muziek. Dat lijkt ook vertolkt in de titel: ‘Cordophone’, een Franse verzamelterm voor klanken afkomstig van snaarinstrumenten. Viool, gitaar, elektrische harp en cello sturen inderdaad deze goeddeels improvisatorisch ingespeelde plaat aan, al figureren ook piano, vibrafoon, Tibetaanse klankschalen en ander slagwerk in het als geheel indrukwekkend weidse klankveld. Overmaat is dan snel te vrezen, maar geen enkele track op zich lijdt daaraan. Alleen schurkt de plaat in haar optelsom van zovele indrukken weleens tegen de verzadigingsgrens aan: doseren is de boodschap, als je openstaat voor detail. Referenties gaan van Pierre Henry en Ennio Morricone in de openingstrack tot Fonica en Janaçek. Dat hardcore meer om gevoel draait dan om volume, wordt ook duidelijk gemaakt in ‘Crépuscule’. Vaak krijg je niet meteen vat op de composities, trouwens, en ritselt nog allerlei onder het geluidstapijt, je gehoor op scherpte testend, terwijl toch geen sprake is van show-off. Weet bijvoorbeeld ‘A Land Of Both Substance & Shadow’ in zijn schijnbaar intuïtieve kracht ook simpelweg te ontroeren. Door de melange van klassiek, avant-garde en jazz, met verteerbare zin voor experiment en een goed verdeeld rollenspel tussen zovele instrumenten, resulteert ‘Cordophony’ in een avontuurlijke plaat die opvallend rijk is aan muzikale kleur en stemmingen.

Een onheilspellend begin, vliegtuigen scheren langs een donkere hemel, we zien niets maar horen het wel. Het is de start van ‘Body’, het debuut van de jonge Amerikaan die via Detroit, het Midden-Oosten, uiteindelijk in London belandde en zich voegde bij de Engelse bass-scene, de grote hoop van individuen die rotzooien met dubstep, hiphop en techno. Hoe prachtig somber ‘Body’ ook begint, de rest van de plaat is een minder eigen en wankelt tussen lichtvoetige funky dubstep en minimale dubtechno. Het aandeel wordt in het voordeel beslecht van de techno, zij vormt de hoofdmoot en horen we hoe ‘Body’ zich wentelt in de vertrouwde geluiden van voortkabbelende soundscape-techno. We zweren nog steeds bij ‘North’, de magistrale openingstrack, de rest voelt
echter als een déjà vu van alles wat al een keer eerder is gedaan. Darling dwaalt met
het hoofd tussen de UK bass en de Detroit techno, wellicht tijd om het Midden-Oosten erbij te betrekken, en kan hij zich wezenlijk onderscheiden van al die anderen.

Vorig jaar bracht Woods met ‘Sun And Shade’ nog een plaat vol perfecte kampvuurpop uit. ‘Pushing Onlys’, de openingstrack van die plaat was – samen met ‘Drop The Act’ van Ganglians en ‘Killin The Vibe’ van Ducktails verantwoordelijk dat we ons in de verschrikkelijke winterzomer van 2011 niet voor de kop geschoten hebben met een kruisboog. Henry Barnes (Man Is The Bastard en Bastard Noise) brengt als Amps For Christ boerderijfolkmelodieën die net zo goed aan de Mississippidelta van de jaren 1930 hadden kunnen ontspruiten, maar begraaft die in al dan niet subtiele lagen fuzz en noise.
Nu is er dus deze Woods/Amps For Christ split op Shrimper. De split voelt aan als een natuurlijk geheel van twee acts die – elk op hun eigen manier – pastorale lofi-folk de éénentwintigste eeuw binnensmokkelen, maar slechts één keer wordt er echt samengewerkt: op het trippy ‘From Oatmeal To Buttermilk’. Verder valt de plaat uiteen in een Amps For Christ-kant en een Woods-kant.
Het toegankelijkste Amps For Christ nummer op deze plaat is ‘Lord Bateman’, een traditional uit de Smithsonian bibliotheek. Maar ook die traditional krijgt een spaced-out fuzzbehandeling. Barnes laatste stuk, ‘Roto Koto In C Major’ is weliswaar grotendeels akoestisch – een opeenstapeling van gitaar-, banjo- en sitarpartijen en onbestemde percussie – maar minstens even ontregeld als zijn elektrische bijdragen. Over naar Woods dan. Wie op ‘At Echo Lake’ of ‘Sun And Shade’ al afknapte op de falsetto van Jeremy Earl of de rommelige productie, zal zich daar ook hier aan storen. Verder is het Woods materiaal eerder aan de schetsmatige kant. Een zomerhit als ‘Pushing Onlys’ valt er alleszins niet te scoren. Maar in de categorie songschetsen zijn ‘Sleep’ en ‘From Oatmeal To Buttermilk’ zeer verdienstelijk en ‘Wind Of The Wine’, nochtans amper anderhalve minuut lang, is zelfs een topschets. Slechts één keer – op afsluiter ‘September Saturn’ slaan Woods echt aan het jammen. De groove komt enigszins wankel tot stand, maar tien minuten later hebben we toch het gevoel dat Woods ons ergens mee naartoe hebben genomen. Hoe we terug geraken is ons probleem.

Soms luister je naar een album waarbij het onmogelijk is om onder bepaalde associaties uit te komen. ‘Totem’, de nieuwe plaat van de jonge Amerikaanse artieste Ryat is er zo eentje waar we het niet kunnen nalaten op te merken dat de manier van zingen sterk aan Björk doet denken en soms ook aan PJ Harvey (ten tijden van ‘White Chalk’) en zelfs Tori Amos. Maar in feite is dat niet erg, want er zit meer dan genoeg eigenheid aan het geluid van Ryat, wat vooral komt door de compositorische aspecten van haar album. Haar stem kruipt om verknipte elektronica heen, de ene keer zeer dichtbij, dan weer verder weg. Soms omfloerst, soms zwoel, soms dwingend, maar bij ieder nummer weet Ryat te intrigeren, waardoor het moeilijk weglopen is. De muziek draagt daar zeker aan bij, met beats, samples en vreemde knisperende geluiden die in een soort knip&plak-techniek tot een geheel worden geconstrueerd. Ook meer traditionele instrumenten dragen hun steentje bij, zo horen we onder meer viool-, piano- en zelfs harpklanken voorbij komen. Openingstrack ‘Windcurve’ zet met een duet tussen lieflijk harpspel en haperende elektronica, waarbij het lieflijke al snel een stuk duisterder wordt, wat dat betreft goed de toon van deze plaat. Op momenten krijgen we bij het luisteren Tim Burton visioenen, waarbij we het kleine en onooglijke tevoorschijn zien proberen te komen, licht bang maar toch nieuwsgierig, alsof de knispers en de knaspers door de stem van Ryat worden betoverd en aangetrokken, niet wetende dat ze wellicht een ware Rusalka is. Toch laten wij ons ook lokken door het contrast tussen de aardse elektronica en de onaardse zang, zelfs als dat de verdrinkingsdood tot gevolg zou hebben. Luistert u maar eens naar ‘Hummingbird’.

Voor introspectieve klanken ben je aan het goede adres bij Monty Adkins, professor Experimentele Elektronische Muziek aan de Universiteit van Huddersfield, en geluidskunstenaar. Zo theoretisch als deze opsomming doet vermoeden wordt het gelukkig nooit bij de componist, maar hij is in ieder geval wel iemand die weet wat-ie doet. Als uitgangspunt nam Adkins het concept van ‘shibusa’, in het Japans een term die de intrinsieke eenvoud en schoonheid van alledaagse voorwerpen omvat. Mooi zoals Japanners van bijna niks een verheffend iets met uitstraling en kracht weten te maken… In het geval van Adkins vertaalt zich dat in lange lijnen die zacht en organisch in elkaar schuiven en wegvloeien, de eindeloze stilte in. Wonderschoon, op de kruising tussen ambient en minimale elektronische muziek. De shibusa laten de luisteraar in serene verwondering achter, en verdwijnen vervolgens in het grote geheel waar alles en iedereen vervluchtigd is, maar toch de essentie is behouden.

Het aantal kankergevallen is de afgelopen 30 jaar wereldwijd verdubbeld, en dat zal de komende 25 jaar nogmaals gebeuren. Toch is de ziekte geen vaak in de muziek bespeurd thema. Till Rohmann bracht als kind en leukemiepatiënt vele jaren door in gespecialiseerde ziekenhuizen, pendelend tussen bestralingstoestel en chemotherapie, tussen leven en dood, met een behoorlijk laag ingeschatte overlevingskans. ‘Cancerboy’ draait in terugblik om die tijd, en stelt de ziekte centraal. Inclusief de hoop, de angst, woede, bitterheid, vreugde. En het verlies van lotgenoten. Een hartslagmeter en opnamen uit een ziekenhuiskamer schetsen de gespannen sfeer (‘Backwards’). Minimale, onheilspellende elektronica maken de onzekerheid tastbaar in ‘To Guess’. ‘Abyss’ revancheert met snedige minimale dubtechno, ‘Undertow’ ontrolt een kaler patroon. Met ‘Passages’ tikt de tijd weg over golvende electro, ‘Those Hopeful Moments’ drukt zichzelf begrijpelijk melodisch uit. Maar dan volgt even later weer een kale drumcomputer, alsof in ‘Dragged Along’ het leven weer aan een zijden draadje lijkt te gaan hangen. Melancholisch om zoveel verwarring glijdt de blik richting buitenwereld (‘Outside My Window’), om met ‘We’ll Still Be Here’ alsnog een passend einde te vinden voor dit persoonlijke, tussen blues en levenskracht in laverende verhaal. Zelden, wellicht nooit, werd techno zo uitvoerig intiem benaderd.

Stone Raiders een bluesband noemen, is ze echt tekort doen, maar ai, wat is dit toch blues! Gitaar, bas en drums en dan het bruine, slurpende geluid, intense en schijnbaar nooit eindigende messcherpe solo’s, een het tempo op moerassnelheid. Er klinkt ook jazz in door, evengoed als de (indertijd futuristische) jaren 1980 rock van Living Colour, en een flinke scheut experimentele Jimi Hendrix. De gemiddelde snelheid ligt ergens in het midden, maar door de dik aangezette en flink overstuurde instrumentale afdeling is het paniekgehalte hoog, de boog waanzinnig strak gespannen en heeft het adrenalineniveau de gevaargrens ruimschoots overschreden. De vrij vlakke en weinig interessante zang blijft daar ver bij achter, maar speelt in vrijwel elk nummer een meer of minder grote rol. Jammer want qua instrumenten is alles zeker de moeite waard.

Instrumentale surfmuziek is een genre dat we niet onmiddellijk relateren aan Griekenland. Toch komt het kwintet Dirty Fuse uit Athene en spelen ze niet, zoals zovelen in het genre, covers van de populairste surfmuziekjes, maar componeren gewoon zelf nieuwe nummers. Daarvoor alleen al vinden we Dirty Fuse de moeite. De band lijkt ook, eindelijk, na een hele rits bezettingswissels, zijn definitieve vorm te hebben gekregen. Surf, rock-’n-roll en garage vormen het palet waarbinnen de band zich begeeft. En daar hoort uiteraard hier en daar een saxofoon bij, die de nummers mee helpt inkleuren. Twaalf staan er op het schijfje, waarvan elf geschreven door de band zelf en eentje (‘Sunset Beach’) dat werd gepend door een bevriende Griek (Vasilis Tsitsanis). De nummers roepen een zomerse sfeer op van wilde meiden, witte stranden, surfende babes, cocktails en zon, veel zon. En dat het een uitstekende afleider is van de deerlijke Griekse economie, zal Dirty Fuse beamen. Feesten als alternatief voor een belabberde omgeving, dat moet lukken. We horen doorheen de songs de adoratie voor Dick Dale en The Ventures duidelijk doorschemeren. Gelukkig geeft Dirty Fuse er net voldoende een frisse draai aan, waardoor hun debuutalbum gemakkelijk meerdere luisterbeurten verdraagt.

De Britse basklarinettist Gareth Davis is wellicht hier vooral bekend van zijn samenwerkingen met Machinefabriek, de gebroeders Kleefstra en Steven R. Smith. Davis heeft een degelijke conservatoriumopleiding, maar in zijn spel en instrumentbehandeling blijft hij niet binnen de schoolse lijntjes. Hetzelfde geldt voor de Amerikaanse celliste Frances-Marie Uitti, die samenwerkte met bijvoorbeeld Mark Dresser, Evan Parker, Giacinto Scelsi, Louis Andriessen en kunstenaars als Marina Abramovic en Frank Scheffer. Ze heeft een eigen speelstijl ontwikkeld, waarbij ze twee strijkstokken tegelijk hanteert. Wat ze daarmee aan extra klanken uit haar cello krijgt, is ook hoorbaar op ‘Gramercy’, zoals ietwat krassende en diep warme tonen tegelijkertijd. Haar klanken en onconventionele stijl sluiten perfect aan op die van Davis. Beide creëren ze langgerekte tonen, traag gespeelde lijnen, afgewisseld met een hier en daar een stotender spel van Davis of een fellere uithaal van Uitti. Vaak leggen ze samen verschillende ingetogen, donkere lagen over elkaar, met kleine variaties en wisselingen in intensiteit. In ‘Smoke’ voegt Davis zijn kenmerkende hortende spel toe, in ‘2 Am’ doen de klarinetlijnen bijna Oriëntaals aan. ‘Felt’ heeft een donkere, lamenterende toon van beide muzikanten. Elders heerst er bijna een stilte, met ploppende, blazende en rommelende geluiden vanuit een verre achtergrond. Wat Davis en Uitti hier samen neerzetten, is een beeldend landschap van donkere (maar niet sombere) en grote schoonheid. ‘Gramercy’ verschijnt bij Miasmah op cd en als gelimiteerde dubbellp met extra materiaal en nog eens een downloadcode.

Hooded Fang uit Canada komt met een tweede langspeler opdraven, de eerste die ook buiten hun thuisland wordt uitgebracht. Hun eerste plaat ‘Album’, kregen wij niet te horen. En geen haar op ons hoofd dat erover denkt om die plaat nog op te sporen na het beluisteren van dit ‘Tosta Mista’. De liedjes mogen dan handelen over de liefdesbreuk tussen zanger/gitarist Daniël Lee en bassiste April Aliermo, lang zal de relatie niet hebben geduurd. Toch niet wanneer we de slechts tweeëntwintig minuten durende plaat beluisteren. Tien nummers staan erop, waarvan de helft nauwelijks die naam waardig, en dan nog een tenenkrullende ballade (‘Den Of Love’) naar het einde van de plaat toe om elk spoor van interesse helemaal de nek om te draaien. De band nam slechts negen maanden na hun eersteling om deze cd te maken. Ze hadden beter wat meer werk gemaakt van hun liedjes. En een andere zanger gezocht, want wat Lee ons in de strot probeert te schreeuwen, is erg, heel erg. Hype of niet, weg ermee, dat ene leuke surfmelodietje ten spijt.

De Spaanse klankhouwer Francisco López voorziet zijn werk (nagenoeg altijd) van alleen de aanduiding ‘untitled’ en een volgnummer. Op het Crónica-label verschijnt nu ‘Untitled #284’, een driekwartier durende geluidscollage. Dat López zijn composities nummert, lijkt me een teken dat hij elke referentie naar de waarneembare werkelijkheid wil vermijden. Ook al gaat hij voor zijn geluidswerk uit van opnamen van de werkelijkheid, de – vaak bewerkte – klanken moeten als puur sonisch materiaal worden geïnterpreteerd. ‘Untitled #284’ is gebaseerd op field recordings die hij in 1992 maakte in Lissabon; die opnamen heeft hij in 2011 sterk bewerkt voor een compositie in opdracht het Teatro Municipal Maria Matos. López hanteert deze methode vaker, zeer vaak eigenlijk. De field recordings worden bewerkt, vervormd, van klankleur veranderd, opgedeeld en opnieuw gemonteerd, in lagen gelegd en tot dichte klankgebeurtenissen gecomponeerd. Dat doet hij ook bij deze cd, die dan ook niet echt verrast. Wat niet wegneemt dat ‘Untitled #284’ weer vakkundig in elkaar zit. De compositie bestaat in grote lijnen uit zachte, donkere drones of een uitermate zachte ruis, lange delen van bijna stilte die intensieve beluistering vergen. Van tijd tot tijd groeien daaruit dichte geluidsstapelingen, chaotische klankclusters. Soms lijkt wel iets herkenbaar als klokkengelui, schrapende en plassende geluiden of geschreeuw, maar grotendeels zijn de geluiden moeilijk te duiden. Het is een vervreemde dwaaltocht door een nauwelijks zichtbaar Lissabon. Niet nieuw, zoals gezegd, maar wel weer indrukwekkend en zowel voor de fans als voor de nieuweling het beluisteren absoluut waard.

Twee 10inch-releases van het sympathieke Gentse Morc-label. Annelies Monsoré is een veel geziene muzikante in de catalogus van het label, en haar muziek past ook naadloos bij het label: alles minimaal, fluisterend, stil en klein. Monsoré heeft zelfs qua speelduur een liefde voor het kleine, want 90% van haar discografie bestaat uit ep’s. Haar nieuwste, ‘Nest’, is stevig geworteld in de traditie die ze in haar zevenjarig traject als muzikante heeft opgebouwd. Kleine liedjes, afwisselend gespeeld op piano en (op deze ep vooral) keyboards, gezongen met een hoge, iele fluisterstem. Er gebeurt weinig in Monserés liedjes, want vaak spelen stem en instrumenten precies dezelfde melodielijn, en door haar manier van zingen blijft alles krachteloos zweven. Mooi, maar vooral geschikt voor de liefhebber, voor wie Monseré hier weer trouw op koers blijft. Met het binnenhalen van de tweede 10inch zal Morc-baas Wim Lecluys waarschijnlijk erg blij zijn: een nieuwe ep van Boduf Songs, de Engelse singer/songwriter Mathew Sweet die in zijn kale, duistere werk uitgebreid flirt met het occulte en met metal-esthetiek. Op ‘Internal Memo’ staan de liedjes zo bol van spanning dat je soms het gevoel krijgt dat het net zo goed een snoeiharde hardcoreplaat had kunnen zijn, als de liedjes maar net iets anders gearrangeerd waren geweest. Een beetje zoals Michael Gira’s Angels Of Light dus, waar de ingetogenheid ook een voorbode lijkt van iets veel onheilspellenders. Met subtiele productionele toefjes en soundscape-interludes houdt Sweet het klankpalet bovendien interessant, zonder iets af te doen aan de de kale essentie. Waarmee Sweet slim de vallen ontwijkt waar Monseré soms wel in duikelt. Beide uitgaven zijn gelimiteerd (200 van Boduf, 155 van Monseré), dus aarzel niet.

Net zoals bij echte gospel gaan de emoties op ‘Spirituals’ van Guido Möbius huizenhoog en diepzeediep. Maar bovenal is het een knotsgek project, waarbij met behulp van ritmes uit de moderne elektronische dance, anarchistisch gebruik van studioapparatuur en een oeroud, donker bluesgevoel op een nieuwe manier spiritualiteit wordt vormgegeven. Heel inventief gebruikt de vanuit Berlijn opererende pr-agent en muziekuitgever (Autopilot) daarbij meestal oorspronkelijke gospelteksten die hij – zonder de originelen te kennen – een nieuwe lading geeft. Zachtzinnig gaat het er daar zeker niet aan toe, zo verzeilt de producer vaak in beukende electro of een stevig voortduwende, hypnotiserende hakpartij à la Velvet Underground, met op bijvoorbeeld een track zowel zwaar monnikengemompel als hemelse zang. Meeslepend, mysterieus en machtig mooi is het sowieso – hier zit iemand achter de knoppen die schijnbaar moeiteloos een magische, nieuwe wereld tevoorschijn tovert. Of veel godsdienstige mensen deze vrij experimentele muziek trekken lijkt onwaarschijnlijk, en of er zieltjes gewonnen gaan worden ook, maar daar is het Möbius niet om te doen. Lachwekkend maakt hij de godsverering ook geenszins. Spiritualiteit krijgt bij hem juist een nieuwe input, met een verrassend muzikale uitvoering die alle recht doet aan onze voorstellingen van hemel en hel – en alles daartussenin.