GC #111

Het Zweedse Arcana, dat een verleden met niet minder dan vier albums op Cold Meat Industry mee torst, heeft sinds hun debuut ‘Dark Age Of Reason’ uit 1996 een Dead Can Dance-fixatie die ze nooit hebben kunnen verhullen. Of onderweg zijn kwijtgeraakt. Hun geluid – een mix van (neo-)folk, (modern) klassiek, middeleeuwse muziek en romantische darkwave – is met het verstrijken van de jaren dan ook nooit wezenlijk veranderd. Net als bij Dead Can Dance worden de zangpartijen verdeeld onder een hij en zij. Bij Arcana betekent dat concreet de diepe, warme stem van Peter “Bjärgö” Petersson en de sopraan van Ann-Mari Thim. Qua instrumentarium zijn de overeenkomsten eveneens legio: akoestische gitaren, draailier, piano, strijkers en uiteenlopende percussie-instrumenten. Toch zijn dit allemaal geen redenen om ‘As Bright As A Thounsand Suns’ – album nummer zeven, vier jaar na ‘Raspail’ – af te voeren als een inspiratieloze kopie van de Australiërs. De sfeerschepping is namelijk perfect en nummers als ‘As The End Draws Near’, ‘Inceptus’, ‘Medea’, ‘Infinity’ of ‘The Fading Shadow’ hoeven niet onder te doen voor Dead Can Dance. Arcana is, net als Love Is Colder Than Death en Qntal bijvoorbeeld, een band die in het verkeerde tijdperk geboren is. Mooi album niettemin.

Cross Stitched Eyes is meer een collectief dan een echte band, met leden uit de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland. Het collectief werd in Bremen opgericht in 2005. Leden werden gerekruteerd uit bands als Zygote, Alaric, Smart Pills, Anger Of Bacteria, Endrophobia en U.K.Subs. Anarcho-punk is aldus de drijvende kracht achter het collectief en dat wordt over de hele lijn doorgetrokken. Het hoesontwerp is dan wel netter en professioneler, de look lijkt wel op het werk van bands als Rudimentary Peni, Amebix, Cortex en The Mob. Het zijn bands die ook muzikaal het collectief sterk hebben beïnvloed. Cross Stitched Eyes kijkt dan ook met graagte terug naar de jaren 1980, toen een term als death rock enige betekenis had. De dood waart dan ook overal rond in de teksten van dit tweede volwaardige album. Net zo frappant is de stem van Jason Willer, een stem die wel heel dicht zit bij die van Jaz Coleman, inderdaad, de voorman van Killing Joke. En laat die band eigenlijk over de hele lijn de grootste inspiratiebron vormen voor deze cd. Degenen die de recente concerten van Killing Joke wat minder vonden, maar toch zin hebben in nieuw werk dat van Killing Joke zou kunnen zijn, zullen aan nummers als opener ‘We Follow’ en verder ook ‘Broken Mind’, ‘Life Interval’ en afsluiter ‘Sluglord’ met die typische Killing Joke-bas veel plezier beleven. Soms is het allemaal een beetje te veel een doorslagje, maar leuk blijft het wel.

Moeten we de psychedelische bende van Wayne Coyne nog voorstellen? Ik mag hopen van niet. De band, ondertussen bijna dertig jaar bezig, staat bekend om zijn vaak overrompelende liveshows. Hun show van een aantal jaar geleden in de Gentse Vooruit staat nog altijd in ons geheugen gegrift als één van de meest psychedelische ervaringen die we ooit op concertgebied meemaakten. En dat zonder drugs te gebruiken. Sinds ze bevrijd zijn van hun contract van major Warner, met als laatste wapenfeit trouwens het behoorlijk psychedelische ‘Embryonic’, vieren ze hun herwonnen vrijheid op verschillende manieren. Ze zijn weer volop in een experimentele fase beland. Zo brachten ze muziek uit op USB-sticks verpakt in een eetbare schedel, maakten ze een track van 24 uur, enzovoort. Dit album verscheen eerst in gelimiteerde – nou ja, tienduizend exemplaren – voor Record Store Day. Omwille van de veelvuldige vraag verschijnt het album nu ook op cd. Voor deze release werkte de band samen met artiesten van diverse pluimage. Gaande van popprinsesje Ke$ha tot het noiseduo Lightning Bolt. Deze samenwerkingen kwamen op verschillende manieren tot stand. De ene keer doken ze samen met de artiesten in kwestie de studio in. Voor andere nummers werden er bestanden uitgewisseld -iets wat de samenhang overigens niet altijd ten goede komt. Eén van de eerste echte hoogtepunten van de plaat is het psychedelische popnummer ‘Children Of The Moon’ samen met Tame Impala. Andere uitschieter is het uitgesponnen ‘The First Time Ever I Saw Your Face’ waarvoor ze Erykah Badu konden strikken. Die was achteraf trouwens allerminst tevreden omwille van de begeleidende videoclip. Coyne had zijn voorliefde voor naakt te veel de vrije loop gelaten in de clip waarin ze samen met haar zus figureerde. Nou ja. Dit album is alleszins een meer dan aardig tussendoortje in afwachting van een nieuwe plaat die er eind dit jaar zou aankomen. Dat Wayne Coyne en zijn bende nog maar vaak dit soort psychedelische koortsdromen maken!

Stemkunst kan oncomfortabel zijn om naar te luisteren, omdat de openheid die de kunstenaar van zichzelf geeft door het persoonlijke karakter van de stem vaak veel indringender, in zeker zin naakter is dan wanneer een ander instrument wordt gebruikt. Die confrontatie is sterk aanwezig tijdens de concerten die celliste en stemkunstenares Audrey Chen en Tilburgse elektronische muzikant Wouter Jaspers (Franz Fjödor) samen geven – de fysieke aanwezigheid maakt het effect nog sterker – maar op hun eerste album bewerkstelligen de twee precies het tegenovergestelde. Op de plaat is het op veel punten onmogelijk om Chens stem, haar cello en Wouters minimalistische elektronica uit elkaar te houden. Wat we van Wouters kennen is vaak lawaaiig, droney en donker, maar op ‘Root And Branch’ tovert hij bescheiden en subtiele geluiden uit zijn elektronica: ultrafrequente tonen, ritmes van blokjes noise, diepe bas-sinussen die je meer voelt dan hoort. Tegen deze achtergrond krijgt Chen alle ruimte; net als Anthea Caddy lijkt ze haar cello vooral als experimentele geluidsbron te beschouwen, waarmee ze vaak in hetzelfde geluidsveld komt als Jaspers’ analoge synthesizers. Daar waar haar stem als zodanig herkenbaar is, produceert ze veelal klanken die lijken te zijn bedoeld als imitatie van insecten, het kraken van bladeren en andere microscopische natuurgeluiden. Zo ontstaat een microscopisch geluidsspel van het type waar ook Rolf Julius goed in was. Op andere nummers vormt het samenspel van Chens aanhoudende stem en atonale cellotonen een subtiele klaagzang, als een Diamanda Galásvery lite. Het mooie (en meer toegankelijke) sluitstuk ‘Hive Mind’ tenslotte, klinkt alsof Angela Conway improviseert over een verloren demo van Coils Black Light District-project. Chen en Jaspers slagen er mooi in om stem en klanken tot iets te smeden dat ook werkelijk als een organisch geheel klinkt.

The Nest is een Duitse supergroup met volk uit de experimentele muziek: Thomas Mahmoud en Gerald Mandl van Tannhäuser Sterben & Das Tod, Tycho Schottelius van Desmond Denker en Christoph Clöser van Bohren & Der Club Of Gore. Wie hier iets verwacht dat aansluit bij de atmosferische doomjazz van die laatste band, zal teleurgesteld worden, want ‘Music For Drivers’ sluit veel sterker aan bij het werk van Mahmoud en Mandl, met een nadruk op versplinter(en)de elektronica, gebruik van field recordings en manipulatie van geluid. Ze zijn gespecialiseerd in het bewerken van bestaande geluiden, door die volledig uit elkaar te halen en verbouwd terug te kaatsen, al heb je er hier soms het raden naar wat er in hemelsnaam gaande is. Opnames uit publieke plaatsen gaan over in elektronische stoorzenders die soms inwerken als abrupte flashbacks en haperingen in het geluidsbeeld, alsof de werkelijkheid verstoord wordt en de luisteraar met een licht wantrouwen weer op weg gestuurd wordt. Er duiken ratelende bassnaren, golvende synths en op elkaar gestapelde lagen sax op, waardoor je een eb en vloed krijgt van impulsen en ideeën. Het probleem is echter dat er weinig cohesie te rapen valt in deze 62 minuten, waardoor de verveling snel toeslaat. Het spelen met halfslachtige suggesties, ronkende bas en hardnekkige statische ruis werkt niet alleen desoriënterend, maar ook irriterend in deze mengeling van abstractie en minimalisme. De basisopnames zijn live gespeeld, daarna sloeg het kwartet aan het bewerken en overdubben, en het is dan ook jammer dat het toch zo’n eendimensionaal album geworden is. Misschien heeft het gewoon een visuele tegenpool nodig of moet je getuige zijn van het productieproces, maar zoals het er nu voor staat is Music For Drivers te vrijblijvend, en voelt de slotkakofonie met jengelende stem en delirische sopraansax vooral geforceerd aan. Jammer.

Met Asmus Tietchens en Dieter Moebius heb je gelijk wat bijzondere ouwe rotten van de compromisloze Duitse elektronische avant-garde bij elkaar. Musici die zich altijd door het experiment hebben laten leiden, vanaf de 70er jaren tot nu – en ze blijven nog steeds geïnteresseerd en dus nog wel even bezig. Moebius is vooral de man van samenwerking (Brian Eno, Conny Plank, Hans Joachim Roedelius) en heeft een indrukwekkende backcatalogus achter zich. Tietchens heeft meestal solo gewerkt, om via musique concrete uit te komen op abstracte muziek. De immer voort ploegende, pulserende beats op dit album met 13 tracks zullen van Moebius komen, de bizarre, groteske en soms bijna irritante geluiden zijn waarschijnlijk aan het brein, de handen en de machines van Tietchens zijn ontsproten. Zeker weten doe je het nooit, en al helemaal niet bij deze geluidstovenaars. Van sleetsheid is nog geen sprake, met deze mix van krautrock, techno en experimentele elektronica kunnen de heren nog wel even vooruit.

Een complete sterrenhemel als hoes, negen man personeel (waaronder gastvocalist Alan Trench van Orchis) en meer instrumenten dan wij uit het blote hoofd kunnen opsommen: tekenen van overvloed die in schril contrast staan met de absurd kleine oplage (éénenvijftig exemplaren) van deze cd-r. De groep rond R. Loftiss laat alles wat lucht verplaatst dreunen als bodem waarop volkse snaren (viool, cello, gitaren), objecten en samples (kermismuziek, biddende kinderen) mogen ontkiemen tot experimentele folkmuziek of donkere soundscapes. Omdat prachtige vrouwenstemmen, die eeuwenoude gedichten citeren, onder tonnen echo bedolven worden, terwijl in de verte een piano of een gitaar uitwaaiert, is een verwijzing naar Current 93 onvermijdelijk. Misschien denken echte kenners wel dat ‘In Menstrual Night’ en ‘Soft Black Stars’ bij wijze van quiz simultaan worden afgespeeld? Maar los van deze referentie, is ‘Nature Desires Nature’ een bijzonder geslaagd album waar we nog graag op eigen kracht naar zullen terugkruipen, terwijl we ons verheven voelen als één van de 51 uitverkorenen.

Drie jaar na hun doorbraakalbum ‘Bitte Orca’ wagen Dirty Projectors zich aan een nieuwe muzikale ontdekkingsreis. David Longstreth, de spil van de band, trok zich een jaar geleden terug in een buitenhuisje op een paar uur rijden van zijn thuishaven, Brooklyn. Daar sleutelde hij aan een boel nieuwe songs, in totaal zeventig zo verklaarde hij. Twaalf daarvan haalden dit album. De omgeving heeft er blijkbaar voor gezorgd dat de man minder gejaagde songs schreef dan op vorige albums. Volgens Longstreth is dit dan ook een liedjesplaat. Maar dan wel een met voldoende weerhaken om de vroegere fans niet helemaal voor het hoofd te stoten. Nog altijd zijn er de ingenieus in elkaar gezette harmonieën en die heerlijke samenzang met de ravissante bandleden Amber Coffman en Haley Dekle. Mogen wij trouwens een traan wegpinken omdat Angel Derdoorian zich het laatste jaar concentreert op solowerk? Als geheel is deze plaat dus een pak meer ontspannen dan de voorgangers. Iets wat ook blijkt uit het eerste deel van opener ‘Offspring Are Blank’ – minimaal handgeklep en fluisterende stemmen – tot het nummer plots toch een injectie krijgt met progrockende gitaren en een vocale uithaal van Longstreth. Waarna het weer helemaal stilvalt. Dit concept herhaalt zich nog een paar keer in deze song. En vanaf dat moment weet je dat Dirty Projectors je weer zullen meenemen op een muzikale ontdekkingsreis vol onverwachte wendingen en sterke songs zoals het vooruitgeschoven ‘Gun Has No Trigger’. Of ze ooit gaan doorbreken naar een echt groot publiek valt te betwijfelen. De muziek is daarvoor toch net iets te avontuurlijk. Maar hoor je ons daarover klagen?

We kregen eerst een downloadlink van het nieuwe album van Baroness, en hadden die download na een diagonale beluistering al snel gewist. Weg ermee, wat een flauwe bagger was me dat. Van onze chef kregen we nu een gebrande cd-r van datzelfde album, met de vraag om er enige woorden aan te wijden. Welke weten we eigenlijk zelf niet. Op hun vorige platen zat Baroness in de lijn van Kylesa, Mastodon en Torche, allen uit Savannah. Metal of postmetal, met veel helse gitaren en geschreeuw waren ons deel en al waren ze niet de sterkste van het lot, er viel naar te luisteren. Voor ‘Yellow & Green’ koos de band echter een volledig ander pad en dat kan ons absoluut niet bekoren. De gevoelige kwiet uithangen, tot daar aan toe, maar dan ook nog eens met panfluiten, sitars of wat ervoor kan doorgaan (nummer zeven) afkomen, neen, bedankt. We vermoeden dat er een paar hun lief zijn kwijt geraakt of iets gelijkaardigs, want Baroness doet er alles aan om gevoelig, triest, subtiel en ingetogen te klinken maar de cleane zang werkt niet, en de ingehouden gitaarlijntjes evenmin. John Baizley is nooit een echt goede zanger geweest, en nu valt hij eigenlijk volledig door de mand. Luister naar (nummer acht) en walg. Jakkes, wat een vreselijk onding is deze plaat. We hebben ons gepijnigd, het album uitgeluisterd, en nauwelijks een noot gehoord die ons kon bekoren. En dan blijkt er nog een cd-r bij te horen, het is potdorie een dubbelalbum! Wat Green en Yellow is staat niet op de schijfjes, maar wie geeft daar wat om. In elk geval klinkt hier de opener wat steviger en ligt de song wat meer in de lijn van zijn voorgangers, maar denderend kunnen we het nummer ook niet noemen. Hoe het heet ook al niet, want beide schijfjes tellen negen nummers. Promo’s zijn niet meer wat ze geweest zijn, en Baroness ook niet.

Het erg fijne Noorse label HUBRO leek zich vooral te richten op het soort improjazz waarvoor je het liefst in de sofa zit met je ogen dicht. Serene muziek gebracht door authentieke muzikanten die vanuit de stilte geduldig in het moment het mozaïek willen leggen. Mooi is bijvoorbeeld de solo-harmonium plaat van Sigbjørn Apeland, ‘Glossalalia’ (met hoofdrol voor het zacht krakende hout), de trioformatie 1982 met het experimentele ‘Pintura’ (fantastische rol voor de hardanger violist Nils Økland) en de jazzplaat ‘Elegy’ van bassist Mats Eilertsen met ook de Nederlandse pianist Harmen Fraanje. De oprechte instant composing staat ook centraal bij het jonge trio Cakewalk, maar laat die vredige kalmte maar achterwege. Deze minimal improrock bevat moordend harde crescendo’s waarin het vinnige gitaarwerk van Stephan Meidell tot voorbij de punk kleuren. Onterecht krijgt de improvisatiemuziek uit Noorwegen zo vaak het etiket ‘fjordenjazz’ opgeplakt; Cakewalk lijkt vooral inspiratie te halen uit de duistere kanten van de Noorse jazz. Denk aan gitaristen Stian Westerhus (Puma) en Eivind Aarset, of toetsenist Ståle Storløkken (Humcrush, Supersilent en Motorpsycho): prettig oordoppenwerk dus. Maar nog meer lijkt Cakewalk op de wilde rockband van Tom Waits-gitarist Marc Ribot, Ceramic Dog: lekker rafelig, smerig zelfs met gruizige synthkreten van Øystein Skar en opzwepende strijkpartijen van drummer Ivar Loe Bjørnstad. De zagende grooves blijven bloederig rauw, hoe hard ze ook worden gebakken door het steeds harder opgevoerde en gejaagde distortionwerk. En nooit klinkt het aangedikt, je hoort de instrumenten in eerlijke toestand. Bovendien blijft het voor de hand liggende zwaarmoedige karakter achterwege; dankzij de onbezonnen aanpak beluister je het half uurtje met een frisse glimlach. Nu graag live op podia buiten Noorwegen.

De weinige technonamen die Schotland rijk is, releasen bijna allemaal hun materiaal op Soma Records, het intussen tot een kwaliteitsketen uitgegroeid label dat in 1991 door de heren Orde Meikle en Stuart McMillan boven de doopvont werd gehouden. De jongens ken je beter als Slam, het nimmer aan kwaliteit inboetende duo dat reeds sinds de jaren 1990 met regelmaat de technoliefhebber verwent met weinig evoluerend maar goed techno-gedreun. Soms vermomt als remixers voor Sasha, Radio Slave en Josh Wink, dan weer actief onder eigen naam. Een hobby die ze vooral de voorbije vier jaar gretig omarmden. Omdat zo’n druk leven ook wel overzichtelijk mag ingeblikt worden, werd het beste uit twintig jaar Slam verzameld in 26 tracks op twee schijfjes. Eén nadeel: sommige tracks werden ingekort om alles te doen passen. Digitaal blinken heeft dus ook zijn tekortkomingen. Maar toch, als overzicht van deze rijkelijk gevulde carrière kan dit tellen. Ontdek hun subliem mixwerk van onder andere Secret Cinema’s ‘Timeless Altitude’, ‘El Alma del Tiempo’ van Alex Under en CCTV Nation’ van The Black Dog. Maar ook de onder eigen naam gepubliceerde parels als ‘Metro Noir’ en ‘Hot Knives’. Terwijl Berghain en de nieuwe lichting Italiaanse techno net meer aandacht te beurt valt, is ‘Collecting Data’ een onmiskenbaar Slam-verzamelobject dat geen technoliefhebber onberoerd zal laten.

De Dalai Lama Renaissance is een verwijzing naar een documentaire van Khashyar Darvich waarin de Dalai Lama een ontmoeting had met de Synthesis group, bestaande uit veertig westerse “renaissance” denkers met als doel om de wereld te veranderen en de wereldproblematiek op te lossen. Zeer ijdel natuurlijk, want al snel lagen ego’s met elkaar in de clinch en kwam men erachter dat de wereld niet te veranderen is als mensen zichzelf niet eerst kunnen transformeren voor een open dialoog. Deze Dalai Lama Renaissance is een jong Brussels trio dat post dubstep maakt met warm zang en een toets lichte IDM en uitbrengt op hun eigen label Dandelion Lotus. Op deze ep staan drie sterk geproduceerde songs waarvan ’80 BPM’ er bovenuit steekt door dwarse beats, melodieuze zang en glooiende sferen die ons even meenemen naar het verwarmende geluid van Eleven Tigers. De mooie song ‘Smoother’ doet denken aan het afwisselende elektronische geluid van Thom Yorke ten tijde van ‘The Eraser’ met een zachtere touch. Dan volgt er een reeks ambient en diepe dubstep remixen van onder meer de Belg Kara Cey (2) en de Nederlander Coco Bryce, waarvan het geluid van de eerste ons beter kan bekoren. De eclectische dubstep remixen van Zach Christ en Stephen Farris mogen er ook zijn. Houd dit jonge Brusselse trio in het oor en oog, ze zitten goed in het spoor hun eigen muzikale renaissance.

Sleepin’ Giantz neemt je mee naar het Londen van rond de eeuwwisseling. Drum-‘n-bass raakte daar toen uit de mode en het nieuwe geluid dat de jongeren naar de clubs lokte, heette UK-garage. Helaas laat de groep je daar meteen achter. Sleepin’ Giantz doet niets meer dan het herkauwen van gedateerde formules. Het mag dan ook niet verbazen dat Zed Bias, het brein achter deze groep, tien jaar geleden furore maakte, om sindsdien geruisloos van het toneel te verdwijnen. We kunnen ons levendig inbeelden hoe het verlopen is; de Britse producer verveelde zich steendood en belde vervolgens zijn oude makkers -de rappers Rodney P en Fallacy– om samen opnieuw de studio in te duiken. Eenmaal aangekomen, stootten ze op een verloren harde schijf waar nog wat beats op terug te vinden waren, waar ze wat overheen rapten. Het leverde hen ongetwijfeld veel plezier op, maar een relevant album zat er niet meer in. Akkoord, hier en daar (‘Mucky’, ‘Draw For Tha Zee’) treedt de bas danig op de voorgrond, zodat dubstep om de hoek loert. Verderop steken dancehall (‘Badungdeng’) en rave (‘Kerosine’) de kop op, maar het gros van de nummers zijn fletse retrotrips, gedateerde afleggertjes waar zelfs Artful Dodger destijds zijn neus voor zou opgehaald hebben. Zelden was een groepsnaam zo goed gekozen; Sleepin’ Giantz zijn grootheden uit een ver vervlogen tijd, die een winterslaap van een decennium lang hielden en bij het ontwaken even gedateerd zijn als Big Brother of de Belgische frank.

Na twintig jaar houdt de Italiaanse slangenliefhebber Terroritmo het voor bekeken: hij vervelt tot Wakinyan. De interesses van zijn nieuwe huid blijven occult, maar nu is het duidelijker dan ooit dat de man een “slag van den indiaan” gekregen heeft, zoals we dat in de jachtvelden zeggen. De naam verwijst naar een Sioux dondergod, en de rituele percussie slaat een brug tussen het spirituele (authentieke instrumenten) en het wereldse (metaalafval). Mannelijke en vrouwelijke vocalen wisselen meertalig van dienstronde, en de toonhoogte van de laatste doet bij momenten aan Hybryds denken. De precussieve dreunmuziek knuppelt ons aardig de juiste richting in, maar de stemmen zijn niet altijd geslaagd: we prefereren ze onherkenbaar vervormd of achterstevoren. Wie echter voeling heeft met meditatief nachtenlang in wouden doorbrengen (tot de geesten van je voorouders je smeken om op te rotten), of graag skyclad de natuurkrachten toechant, mag de oren spitsen. Ondanks de mooie vormgeving van deze gelimiteerde lp (300 stuks waarvan 50 op rood vinyl), hadden we liever een instrumentaal singeltje gehad. Op volle lengte krijgen we immers na verloop van tijd visioenen van dode indianen op een kruiwagen mest, die me sick mompelen.