GC #111

We dachten dat niemand nog muziek maakte zoals in de hoogdagen van Rough Trade, zeg en schrijf 1978-1982. We denken bijvoorbeeld aan de compilatie ‘Wanna Buy A Bridge?’ uit 1980, waarop onder meer The Raincoats, The Slits, Kleenex, Delta 5 en Young Marble Giants prijken. En dan sommen we alleen de bands op die enigszins invloed hebben gehad op het geluid van het trio Opposite Sex. En daar beperken ze zich niet toe, want ook Au Pairs en de begindagen van het Nieuw-Zeelandse label Flying Nun zijn heel belangrijk. De band komt uit Dunedin, Nieuw-Zeeland, dus die invloed ligt voor de hand. Dertien popliedjes bevat hun debuut, liedjes die nooit perfect klinken maar een beetje rammelen op een charmante manier. Luister naar het kermisachtige walsje ‘Sea Shanty’ of het quasi perfecte rammelpopliedje ‘La Rat’. En dan is er nog het frivole stemmetje van Lucy, die zichzelf leerde bas spelen en de meest absurde liedjes begon te schrijven. Ze leerde Tim kennen, die een drumstel had gekocht in een garageverkoop en leerde hem hoe het te bespelen. Fergus leerde zichzelf gitaar spelen via het beluisteren van cd’s bij het magazine ‘Guitar Player’, dus het naïeve, ongekunstelde geluid verwondert met deze kennis absoluut niet. Muzikaal zit alles dan ook uitermate eenvoudig in elkaar, net zoals we bij eerder genoemde Rough Trade-bands hadden. Ze kunnen gewoon niet beter, maar dat hoeft ook niet. Het is charmant, leuk, innemend en ze kunnen een aardig averechts poppy deuntje neerzetten. Meer moet dat soms niet zijn.

Op zijn dertiende zag Ronny Herling ‘Pisma Myortvogo Cheloveka’, een Russische science fiction-film die zich afspeelt in een post-apocalyptische woestenij. De boodschap van onzekere hoop in een geruïneerde wereld maakte grote indruk op de Oost-Duitse jongen, genoeg om twee decennia en een Duitse hereniging later nog steeds de voornaamste inspiratie te zijn voor zijn project Tardive Dyskinesia. Herling deelt zijn muziek in bij een ruime dosis genres: ambient, IDM, elektronica, experimenteel, industrial, en luisterend naar ‘The Letter’ is het ook allemaal op de een of andere manier van toepassing. De plaat staat vol donkere elektronica: onheilspellende synthesizer-sweeps, knarsende en sissende geluidseffecten, gemuteerde stemmen, galmende ruimtes: het zit er allemaal in. Referentiepunten zijn dingen als Senking, Shackleton, de soundtracks van John Carpenter en het recente werk van Lucy, maar hoewel Herling hard zijn best doet, wil het niet echt overtuigen. Hij weet de sfeer steeds goed te zetten, maar blijft daar vervolgens in hangen. Met haperende Funkstörung-ritmes hobbelen de nummers naar hun einde toe, zonder tot ontwikkeling te komen. Aan het slot van voornoemde film zoeken de laatste overlevende kinderen hun weg door het verwoeste landschap, op zoek naar een onzekere toekomst. Mogelijk is het dat gevoel dat Herling op ‘The Letter’ probeert over te brengen.

Sommige artiesten weten goed hun naam uit te kiezen. Die past dan exact bij hun muziek. Deepchord is er zo een. Diep akkoord. Nu gebruikt de techno-man uit Detroit, die in het dagelijks leven Rod Modell heet, niet heel veel akkoorden, maar de klanken die hij gebruikt zijn diep. Heel diep. Van die bassen die je niet alleen hoort maar ook voelt. In voorgaand werk deed hij dat al, samen met Mike Schommer onder dezelfde naam, en nu doet hij hetzelfde in z’n uppie op zijn plaat ‘Sommer’. Modell gaat al een tijdje mee. Sinds midden jaren 1980 is hij bezig met produceren van electronica. Samen met Stephen Hitchell aka Soultek was hij Echospace. Nu gaat Modell alleen verder. En dat gaat best goed. Deepchord is vaak vergeleken met het Berlijnse Basic Channel. Geen vervelende vergelijking. Met ‘Sommer’ is Modell echter iets milder en wat minder stampend dan zijn Duitse collega’s. Net als voorloper van ‘Sommer’, ‘Hash-Bar Loops’ uit 2011, weet Modell de luisteraar mee te zuigen in zijn diepe klanken. En met de vele geluidjes in bijvoorbeeld het nummer ‘Spring Mist’, is dit een soort psychedelische techno trip. Drugs zijn overbodig; ook nuchter kun je hier op trippen. Best lang zelfs, want ‘Sommer’ duurt maar liefst een uur en elf minuten. Nummers op de plaat kabbelen fijn door naar de volgende track en daarmee heeft Modell een prachtig geheel heeft weten te breien. Maar ja, dat mag ook wel met 25 jaar ervaring.

Capitol K is het alter ego van de Engelse artiest Kristian Craig Robinson die eerder nog floreerde met organische IDM en folktronica op Planet Mu en tegenwoordig deel uit maakt van de rockgroep Archie Bronson Outfit. Robinson was altijd al goed in het vermengen van elektronische klanken met akoestische tonen en op ‘Andean Dub’ laat hij horen dat hij dit nog altijd niet verleerd is. Het album is voortgekomen uit een road trip van 7000 kilometer door Zuid-Amerika waar hij van Colombia naar het uiterste puntje van Argentinië reisde om naast muziek ook de speciale plekken van de Zuid-Amerikaanse literatuur uit de vroege twintigste eeuw te volgen. Onderweg verzamelde hij volksinstrumenten en veel cd-r’s op martktjes en ging op zoek naar lokale muzikanten om muziek mee te maken. Het resultaat is elf composities die een eigentijdse elektronische draai geven aan cumbia, psychedelische chicha cumbia en huaynos, volksmuziek uit de Andes. De composities lopen uiteen van stijlen en hij flirt zowel met dubstep (‘Yo Tarzán, Tú Jane’), als digitale dub (‘Cumbiatronic’, ‘Cumbia Millipedes’, ‘Zokkor U Popcorn’ en het titelnummer), 8-bit sferen (‘Huayno’ en ‘Cumbia Esqueletos’), folktronica (‘7th Charango’ en ‘Anita Y Caballos’) en industriële beats (‘White Steal’). De digitale dubcomposities behoren tot de sterksten van het album, naast de uitstapjes naar folky en 8-bit sferen en benaderen de moderne cumbia het beste. In zoverre dat dit album even goed gemaakt had kunnen zijn door een artiest van het smaakvolle Argentijnse ZZK label. Als westerling nieuwe Zuid-Amerikaanse muziek brengen die ook echt iets toevoegt aan de groeiende digitale scene op het zuidelijke halfrond: het zijn maar weinigen gegund en gegeven. De digitale cumbia laat ons maar niet los, het ritme zit stevig genesteld in het lichaam en de verslaving is nog lang niet over.

Met het uit Minneapolis afkomstige trio Buildings lijken de hoogdagen van labels als Amphetamine Reptile en Homestead plots terug. Inderdaad, noiserock is wat de band in onze maag splitst en ze doen dat helemaal niet onverdienstelijk. De baslijn in ‘I Don’t Love My Dog Anymore’ lijkt zo weggelopen uit een Jesus Lizard-nummer, al benadert de zang van Brian Lake nergens de krachttoer die David Yow wist neer te zetten. Erg vinden we dat niet, want we hebben altijd een boontje gehad voor dit soort muziek. Invloeden van Big Black (‘Mishaped Head’) zijn ontegensprekelijk, ook in de intonatie die zeker in dit nummer klinkt als Steve Albini. Bob Weston, ooit lid van Big Black, deed trouwens de mastering van de vinylversie, dus vreemd is het allemaal niet. En er zijn nog wel wat verwijzingen te maken naar glorieuze bands uit de hoogdagen van de noiserock. Geen probleem: de songs zijn goed, de intensiteit en gedrevenheid zit goed en Buildings verzinkt nergens in eenvormigheid. Het trio heeft de balans gevonden tussen stevig rockende deuntjes en noise, en door het schitterende werk van drummer Travis Kuhlman en op de plaat nog bassist Sayer Payne (inmiddels vervangen door Ryan Harding) die de soms chaotisch klinkende muziek toch gebald weten samen te houden, vervelen we ons geen seconde.

De afgelopen jaren maakte Kristine Lieberson deel uit van het indiebandje Here We Go Magic. Nadat ze het voor bekeken hield bij die band richtte ze samen met haar zussen Katherine en Lizzy, en vriendin Jane Herships, het synthpopbandje TEEN op. De meisjes houden duidelijk van jaren 1960 psychedelica en meisjesgroepen. Voor dit debuut doken ze in de studio met Peter Kember (Sonic Boom) van het legendarische Spacemen 3. Op bepaalde momenten klinkt de plaat als een lofi-versie van de girl groups die Phil Spector onder handen nam. Luister maar naar opener ‘Better’. Ze durven al eens uit te pakken met iets meer experimentele geluiden zoals in ‘Sleep Is Noise’. Dan weer klinken ze iets ingetogener zoals in het onderkoelde ‘Huh!’. Het titelnummer van de plaat is ook zo een lekker ingehouden song. Maar wel een eentje die ook een beetje het probleem van het album blootlegt. Altijd opnieuw is er die alles overheersende synthesizer. Het blijft allemaal toch net iets te beperkt om te blijven boeien. Maar het is al bij al minder problematisch dan bij haar vroegere werkgever. Dat bleef voor ons altijd een geval van net niet. Dit is eerder net wel. Kristine Lieberson is dus op de goede weg, durven we te denken.

Zeus is een rootsy rockband uit Toronto, Canada, die na zijn in die kringen heel erg gesmaakte debuut ‘Say Us’ nu op de proppen komt met een opvolger. Met zijn vieren zijn ze. Drummer Rob Drake is de enige die niet zingt, want de andere drie heren doen het uiterste best om synchroon, melodieus en harmonieus samen te zingen. Mike O’Brien, Carlin Nicholson en Neil Quin zijn daarenboven alle drie multi-instrumentalisten waardoor de klankkleur van de liedjes kan worden opengetrokken indien nodig. De muziek zelf is perfect voer voor de Amerikaanse radiostations die eens iets anders willen dan The Band, Matthew Sweet, Badfinger en meer van dit soort vergelijkbare seventiesrock. Let op: slecht is deze plaat niet. We keken zelfs even op bij ‘Strong Mind’ waarin een mooi stukje gitaar de hoofdmoot van de song uitmaakt. Hier en daar is er wat funk, blues of country te ontdekken, franjes die het geheel net iets boeiender maken. De zang klinkt mooi, de sound zit goed, de stadia kunnen worden gevuld maar ons hoofd knikt weinig mee. We zijn niet geboren voor dit soort rootsrock, hoe goed het ook is gedaan. Steely Dan denken we soms, net zo perfect maar net zo goed behang, al is het dan mooi behang. En voor Zeus zelf, de god dan, mag het allicht allemaal heel wat bombastischer.

Zijn het de uitgestrekte meren, de eindeloze sneeuw, het zes maanden durende gebrek aan zonlicht? Bij muziek uit Finland krijgen we vaak het unheimische gevoeld dat er iets niet helemaal in de haak is. Onderhuidse waanzin die in onbegrijpelijke vormen naar buiten breekt -zie de optredens van Circle, zich uit in folk die klinkt alsof de makers echt in elfjes geloven of leidt tot Pan(a)sonics soundtracks voor een mix van sneeuwblindheid en Stendhal-syndroom. Tomutonttu, het soloproject van Jan Anderzen, is geen uitzondering. Anderzen is aanvoerder van Kemialliset Ystävät, en lid van tal van andere ensembles, zoals Avarus, Tuusanuuskat en de band van Islaja. Geen van alle rechttoe rechtaan, en bij gebrek aan toereikende genreaanduidingen maakten we er ons in GC#100 maar vanaf door Kemialliset Ystävät als ‘weird folk’ te bestempelen. Op ‘Hylyt’ is daar nog wel vaag iets van te horen, maar de plaat is te gefragmenteerd om veilig onder een enkel genre te plaatsen. Het is een constant veranderende mix van geluidseffecten, flarden folk en lofi, tape-loops, dierengeluiden, vervormde stemmen, et cetera. Een psychedelische collage, die bij vlagen wel iets van Nurse With Wound op haar meest dadaïstisch heeft, maar tegelijk ook een onzinnige vriendelijkheid en de warmte van analoge geluiden en hergebruikte cassettebandjes. Alsof je al hallucinerend voor een oude beeldbuis zit te zappen tussen tien kanalen met alleen maar cartoons. Hoe is het met de paddenstoelenteelt in Finland?

Vorig jaar waren we diep teleurgesteld door ‘The Moonlight Butterfly’, de voorloper van dit album van The Sea And Cake. En echt veel zin hadden we ook al niet na ‘Old Punch Card’ het solo-uitstapje van frontman Sam Prekop. Dat was een hoop pretentieuze rommel. Vinden we nog altijd. Maar het moet gezegd dat de band, met ook John McEntire (Tortoise) in de rangen, zich op dit album serieus herpakt. Het blijft indierock met serieuze jazz -en andere experimentele invloeden. Maar een nummer als kortaangebonden ‘Skyscraper’ rockt gewoon aardig weg. En dat is toch een verademing na de moeilijkdoenerij op de vorige. Voor alle duidelijkheid: het mag voor ons wel degelijk soms wat moeilijker zijn, als het maar ergens naar toe gaat. En dat doet het ook op het ingehouden pareltje ‘Harbor Bridges’. Een simpele akoestische gitaar, hier en daar wat fijn gepruts in de achtergrond. Meer heeft een goede song soms echt niet nodig. We kennen nog wel een paar mensen die vroeger niet weg te slaan waren bij concerten van het ter ziele gegane Karate. Als we ze nog eens ontmoeten, zullen we niet nalaten deze nieuwe The Sea And Cake aan te raden. Zullen ze uitermate blij mee zijn. Net zoals wij, nu wij de band weer voorzichtig in de armen kunnen sluiten.

Met ‘Le Trièdre Fertile’ keren we terug in de tijd, meer bepaald naar 1975. In dat jaar nam de Fransman Pierre Schaeffer, grondlegger van de musique concrète, dit meesterwerk op. Peter Rehberg, labelbaas van Editions Mego, stofte het album af en geeft het een tweede kans op zijn nagelnieuwe sublabel ‘Recollection GRM’. ‘Le Trièdre Fertile’ was een van de laatste werken van Schaeffer, en eveneens zijn enige volledig elektronische plaat. Het album blijft dan ook met één been hangen in het experiment van de balsturige, abstracte geluidscollages (‘Plutôt Dynamique’), terwijl het andere voorzichtig aansluiting zoekt tot de prille elektronische scene die toentertijd ontstond rond een groep als Kraftwerk (‘Toccata et Fugue’). Schaeffer omschreef het album zelf als ‘een boodschap uit een nieuwe wereld’. Maar zelfs anno 2012 staan we nog veraf van de wereld waarin we deze beproevingen als alledaags ervaren. De benauwende afsluiter ‘Strette’, het equivalent van een nare angstdroom, had zo van de hand van een hedendaagse avant-gardeartiest kunnen komen. Mocht Schaeffer de huidige elektronische scene overschouwen en zien waartoe zijn experiment allemaal heeft geleid, zou hij zich wellicht omdraaien in zijn graf. De Fransman zou veeleer de studio induiken met Francisco López, Lawrence English of Sub Loam. Mocht u hem gelijk geven, schaf dan dit chef d’oeuvre aan. Al was het maar om te beseffen dat begrippen als ‘ruis’, ‘klankmanipulatie’ en ‘veldopnames’ geen eigentijdse modewoorden zijn, maar dat er veertig jaar geleden al volop mee geëxperimenteerd werd.

Groninger Ruud Slingerland is verknocht aan films en de bijbehorende filmische muziek. Zijn voorkeur gaat uit naar cinematografische sferen in de stijl van Sergio Leone en Ennio Morricone en dat is duidelijk terug te horen op de debuutplaat van Dia del Mercado, het ensemble dat onder leiding staat van Slingerland. Enkele jaren terug begon hij liedjes te schrijven en door de jaren heen verzamelde hij steeds meer muzikanten om zich heen om zijn verhalen (wat zijn liedjes inmiddels waren geworden) steeds verder in te kleuren en uit te diepen. Het resultaat is Seven Years of Dirt, dat vol staat met mooie en, inderdaad, filmische popliedjes. Slingerland voert het filmische niet alleen door in zijn muziek, maar ook in de songtitels, getuige nummers als ‘Opening Scene’ en ‘Western Slide – Closing Scene’, respectievelijk ook het eerste en het laatste nummer op de plaat. ‘Opening Scene’ doet wat dat betreft wat het belooft en opent de plaat direct met het neerzetten van een spaghetti-western-achtige sfeer. Wat volgt is een verzameling fijne liedjes in de trant van Caesar en Daryll-Ann, maar met veel Amerikaanse western en Zuid-Europese folkmuziek invloeden. De nummers getuigen stuk voor stuk van vakmanschap en zowel Slingerland als de voltallige bezetting moeten een compliment worden gemaakt. Toch bevinden zich er een aantal mindere momenten op deze plaat, bijvoorbeeld de nogal zeikerige kinderstemmetjes in “Grain of Sand” (waarbij we de neiging tot doorspoelen met moeite kunnen onderdrukken) en het gezapige “Town of Crumbling”. Daarentegen hebben de betere momenten de overhand, zoals de mooie melancholie in “Dance of Unanswered Longing” en het sterke “Fear of Flying”, dat wat ons betreft het beste nummer van het album is. Seven Years of Dirt is een met liefde gemaakt album, dat vol staat met gemoedelijke liedjes die getuigen van vakmanschap.

Op ‘Iron Triangle’ verbergt Hobo onopvallende hints aan zijn thuisbasis. Hobo heeft Canada al geruime in geruild voor Berlijn. Maar het heimwee zit dieper dan waarschijnlijk blijkt uit berichten aan het thuisfront. ‘Iron Triangle’ verwijst naar het ijzeren driehoekspunt tussen Canada en Amerika. Een plek waar de spoorwegen elkaar kruisen, de plek waar Boychuck alias Hobo opgroeide. In 2010 knaagde het gemis te fel en dook Hobo de studio in om twee jaar later met ‘Iron Triangle’ M-nus van een release te voorzien. Een blik op de landkaart vertelt dat dit gebied vlakbij de spookstad Detroit gelegen is. Het geluid van de treinen en van aan van de boeiendste technogebieden zorgt voor de inspiratie. De eerste tellen van opener ‘Blackwell’ is het gekraak van verloren rijdende goederenwagons, de machinale deining van de omgeving, het gefluister van de vergankelijkheid. Nadien schakelt Hobo over naar een combinatie van uptempo minimal en techhouse waar hij niet echt vernieuwend te werk gaat, maar wel op een onderhoudende manier je als luisteraar aan het dansen krijgt. Af en toe dropt hij het ritme, opteert hij voor een dieper en slomer geluid waarbij hij minder in het traditioneel vierkwartsmaatgericht klankenpallet blijft maar weigert de muziek nog steeds te beklijven. ‘Iron Triangle’ dwaalt onopvallend rond in het niemandsland dat het uitbeeldt. Hobo is dus niet de langverwachte tweede adem voor M-nus, ondanks knallers als ‘Omega Point’ en ‘Sundown’.

Oh My Darling is een Canadese meidengroep die een mengeling brengt van country, bluegrass, cajun en folk. Met zijn vieren zijn ze, en ze bespelen de banjo, de fiddle, gitaar en bas en zingen alle vier alsof hun leven ervan af hangt. Aan de basis van de instrumenten zouden we wel eens kunnen vermoeden dat er lustig zal worden geëxperimenteerd, maar dat is een foute redenering. De dames laten zich beïnvloeden door de francofone traditionele Canadese muziek, klassieke country en de oerfolk van de Appalachen. Toch streven ze ernaar om niet alleen maar liedjes uit de oude doos te coveren maar ook voor de dag te komen met originele, nieuwe nummers, die weliswaar diep zitten geworteld in het verleden. Daar getuigt ook de titel van hun twee volwaardige cd van: ‘Sweet Nostalgia’. Het is de opvolger voor het in country- en folkmiddens zeer goed ontvangen ‘In The Lonesome Hours’ uit 2010. Net als voor het debuut kozen de dames ervoor om niet eindeloos aan de songs te sleutelen maar zo dicht mogelijk het livegeluid te benaderen. Daarvoor trokken ze een week uit met Daniel Roy (drums en percussie) en Steve Dawson (gitaar, dobro, pedal steel). En dat deden ze in een hooischuur op het platteland van Roseisle, Manitoba in Canada, wat de authenticiteit nog meer verhoogt. Door de inventiviteit en creativiteit van de dames staat een eigen song als opener ‘Anna K’ (naar Anna Karenina van Tolstoi) absoluut niet haaks op bewerkte traditionals als bijvoorbeeld ‘Fly Around’ en het van extra tekst voorziene ‘Ma Belle’. Muzikale avonturiers hebben weinig te zoeken bij deze rootsplaat maar degenen onder u die een hedendaagse kwaliteitsvolle countryplaat weten te appreciëren, halen met Oh My Darling meteen het beste van het genre in huis.

Piano, accordion, Bb clarinet, alto clarinet, melodica, tenor saxophone, glockenspiel, cello, voice, acoustic guitar, electric bass guitar, clavinet and software. En allemaal bespeeld door een en dezelfde man: Gabriel Morley, die klassieke compositie studeerde in Californië, zich aanvankelijk wendde tot elektronische muziek en een autodidact is op een resem instrumenten. Na een paar releases die een eerder deconstructieve aanpak volgden, komt hij nu op een proppen met een verrassend werkstuk, ‘modern classical meets old-world Europe’, noemt hij het zelf. Alles aan ‘Perhaps…’ ademt dan ook weemoed, romantiek en onbestemd verlangen uit. Het is een album met een sterk filmische sfeer waar je je meteen beelden begint bij voor te stellen. Betraande gezichten naast beregende ramen, beduimelde foto’s uit de oude doos, contouren van eenzaten, rokerige cafés waar de pianist er nog eentje speelt terwijl de barman een laatste glas drinkt. Het is een en al galmende pianowalsjes en treurige klarinet- en accordeonpartijen dat de klok slaat, met hier en daar een vage klezmer- of zigeunerinslag, maar vooral erg veel melancholische melodieën. Meestal pakkend mooi in z’n puurheid en eenvoud, maar soms ook een beetje op het melige af. Mediterrane weemoed vol galm, volgestouwd met repetitieve figuren, achtergrondgebabbel en zelfs bestekgekletter, en een paar thema’s die terugkomen en zo de persoonlijke band met het werk nog eens aanhalen. Er is zelfs een versie van ‘My Own Home’ (uit ‘The Jungle Book’) die niet eens uit de toon valt. Topper is meteen ook het nummer dat wél het meeste afwijkt: ‘Roma Dance Party’, een repetitieve volksmelodie waarvoor hij verknipt applaus als ritmisch fundament gebruikt. De overheersende indruk zal er echter een zijn van onwezenlijk lanterfanten, droefheid en murmelend mijmeren. Kortom, de soundtrack voor wanneer de bomen hun bladeren weer verliezen. Nog even geduld.