GC #112

Op zoek naar de juiste balans. Holly Herndon krijgt hiervoor voorlopig hulp van haar muziekproffen aan de universiteit van Stanford. Nog wat notenbalken en boeken verzetten en Holly mag een PhD achter haar naam kleven. Even klopte ze er ook de letters deejay voor, maar dat is nog een overblijfsel van toen ze in Berlijn vertoefde. De stad heeft ze inmiddels de rug toegekeerd met alles wat ze daar leerde vastgespijkerd in haar achterhoofd. Het bruisende nachtleven maakte indruk en dat probeert ze te vertalen in ‘Movement’. Herndon heeft een bizarre mens-machinerelatie. Ze bestudeert het mogelijke en rekt alles naar het onmogelijke. Het is het uitgangspunt van afsluiter ‘Dilato’ waarvoor ze de bariton van Bruce Rameker verboog naar onmenselijke klanken. Het klinkt als een academische oefening, maar een die beklijft en ondergaan moet worden. Net zoals het witte geruis van ‘Terminal’ waarbij ze aanleunt bij de soundscapes van Ben Frost om dan, na het bruisende ‘Fade’, de machine in de mens te ontdekken. ‘Breathe’ is een oncomfortabele zucht waarin ternauwernood wordt ademgehaald en gezucht met een onverwachts en schel akkoord. Het is pure abstractie en ontmenselijking van de stem en zijn persoon. Op ‘Control And’ herhaalt ze de oefening. Maar de track tikt te snel af om on(be)grijpbaar opgemerkt te worden. De stem trekt haar aan, haar manipulaties stoten het af. ‘Movement’ wordt gedragen door een repetitieve trancelijn, krijgt dan een technobeat toegesmeten en twijfelt of het je de mond wil snoeren of laten dansen. Holly Herndon verliest je aandacht in haar korte tussenstukjes. Kleine elektronische proevertjes die het ongemak van de allereerste Raster-Noton-platen oproept, maar dan met een technovlek versmolten. ‘Movement’ – het album – is een vermoeiende luistertrip die je soms doet schreeuwen van verveling en dan weer murw slaat. Ongrijpbaar en immens verslavend.

Het discours waarmee Julia Kent en Barbara de Dominicis, als Parallel 41 (Par41lel), zichzelf in de media presenteren is spannend genoeg, met referenties aan Walter Benjamin, chimerisch-utopische wereldkaarten en akoestische aura’s. Chimerisch is het inderdaad: een uit incongruente delen opgemaakt wezen; noch vlees, noch vis – maar wel met een zekere mythische allure, en waarvan de som absoluut meer is dan de delen. Waar Kent, vanaf de contemplatieve hoogtes van het existentiële drama dat zij eigenlijk telkenmale opnieuw voorspeelt, met haar cello en enkele effectpedalen een statige, stemmige fundering legt gaat de Dominicis daar overheen met een gusto die zéér nabij, zeer intiem en zeker ook sensueel is (denk aan een condensatie van Patti Smith en AGF) – een welhaast exhibitionistische emotionele röntgenfoto, en met de nabijheid van een geest in de machine, een gedecorporealiseerde, hallucinante en psychoforme stem binnen in het hoofd, meer nabij dat de eigen slagader. De grap is natuurlijk dat er van de verschillende akoestische topi waar zo’n poespas om wordt gemaakt weinig tot niets waar te nemen zal zijn, alleen al vanwege het feit dat de vocalen en cello zelf al middels effectpedalen en (andere) digitale interventies zijn getransformeerd; dit deel van het promotiepraatje is dan ook het minst overtuigend. Wat blijft, is de melancholie van het postindustriële landschap dat het belangrijkste decor lijkt te vormen voor de improvisaties van Kent & de Dominicis, en dat mooi is vervat op de dvd van Davide Lonardi die – in een mooie box – samen met de cd komt. Een melancholie die vermoedelijk uit het leven is gegrepen, de weerslag van het traject van twee incomplete zielen die nu samen zijn gebonden in deze in muziek gedroomde wereld, voordat deze als spinrag, als een hoop herfstbladeren door de wind weer uiteen wordt geblazen.

A.R. Kane was eind jaren 1980 een vreemde eend in de bijt: twee dreads die amper konden spelen en in geen enkel hokje wensten te passen. Bij gebrek aan beter werden ze maar onder ‘shoegaze’ geschaard. Dat was gezien hun eerste single ook niet helemaal onterecht: ‘When You’re Sad’ is een en al feedback en sixties-melodieën. Maar na te hebben getekend bij 4AD Records, thuishaven van geestverwanten Cocteau Twins, wiens Robin Guthrie een aantal nummers zou produceren, vonden ze hun draai met de mooie, melancholische single ‘Lollita’. Zelf noemden ze het “dreampop” – een term die recentelijk in zwang is gekomen voor de kruisbestuiving van chillwave en shoegaze, mogelijk een verklaring voor de timing van deze release. Overstuurde gitaren voor melodie en textuur, drummachines en onherkenbare samples, dromerige zang en teksten, afgewisseld met heftige noise-uitbarstingen. Min of meer per ongeluk had het duo als de A en de R van M|A|R|R|S een monsterhit met ‘Pump Up The Volume’ (dat niet op deze verzamelaar staat), waarna ze met debuutalbum ‘69’ hun finest hour beleefden: een ongrijpbare verzameling van psychedelisch pop, dub, akoestische ballads, cello’s, vocalen die klinken alsof ze uit een betonnen kelder geschreeuwd worden (en me bij herbeluistering eigenlijk nog het meest aan Current 93 deden denken) en andere experimenten. Nog een aantal sterke singles volgen, maar in de tweede helft van hun carrière verdwijnen de scherpe randjes, en wordt de muziek glad en hol: koortjes, beleefde gitaarakkoorden, housey piano’s, gesampelde strijkers en blazers, faux rap, the lot, en na nog twee lp’s houdt de band in 1995 op te bestaan. Maar met de eerste disc van deze verzamelaar met alle singles wordt de herinnering aan de beginperiode van deze unieke band terecht levend gehouden.

Dan Snaith wilt niet alleen als Caribou op een podium staan. Ook deejay-sets geven behoort tot zijn kunnen. Geïnspireerd door de uren plaatjes draaien, kriebelde de house-prikkels en doopte hij zijn project Daphni. De eerste prikkels werden vorig jaar al met de singles ‘Ye Ye’ en ‘Ahora’ voorgesteld. Nu zijn beste maatje Four Tet ook niet langer vies is van de reguliere viervierde maat en beuken op hun btw-aangifte staat, brouwde Daphni er ‘Jiaolong’ omheen. Terwijl Four Tet toch nog dromen vasthoudt, kiest Dan Snaith voor een directe afro-discofunk aanpak en klinkt het alsof hij verder gaat dan daar waar LCD Soundsystem zich ooit durfde wagen. ‘Jiaolong’ klinkt aldus politiek correct en perfect passend bij de hypes des tijds. Eigenlijk is ‘Jiaolong’ trouwens niets meer dan een verzameling doorheen de jaren gespaarde tracks. En dat breekt aan de continuïteit zuur op. Tenzij hij de titel ‘compilatie’ op de plaat gekleefd had. Op ‘Ahora’ – een aardige onderhoudende track die op zondagmiddag lekker in de oren ligt – speelt hij leentje-buur bij James Holden. ‘Jiao’ is louter een collectie kosmische dwalingen die hij op ‘Long’ beter in balans weet te houden. ‘Spring’ houdt vast aan een heerlijke groove waarop Daphni dan weer met de pitchknop van zijn analoge synthesizer de boel komt verpesten. Dat ‘Yes I Know’ klinkt als een overbekende househit helpt hem ook niet verder. Hij weet wonderwel waar de dance-klepel hangt en kent al de truukjes van de foor, alleen maakt dat van ‘Jiaolong’ geen geweldige plaat. Het is doodgewoon een verzameling tracks waarmee hij pronken wilt. Je blanke neefje ook.

Molly Gene One Whoaman Band, Venus Fly Trap One Girl Band en Two Tears: het zijn drie uitzonderingen in een wereldje dat door mannen wordt gedomineerd. En dan hebben we het hier over onemanbands met een voorliefde voor blues, garage en lo-finoise. Reverend Beat-Man, Bob Log III, Scott H. Biram, Possessed By Paul James of de bekendere Seasick Steve: het zijn maar een paar namen die ons onmiddellijk voor de geest komen als het om de mannelijke equivalenten gaat. Aan de vrouwen kunnen we nu ook Becky Lee Walters toevoegen, die met haar Becky Lee And Drunkfoot een meer dan degelijke plaat heeft opgenomen. Als tiener belandde ze vanuit Arizona in Zwitserland. Ze deed een beetje van alles dat het licht niet mag zien tot ze een gitaar ter hand nam en begon op te treden. Dat doet ze sinds 2008 en dus werd het tijd voor een debuut. Een jaar heeft het geduurd, want ze was nooit tevreden, aldus Beatman himself. Het wachten en het vele werk levert wel iets op: elf prachtige, uit het leven gegrepen murder songs die over het chaotische leven van Becky Lee, al dan niet bijgekleurd, verhalen. Verraad, dood en lust vormen de hoofdingrediënten, en toch mishandelt Becky Lee haar gitaar, stem en primaire drums absoluut niet. Het lijkt wel engelengezang bovenop een meerkoppige band die tot in de kleinste details uitmuntend werd geproduceerd. We begrijpen Beatman meteen. Becky is geen vrouw om zonder handschoenen aan te pakken. Elk detail moest kloppen, de perfectie benaderen en als het ware de murder ballads van bijvoorbeeld Nick Cave de loef afsteken. En ze doet het nog ook. ‘Hello Black Halo’ klinkt als een voldragen werkstuk van een uitgebreide band en toch, slechts één dame heeft het volledige roer in handen. Pet af!

Iemand zin in een flauw afkooksel van Foo Fighters? Wij ook niet. Gelukkig voor de Noord-Ieren van Fighting With Wire zullen ze toch de nodige zieltjes winnen. Dave Grohl heeft namelijk aangekondigd zijn band voor onbepaalde tijd op non-actief te zetten. Hij deed dit eerder onverwacht tijdens een optreden waarin hij meldde dat die show meteen de laatste was voor misschien wel een hele lange tijd. En dan zijn er misschien wel mensen die een band die heel erg lijkt op Foo Fighters, als het over hun liedjes gaat tenminste, weten te waarderen en die dit album in huis zullen halen. Niet dat de Ieren deze timing hadden gepland. Het album, hun tweede, was namelijk al klaar om uit te brengen in 2008, maar door allerlei strubbelingen met hun label (Atlantic), kwam het er maar niet van. Weg van het label en na veel gedoe is de plaat er uiteindelijk toch. Positief is zeker dat de songs niet gedateerd klinken, of toch niet meer dan ze in 2008 zouden hebben gedaan. De band is zwaar beïnvloed door de stevigere rock van de jaren 1990 en uit die voorliefde van begin tot eind. De vergelijking met Grohls bende gaat trouwens nog een stapje verder: Nick Raskulinecz draaide aan de knopjes, en die deed dat eerder niet alleen voor Deftones en Alice In Chains, maar ook voor Foo Fighters zelf. Stadionrock is het uiteindelijke resultaat met songs die vlot mee te zingen zijn, melodieus klinken en misschien zelfs hier en daar in de hitparade kunnen opduiken. Veel variatie zit er niet in. Elf onderling inwisselbare rocksongs op één schijfje, het zal voor veel festivalgangers ruimschoots voldoende zijn als lokkertje.

Begin dit jaar was er bij het Kranky label grote verbazing toen Jessica Bailiff met verse opnames op de proppen kwam voor een proefluisterbeurt, terwijl niemand wist dat ze bezig was aan een nieuw album na haar tournee als bandlid van Boduf Songs. Een werk in uitvoering kan soms maar beter verzwegen worden om de verwachtingen spontaan te houden. Bij Kranky waren ze direct in de zevende hemel en zo is dit al haar zevende album na een mooie tussenpassage op het Belgisch/Gentse Morc label. Al in de traag glooiende openingssong ‘Your Ghost Is Not Enough’ pakt ze onze ziel in met een warme gloed en we zijn mee. In de tweede song ‘Take Me To The Sun’ lijkt het even of ze zich bekeerd heeft naar shoegaze rock met een toegankelijk randje van pop, om zich daarna gelukkig weer te herpakken met haar gekende intieme stijl van uitgesponnen drones en songwritersferen. In het orgelgedreven ‘Sanguine’ dwaalt de geest van Fursaxa rond met grommende gitaren. Een brommende cellodrone zorgt in ‘If You Say It’ voor een beladen sfeer waarop Bailiff haar serene stem laat voortglijden; en het sublieme ‘Violets & Roses’ behelpt zich met een uiterst intieme sfeer gevormd door stem, orgel en glooiende cello. Alle instrumenten zijn beladen met delay en gonzen stevig door in haar speciale geluid van verduisterde shoegazedrones en intieme wiegeliedjes. In ‘Good Night’ lijkt het alsof ze een occulte mis aan het leiden is waarbij Julia Holter niet ver te zoeken is. Meer shoegaze volgt in het spookachtige ‘Slowly’ en de melancholische afsluiter ‘Firefly’. Het album is overigens afgewerkt door Odd Nosdam van Anticon faam. Dit is een album dat perfect past bij de herfst en de nakende winter, een tijd van donkere geborgenheid en nood aan warmte.

Opener ‘Lyin’ In The Road’ begint met een stapel riffs die net niet van Jimi Hendrix zijn en daarmee zet dit kwartet uit Oakland, Californië meteen de toon. Onversneden heavy rock’n’roll die met liefde en plezier achterom kijkt maar toch niet stil is blijven staan in dat glorieuze verleden. Gitarist Graham Clise, met een verleden in punkband Annihilation Time, steekt niet onder stoelen of banken dat hij een grote fan is van Led Zeppelin, Black Sabbath, maar tevens Black Flag en The Ramones tot zijn favorieten rekent. Repeteren deden ze vooral in hetzelfde krocht waar High On Fire en Drunk Horse het deden, en ook deze twee bands zijn van grote invloed op Lecherous Gaze. Met een nieuwe frontman, Lakis Panagiotopulos, in de gelederen, die heel erg lijkt of Jeff Clayton (Antiseen), hebben ze er een brulboei van formaat bij die met zijn soulvolle maar toch ruige stem perfect in het plaatje past. Niet zo heftig als Antiseen, minder ‘fuck you’ maar meer ‘love you’ laat de band ook flink wat psychedelica van het hardere soort toe. ‘War Woman’ klinkt als een mix van Iggy Pop en Chuck Berry in een jaren 1970 hardrockjasje en klinkt toch absoluut niet oubollig. Allicht door de eerlijkheid en de grote liefde voor harde rockmuziek maakt deze band van zijn debuut, waar ze drie jaar van hun tijd in investeerden, een rockplaat die we met plezier door de boxen jagen, zelfs al horen we geen noot vernieuwing. Recyclage kan net zo leuk zijn, als het op een goeie manier gebeurt zoals op ‘On the Skids’.

De mainstream indierock van de afgelopen jaren kan voor een buitenstaander nogal een anonieme verzameling meer van hetzelfde zijn, maar zelfs in de oninteressantste bandjes duikt wel eens een kleurrijk bandlid op. Zo kan Interpol ons gestolen worden, maar vonden we ex-bassist Carol D wel een intrigerend figuur. En The Hold Steady irriteert behoorlijk met hun platte rock, maar ex-toetsenist Franz Nicolay trok toch onze aandacht, met zijn gewaxte snor en aanstekelijke enthousiasme. Nicolay was altijd al een drukke muzikant, die naast The Hold Steady nog in talloze bands zat, van punkband Against Me! tot klezmercollectief Guignol. Hij houdt er zelfs nog wat multimedia-kunstprojecten én een schrijverscarrière op na. Van zo iemand hoop je dan dat ie met een krankzinnige, veel te ambitieuze soloplaat komt. En ja hoor, ‘Do The Struggle’ is er zo een. Zijn derde zelfs al. De plaat staat vol woordenrijke stadiumfolk, waarin de melodieën van The Pogues, de bravoure van The Smiths en de bombast van Arcade Fire en Bruce Springsteen samenkomen. Met om onduidelijke redenen tien ultrakorte intermezzo’s er doorheen van de hand van hiphopproducer Oktopus uit het Dälek-collectief. Nicolay toont zich een uiterst charismatisch figuur, die in de enorme lappen tekst sterke drankverhalen opdist, gepaard aan semipoëtische vondsten en pseudomystiek. Subtiel is het allemaal niet, maar Nicolay doet het zo goed dat hij ermee weg komt. Wanneer hij aan het einde van ‘Frankie Stubbs’ Tears’ niet alleen met een Coldplay-achtig ‘ooh’-refrein komt, maar dat refrein dan ook nog eens voor de tweede helft moduleert (!), heeft hij ons ingepakt. Nicolay is de straatmuzikant die onze laatste munten krijgt en een enorme glimlach op ons gezicht tovert waar we de rest van de dag mee doorkomen.

‘All songs written by my wounded inner child in Winter, 2011’, vermeldt Kid606 op de binnenhoes van ‘Lost In The Game’. Mijn respect daarvoor. Gevoeligheid en kwetsbaarheid: hoe vaak zijn ze inderdaad niet slachtoffer of speelbal van ruwhartigheid, onbegrip, onnadenkendheid. Van holle woorden, gebrek aan bewustzijn of inlevingsvermogen. ‘Lost In The Game’ legde ik dan ook met aandacht onder de laser. Kids tiende album steekt van wal met het grappig getitelde ‘Godspeed You African American Emperor’. Gruizig, gedrenkt in gedoseerde melancholie, lijkt het nummer een nieuwe richting voor Miguel De Pedro in te luiden. Weg van een spervuur van versplinterde beats, los van synthetische agressie. ‘Gimme Summer’ koppelt wel nog snedige percussie aan melodische keyboards, ‘New Boss Same As Old Boss’ capteert nog helderder echo’s uit 606’s muzikale verleden. Vaker, halfweg, klinkt de plaat -gecompileerd na een moeilijk jaar- ingetogener, wat duisterder. Heel duidelijk drukt het stempel zich verder niet af van deze plaat. Dat is het probleem ook wel een beetje: ‘Lost In The Game’ klinkt vooral als een twijfelende blik op een muzikale routekaart. Uniek is Kid606 ook niet in z’n elektronica: er is echt wel beters in de sector, denk maar aan Boards Of Canada, The Other People Place, Future Beat Alliance. Tracktitels als ‘Step Into The Light You Fucking Idiot’ en ‘I Need To Start A Cult’ klinken strijdbaar, de muziek op deze overigens sampleloze plaat is dat veel minder. Hoe dan ook, zich nodeloos half verontschuldigend belooft Kid606 een minder donker vervolg.

Het leven neemt soms vreemde wendingen. Na de tournee die volgde op de plaat ‘Go Go Boots’ uit 2011 besloot Drive By Tuckers een rustpauze in te lassen. Het was even genoeg geweest, er was tijd nodig om even op adem te komen, uit te blazen, te verwerken. Bij Patterson Hood, de frontman van Drive By Tuckers, ging het allemaal een beetje verder en dieper. Hij besloot een boek te schrijven, dat zou handelen over een periode uit zijn leven toen alles misliep. Zijn band splitte, hij verhuisde, zijn wagen werd gestolen, onmin met zijn toekomstige schoonfamilie kostte hem zijn lief en de man zat dicht bij het plegen van zelfmoord. Stof tot nadenken en zeker voldoende stof om er een lijvige literaire roman aan te wijden. Initieel ging dit uitermate vlot. Hoofdstuk na hoofdstuk werd als zeer bevredigend ervaren en het idee om elk hoofdstuk te beëindigen met een liedje, verliep gesmeerd. En toch, plots kwamen er alleen maar liedjes en slaagde Patterson er niet in om zijn toekomstige roman af te werken. Zijn metier is dan ook het schrijven van pakkende liedjes, dus besloot de man om de drang zijn gang te laten gaan en in onze handen houden we het resultaat vast van dit met kronkels bezaaide proces. De gebeurtenissen waarover Patterson het wilde hebben, liggen zo’n twintig jaar achter hem en hij besloot een aantal songs die verwijzen naar die tijd af te wisselen met songs die handelen over zaken die dichter bij vandaag te situeren vallen. Daarmee is de opvolger voor ‘Murdering Oscar (And Other Love Songs)’ uit 2009 heel divers van aard. Zijn krakerige stem is uiteraard heel herkenbaar en een resem gasten zorgt mee voor muzikale variatie. Will Johnson en Scott Danbom van Centromatic, zijn vader op bas, de leden van Drive By Tuckers, Kelly Hogan voor de vrouwelijke zang en ook producer David Barbe staken een handje toe. ’12.01’ gaat over een zwarte dag waarop hij hopeloos op zoek was naar drank, terwijl bijvoorbeeld ‘Leaving Time’ behoorlijk vrolijk klinkt, met banjo en fiddle erbij. ‘Untold Pretties’ doet ons, door het parlando, wat denken aan Dogbowl, terwijl ‘Better Of Without’ een aardig eind wegrockt. In de song ‘Come Back Little Star’ eert hij zijn overleden vriend Vic Chesnutt en zo heeft elke song wel een boeiend verhaal te vertellen, al dan niet triest. Patterson Hood weet zijn eigen persoonlijke lief en leed in verslavende liedjes te gieten en daar zijn wij best blij mee, zelfs als het onderwerp of verhaal intriest is.

Twee wolven kijken hongerig naar hun prooi. Die prooi, dat zijn wij: de luisteraars van de nieuwe plaat van Sam Barker en Andreas Baumecker, ‘Transsektorial’ die verschijnt op het Berghainlabel OstGut. Gretig zijn de wolven die de albumhoes sieren, net als dit Berlijnse danceduo. Dit mag dan misschien het eerste album van het tweetal zijn, ze zijn zeker geen vreemde in de donkere clubscene. Andreas Baumecker draait al zo’n twintig jaar mee in de Duitse dancescene. Hij leerde het vak in de Ata’s Wild Pitch Club. Nu is Baumecker boeker en resident-dj in Berghain. Sam Barker organiseert party-avonden onder de naam Leisure System, die ook wel eens plaatsvinden in de oude fabriek. Tussendoor brengt hij ook nog wel eens platen uit onder de naam Voltek. Twee krachten bundelen, dat is het idee van Barker en Baumecker. Detroit techno, (witch)house en dance, het werkt goed op hun album ‘Transsektorial’. Zo’n plaat die het ene moment voelt als een betonnen plaat tegen je harses, en even later de soundtrack zou kunnen zijn van de terugweg na een avondje flink stappen. We worden dan ook behoorlijk heen en weer geslingerd op ‘Transsektorial’. Van beuknummer ‘Schlang Bang’ met bassen die Berghain op zijn metalen grondvesten laat trillen, tot chilltrack ‘Tranq’, die ook prima in een Hollandse huiskamer tot z’n recht komt. Zo weten Barker en Baumecker hun prooi te overmeesteren, of deze nu een rustige thuisluisteraar is of een wilde machine die het liefste zijn dagen slijt in de donkere clubkrochten die Berlijn rijk is.

Met een release op het label van Neurosis moet voor Amenra ongetwijfeld een jongensdroom zijn uitgekomen. Bovendien brult Scott Kelly mee op ‘Nowena I 9.10’ en wisten ze niemand minder dan Billy Anderson als producer aan boord te hijsen. Dat deze Amerikaan in het verleden onder meer werkte met veelzeggende kanonnen als Fantômas, Swans, Black Cobra, Sleep, Melvins, EyeHateGod én Neurosis moet het voor deze West-Vlaamse band nog onwezenlijker hebben gemaakt. Volstrekt verdiend want met hun hypnotiserende mix van sludge, doom en post-hardcore plus memorabele liveshows bewijst Amenra al sinds 1999 dat ze meedraaien op mondiaal topniveau. Ondanks al deze adelbrieven blijft op ‘Mass V’ alles grotendeels bij het oude. Verwacht dus geen noemenswaardige veranderingen. Noch in geluid, noch qua composities, noch qua modus operandi. Wat Amenra doet, is hun succesformule consolideren. Dat is goed nieuws voor wie zweert bij hun manier van werken, maar mogelijk teleurstellend voor wie op zoek is naar vernieuwing of een uitweg uit een genre dat stilaan wat overbevolkt is.

Keimpe Koldijk en Michiel Klein (samen met Wouter Venema, die de visuele en grafische kant van de zaak behartigt, maar ook zelf muzikale wortels heeft) vormen – individueel en samen – de spil van ongeveer 90% van de (Noord)hollandse muziekscene. Ontstaan op een “keerpunt in hun leven” staat daar nu het cryptisch genaamde Mike Koldin, waarvan eind 2011 de eerste release op het Samling! label werd uitgebracht (als cassette in een micro-editie van vijfentwintig – gelukkig, samen met alle andere uitgaven van Mike Koldin op Bandcamp te beluisteren). ‘OT301’, alweer de derde uitgave in minder dan een jaar, is de naam van de locatie waar de muziek – net als de eerdere uitgaven, live – is opgenomen. De cd komt in een boekwerk op A5-formaat met afbeeldingen van mensen, die, verstold, zweven in lucht of drijven in (sterk) water – iconisch voor het ‘oceanische’ gevoel dat met ambient geassocieerd wordt. Een aquatische associatie kan hier op verschillende wijze worden ingevuld – bijvoorbeeld plastisch-pictoriaal, waarbij de track kan worden beluisterd als het geluid van een onderzeeboot, die steeds dieper doordringt in een zingend onderwaterwoud waar de slachtoffers van de Sirenen hun toevlucht hebben gevonden (om maar iets te noemen). Die zwevende figuren kunnen ook symbool staan voor de bodemloze ontstaansgrond van de muziek; want deze ambiance komt vanuit improvisatie tot stand. In laatste instantie echter is de muziek te warm en emotioneel, en zijn de beelden te evocatief om louter programmatisch, éénduidig te verklaren. Ook de gezochte samenhang met het visuele aspect, dat bij de uitvoering van deze muziek een belangrijke rol speelde, nodigt uit tot een meer ‘poëtische’ apperceptie. Die afbeeldingen lijken bij nadere beschouwing ook van zomerse taferelen te kunnen zijn. En zijn die figuren nou voetballers??

Het huwelijk tussen elektronica en klassiek waar het IJslandse Bedroom Community-label nu al zes jaar goede sier mee maakt is zo consistent van kwaliteit, dat we hun typische geluid zo langzamerhand onwillekeurig met IJsland identificeren. We meenden dan ook een redelijk idee te hebben wat we konden verwachten van nieuwkomer Paul Corley – eenzame piano’s, larmoyante strijkers, zacht krakende laptops – en dat blijkt redelijk te kloppen; de strijkers ontbreken, maar in plaats daarvan is er een minstens zo eenzame gitaar (bespeeld door Ben Frost). Corley, die al sinds 2007 als opnametechnicus deel uit maakt van het collectief rond het label, schetst er vier lange, verstilde nummers mee. De piano is het dominante instrument, maar de elektronische geluiden en effecten zijn sterk bepalend voor het hele beeld. Enerzijds gaat er een behaaglijk warmte uit van de spaarzame, gedempte pianotonen, en de zacht knisperende elektronica, die soms het idee van een haardvuur oproept; tegelijk contrasteert Corley dat veilige gevoel met nerveus getingel, onbestemde drones en vervreemdende geluiden, deels ontleend aan opnamen van paranormale fenomenen. Die tegenstelling maakt dat de muziek een zekere spanning houdt, en dat we een van de tracks terugvonden in een playlist met de titel “15 Easy Music For Comas” die Tim Hecker voor The Wire maakte is dan ook overdreven. Tegelijk is het wel muziek die soms zo aan elkaar lijkt te hangen van incidentele klanken, dat ze de volle aandacht vereist om haar goed te kunnen waarderen. Voor liefhebbers van Peter Broderick, Nils Frahm et cetera.

Het is weer herfst, dus een en al vergankelijkheid wat de klok slaat. De schoonheid van verval waait je als prachtig gekleurde dode bladeren in het gezicht en de verkoelende wind blaast je van je fiets af. Daar hoort een soundtrack bij die de treurnis nog een beetje esthetiseert en romantiseert. Tonefloat brengt ons dit jaar daarvoor Still Light, een wisselend, internationaal gezelschap rond singer-songwriter Kirill Nikolai. Hun tweede plaat ‘Rosarium’ weegt zwaar. Het is een door en door sombere verzameling trage songs in de traditie van Low, Smog en Red House Painters, vol zware cello- en orgelpartijen en zachte fluisterzang. De band neemt de tijd; slechts zeven nummers passeren in 47 minuten. Helaas heeft met name frontman Nikolai net te weinig persoonlijkheid om de lange duur van de nummers te rechtvaardigen. Zijn stem is te pathetisch en toch nietszeggend, en zo grijpt de plaat vrijwel nergens naar de strot. Eigenlijk gebeurt dat alleen aan het einde van ‘The Cross Of Snow’, wanneer gastzangeres Carol Anne McGowan opduikt voor een kippenvel opwekkende partij. Nikolai is een uitstekende producer, maar zijn liedjes missen een hart en een persoonlijkheid die je de muziek in sleuren. Zonder dat houden we de regen helaas niet tegen.

Het Indigenous Resistance label is een netwerk van dubactivisten met leden en ex-leden van Asian Dub Foundation, DJ Watts Riot, Adrian Sherwood en de dubtechno heren van Underground Resistance. Dubmuziek met een politieke boodschap verbinden is hun hoogste doel. De focus van elke release ligt op politieke activisten van kleine ethnische groepen en inheemse stammen op deze planeet die bedreigd worden door corrupte politici, geldzuchtige indringers en multinationals. Op de ‘Free Dub’ ep staan de rechten voor inheemse indianen in Noord- en Zuid-Amerika centraal. In de opener ‘Warrior Dub’ horen we mooie inheemse samenzang en volksritmes van de Amerikaanse Eagleheart Singers op een stevige dubriedel als een oorlogsdans voor de eigen rechten. De tweede track ‘At Least American Indian People Know Exactly How They Have Been Fucked Around’ spreekt klare taal en is gemixed door Mad Professor, met vocal samples van Chuck D (Public Enemy) tot dub met gemoedelijke bluesharmonica en dubbele trommelslagen. De derde en laatste track, ‘Knocking Out Powerlines/Krikati’ van Dr Das, Mad Mike Banks (UR) en de inheemse Krikati stam van Brazilië, geremixed door Dub Gabriel, is een donkere dubtrack met etnische invloeden en elektrische effecten. Geen clichématige dancehall teksten over geld, vrouwen en status in deze drie sterke tracks, maar een goede politieke boodschap die gratis te downloaden is via onderstaande link. Verspreid deze vrije dub als een lopend vuurtje voor uw inheemse medemens. Iedereen kan een activist zijn, ook vanachter de computer.

Multi-instrumentalist Oren Ambarchi en componist/beeldend kunstenaar Robin Fox zijn op ‘Connected’ een samenwerking aangegaan. Op de cd staan vijf stukken die zijn geschreven voor het Australische dansgezelschap Chunky Move. Ambarchi speelt voornamelijk gitaar maar het instrument als zodanig is niet altijd even herkenbaar. Zijn gitaarspel wordt ondergedompeld in een laag elektronica die Fox er als een klankdeken overheen legt. Dat resulteert in het stuk ‘Connected’ in een constante oscillatie van de klank. Beide muzikanten zijn in dit stuk verantwoordelijk voor een laag gestemd slagwerk, voornamelijk bellen en klankschalen. Elke aanslag van het slagwerk verandert miniem het oscillerende ritme, er ontstaan constant subtiele verschillen in de beweging van de muziek.
Waar Ambarchi’s gitaarspel wel herkenbaar is doet de muziek denken aan het werk van Fennesz. Ingetogen muziek waar weinig in lijkt te gebeuren en waar je rustig in weg kan zakken. Ondanks dat de muziek vrij statisch is zijn er op ‘Connected’ genoeg momenten die naar een climax toewerken. Het stuk ‘Standing Mandala’ mondt in een kleine negen minuten, met een zeer minimale variatie van een paar tonen op een obstinaat ritme, uit in een climax door eenvoudigweg in volume toe te nemen.
De combinatie van Ambarchi en Fox levert een welluidende cd op die nooit verveeld. Of je zakt rustig weg terwijl je focus bij iets compleet anders ligt – zeg, de afwas of een boek – of je luistert en ontdekt een gedetailleerde klankwereld vol subtiliteit.

De dystopische beatfabriek van Tri Angle blijft doorratelen met wederom een nieuwe telg aan het firmament: Vessel uit Bristol. Tri Angle-adepten kunnen zich weer handenwrijvend verwarmen aan de screwed beats en futuristische dansmuziek van de jonge producer die – anders dan zijn meeste labelgenoten – meer speelt met techno dan met hiphop en dubstep. En toch liggen de verschillen niet ver uit elkaar, zoals de wetten van de losgeslagen vermenging van dit moment voorschrijven. Vessel beweegt zich ook langs dub, synthpop en IDM, zonder dat het klinkt als een bijeengeraapt allegaartje, een kwaliteit die bijna alle platen op Tri Angle bezitten. Wat loom en traag begint, ontaard langzaam in een industriële smeltkroes. Chopped techno met veel sfeer, scheve bassen en slow motion synths waarbij al snel referenties opdoemen als Andy Stott en Shed, maar ook Autechre is niet ver weg, alleen dan uit elkaar getrokken tot een lome brij. ‘Order Of Noise’ verwijst naar de theorie van de cyberneticus Heinz von Foerster: verstoringen in een zelfsturend systeem tillen het geheel tot een hoger niveau. En zo is het maar net, zal beatprofessor Vessel hebben gedacht.