GC #113

Ritmiek is de sleutel op deze ep van Emptyset, het project van James Ginzburg en Paul Purgas, hun eerste plaat voor Raster-Noton. Ritmiek, en onderzoek naar de kwaliteiten van het concept ruis. Dat klinkt nogal academisch, en dat is het ook. De directe link die de meeste andere Raster-Noton-artiesten als Byetone en Alva Noto met techno hebben, ontbreekt hier, en het ritme lijkt geprogrammeerd volgens een wiskundige formule. Maar minimaal is het wel, en ook zwaar. De kick-drums klinken alsof er iemand een kussen tegen je oor slaat, meer luchtverplaatsing en impact dan klank. Zo nu en dan wil je haast terugdeinzen voor de volgende doffe dreun. Het laag is in permanente staat van oversturing, het hoog wordt beheerst door stoten witte ruis. De naam ‘Collapsed’ lijkt niet geheel willekeurig gekozen, want naar mate de single vordert verliezen de strakke beats langzaam cohesie, en begint de witte ruis steed erger buiten de lijntjes te bloeden.

Er wordt regelmatig gezegd dat luisteren naar albums met groeps-impro alleen zin heeft als je het ensemble ook werkelijk in actie hebt gezien. Dan kun je je enige voorstelling maken bij wat je hoort. In hoeverre dat ook voor het Peter Brötzmann Chicago Tentet geldt weet ik niet, juist omdat ik ze diverse keren live heb gehoord en gezien. Het tentet bestaat inmiddels veertien jaar en speelt inmiddels 100% groepsimprovisatie. Spannend, maar als je elkaar zo goed kent ligt voorspelbaarheid op de loer. ‘Als het zover is stop ik met het Tentet’ zei Brötzmann onlangs nog in The Wire.
Voorlopig hoeft hij daar nog niet bang voor te zijn – al roepen oppervlakkige luisteraars misschien dat het allemaal dezelfde bak vormeloze herrie is. Feit is wel dat je de mannen – want machomannen zijn het zeker! – muzikaal behoorlijk goed moet kennen om de saxen van rietreuzen Brötzmann, Ken Vandermark, Mats Gustafsson en Joe McPhie uit elkaar te houden, om van de twee slagwerkers en het tromboneduo nog maar te zwijgen. Deze in Brötzmanns woonplaats Wuppertal opgenomen dubbelcd met drie lange tracks laat vooralsnog voldoende interessants horen.
Neem alleen al het een hele cd vullende openingsstuk ‘…To Walk In’. Dat beging met alleen blazers die bijna letterlijk ‘stoom afblazen’. Ieder voor zich, lijkt het. Maar dan opeens, na een minuut of zeven, vinden ze elkaar in het ritme en raken ze samen, in dezelfde galop, op drift. Plotseling houdt iedereen in en begint het echte luisteren naar elkaar en sluit de ene na de andere muzikant zich weer aan, totdat het bijna een ‘gewoon’ bigband stuk wordt. Vanaf dat moment blijft het ‘hecht’, ook als de muzikale woestenij weer wordt opgezocht. Een muzikaal avontuur dat zich in de volgende twee stukken herhaalt. Maar dan weer volstrekt anders.

‘Last of the Dead Hot Lovers’ is een zeer verontrustend album. Vanaf de eerste minuut vertelt Oxbow zanger Eugene S. Robinson het verhaal van een gemankeerde relatie. Tegelijkertijd hoor je kreten van Kasia Meow en de muziek van Philippe Petit. Het doet sterk denken aan Nick Cave die zijn boek ‘And the Ass Say the Angel’ voorleest, maar dan op de muziek van David Lynch’ filmcomponist Angelo Badalementi. De gehele tijd zit er een onoplosbare spanning in de muziek, het klinkt rustig maar ongemakkelijk. Uit het niets kunnen onverwachte geluiden je de stuipen op het lijf jagen, zeker wanneer Meow een ijzingwekkende gil uit haar strot weet te persen. Op de cd staan twee stukken, die beide verhalen over de liefde en de dood. Dat het mis is gegaan in de relatie tussen twee ongespecificeerde personages is duidelijk, maar waar en hoe wordt niet verteld. En dat maakt het narratief des te ongrijpbaarder en onaangenaam. Soms zijn de teksten vrij pathetisch en clichématig: ‘Do you believe in life after love? Me neither’; op andere momenten, ‘We created this bastard named “Us” and it was a child of rape and desperation’, pijnlijk direct.
‘Last Of The Dead Hot Lovers’ is eerder een hoorspel dan een stuk muziek, waarbij het er sterk op lijkt dat Robinson en Philippe Petit er enkel op uit zijn de luisteraar te overladen met ongemak. Wie zin heeft in een avond verontrusting en onopgeloste spanning, zoals Lynch dat zo goed kan in zijn films, moet dit album zeker beluisteren.

Meer donkere materie in het immer uitdijende noise-universum rond de (ex-)leden van Wolf Eyes. Mike Connelly verving Aaron Dilloway toen die het moederschip in 2005 verliet, maar is daarnaast ook nog steeds actief in Hair Police en een sloot andere bands. En als Failing Lights, onder welke naam Connelly al tientallen albums, cassettes en singles uitbracht. Veelal vol hels kabaal, maar net zoals de directe voorganger ‘Afternoon Summer Sex’, is ‘Dawn Undefeated’ naar verhouding uiterst ingehouden. Op het openingnummer horen we synthetische tonen die harmonieus proberen te zijn, maar steeds aan elkaar ontsnappen en afdrijven naar dissonantie. Het wil wel uit de klauwen lopen, en gezien wie de maker is weten dat dat ook zo kan gebeuren, maar toch blijven echte uitbarstingen uit. Een dwalende piano die langzaam vervormt, gekraak en geratel van wat klinkt als insecten, heftig gesis, gedempt gitaargetokkel. Alles speelt onbestemde, gevonden noten, die redelijk in balans blijven, maar de ingehouden wil om vreselijk naar te doen is steeds voelbaar, tot de laatste klank is weggestorven. Oncomfortabel, en dat zal ook zeker de bedoeling zijn.

Grauw, grijs, geladen met treurnis, neerslachtigheid en weemoed; de hoes van ‘Ark’, vertelt in een oogopslag het gehele verhaal van het debuut van de Britse producer Halls. Een eenzame bloemstuk in zwart, grijs en wit en verder niets. Niets en toch een heel verhaal van vergankelijkheid, ellende en pijn dat er achter schuilt. Een kunst die Sam Howard – de naam die in het geboortecertificaat staat – ook beheerst, een verhaal vertellen met dat wat er niet is. Stilte, hooguit galm en echo, ‘Ark’ kenmerkt zich door een enorm open geluid, waarin alle ruimte wordt gelaten voor het uitsterven van klanken. Net als James Blake en Jamie Woon gebruikt hij elementen uit de dubstep om zijn liedjes uiteen te zetten. Dubstep en kerkmuziek, synthpop in een lo-fi aanpak; ruis is een basiselement van het geluid op ‘Ark’. Meeste nummers worden uitgewerkt op piano of op een diep zoemend orgel met daarover heen de bolronde bassen in combinatie met krakende clicks en clacks. Pijnlijk traag en pijnlijk leeg in de uitvoering komt ‘Ark’ met elke keer draaien net een beetje harder binnen. De Brit weet in een paar kleine streken drukkende depressie in overweldigende pracht om te zetten. Zo bestaat ‘White Chalk’, een van de vele hoogtepunten, voor tachtig procent uit kerkgalm, piano, percussie, verdwaalde voetstappen en het ingezette koor tot het uiterste uitrekkende. Een methode die over de hele plaat wordt doorgetrokken, maar nergens gaat vervelen. Vooral het gebruik van de ruimte, het geregeld terugkeren van kerkklokken, voetstappen en ander omgevingsgeluid geven juist een zekere sacrale sfeer aan de desolate dubstep op ‘Ark’. Een sfeer waaraan het nauwelijks ontkomen is op een indrukwekkend debuut.

Geen minuut ver en je weet het al: Franz Kirmann en Tom Hodge hebben geoefende vingers. Gevoel voor diepgang ook, en experiment. De zon priemt al snel door de wolken bij de stevig in de strijkers opgaande piano in ‘You Don’t Love Me Yet’. Dat typeert deze plaat: het ene moment in divertimento gevat, het volgende weer treurig het hoofd buigend over de viool. Dat patroon zet zich vanaf het openingsnummer door, maar krijgt rijk gevarieerde invulling. Net als ‘Hobi’, dat eerst vrolijk stampei maakt, om dan met strijkers de ruimte op te zoeken. Toch mis ik een krachtige stem die met het nummer aan de haal gaat. Heel even. Met een stem als van Wim Mertens of Craig Wedren. En in een verzonnen taal – want tekstueel de vele klankkleuren bijbenen, dat kan verder alleen iemand met een meervoudig persoonlijkheidssyndroom. ‘Étude‘ is getiteld zoals het klinkt: nog niet afgewerkt. Het wil een filmscore zijn, klinkt eerst als Swod in een boze bui, dan als een vreemd kinderwijsje. ‘HéDi’ is nerveuzer, vermeidt zich met vage elektronica, verliest zich in rusteloze ritmiek. Zo verliest Piano Interrupted wel ’s vaker de pedalen: ‘Bulbus’ vangt aan met moois als van Susumu Yokota, maar schuift dan uit over hi-tech impro jazz met een etnisch randje – krachtiger toetsenwerk had hier geholpen, net als minder zoete harmonie op het eind. Op zulk moment lijkt zich even een teveel aan rationaliteit in het werk van het ambitieuze duo te verraden. ‘Son Of Foug’ is dan weer wél zwanger van gevoel, en schuift meer op richting Jim O’Rourke, Gastr Del Sol en Tortoise. Intrigerend stukje blazers ook, aan het eind van ‘London Waltz’. En zo is ‘Two By Four’ een kwalitatief wisselende, niettemin overwegend charmante plaat van een duo met een zoekende blik in de organische elektronica.

Rietblazer Joachim Badenhorst, een expert op klarinet, basklarinet en tenorsax, mag stilaan z’n eigen hoofdstuk in De Complete Belgische Improvisatiegids beginnen opeisen. Tijdens zijn verblijf in New York smeedde hij talloze verbonden en maakte hij z’n opwachting aan de zijde van heel wat lokale kleppers, terwijl hij lege momenten opvulde door aan de slag te gaan met collega’s in Europa. Nu hij van Antwerpen opnieuw z’n (tijdelijke?) thuisbasis heeft gemaakt, vallen er twee nieuwe releases te ontdekken. De eerste is wel heel bijzonder, want de lp ‘The Jungle He Told Me’ moet zowat de eerste soloplaat van een Belgische rietblazer zijn. Badenhorst heeft dat niet enkel op z’n eentje geoefend, maar ook in gezelschap van grootmeesters als John Butcher en Joe McPhee, aan wie aan van de tenorstukken opgedragen is. Hoewel hij de grootste extremen uit de weg gaat, heeft ‘The Jungle He Told Me’ toch een enorm bereik, verschuivend van in zichzelf gekeerd gestotter en gesnerp tot baldadiger gejank en virtuoos spel met dubbelsporen. De relatief korte duur van het album en de stukken zorgt ervoor dat de luisteraar op de proef gesteld, maar niet afgemat wordt. Imponerende focus en intensiteit van internationale klasse. Intussen verscheen ook het tweede album van het Han Bennink Trio (met Badenhorst en de Deense pianist Simon Toldam), dat werd opgenomen in het Limburgse Neerpelt. De hyperkinetische drummer is natuurlijk de grootste naam (wat wil je ook, met een halve eeuw ervaring), maar laat er geen twijfel over bestaan dat de jonge garde zich ook laat gelden, wat nu nog meer gebeurt dan op debuutplaat ‘Parken’. De bruisende cocktail die daarop met nonchalant gemak in elkaar geflanst werd – een schalkse mix van vrije improvisatie, standards en eigen werk – maakt nu opnieuw z’n opwachting. Het resultaat is een album dat verdomd hard swingt (meer dan een snare drum en een hand/voet heeft Bennink daarvoor niet nodig), inzet op compacte muzikale bokswedstrijden, ontregelde balzaaljazz (een gewéldige versie van ‘Meet Me Tonight In Dreamland’) en momenten van ongein (‘Heigh-Ho’) die een brede grijns op je gezicht krijgen. Naast een inventieve speelpartner toont Badenhorst zich ook als begenadigd componist: zijn van de ICP-spirit doordrongen ‘Ganz’ behoort tot de hoogtepunten op ‘Bennink & Co.’. De combinatie van strakke communicatie en losjes uit de mouw geschudde swing maakt van dit album een onweerstaanbare topper.

‘Funeral Mouth’ is de opvolger van ‘The Darkest Of Grays’ uit 2010 voor het Duitse Planks. Hun derde plaat en het is er eentje die ongetwijfeld tussen de plooien van de vele releases in het sludge en postmetalgenre zal vallen. Eertijds speelde Planks pure sludge en eigenlijk hadden ze het beter volgehouden. Zeker als we voor het eerst een plaat van de band in handen krijgen, net op het moment dat het zeer lang verwachte werk van Neurosis net in de schappen ligt. Dan mag je als band nog zo magistraal uit de hoek komen, het maakt geen sikkepit uit. Niemand komt tot aan de enkels van ‘Honor Found In Decay’. Dat is ook niet moeilijk want we hebben met Neurosis met de grootmeesters van het genre te maken. en dan mogen de Duitsers rammen, slaan, schreeuwen en proberen variatie in te brengen, het album blijft grotendeels in de achtergrond hangen. Uiteraard willen we niet bevooroordeeld te werk gaan en gooien het schijfje ettelijke malen opnieuw in de cdlade. En zo ontdekken we toch mooie stukken die blijk geven van pogingen tot originaliteit. Dit doet het trio, Frank Hörsch op bas, Benjamin Hintz op drums en Ralph Schmidt op gitaar en zang, door invloeden van black metal en grunge te verweven met de oorspronkelijke sludge en crust. En soms lukt het: ‘I Only See Death In You’ of ‘An Exorcism Of Sorts’ zijn voorbeelden van wat een band in dit genre teweeg kan brengen. ‘Scythe Imposter’ of het instrumentale ‘The Spectre (Black Knives To White Witches’) laten dan weer horen hoe het niet moet. Uiteindelijk is ‘Funeral Mouth’ een plaat die vijf goede en vijf zwakkere songs bevat. Een net niet onvoldoende.

Na afloop van het concert dat Godspeed You! Black Emperor op 1 oktober in Boston speelde, lag er plotseling tussen de merch deze zo goed als onaangekondigde dubbel-lp, de eerste plaat in tien jaar. Een complete verrassing was het niet: de band was immers al twee jaar daarvoor begonnen met opnieuw optreden, en had in interviews al door laten schemeren dat er aan nieuw materiaal gewerkt werd. Bovendien zullen de fans de twee langste stukken van deze plaat – ‘Mladic’ en ‘We Drift Like Worried Fire’ – al kennen, aangezien ze al sinds 2003 live gespeeld werden. Er is in de tussentijd wel wat veranderd. Niet alleen zijn deze twintig minuten durende stukken behoorlijk uitgewerkt voor groter ensemble, ook klinken ze hier als een verzameling kortere fragmenten die elkaar in rap tempo afwisselen en minder als een geheel. De ingetogen delen met prominente viool en cello, die nog een enigszins open geluid hebben, worden vaak na een paar minuten alweer afgewisseld met een monotoon beukend stuk, dat als artillerie uit de speakers blaast. Daar was vroeger toch wat meer nuance in te horen. De band klinkt hier sowieso grootser en logger dan voorheen. De twee kortere stukken, door de band zelf opgenomen, komen wat meer in de buurt van vroeger werk en zijn dan ook een overtuigender. Hoe het ook zij, het levert wel overdonderende muziek op. Brian Gibson van Lightning Bolt zei ooit dat rock-‘n-roll vooral volume is – daar weet GY!BE inmiddels alles van.

Waarschijnlijk is Elva wel Zweeds voor elf, het getal. Niet alleen is ‘Elva’ het elfde album voor Anders Ilvar. De plaat telt elf tracks, duurt een uur elf minuten elf seconden en de eerste noot werd gelegd op 11 november 2011. Te nerdy voor je? Niet voor Anders. Hij is de computernerd die ook aan het componeren is geslagen. Met succes blijkbaar, ook al ontbreken al de voorbije tien releases in je Gonzoïsts’ platenkast. Er ontbreken wel meer belangrijke releases omdat platen verzamelen al lang geleden als hobby is afgeschaft. Ook aan ‘Elva’ ontbreekt iets. Ook al klinken de songs lekker minimaal, met hier en daar een indrukwekkende baslijn, een leuke groove en een wat spannender verhaal, ‘Elva’ blijft de afstandelijke, nerdy, buitenstander. ‘Mystery Ride’ is de betere dubtech waarin ook afsluiter ‘Spiral’ zijn roots heeft verloren. Het is niet alleen een zoeken naar opvallende en beklijvende tracks, ook de richting die het album neemt is opvallend vreemd. ‘Elva’ begint met het industrial getinte ‘The Iron Door’. Anders blijft even in die sfeer hangen en crawlt dan via het wobbelende ‘Shadowplay’ naar minimal getinte dubtech. ‘Elva’ blijft te veel een studioalbum gemaakt door een man met te veel ideeën. Misschien snappen we de plaat binnen tien jaar wel. ‘Elva’ is duidelijk een plaat die je compleet moet doorgronden en Anders maakt het je niet makkelijk.

Veel Peruviaanse bands kennen we niet, en slechts weinig bands uit dat Latijns-Amerikaanse land komen in aanmerking voor een blad als Gonzo (circus). Er zijn echter altijd uitzonderingen te vinden, en het trio La Ira De Dios uit hoofdstad Lima verkeert in deze positie. Na twee albums op Nasoni, leverancier van heel wat degelijke psychedelische (hard)rock, is ‘Peru No Existe’ reeds de derde plaat op World In Sound. Chino Burga (zang, gitaar) is de onbetwiste leider van de band, die via de Duitse connecties van Nasoni ook het project Bobskuria runt. Dat doet hij samen met leden van Dragonwyck, en dat leverde reeds twee albums op, waarvan ‘Diskovery Of Obskuria’ memorabel is te noemen. Drie van hun vier vorige albums kregen een recensie, en de verwijzingen wisselden per album. Lange psychedelische songs in de stijl van Hawkwind of punkrock in de stijl van New Bomb Turks, ze hebben het in het verleden gedaan. Tijd voor weer een andere benadering. Dertien nummers staan er deze keer op, spacepop zouden we het kunnen noemen. Van jams, punk en improv is weinig te merken. Lichte psychedelica die verwijst naar de jaren 1960 met iets donkerder riffs die een hypnotiserend effect beogen, is zowat de rode draad. Echt slagen doet de band echter niet in zijn opzet. Veel van de nummers klinken te braaf, zeker in vergelijking met vroeger werk, alsof het vuur even is gedoofd of de oren kapot geblazen zijn door het hoge volume waar de band prat op gaat. Er staan namelijk te veel trage songs op, die de aandacht niet weten vast te houden. Alleen helemaal op het einde, met ‘El Apogo’, toont de band zijn ware aard en ramt er nog eens lustig op los. Volgende keer weer helemaal iets anders, of zo hopen we toch. We hebben er vertrouwen in, want de band doet het elke keer weer.

Je kan je afvragen of de Nederlandse Peter Adriaansz eerder een muzikant/componist is, of meer een onderzoeker. De leerling van onder meer Louis Andriessen heeft in het cdboekje van ‘Three Vertical Swells’, met opnames tijdens Adriaansz Festival in Theater de Kikker (Utrecht), uitgebreide uitleg gegeven hoe de muziek in elkaar steekt. En dat is niet eenvoudig.
Hij schrijft over sinustonen, langzame beatpatronen, akoestische bewegingen –verticaal en horizontaal-, microtonaliteit met gevarieerde snelheden en intervallen en Hertzwaarden. Een voor de leek moeilijk leesbare tekst dus. Dit is hedendaags experiment voor de ingewijde luisteraar, zo blijkt uit de tekst en helemaal uit de muziek. De cd bestaat eigenlijk uit twee delen, beide uitgevoerd door Ensemble MAE, een improvisatiecollectief binnen de nieuwe muziek. ‘Three Vertical Swells’ is een uit drie stukken bestaand werk van bijna een half uur, waarin de mogelijkheden van de Leslie speaker een centrale plek inneemt. ‘Music For Sines, Percussion, Ebows & Variable Ensemble’ is gebouwd om een sinustoon.
Adriaansz zoekt naar de inherente eigenschappen van geluid en filosofeert hier op technisch wetenschappelijke wijze over via klanken. Dat is niet altijd prettig om naar te luisteren, juist omdat de muziek werkt naar landschappen die het menselijke oor niet gewend is. De vervreemdende, soms zelfs pijnlijke klanksymbioses, zuigend uitgerekte vibrato’s en aanzwengelende drones komen zelfs naargeestig over.
Maar of Adriaansz daadwerkelijk met zulke, uit zijn muziek voortvloeiende, emoties bezig is ? Waarschijnlijk niet. We zijn vooral getuige van wetenschappelijk onderzoek binnen de klankwiskunde. En toch, paradoxaal genoeg, roept juist het koude experiment existentiële vragen op.

De Frans-Zwitserse geluidskunstenaar Kassel Jaeger, lid van de fameuze Groupe De Recherches Musicales (GRM), levert met ‘Deltas’ zijn vijfde solowerk af. Het album bevat drie recente composities, waarvan twee in opdracht gemaakt. Het lange ‘Campo Del Cielo’ heeft hij gecomponeerd voor een performance in het planetarium van Poitiers en is gebaseerd op (bewerkte) opnamen van stenen en elektromagnetische registraties van de resonanties van een meteoriet, die deel uitmaakt van het Campo Del Cielo. Het resultaat is nauwelijks te vergelijken met dat bij Jana Winderen en Andreas Bick, die ons verbazen en fascineren met hun field recordings van schuivende aardschollen, krakende rotsen en schrapende gletsjers: onverwachte maar tegelijk diep aardse klanken. Jaegers resultaat klinkt elektronischer, gevarieerder ook, wat misschien komt omdat het manipulaties zijn en geen ‘pure’ veldopnames. De registraties van meteorietresonanties leveren piepende, fluitende en krakende geluiden, en elders stuiterende elektronische geluiden tegen een achtergrond van radiogolven. Ook kant B, met twee kortere composities, klinkt duidelijk elektronisch en die zijn al even conceptueel van insteek. Het eerste stuk is geïnspireerd op het ontstaan van delta’s. Wanneer de getijden niet sterk genoeg zijn, kan het materiaal dat rivieren meenemen sedimenteren. Of Jaeger dat principe in zijn compositie toepast? Heel goed mogelijk, maar niet overduidelijk. Herhalende patronen van klanken gaan omhoog en omlaag. Een schril geluid met een lichte nagalm en een gruizige drone zwelt aan. De compositie balanceert op de grens van abstract en beeldend. Ook in het tweede stuk, een dialectisch drieluikje met veel elektronisch gespetter en vibrerende tonen is het concept met enige goede wil te herkennen, maar niet overduidelijk uitgewerkt. Waarmee wellicht al te platte vertalingen zijn vermeden. Hoe verschillend van concept en geluidsbron ook, de drie stukken vormen een coherent geheel van elektronische texturen met een schuurpapieren randje.

Sinds 1995 bombardeert RFK (gitaar, zang, noise) ons met platen die alle hoeken van de black metal bestrijken. De eerste jaren deed hij alles zelf, ook wat Doktor Omega, ’s mans kompaan sinds vele jaren, voor zijn rekening neemt. Dat zijn, grappig eigenlijk, beats, thunder en hypnosis. Maddy Ferguson doet regelmatig mee als gast, als er nood is aan keyboards, atmosfeer en mysterie. Deze informatie geeft een beetje een beeld van waar het bij Korperschwache allemaal om draait : sfeer. Donker en duister, het spreekt quasi vanzelf als je in dit genre actief bent. Toch hebben de heren, al is het ziekelijke, een gevoel voor humor. En een beetje pech. In de beginjaren maakte RFK helse en loeiend luide power electronics. Gehoorproblemen waren zijn deel, en na een rustperiode werd het roer ietwat omgegooid. Ambient, drones, doom, noiserock en sludge vervoegden de beoogde experimentele black metal. Het resultaat is door de jaren heen afwisselend, maar net zo goed heel wisselend in kwaliteit. En dit geldt evenzeer voor het drie stukken tellende schijfje. Een prelude, een coda, beide volgend op het lange ‘On My Last Night In The Moonlight I Remember How The Dead Flowers Looked Inside Your Shallow Grave’, dat alle kanten tegelijk op wil. Het lijkt een samensmelting van een hele verzameling korte nummers. Pianostukjes, ambient, lagen gitaardrones, pure black metal, dan een stukje sludge, een scheutje doem, misschien weer een lieflijk stukje en zo gaan ze maar door. We krijgen er kop noch staart aan, vinden het eigenlijk vooral vervelend dat we er nooit in slagen enig idee die in de song zou vervat kunnen zitten, terug te vinden. De prelude en het coda houden het iets beknopter, lijken minder een samensmelting, maar weten toch evenmin echt te boeien. Ach, de volgende release zal wel weer iets anders zijn, of beter. Korperschwache heeft er al meer dan dertig, al dan niet obscuur, op zijn naam staan. Misschien hebben we bij onze eerste kennismaking RFK net in een zwak moment te pakken.