GC #113

Na ‘Summer Echoes’ (2011) komt de IJslander Sin Fang opnieuw aanzetten met een album dat zijn kinderlijke onschuld koppelt aan zijn voorliefde voor lieflijke popnummers. ‘Flowers’ is zo naïef als een baby aan de borst, wat veel te maken heeft met Sin Fangs zachte stemgeluid dat het midden tussen dat van Jónsi (Sigur Rós’) en van de Faeröerder Teitur. Muzikaal staan de piano en opvallend veel strijkers centraal, opgesmukt met een toef elektronica hier en daar. Wanneer de zoemende gitaren voluit gaan, komt het zomerse shoegaze geluid van The Raveonettes om de hoek piepen. Op zijn beste momenten poogt ‘Flowers’ dan weer een IJslands antwoord te verzinnen op de gedoseerde gekte van Animal Collective. Zoals in opener ‘Young Boys’, waar verschillende lagen zang zich vasthaken aan allerhande vreemde geluiden. Helaas mist Sin Fang de genialiteit van de Amerikanen, waardoor zijn poging als ‘goed geprobeerd’ geklasseerd wordt. U leest het, aan insipiratie geen gebrek. Het komt er voor Sin Fang op aan om de volgende keer een eigen, unieke weg te vinden tussen alle uiteenlopende invloeden in. Tot dan is ‘Flowers’ best een onderhoudend plaatje. Niet minder, maar helaas ook niet meer.

De vorige van Tomàn – ‘Where Wolves Wear Wolf Wear’ – was een ware tour de force. Zowel muzikaal als qua vormgeving. Een conceptalbum inclusief beeldverhaal; eentje dat ze ook vertaalden naar het podium. Met dat en hun vorige twee albums werden de ingeweken Gentenaren gemakshalve weggezet in de postrockhoek. Een etiket dat altijd een beetje gewrongen heeft voor de groep. Telkens opnieuw probeerden ze eruit te breken, vaak ook met de nodige humor. Een nieuw bewijs daarvan is de titel van deze plaat, ‘Postrockhits Volume II’. Dat de songtitels daarvoor niet moeten onderdoen, bewijzen onder andere ‘A Brief History Of Thyme’ of ‘Mexiconcarne’. Muzikaal is er een soort kruising tussen postrock, elektronica, psychedelica, experiment en krautrock. Luister naar een nummer als ‘The Wonder Of The Tortoise Tunnel’ en hoor hoe de invloeden van Neu! en Can diep doordringen in de muziek van Tomàn. Voor deze platen hebben ze ook veel geklooid met de synthesizers – 31 stuks ondertussen – die ze verzamelden de laatste jaren. Met dit instrumentarium maakt de band al jaren volstrekt unieke muziek in het, soms bekrompen, Vlaamse poplandschap. Dat eigenzinnige kunnen we alleen maar blijven aanmoedigen. En ja, we kunnen de suggestie op de hoes alleen maar onderschrijven. Deze muziek is inderdaad het best te beluisteren in de nachturen. Majeure, het soloproject van Anthony Paterra (Zombi), bevindt zich muzikaal op een kruispunt tussen krautrock en allerlei andere invloeden. Meer dan Tomàn kiest Paterra voor de dansvloer. Als Majeure legt hij nog meer de nadruk op zijn voorliefde voor synthesizers. De man leeft zijn passie voor een band als het legendarische Tangerine Dream volledig uit. Dit is krautrock met een fikse scheut ambient en IDM. Helemaal wegdrijven in de kleurrijke walmen van de jaren 1970 doen we op het bijna twaalf minuten durende titelnummer. In ‘Caribbean King’ sluipen er dan weer voorzichtige dubklanken door onder de ritmische klanken. Sterkste nummer van het album is ‘Geneva Spur’. Dit is het dansende bastaardkind van Kraftwerk, Can en Tangerine Dream. Neue Kraut op zijn best op deze twee albums. De inspiratiebronnen zijn misschien gelijkaardig, de puike uitwerking is totaal verschillend.

Het Zweedse trio Snailking vernoemde zijn band naar het tweede, gelijknamige, album van Ufomammut. Onderhavige debuutep, die eerder op hun bandcamppagina gratis te downloaden viel/valt en als demo wordt voorgesteld, noemden ze naar het nummer ‘Asleep In Samsara’ van het debuut ‘Elaborations Of Carbon’ van Yob. Het zijn twee gegevens die er mee hebben voor gezorgd dat de drie nummers tellende ep nu ook op cd verkrijgbaar is via het Vlaamse Consouling. Drie stukken van meer dan tien minuten elk, net geen veertig minuten behelzend, rechtvaardigen de naamkeuze. Snel als een slak, ruim de tijd nemend om de drie nummers uit te bouwen, meten Karl Jonas Wijk (drums), Frans Levin (bas) en Pontus Ottosson (gitaar, zang) zich met hun grote voorbeelden. Het zal erom spannen. Traag, log, sludge, doom en stoner verenigd en voor de verandering met cleane zang, wat de sound alleen maar ten goede komt. Als ze nog niet op Roadburn zijn geprogrammeerd, mogen ze zo op de affiche, zo goed is dit plaatje. Verslavend goed zelf, want de nummers geven hun details maar spaarzaam prijs. Het is fijn dat deze songs nu ook op een fysieke drager verkrijgbaar zijn. Gorath, recht uit het Limburgse Diepenbeek, presenteert zijn zesde album en dat is meteen hun voorspelde zwanenzang. Het geesteskindje van Filip Dupont, die ook speelde bij onder meer Horus, Mahlstrom en P:407, geeft er de brui aan maar doet dat niet zomaar. Dupont speelde in de eerste jaren alle instrumenten zelf, een eenmans blackmetalband die in het genre behoorlijk wat succes kende. Sinds het uitbrengen van ‘Misotheism’ (2008) verzamelde hij een echte band om zich heen. De bezetting wisselde frequent, maar is deze keer dezelfde als op het vorige album, het in 2011 verschenen ‘Apokalypsis – Unveiling The Age That Is Not To Come’. Dat album bevatte behoorlijk progressief en extreem aandoende black metal, waarbij de band de grenzen van het genre begon open te breken. Nu gaat Gorath nog een stapje verder. Veel oer black metal is er namelijk niet meer te bespeuren. Dupont klinkt nog even duivels en donker als voorheen, terwijl de muziek alsmaar meer opschuift richting loodzware doom en sludge. De drie nummers zijn traag en complex opgebouwd en klinken bij momenten als een kwaadaardige ambientversie van het sludge en doomgenre.

Uit Brisbane, Australië verrast Greenthief met zijn tweede, vijf nummers tellende mini. ‘Annica’ (2009) was hun eerste worp naar bekendheid, maar leverde het trio slechts lokale faam op. De band gaf zich echter niet snel gewonnen, en ging voortdurend overal gaan optreden om het plaatje te promoten. In 2011 kwam deze opvolger uit, die nu pas een bredere en wereldwijde distributie kent. In Australië werd ‘Vultures’, één van de nummers op deze tweede, voor allerlei prijzen genomineerd en zorgde voor een brede erkenning van de band. In het behoorlijk door psychedelica beïnvloede nummer klinkt Julian Schweitzer (gitaar, zang, drums, keyboards) als Billy Corgan in zijn Smashing Pumpkins-hoogdagen. Gwen Warnick bespeelt de ondersteunende bas, maar laat de hoofdrol aan liedjesschrijver Schweitzer. Het derde bandlid staat nergens vermeld op de plaat, dus daarover blijven we in het ongewisse. Wat telt is dat Greenthief kosten noch moeite had gespaard voor het schijfje. De Brit Steve James (Sex Pistols, The Jam) produceerde de plaat en hij weet hoe een song groots te laten klinken. Er zitten daardoor uiteraard wat Britse invloeden in de sound, maar Greenthief is er toch in geslaagd zijn gevarieerde eigenheid te behouden. Zo is de epische afsluiter ‘Mayan Dawn’ krachtig in zijn eenvoud, inclusief rustmomenten, spaarzame drums en een degelijke gitaarsolo. ‘Sanity’ en ‘Salad Days’ zitten wat in een Muse-keurslijf, terwijl het titelnummer dan weer als een vreemd slaapliedje klinkt. Het verhaaltje over de biggetjes die Greenthief naar eigen zeggen uit de doeken doet, snappen we niet. Dat Greenthief met zijn debuutalbum, gepland voor de eerste maanden van 2013, brokken kan maken in Studio Brusselland, snappen we wel.

De levensloop van Edwin Brienen is niet onopgemerkt gebleven. In de jaren 1990 was hij het enfant terrible van de nationale radio: Laibach na Madonna op prime-time, jarenlang spooktechno in de nacht, een uur lang de satansmis op kerstavond (saillant detail: de mis werd steeds onderbroken door verkeersberichten over dodelijke slachtoffers in het verkeer, het ijzelde enorm die avond) en dan was er nog zijn beruchte zelfmoord incluis geënsceneerd ANP-bericht als slotfinale van Vacuüm. Een radiotijdperk kwam ten einde, Brienen werd cineast. In zijn filmdebuut Terrorama (2001) veegde Theo van Gogh zijn reet af met een Koran, de première voltrok zich vlak na 11 september. Het zou tussen Brienen en de Nederlandse filmwereld nooit meer goed komen. Hij vertrok naar Berlijn en bleef draaien; maar liefst veertien films in tien jaar tijd. Vrije films, snel en intensief geschoten, weinig budget, overvol met vervreemding, morbide wanhoop, Nietzscheaanse monologen, theaterkitsch en porno. En in al zijn scenes moet gerookt worden. Wat je ook van zijn films moge vinden, de muziekliefhebber wordt op zijn wenken bediend. I-F, Le Syndicat Electronique, Black Sun Productions en Vincent Koreman tekenden allen voor hun muzikale ondersteuning. En nu mag een hele label dat doen. Op ‘Exploitation’, de laatste worp van Brienen, verzorgt Enfant Terrible de muziek. Op beproefde werkwijze, want de soundtrack mag worden geplaatst in de lijn van de dienstbare compilaties die het label eerder uitbracht vol met geluiden uit de Nederlandse tegenculuur. Met bijdragen van Neugeborene Nachtmusik, Distel, Europ Europ, Nihiltronix, Sololust en het Vlaamse Embers mag de liefhebber van minimale elektronica, kille wave, elektro, techno en ander experiment zich verkneukelen, want wederom slaat het label van Martijn van Gessel een brug tussen heden en de jaren 1980 zonder de verzanden in oppervlakkige reproducties. Na ‘Electronic Renaissance’, ‘Festival der Genialen Dissidenten’ en ‘Kamp Holland’ levert Enfant Terrible somber prachtwerk af, dat geheel past binnen het tegendraadse gedachtegoed van die dekselse Edwin Brienen.

Het begon allemaal in augustus 2011. Greg Haines staat samen met Nils Frahm in de Grunewaldkirche in Berlijn. Samen met Jan en Romke Kleefstra gaat Haines aan het improviseren, begeleid door Sytze Pruiksma. Kenden de heren elkaar al eerder, of maakten ze pas kennis toen de organisatie van ‘Into The Great Wide Open’ vroeg om samen iets te maken geïnspireerd op het eiland? Het resultaat daarvan was vorig jaar als Seeljocht te horen. Iets meer dan een jaar later, verschijnt met quasi dezelfde bezetting het debuut van The Alvaret Ensemble, een plaat die eigenlijk verder drijft op ‘Seeljocht’. The Alvaret Ensemble kiest voor stilte en subtiele veranderingen. De ruimte bepaalt de muziek. Maar dat is in hedendaagse woonkamers een helse job met die zoemende laptops en bliepende smartphones. Om te verdwalen in ‘The Alvaret Ensemble’ moet je je afzonderen, met hoofdtelefoon, om de subtiele piano-aanrakingen te horen, naar de Friese teksten te luisteren en op te schrikken bij een luide paukenslag. Het geluid is loom. Het tempo is verontrustend langzaam en vergt gewenning. Maar dan ontplooien de drie letters tellende titels zich tot een betoverende luisterbeleving die even de wereld doet stoppen met draaien.

Uit Austin, Texas komt My Jerusalem aanwaaien met zijn tweede plaat, na het in 2010 uitgebrachte ‘Gone For Good’. De songs waren er toen al, maar de plaat klonk niet voldoende coherent om brokken te maken. Ondertussen is My Jersualem geëvolueerd van een los/vast collectief van een paar muzikale vrienden tot een hechte band en dat is er aan te horen. Zanger, gitarist, bandleider en songschrijver Jeff Klein is het enige resterende lid sinds het debuut, en de plaat klinkt dan ook vooral in de richting die hij uit wil. En dat is een soort veredelde kruising van het donkere werk van Mark Lanegan, Greg Dulli en iets verder in de tijd Ian McCullough (Echo & The Bunnymen). Een song als ‘Oh Little Sister’ zit trouwens sowieso heel dicht bij het latere werk van laatstgenoemde band. De liedjes handelen over de liefde, obsessies, spijt en andere grote gevoelens die met net niet te veel pathos worden gebracht. Allicht heeft de tijd die Klein doorbracht met Dulli hem geleerd om het slappe koord te vinden dat het net bij indie houdt en niet overhelt naar te veel pathos en kitsch. ‘Preachers’ is gelukkig geen plaat van de grote gebaren die een stadionpubliek verwacht. Daarvoor is My Jerusalem net iets te eigenzinnig. De band brengt de ene keer gospel (het titelnummer), dan mag het stevig (‘Devoe’) of met een groove (‘Shatter Together’), waardoor de plaat en bij uitbreiding de band, niet in één hokje is te vangen. Net door die variatie blijft het luisteren naar dit album interessant genoeg om van één van de betere indierockreleases van de laatste maanden gewag te maken.

Op hun derde wapenfeit omhelst het Canadese duo Ethan Kath en Alice Glass zowaar de witch house en wordt het pad van de rave en de electropunk grotendeels verlaten. De ongenuanceerde en explosieve razernij van hun twee vorige albums heeft plaats geruimd voor een aanzienlijk rustigere aanpak. Minder in-your-face gebeuk en ongepolijste energie en meer donkerte, onderhuidse dreiging ditmaal. ‘(III)’ klínkt bovendien ook anders. Nieuwe of andere instrumenten zijn een mogelijke verklaring; fris wordt het hierdoor sowieso (opnieuw). Purity Ring schoot ons zelfs te binnen. ‘(III)’ is niet alleen donkerder en ingetogener, er is ook een prominente factor woede, verontwaardiging en maatschappijkritiek. De hoesfoto van een treurende moeder die haar gewonde of stervende zoon in haar armen houdt, is wat dat betreft een binnenvaller van formaat. Veel valt er namelijk niet te lachen op en met ‘(III)’. Live is Crystal Castles, niet in het minst door de tomeloze, haast zelfdestructieve en manische podiumact van Alice Glass, een bom; op plaat kan het tweetal met moeite verbergen dat hun songs soms nogal weinig om het lijf hebben. De essentie van ‘I’ en ‘II’ kon namelijk telkens worden samengebald in een handvol nummers en ook ‘(III)’ verraadt bij momenten diezelfde tekortkoming. Wat ‘(III)’ aan kracht en dynamiek inboet, wordt gelukkig wel gecompenseerd door de (grauwe) sfeerschepping en uitschieters als ‘Plague’, ‘Telepath’ en vooral ‘Violent Youth’. ‘(III)’ laat niettemin onmiskenbaar een band in progressie horen. Het is tegelijkertijd ook het product van een tweetal dat het aanwezige potentieel nog altijd niet ten volle heeft benut.

Dirk Dresselhaus, zoals de muzikant die achter de naam Schneider TM schuil gaat echt heet, kreeg zowaar bijna een zenuwinzinking door het aanhoudende lawaai op nabijgelegen bouwwerven (hij woonde toen in Oost-Berlijn). Hij merkte tegelijk dat de geluiden die hij uit zijn elektronische apparatuur puurde, alsmaar meer verwantschap begonnen te vertonen met de machinale geluiden die de bouwvakkers produceerden. Hij had het gevoel dat hij niet alleen het geluid, maar ook de chaos die een soort structuur wordt, in zijn probeersels incorporeerde. Uiteindelijk verkoos hij de straat boven zijn woonruimte, in die mate dat hij expliciet opnames ging maken op de bouwwerven zelf. Field recordings die hij wilde gebruiken om nummers te maken als substituut voor een nabije persoonlijke crash door diezelfde storende geluiden. En Dresselhaus begon er zowaar plezier aan te beleven. Hij ontdekte in het gedrag en de activiteiten van bouwvakkers alsmaar meer structuur en ook de industrieel aandoende geluiden van de door hen bediende machinerie intrigeerde hem alsmaar meer. Die deden hem denken aan geïmproviseerde elektronische muziek zoals hij die zelf regelmatig pleegde te maken. De opnames voor dit ‘Construction Sounds’ maakte hij tussen 2001 en 2009 en hij koos ervoor om zijn eigen elektronisch gecreëerde soundscapes te verweven met de veldopnames en er nadien nog weinig aan toe te voegen. Het resultaat is absoluut geen industriële muziek en maakt ook geen gebruik van allerlei drilboorgeluiden en andere zware machines om ons met oorverdovend lawaai te belagen. Schneider TM maakte daarentegen zes stukken, heel erg variërend in lengte, die drones en kosmisch aandoende muziek met elkaar verenigen. Toch klinken duidelijk negatieve emoties door in de nummers, die de gemoedstoestand van Dresselhaus in die stresserende periode weergeven. De plaat klinkt namelijk behoorlijk donker en sinister, als een therapie om een opname in een psychiatrische instelling te voorkomen. Dresselhaus is daarmee in zijn eigen opzet geslaagd. Hij bleef geestelijk gezond en bezorgde ons een intrigerende neerslag van zijn ervaringen.

Op de hoes van het tweede album van Wires.Under.Tension staat een heel verhaal over hoe ‘Replicant’ tot stand is gekomen, de theorie achter het geluid van Wires.Under.Tension. Iets met pianola’s, de botsing tussen analoog geluid en muziekmachines die op commando werken en de menselijke natuur uitschakelen. ‘Replicant’ is geïnspireerd door de film ‘Blade Runner’, een dystopische wereld waarin de mens de controle over de techniek is verloren. Er zit dus een prachtige en weldoordachte theorie achter het geluid van Amerikaanse duo bestaande uit violist en programmeur Christopher Tignor en percussionist Theo Metz. Een verhaal waar dus elke recensie over dit album uitgebreid op in zal gaan als is het iets wat de schrijver zelf heeft ontdekt. Terecht, wellicht. Maar belangrijker is de impact van de plaat, op de luisteraar wel te verstaan. En dan is ‘Replicant’ een van de meest avontuurlijke platen die in 2012 te horen valt. Bombastische, maar verfijnde postrock, waarin hiphop, triphop en verschillende andere dansinvloeden verwerkt zijn. Het album bulkt van de meeslepende composities waarin voortdurend een vormenstrijd plaatsvindt, tussen het organische, het synthetische en geprogrammeerde robotica. Opzwepende dansnummers, met onverstaanbare zangsamples ingepakt en verstopt achter zware beats en dikke percussie lagen waar ingeblikte blazers en staccato snijdende strijkers overheen worden gejaagd die de eerder genoemde vormen strijd benadrukken. ‘Replicant’ is een plaat van contrasten, rond en hoekig op het zelfde moment, euforisch schreeuwend maar even goed dreigend op de achtergrond. En dat maakt Wires.Under.Tension keer op keer een meeslepend avontuur om naar te luisteren, een emotionele wildemansrit.

Een recensie over de Allah-Las kun je eenvoudig uit twee verschillende perspectieven schrijven. Zo kun je de Amerikaanse band afdoen als een verzuurde retro-band. Een groep jonge twintigers die van mening zijn dat er de afgelopen jaren eigenlijk geen goede muziek meer wordt gemaakt en daarom terugvallen op het in hun ogen laatste pure moment in de rockmuziek, de jaren 1960. Retrorock die riekt naar de jonge Rolling Stones in een kruising met een lome The Beach Boys en The Byrds met teksten over gebroken relaties, bedriegende vrouwen en de hopeloosheid van de liefde. De Amerikaanse The Kik zonder knipoog en met verraderlijk hartelijke teksten over verrassend vrolijke surf en garageriedeltjes. En daar komt de tweede insteek, want hoewel het allemaal wel heel erg bekend de oren in rammelt, rammelt de sixtiespop en rock van deze heren wel erg aanstekelijk de oren in. Het is weliswaar een kopie, maar een kopie die in uitvoering en productie (door Nick Waterhouse, zelf ook een retrokoning) precies klopt. De twaalf nummers die de roll in rock-‘n-roll in de heupen brengt. En of dat nu is omdat de makers de moderne tijd niets vinden en hun exen wel kunnen wurgen, dat is dan wellicht minder relevant. Vooral in deze dagen waar retro de nieuwste hip is en de fuzzbox een hervonden bron van adoratie.

De debuuttitel van Jacob Burns (Cindytalk) verwijst naar de luide aanwezigheid van een zwerm spreeuwen in de nokken van een Indiaas treinstation. Nu, zelfs zonder deze voorkennis hadden we ‘Starlings’ meteen met spoorwegen in verband gebracht, maar niet met gevogelte. Deze cd is gevonden vreten voor diegenen onder jullie die ook de recente output van Cindytalk naar waarde weten te schatten. Veldopnames en elektronica worden vervormd tot korstige noise, en levendig bijgekleurd met subtiele melodieuze momenten. Af en toe mag de abstracte sfeer zijn ding doen, om dan weer opgezogen te worden in het pompende ritme dat ontegensprekelijk alleen maar naar daverende treinwielen kan verwijzen. Volgens de maker is deze cd ook een afweging van de chaos in India tegen de cleane moderne treinstation in zijn thuisland. In elk geval bewegen de landschappen als we tijdens het beluisteren van ‘Starlings’ door het raam van onze huiskamer naar buiten kijken, en we hopen van jou hetzelfde.

Het Duitse label Gruenrekorder promoot experimentele muziek en fonografie. Letterlijk genomen is dat laatste niet meer dan het opnemen van geluid, maar het label beschouwt de omgeving als een akoestische ervaring die barst van de muziek. Hun releases worden verdeeld over drie categorieën: de field recordings (een recent memorabel voorbeeld is David Michaels ‘The Slaughterhouse’, een auditief dagboek van een bezoek aan het slachthuis), de soundscapes en sound art. In de tweede categorie is ‘Ultrealith’ van Artificial Memory Trace (geluidskunstenaar Slavek Kwi) terug te vinden. Het album, dat bijna goed is voor 80 minuten bewerkte opnames, beslaat een breed gamma en start met het stereotiepe spul: een geluidsinstallatie waarin vogels, insecten en stromend water de hoofdrol spelen. Het wordt pas interessant vanaf het vijfdelige ‘Subaquantum’. Er is een deel waarvoor insectgeluiden uit Zuid-Amerika en Afrika gecombineerd worden: een merkwaardig ritmisch komen en gaan van klanken, met soms mechanisch karakter. Een stuk met vleermuisopnames is huiveringwekkend in z’n ongrijpbaarheid, goed om nietsvermoedend volk mee de stuipen op het lijf te jagen. Meest opmerkelijk zijn de delen waarin hij de mens er nadrukkelijker bij betrekt: in ‘Monochrome’ gebruikt hij 64 lagen van dezelfde stem, met een merkwaardig hypnotiserend effect en een kolossale spraakverwarring tot gevolg. ‘Monochrome’ is gebaseerd op geïmproviseerde liedjes die hij opnam in een psychiatrische instelling. Op de achtergrond hoor je tafeltennisgeluiden, het gewoel in een Singaporese koffieshop en de metro van Perth. Slotstuk ‘PetRadio’ is exact wat de titel suggereert: een collage van huisdieren, waarbij vooral de kattenliefhebbers de oren zullen spitsen. ‘Ultrealith’ is afwisselend fascinerend en vervreemdend, nu en dan akelig of ronduit enerverend (zo’n kanarie is nergens goed voor), al is het natuurlijk niet iets waar je op regelmatige basis naar teruggrijpt. Wie kan het dagelijkse leven daar nog lang genoeg voor stilleggen?

Twee jaar geleden was er ‘Too Beautiful To Work’ van The Luyas. Een indiepopplaat die met haar licht experimentele en psychedelische klank toen uitsteeg boven de middelmaat. Dat de band het een paar maanden later ook live er goed vanaf bracht deed ons uitkijken naar deze opvolger. Voor deze derde plaat kregen ze de hulp van Jace Lasek van The Besnard Lakes, een band die trouwens ook dringend een nieuwe plaat mag maken. Soit, op het eerste gehoor klinkt de plaat een beetje zoals de voorganger. Toch is de thematiek een pak donkerder. Dat heeft te maken met het feit dat de band vlak voor ze begonnen te werken aan deze plaat af te rekenen kreeg met de onverwachte dood van een vriend. Dit moest dus deels een eerbetoon worden aan die vriend. Het eerste deel van het album met openingsnummer ‘Montuno’ en de heerlijke drumpatronen in ‘Fifty Fifty’ doen aanvankelijk het beste vermoeden. Dat frontvrouw Jessie Stein op veel nummers gebruik maakt van de Moodswinger van Yuri Landman zorgt ook voor een zeer specifiek geluid. Een geluid dat soms moeilijk te grijpen is. Het is dan ook jammer dat het eerste enthousiasme ook na ettelijke luisterbeurten niet geheel overeind blijft. Naar het einde toe zakt de plaat iets te veel in elkaar. Het klinkt allemaal niet dwingend genoeg om te blijven overtuigen. De muziek gaat iets te veel zweven in het ijle. Jammer vinden we dat. Verlies omzetten naar de perfecte plaat blijft natuurlijk een heikele zaak. Ermee omgaan is en blijft iets zeer persoonlijk.

Er zit een heel irritant en pijnlijk high frequency-bliepje in de eerste tonen van deze ultratrage ‘techno’-plaat van het Oostenrijkse gelegenheidsduo Tutner Schimana. ‘Dope Beat Rosengarten’ is het in zeven stukken verdeelde samenwerkingsmoment van Gernot Tutner (beats) en Elisabeth Schimana (elektroakoestische versieringen). Een live-gebeuren dat naar albumformaat werd vertaald en snakt naar meer. Veel meer. Meer luisterbeurten, beter beleven en een serieuze onderdompeling. Het volume staat akelig hard. En toch verdwijnt de helft van de elektroakoestische opsmuk merken we later met de hoofdtelefoon tegen de oren gekneld. De trommelvliezen kraken onder het immens geluidenpallet. Subbassen en kriebels. Gefrunnik met geluidsgolven zoals Pan Sonic ooit de ether instuurde en een verslavend, dwingend ritme dat pas na veertien minuten wordt ingezet. De cadans ligt laag, als het ritme van een IC-trein doorheen het miezerig platteland. Alle visuele impulsen zijn uitgeschakeld. Het gehoor vergt al de aandacht. ‘Dope Beat Rosengarten’ is in conflict met zijn dansbare ritmes en lust naar experiment. Het is uiteindelijk Gernot Tutner (in Graz beter bekend als Henry Bootz) die de algemene sound naar zijn hand draait en ‘Dope Beat Rosengarten’ de stempel techno oplegt – luister maar eens naar die laatste track. De klanken van Elisabeth Schimana zijn daarentegen soms te subtiel of klinken dan weer als vlijmscherpe kettingzagen en prikken dan als harde doorns in je trommelvliezen. Maar wat een plaat. Sjonge!