GC #114

Deze band is het geesteskind van Mark Andrew Hamilton. Sinds 2005 verzamelde hij een grote groep muzikanten (ondertussen al een zeventigtal) rond zich die in wisselende bezettingen meewerken aan de albums en liveshows. Maar live durft de man het ook vaak solo te doen, geholpen door loopstations en andere apparatuur. ‘Thumbtracks And Glue’ is het vierde officiële album van dit los-vaste collectief. Tussendoor verschenen ook nog twee albums die enkel te verkrijgen waren bij optredens. De plaat opent met het slowcore aandoende ‘The Saddest Music In The World’, een nummer dat bij ons direct herinneringen oproept aan rustig werk van Iron And Wine. Zowel qua titel, tekst als muziek kan ‘As Read In The Pine Bluff Commercial’ staan naast het werk van Sufjan Stevens ten tijde van ‘Illinois’. Melancholische, met folkelementen doorspekte orkestrale pop. ‘Children Should Be Seen And Not Heard’ scheurt dan weer lekker een eindje weg. Veel variatie dus op dit degelijke album. Begin dit jaar startte Hamilton ook met een zelf opgezet uitwisselingsproject tussen muzikanten uit Calgary en Reykjavik. Daarnaast was hij in 2006 ook al gastcurator van het eerste Sled Island Festival in thuisstad Calgary. Ondertussen is dat uitgegroeid tot één van de fijnste festivals voor indiebandjes in Canada. Bezig baasje dus.

Na enkele zeer gewaardeerde retrospectieven van onder andere Das Synthetische Mischgewebe, Le Syndicat en vele anderen, schijnt het Russische zoeklicht van Monochrome Vision thans over de lage landen. THU20 is niet zomaar een groep, het is sinds 1986 een zeer democratisch georganiseerd collectief dat zelfs over een paar seconden geluidsinbreng debatteert met een wisselend deelnemersveld van klinkende namen uit de Nederlandse experimentele tapescene. Voor de vuist weg: Jac van Bussel (DVA Met DVA Nichts), Frans de Waard (Kapotte Muziek, Freiband en zoveel meer), Roel Meelkop, Peter Duimelinks (Goem), Jos Smolders, en stichtend lid Guido Doesborg (Club Rialto). Deze dubbele cd heeft een even droge als eerlijke titel: het betreft hier de oudste THU20-opnamen, en vooral de jaren 1980 komen aan bod. Omdat we THU20 ooit zelf leerden kennen via een cassettecompilatie, doet het extra plezier om al die tracks hier opnieuw en met een betere klankkwaliteit de revue te zien passeren. Breed grijnzend herontdekken we dat THU20 een tijdje ritmische industrial maakte, en ons pijnigde met extreme feedback, die even scherp was als een verse enkelblessure. In een latere fase werd beredeneerd elektroakoestisch gecombineerd, terwijl de livefocus meer op improvisatie kwam te liggen. Maar THU20 liet zich nooit in een vakje wurmen: musique concrète bleef even welkom als de ijzersterke live samenwerking met Merzbow, één van de noisy hoogtepunten op deze dubbellaar. Semi-power electronics zijn evengoed mogelijk als soundtracks voor een dansvoorstelling. Omdat THU20 nog steeds onregelmatig actief is, durven we hopen dat ‘Vroeg Werk’ positieve aandacht brengt voor deze groep, die onterecht onbekend en ondergewaardeerd bleef.

2013 wordt het jaar van Syd Barrett, aldus een bevriende muziekjournalist met een onberispelijke muzieksmaak en een betrouwbare neus voor trends. En dat is lang zo gek nog niet. Psychedelische (kraut)rock is weliswaar al een tijdje bezig aan een remonte, maar klimt stilaan van de underground naar de oppervlakte. De Nederlander Jacco Gardner is zo’n leuke vertegenwoordiger van die bovenlaag. De vier Chilenen van Föllakzoid belichamen echter het geluid van de onderkant. Zij zoeken en vinden aansluiting bij gelijkgezinde hedendaagse(re) bands als Wooden Shjips, Moon Duo, Psychic Ills, Lumerians, The Black Angels of GNOD. En die borduren op hun beurt dan weer verder op Spacemen 3, Loop en uiteraard Hawkwind. Wat ze brengen, is bijgevolg verre van verrassend. ‘II’, dat vijf nummers telt, lijkt eindeloos door te gaan – recht de Ruimte in – in een hypnotiserende rit vol echo, reverb en drones. Er is bijgevolg echt niet veel fantasie nodig om dit te omschrijven als “drugsmuziek”. ‘II’ is over de ganse lijn helaas niet even sterk. Een strakke krautrockbeat, zoals in ‘9’ of ‘Trees’ moet het geheel bij elkaar houden, maar het viertal kan niet verhullen dat ze soms zelf verdwalen in het trancelabyrint dat ze neerzetten. Gebrek aan focus en ook wel variatie maken van ‘II’ het soort release dat in de juiste livecontext ongetwijfeld tot een fijne trip leidt, maar op plaat uitgerekend die extra livedimensie mist.

Ultravox mag dan zijn herrezen in een poging mee te liften op het retro-tij, maak niet de fout te denken dat John Foxx, hun voormalige zanger, er een vergelijkbare werkethiek op na houdt. Weliswaar trok ook hij zich midden jaren 1980 na drie platen met Ultravox! en vier solo-albums terug uit de muziekbusiness, maar keerde al terug in 1997, ruimschoots voordat het en vogue (en lucratief) werd. Foxx was geïnspireerd door techno, en niet zo’n beetje ook: meer dan twintig albums verschenen er sindsdien, solo en in samenwerking met onder meer Harold Budd en Robin Guthrie. Sinds 2009 maakt hij met Ben Edwards (Benge) platen als John Foxx & The Maths, waarvan ‘Evidence’ de derde is. Voorgangers ‘Interplay’ en ‘The Shape of Things’ werden terecht goed ontvangen en gelden als hoogtepunten in Foxx’ carrière als synthpoppionier. Helaas is ‘Evidence’ aanmerkelijk minder geslaagd. De plaat begint met een aantal samenwerkingen; is die met The Soft Moon nog een sfeervol nummer waarop de artiesten elkaar versterken, de nummers met Xeno & Oaklander en Matthew Dear zijn kale composities die niet van de grond willen komen. ‘Changelings’ is niet meer dan een remix van hetzelfde nummer van Gazelle Twin, die het niet haalt bij het origineel. Beter geslaagd zijn de composities van Foxx en Benge alleen: ‘Neon Vertigo’ is een fijn, beetje industrieel elektro-dubnummer, en ‘My Town’ het soort elektropop waar Foxx om wordt geroemd. De enige acceptabele rechtvaardiging voor de Pink Floyd-cover zou zijn dat Foxx nog een appeltje met “de industrie” te schillen heeft, en de drie korte instrumentals die de tweede helft van de plaat opvullen rieken naar ideeënarmoede. ‘Evidence’ maakt dus weinig indruk, maar het kan bij iemand met de output van Foxx dan ook niet altijd feest zijn.

‘Eruption’, ook wel bekend als ‘Schwarz’, is het derde en finale album van Kluster, een live-album bovendien, opgenomen tijdens het laatste concert dat het trio gaf in 1971. De plaat heeft een bizarre geschiedenis. Kluster, zijnde Dieter Moebius, Hans-Joachim Roedelius en Conrad Schnitzler, maakten ‘Klopfzeichen’ en ‘Zwei Osterei’, die worden beschouwd als twee platen die door hun experimentele radicalisme het begin van de industriële muziek inluidden. Moebius en Roedelius vonden het financiële risico te groot om nog een album uit te brengen, en gingen door als duo, Cluster. Schnitzler zette echter zijn zin door en bracht het album toch uit, zonder informatie en met een zwarte hoes. Commerciële zelfmoord of niet, de twee stukken op de plaat zijn heel erg de moeite. Het zijn twee lange, indonkere stukken die absoluut verduidelijken waarom hun invloed op de vroege industriële muziek zo groot is. Geen gesproken religieuze teksten deze keer, maar een overdaad aan elektronica en dito effecten die voor een verontrustende sfeer zorgen. In 2011 kwam er een opvolger voor K/Cluster: Qluster. Roedelius ging toen een samenwerking aan met Onnen Bock, wat reeds in een drietal albums resulteerde. ‘Lauschen’ is een samenwerking met Armin Metz, die mee het podium op mocht voor het maken van deze live-plaat. Metz speelt veel met Imogen Heap, zijn Nadishana Trio en sinds kort ook solo. Veel van ’s mans optredens -hij speelt bas- vinden plaats op wereldmuziekfestivals. We vreesden een beetje dat zijn wereldmuziekroots een grote impact zou hebben op ‘Lauschen’, maar daar is weinig of niets van aan. Qluster klinkt niet meer zo vernieuwend als K/Cluster indertijd, maar de negen stukken die eigenlijk één geheel vormen, zijn ook nu het beluisteren waard. Donkere ambient met hier en daar wat melodie, structuur en onderhuids industrieel aandoende geluiden maken ook deze plaat tot een must voor krautrockliefhebbers. De enige constante in de drie incarnaties is het feit dat alles is geïmproviseerd, wat telkens opnieuw, net door de vele precies kloppende details, verwondering wekt.

Twee jaar geleden slaagde Nosaj Thing erin om zijn een eigen plek af te dwingen in de wereld van de elektronische muziek. Maximalisten als Rustie en Hudson Mohawke waren toen volop aan zet, maar deze Amerikaan zijn introverte ‘Drift’ bood een welgekomen alternatief. Op ‘Home’ kiest de jonge laptopartiest nog steeds voor die intieme aanpak. Verwar zijn warme en huiselijke geluid echter niet met de fletse muzak die de eigentijdse koffiebars opluistert. Denk eerder aan Mount Kimbie en Flying Lotus die elkaar na enkele slapeloze nachten in een verduisterd porseleinenwinkeltje proberen aftroeven met de meest moderne klanken. Met dat resultaat, gekoppeld aan wollige bassen, diepe synths, dwarse beats en een verdwaalde streep piano hier en daar, tovert Nosaj Thing een avontuurlijke droomwereld uit zijn toverlamp. Kazu Makino, de zangeres van Blonde Redhead, mag het raadselachtige ‘Eclipse/Blue’ van zang voorzien; ‘I Used To Know How To Please You’, weerklinkt het onbevredigd vanuit de verte. Op ‘Try’ komt ook Toro Y Moi voorbij, maar vergeet dit album vooral niet in zijn geheel te beluisteren, als één langgerekte trip richting verwondering en bonhomie. Met ‘Home’ door de koptelefoon was thuisblijven op een vrijdagavond nooit eerder zo aangenaam.

Op ‘Hardcourage’ laat FaltyDL zijn baspedaal wat los, om de paden van de avontuurlijke, polychrome elektronica te verkennen. Dit resulteert in een aangename luisterplaat waarop de Amerikaanse producer zich een meester toont van het doseren. Er staat geen noot, geen snaredrum of baskick te veel op ‘Hardcourage’. Toch hangt er een aura van mystiek rond de nummers, waardoor je zelfs na enkele luisterbeurten nog steeds nieuwe elementen ontdekt. Wat FaltyDL op dit album onderscheidt van zijn collega’s is de jazzy inslag. Het spontane ‘Straight & Arrow’ bijvoorbeeld lijkt wel al improviserend op plaat gezet. Op ‘She Sleeps’ krijgt FaltyDL de hulp van Ed Macfarlane, de zanger van Friendly Fires, die hier instaat voor een aanstekelijk nummer met genoeg weerhaakjes om te blijven boeien. Om toe te treden tot het kransje der echte groten mist FaltyDL momenteel nog de briljante ideeën van Flying Lotus of van Four Tet. Maar dat hij op de goede weg is, zal niemand ontkennen.

‘All You Can Eat’ kwam enkele maanden terug reeds uit op vinyl, maar kent door het succes bij rock-’n-roll-liefhebbers alsnog een release op cd. Verwacht dus absoluut niets anders dan pure rock-’n-roll van dit Spaanse collectief. Opener ‘Shake’ zit, mede door de stem, dicht bij MC5 en The Stooges. Vunzig gespeelde en smerige, met bier doordrenkte rock-‘n-roll volgens het boekje. Voor de overige elf nummers wordt gekozen voor een minder indrukwekkende zang waardoor de songs ook iets minder heftig uit de hoek komen. Met weinig poespas op de band gepleurde songs, dat wel, waardoor de songs regelmatig als overstuurde garagepunk klinken. Wij hebben daar echter niets op tegen. De band duidelijk ook niet, want The Meows gaan er prat op dit album in een paar uur goedkope studiotijd te hebben ingeblikt, met weinig voorbereidingen vooraf bovendien. Moeten we zelf veel tralala verkopen over deze plaat? Absoluut niet. Wie zin heeft in goede, lekker ouderwetse rock-’n-roll zal genieten. Mensen die iets nieuws of gesofisticeerd zoeken, blijven hier best ver vandaan. Wij vinden ‘Sugar Women’, ‘Hurting Me’, ‘Talk Too Loud’ en de rest lekkere snotty garagepunk en daar hebben we meestal veel plezier aan.

De tweede van het uit Virginia, Richmond afkomstige Inter Arma is een eerder lastige noot om te kraken. Er is namelijk niet zo eenvoudig een lijn te trekken op ‘Sky Burial’, laat staan dat het album makkelijk te doorgronden is. Hoofdreden daarvoor is dat de band voortdurend van stijl verandert, tussen de nummers zelf maar ook binnen de soms heel lang uitgesponnen songs. Het kwintet brengt een mengeling van doom, black, grind, sludge, psychedelica en mathrock en gaat daarbij grotendeels instrumentaal te werk. Hier en daar komt de stem van Mike Paparo (ex-False Hope, ex-Dick Butkis, ex-Hatred Profound, ook Bastard Sapling) de boel grondig verstoren om er een zeer duister, agressief en black metalsfeertje aan toe te voegen. Stukken die al snel meer dan acht minuten duren laten de vijf heren de ruimte om te experimenteren tussen de verschillende genres, waarbij ze soms uitermate ingetogen doorgaan voor een paar minuten om dan pas de hel en het geweld te laten uitbarsten. Dat ze niet voor één gat te vangen zijn, bewijzen de soms lange drumsolo’s die ondanks alles niet vervelen of er de vaart uithalen, omdat ze perfect passen bij de gecreëerde sound en sfeer. Technisch kunnen staat hoog op het lijstje, want er staan een paar uiterst ingewikkelde en quasi niet te volgen fragmenten op deze plaat. Vandaar dat we er ook mathrock als invloed bij haalden, in een extreme metalversie dan wel. Dankzij de rustpunten is ‘Sky Burial’ niet helemaal een uitputtingsslag geworden, al scheelt het dikwijls niet zo veel. Dit is gewoon een doorbijter om nu en dan eens uit het rek te halen als het allemaal net iets moeilijker mag zijn.

David Tomat en Gabriele Ottino zijn allebei producer en zanger in diverse projecten. Met Niagara zijn ze net begonnen, en ‘Otto’ (het Italiaanse woord voor acht) is hun eerste gezamenlijke album. De twee laten zich niet inperken door vakjes of hokjes, maar maken een flink psychedelische mix van pop, triphop, glitch, folk, spacerock en nog zo wat, met een behoorlijke dosis Pink Floyd en The Beatles, uit de tijd dat die ook alle trukendozen van de studio opentrokken. Het volle geluid is om door een ringetje te halen en laat absoluut geen ruimte tot ontsnapping, maar allerlei rare fratsen tussendoor houden het nog enigszins luchtig. Er is nog net geen overkill aan ideeën in ‘Otto’ gestopt, maar het scheelt niet veel, zoveel hebben deze producers te vertellen. Na een dik half uur is het zaakje bekeken, maar dat is dan ook weer niet zo vreemd – en de galmpartijen echoën nog lang na. Een knap staaltje werk – met zang die wat aan de gladde kant van het spectrum zit – dat vooral boeit door de trippy geluidsgolven, vervreemdende en bizarre instrumentatie en buitengewoon zorgvuldige techniek.

Altijd moeilijk of muziek die té mooi is. De neoklassieke scene rond mensen als Nils Frahm, Ólafur Arnalds en de zich inmiddels aan het hokje ontworstelende Peter Broderick krijgt dat verwijt regelmatig, en het is makkelijk te begrijpen waarom. De muzikanten in het genre maken gebruik van klassieke instrumenten en een klassiek geluid, maar refereren vooral aan het type klassieke muziek dat mensen opzetten omdat het ‘zo lekker rustig’ is. Geen spoor van de harmonische vernieuwingen die hun voorlopers als Erik Satie en Claude Debussy nastreefden. Maar ja, harmonische vernieuwing anno 2013 is dan ook meestal strontvervelend. Lastig, lastig. De debuutplaat ‘Ostara’ van het Friese project Silmus van Gert Boersema wordt overal de hemel in geprezen, en het voldoet aan alle goede én slechte aspecten van het neoklassieke geluid. De tien sfeervolle soundscapes, opgebouwd rond gitaarminiatuurtjes van Boersma en afgemaakt door zijn producer Minco Eggersman, kabbelen heerlijk het oor in, en wiegen je psychedelisch in slaap. Enige spanning is ver te zoeken, en er is geen enkel moment waarop je uit je rust gehaald wordt door iets opvallends – wat dan ook, een sterke melodie, een afwijkend geluid. Dat alles zorgt voor een plaat die coherent en prachtig uitgevoerd is, en ongetwijfeld een dankbaar publiek zal vinden, maar die ook gewoon een beetje saai is. Altijd jammer, muziek die té mooi is.

“The Irrepressibles spelen in het hinterland van onze postmoderne kapitalistische burn-out. Ze dollen met sintels, huilen om de ondergang en vinden nieuwe dingen uit.” Zo klonk het zo’n tien jaar geleden uit monde J. G. McDermott, het brein achter de Britse tienmansformatie. Na de release van enkele ep’tjes toverde de groep zijn debuutplaat ‘Mirror Mirror’ uit de grote zwarte hoed. ‘Mirror Mirror’ was een theatraal popfestijn met barokke arrangementen en grote emotionele uithalen, overschilderd met een dikke, glinsterende laag gay. Met die bonte cocktail slaagden The Irrepressibles er voor het eerst in om ook buiten artistieke kringen zieltjes voor zich te winnen. Met ‘Nude’ gaat de groep verder waar ‘Mirror Mirror’ ophield en bevestigt hij zijn kunnen. Grote, weelderige arrangementen met strijkers, percussie en lichte elektronica wisselen af met intieme momenten aan de piano en een enkele keer zelfs akoestische gitaar. De engelachtige koorzang keilt de nummers herhaaldelijk hoog de hemel in en vormt een zeer goeie aanvulling op de stem van McDermott, een stem die nog altijd zeer sterk doet denken aan die van Antony Hegarty, Rufus Wainwright en Mike ‘Perfume Genius’ Hadreas – ook al geen onbekenden in de homoscene.
The Irrepressibles zal met deze ontwapenend eerlijke en vakkundig gecomponeerde plaat wellicht ook niet het grote publiek veroveren, maar heeft wel met verve bewezen dat het bejubelde ‘Mirror Mirror’ geen toevalstreffer was. Nieuwe hoogtepunten: ‘New World’, ‘Two Men In Love’ en ‘Tears’.

Onlangs kregen we de vraag naar welke band we uitkeken in 2013. We hadden toen net de vooruitgeschoven single ‘People Of The Sticks’ gehoord. Ons ietwat spontane antwoord was dus The Besnard Lakes. Niet alleen omwille van dat nummer, maar ook omwille van de schitterende platen en optredens die de band ons al schonk. Dat we een paar jaar geleden ook nog de kans kregen om de ravissante frontvrouw Olga Goreas te interviewen zorgt ervoor dat de groep in een hoge schuif ligt bij ons. De groep begon een tweetal jaar geleden te werken aan dit album. Dat die andere spil van de band, echtgenoot van Olga Goreas en Allman Brothers-lookalike Jace Lasek, een eigen studio uitbaat, zorgt ervoor dat de band rustig kan werken aan elke nieuwe plaat. Aan deze werd een jaar gewerkt om alle details goed te krijgen. En het resultaat is weer van uitmuntende kwaliteit. Vanaf openingsnummer ’46 Satires’ grijpen ze ons bij de keel met die uitgepuurde weidse klank die we al kennen van de vorige albums. Elementen uit progrock, postpunk, sixties girlbands en shoegaze buitelen weer heerlijk over elkaar heen in de acht nummers van het album. De teksten zijn weer vaak behoorlijk cryptisch, maar een zekere ongemakkelijke condition humain sijpelt weer door. Met de nodige aandacht voor dubbellevens van spionnen, een favoriet thema van Jace Lasek. Een hoogtepunt vraagt u? Als we echt moeten kiezen, doe dan maar ‘At Midnight’. Maar daar doen we echt de rest mee tekort. En dat allemaal afgewerkt met een mooie albumhoes. Nu al voer voor de eindejaarslijst van 2013.

Met een bandnaam als Friska Viljor geef je meteen een beetje prijs dat de roots van de groep in Scandinavië ligt, meer specifiek in Zweden. Daar is uiteraard niets mis mee, zeker als de zanger de Engelse taal behoorlijk onder de knie heeft. Het is onze eerste kennismaking met Friska Viljor, hun vijfde plaat ondertussen, maar we gaan zelf dan ook niet actief op zoek naar doorsnee indiepop. Dat is namelijk wat deze Zweden maken: doorsnee(uw)pop. De titel van de plaat vraagt, smeekt bijna, om de bandnaam te onthouden. Dwars als we zijn, gaan we dat uiteraard niet doen. Niet omdat we altijd van slechte wil zijn, maar na het luisteren van de plaat, blijkt dat we er niets van hebben onthouden. Rien, noppes, nada, nul, zero de botten. Dan maar van slechte wil. Een collega gonzoist vond ‘Bravo’ al een misplaatste dronkenmannenplaat, en dat is met deze net zo goed het geval. Verhuizen naar Beieren, bierfeesten houden, Aalst carnaval vieren en meer van dat soort onzin, het zijn maar enkele gelegenheden waar deze Zweden misschien wel welkom zijn. Hier niet.

Prince Rama + Grimes = Doldrums. Werp er desnoods nog wat Siouxsie And The Banshees bij, stempel de Canadese vlag op de hoes en de nieuwste hype ligt aan je voeten. Doldrums is pure waanzin verpakt in flamboyant stuiterende popdeuntjes verstopt tussen alles wat er ook maar gebeurt in een Doldrums-nummer. De single ‘Egypt’ pronkt met een hemels refrein omhuld met een schizofrene verpakking. ‘Anomaly’ houdt het even absurd terwijl in de achtergrond synths in conflict gaan en ritmes overdonderen. Doldrums loopt dan ook rond in Montréal, het nieuwste epicentrum voor durfal popliefhebbers die denken de raves uit 1989 te (her)beleven. En ditmaal niet als foetus. Oei, op je tenen getrapt? Wacht even. Doldrums had namelijk nooit deze waanzin kunnen presenteren als hij niet was opgegroeid met platen van Negativland en Purist. Hij laafde zich jarenlang aan immense noisetapijten, ontdekte het popkind in zichzelf en gooide alle bruikbare psychedelica in de strijd. ‘Lesser Evil’ is het resultaat van wilde huisfeestjes, incestueuze muziekbestuivingen en ‘ons kent ons’. Dit is het Montréal dat je als toerist nooit leert kennen, maar dat je in Europa doet zweten in een veel te klein kraakpand. Vergeet die nieuwe plaat van The Knife, ‘Lesser Evil’ is het nieuwe kwaad.