GC #115

Altijd leuk -positieve verrassingen tussen de stapel te recenseren cd’s. Lo! is er zo eentje. Deze sludge/metal/hardcore band uit Sydney heeft met ‘Monstrorum Historia’ een klassieker in wording in handen. Openingtrack ‘As Above’ houdt de spanning er nog even in, met zijn sludge ambient, maar vanaf ‘Bloody Vultures’ is er geen houden meer aan. Het kwartet klinkt genadeloos, enthousiast en zelfs, wat lastig is in dit spectrum van het genre, verfrissend. Denk aan een combinatie tussen Hatebreed en Norma Jean met een dosis Austrialische bluf. De bijna noodzakelijke breaks zijn daar, maar zijn nooit overbodig en vallen altijd precies op de plek waar ze zouden moeten. Er wordt afgewisseld tussen keihard gas geven en tijd nemen voor een moment van stoneroverpeinzing. De vocalen zijn, om maar in metaltermen te spreken, bruut en doen je constant grijpen naar de volumeknop. Juist, om de muziek net nog een tikje harder te zetten. Gewoon, omdat ze zo verdomde fijn klinkt. Bij ‘Carancula’ willen we ons bier in de lucht gooien om ons vervolgens in een beukende circle pit te gooien, maar tot onze verbazing zitten we rustig thuis in een stoel. Hoewel, rustig? De stoel staat inmiddels een meter verwijderd van zijn oorspronkelijke plek, want blijkbaar kunnen we niet stilzitten. Dit is een plaat waarbij we constant vrezen dat hij ieder moment af kan zijn en bij die gedachte breekt het angstzweet ons haast uit. Maar gelukkig is daar dan het besef dat we de plaat opnieuw op kunnen zetten. En nog eens alstublieft… Zo halverwege de cd laten interlude ‘Crooked Path – The Strangers Ritual’ en opvolgende track ‘Lichtenberg Figures’ horen hoe veelzijdig Lo! is en hoe goed ze eigenlijk zijn. Zelfs na zo’n twintig keer luisteren, blijven we terugkeren naar dit monsteralbum. IJselijk goed.

Weinig genres kunnen zo gek makend zijn als popmuziek. Zowel in goede als slechte zin. Het Perfecte Popliedje kan je in één klap van je gezond verstand afhelpen, een beetje zoals het Ultieme Meisje en de Ultieme Jongen dat kunnen. Is dat Popliedje dan net niet Perfect, dan wurmt het net zo onontkoombaar naar de kern van je bewustzijn, om je daar dan tot volkomen waanzin te drijven. En dan zijn er nog de popliedjes die helemaal niet zo fanatiek je leefwereld overnemen, maar gewoon een beetje op de achtergrond blijven hangen – wat voor veel muziek prima is, maar voor popliedjes een doodzonde. De ellende is dan nog eens dat de grens tussen die drie types vaak akelig dun is en onmogelijk om aan te wijzen. The Spinto Band worstelt al zeventien jaar in de indiemarge met dat Perfecte Popliedje. Daarbij gaan ze niet nonchalant te werk: hun liedjes zijn uiterst zorgvuldig opgebouwd, en voor ieder nummer wordt het kleurenpalet weer helemaal schoon geveegd en worden nieuwe instrumenten en keyboardgeluidjes opgetrommeld. Daarbij doen ze denken aan popalchemisten als The Olivia Tremor Control, The Shins of meer recent Alt-J. En van alle drie zojuist geschetste categorieën popliedjes is er wel eentje te vinden op ‘Cool Cocoon’. Liedjes als ‘Amy + Jen’ en ‘Memo’ zijn goddelijk. Songs als ‘She Don’t Want Me’ en ‘Breath Goes In’ doen je horendol draaien met hun ‘Ooh’-koortjes en kermismelodieën. En in iets als ‘Look Away’ blijf je maar wachten tot wanneer die briljante wending nou komt – niet, dus. Met zo’n onevenwichtig resultaat snap je op zich dat nog niet iedereen fan is van deze band, maar als ‘Amy + Jen’ dan weer voorbij komt, is alles weer vergeten en vergeven en wil je nooit meer iets anders. Om moe van te worden, popmuziek.

Holly Ross en David Blackwell vormen niet alleen samen de band The Lovely Eggs, ze zijn ook in het gewone leven een koppel. Holly zong tot 2002 in Angelica, een volledig vrouwelijk punkcombo uit Lancaster. In 2006 begon ze het duo met haar man, die ook gitaar speelt in het dronecombo Three Dimensional Tanx. De muzikale kriebels waren duidelijk niet verdwenen tijdens hun meer huiselijke leven tussen 2002 en 2006, integendeel. Inmiddels is het duo aan zijn derde langspeler toe, die net als voorheen bulkt van charmant rammelende, behoorlijk poppy liedjes en miniatuurtjes die inhoudelijk toch wel veel, zo niet alles, met een huiselijk leven en de erbij horende kleine dingen van alledag, te maken hebben. Liedjes over eieren, met zo’n bandnaam kunnen die niet ontbreken, allerlei soorten eten, de opgesloten dieren in een dierenwinkel, allergieën, Willem Tell, het kan allemaal in de aanstekelijk naïeve wereld van The Lovely Eggs. Hier en daar horen we nog invloeden van het punkverleden van Ross, in het lekker schreeuwerige ‘The Undertone’ bijvoorbeeld. ‘Please Let Me Come Mooch Round Your House’ is dan weer regelrechte sixtiespop. ‘Cigarettes’ leunt op een sober orgeltje en een rustige zang en zo variëren de liedjes voortdurend. Naargelang het ei ’s morgens smaakte, vloeien de innemende liedjes uit de pennen. Het is geleden van de platen van Jad Fair, solo of met Half Japanese, dat we gelijkaardige plaatjes hoorden die kwalitatief zo hoogstaand klonken zonder dat er veel productie aan te pas kwam.

“Sacha Dunable, kop dicht” dat is wat we voortdurend denken bij het beluisteren van het vierde album van Intronaut. Het wordt een trend. Postmetalbands en hun leden worden ouder, denken dat het tijd wordt om het wat rustiger aan te doen, houden op met schreeuwen en beginnen te zingen. Proberen dan toch. En dan gaan ze finaal op hun bek. We denken aan het recentste werk van Baroness, waar onze tenen net zo van in de war raakten als van ‘Habitual Levitations (Instilling Words With Tones)’. Een hoogdravende titel trouwens, die best wel past bij de geleverde muziek. Meermaals neigt die namelijk naar oeverloos vervelende progrock. Probeer halfweg ‘Milk Leg’ en geef ons gelijk. Het latere werk van Tool en Isis kan als voorbeeld dienen voor deze plaat. Wie er van houdt, van dat oeverloos virtuositeit tentoonspreidende ‘kijk eens, zonder handen’, zal dit album eindeloos genieten zijn. Voor de rest zal alleen al de stem van Dunable een ferme afknapper wezen, en dan spreken we niet eens van dat naar fusionjazz neigende kantje dat vooral drummer Danny Walker en bassist Joe Lester tentoonspreiden.

Het Brits-Australische trio PVT houdt van verandering. Het begon onder de naam Pivot en bracht twee albums uit: ‘Make Me Love You’ (2005) en ‘O Soundtrack My Heart’ (2008). Overstuurde rock met wat elektronica. Tot zover Pivot. Want in 2010 kwamen de drie met het album ‘Church With No Magic’ en een nieuwe naam: PVT. Ze kregen ruzie met een Amerikaanse band met hetzelfde etiket. De plaat maakte verder niet veel indruk en PVT/Pivot dreigde in de vergetelheid te raken. Dat moeten ze zelf ook aangevoeld hebben. Tijd voor een nieuw label: het New Yorkse Felte (ERAAS, Billow Observatory). Het nieuwe album doopte ze ‘Homosapien’ en klinkt nergens als het voorgaande werk. ‘O Soundtrack My Heart’ liet horen dat PVT echt een instrumentale band was, eentje in de richting van de postrock en waar zweverige synths en diepe bombastische drums de boventoon voerden. Maar dat is nu anders Want ondanks dat openingsnummer ‘Shiver’ nog niets verklapt, is ‘Homosapien’ pop. Pop met elektronica-invloeden, dat wel, maar de onheilspellende postrock achtige composities zijn ingewisseld voor jaren tachtig synth’s en zang, met soms wat postpunk gitaarriffs. Instrumentalist Richard Pike neemt de taak van zanger op zich en zijn stem doet denken aan die van Foals-zanger Yannis Philippakis. Daar kan Pike verder ook niets aan doen, maar het pikt wel wat van de authenticiteit van PVT in. En zo hebben we eigenlijk alle kanten van ‘Homosapien’ wel eens eerder gehoord, en zijn we er eigenlijk vrij snel klaar mee. Electro-achtige pop is een beetje klaar, de postpunk rivival is al een paar jaar afgelopen en wellicht dat het ook niet helpt dat Foals de nieuwe plaat ‘Holy Fire’ op exact dezelfde dag uitbrengt als PVT ‘Homosapien’. Deze domme pech, en alle andere factoren hierboven, trekken PVT langzaam het dal der vergetelheid in. Verandering is soms niet de oplossing.

Het viertal mannen dat samen The Mary Onettes vormt, komt uit Jönköping, een buiten Zweden niet erg bekende stad in het hoge Noorden. De meeste liedjes komen van gitarist/zanger Philip Ekström, en zijn romantische, van melancholie doordrenkte, krachtige stem past perfect in het jaren tachtig idioom waar de band op voortborduurt. Al dertien jaar zijn ze daar al weer met wisselend succes mee bezig, en dat heeft de groep duidelijk hecht en heel gemaakt. In grote mate voorspelbaar ook trouwens, want het jarenlang knutselen aan de sound van de voorgangers uit eind vorige eeuw wordt wel erg nadrukkelijk in een overbekende template gegoten… Echo & The Bunnymen, The Cure en Simple Minds zijn nooit ver weg in de verder prima uitgevoerde en perfect klinkende symfonische droompop/rock van The Mary Onettes, die daar toch weer enigszins een eigen draai aan geven. Maar ook weer niet al te veel…

Snuff is een legendarische Britse (Hendon) pretpunkband die al sinds 1986 menig punkhol onveilig maakt. De band kende doorheen zijn lange carrière regelmatig bezettingswissels, koerswijzigingen en hiaten op momenten dat ze al dan niet gesplit waren. Toch blijft de band en de leden ervan geregeld opduiken., met Snuff of in andere projecten. Na een paar jaar stilte zijn ze er met een nieuw album, dat net aan hetzelfde euvel lijdt als het gros van het plaatwerk. Elke keer staan er een paar zeer goede punkrockliedjes op. Elke keer staan er net zoveel zwakke liedjes tussen, al dan niet grappig bedoeld, die de coherentie van het geheel teniet doen. Een deel van die liedjes werkt trouwens heel erg op onze zenuwen, waardoor het zelden gebeurt dat we een plaat van Snuff nog een keer zijn rondjes laten draaien. Op een podium komt de pretpunk van dit soort bands, denk ook Mucky Pup en Hard-Ons, steeds uitermate goed over, zeker als er voldoende alcohol in het spel is. Op plaat ontbreekt die feestvreugde en moeten we het doen met de liedjes zelf. Opener ‘In The Stocks’ valt goed mee, dankzij de humor. ‘Mumbo Jumbo’, ‘Bones For Company’ en ‘I Blame The Parents’ zijn de positieve uitschieters: lekker vette, snel gespeelde punkrock die tot pogoën uitnodigt. ‘EFL’ en ‘Mary Poppins’ lijken te willen opkijken naar The Pogues en de twee afsluiters, die akoestisch worden gebracht, zijn helemaal waardeloos. Zelfs al is de afsluiter de akoestische versie van het openingsnummer. Hun cirkel is rond en onze mening over Snuff blijft ongewijzigd: bij momenten zeer te pruimen, bij andere momenten uit te spuwen.

In GC#103 waren we behoorlijk lovend over ‘Lollipop’, het album dat Meat Puppets twee jaar geleden uitbrachten. We waren de band rond de broertjes Kirkwood even uit het oog verloren, maar gingen al snel op zoek naar de twee platen die we hadden gemist (‘Rise To Your Knees’ uit 2007 en ‘Sewn Together’ uit 2009). Spijt hebben we daar absoluut niet van gehad, want voornoemde drie platen staan vol met heerlijke indierock met een scheutje country en psychedelica. De band, reeds actief sinds januari 1980 en afkomstig uit Phoenix, Arizona, kende zijn hoogtepunt toen ze assisteerden bij de MTV Unplugged-sessie van Nirvana. Het erna volgende album ‘Too High To Die’ (1994) was niet alleen bijzonder degelijk, het werd tevens een verkoopssucces. Doorheen de jaren bleven de broertjes geregeld een plaat uitbrengen. Net als voorganger ‘Lollipop’ is de drummer ook nu weer Shandon Sahm (zoon van Doug Sahm) en bewijst het kwartet (Curts zoon Elmo Kirkwood is er bijgekomen als tweede gitarist) nog maar eens dat ze heel mooie liedjes kunnen neerzetten. Het komt er bij dit album gewoon op uit dat wie de typische, behoorlijk nasale, stem van Curt Kirkwood niet kan uitstaan, afhaakt. Mensen die, net als ondergetekende, geen probleem hebben met ’s mans stem kunnen voluit genieten van een resem quasi perfecte liedjes. Geen spielerei en moeilijk gedoe deze keer, wat vooral Chris Kirkwood al eens de liedjes wilde binnen smokkelen. De focus ligt op makkelijk in het gehoor liggende songs met leuke melodieën. Meat Puppets is op dit gebied deze keer over de hele lijn geslaagd. We hoorden geen enkel zwak moment, de scheut country is minimaal en eigenlijk tonen deze heren aan het jonge grut hoe steengoede alternatieve rock hoort te klinken, toen en nu.

Hipsterkids vinden de gekste namen uit om muziek te categoriseren. In het voorjaar van 2010 was chillwave all the craze. Die zomer werd vooraf al uitgeroepen tot ‘The Summer Of Chillwave’. De bands die aan dat label beantwoorden en die wij in die zomer zagen op een paar podia konden met moeite een deuk in een pakje boter slaan. De hype kwam dus even snel als ze verdween. Er zijn echter nog een aantal overlevers. Eén van de voorlopers, Toro Y Moi, zweert op zijn onlangs verschenen plaat het genre volledig af. Vraag was dan ook of Small Black op haar tweede album hetzelfde zou doen? In mindere mate. Het viertal blijft daarvoor toch iets te veel hangen in de bekende paden. Vaak horen we lo-fi synthriedels als verpakking van een stel, het moet gezegd, soms catchy popsongs. Luister maar naar het zeer eighties klinkende ‘Proper Spirit’. En helemaal dansen is het op het uitbundige ‘Only A Shadow’. De ietwat vreemde hoesfoto is van de Nederlandse fotografe Scarlett Hooft Graafland. Als uitsmijter nog dit. Onlangs lazen we de term ‘Islam Electronica’ als omschrijving van een bepaalde artiest. En er werd bijgezegd: ‘Witch House, maar dan zonder de hipsters.’ Kijk, daar kunnen wij echt niet tegenop. Sorry hipsterkids.

Echt goede shoegaze gaat niet over de gruizigheid van het geluid, maar over de liedjes die daarachter verstopt zitten. Maar goed, als allebei goed zijn is het helemaal fijn natuurlijk. Dead Gaze heeft beide zaken op orde. Gouden melodieën in een intens, noisy geluid waarin alles in het rood gaat. Denk ergens tussen My Bloody Valentine, Ty Segall en The Flaming Lips. Productioneel is de band (voorheen een eenmansproject, sinds kort uitgegroeid tot volwaardige band) bovendien net iets ambitieuzer dan de gemiddelde shoegazeband, want ook analoge synthesizers, samples en field recordings duiken op in de liedjes. En ook voor een relatief clean liedje voelt de band zich niet te goed, zoals het onweerstaanbare poppy ‘Glory Days For Sure’ dat warme nostalgische gevoelens oproept naar ‘1979’ van The Smashing Pumpkins en naar The Cure. En op deze plaat is het ‘all killer, no filler’-principe ook toegepast, want ‘Dead Gaze’ is een compilatie van de beste liedjes uit het oeuvre van de band, dat vooral uit onvindbare 7inches en cassettes bestond. Deden alle gararerockbandjes en soundscape-artiesten met hun waanzinnige productie dat maar eens, om de zoveel tijd een handzaam cd’tje of lp uitbrengen met een samenvatting van de afgelopen jaren. Kortom, heerlijke plaat, in alle opzichten. We krijgen weer zin in dit jaar.

Uit de Outback komen ze, de heren van Blacklevel Embassy. Australische hardrock die klinkt alsof ze rechtstreeks uit de jaren 1990 naar nu gekatapulteerd is. En dat is een absoluut pluspunt, want we horen een vroege Clutch terug op ‘New Veteran’. Maar ook een Mclusky of het latere Future Of The Left zijn goede aanknopingspunten om hun muziek te duiden. De bas groovet als een malle en gaat geheel zijn eigen weg, de dienende gitaar- en drumpartijen achter zich aan slepend. Luister naar ‘I Keep Making Tiny Men’, dat niet alleen als afsluiter van de plaat fungeert, maar tegelijk als boemerang, want je zal gelijk terug naar opener ‘New Veteran’ gaan om nogmaals ondergedompeld te worden in deze stoner hardrock. Want stoner dat is het toch zeker, ondanks de over het algemeen korte nummers, waarvan er maar eentje boven de vijf minuten klokt. De band voelt heel goed aan dat deze muziek baat heeft bij ademruimte in de nummers. Vooral in ‘Viking Tattoo’ ontstaat een gevoel van kalmte en onthaasting die in veel producties totaal ontbreekt. De teksten die hier en daar met een vet Australisch accent worden gebracht getuigen van humor en ouderwetse hardrock intelligentie. Het geheel klinkt alsof er met een soort nonchalance wordt gejamd en alsof er leden van Fugazi goedkeurend toekijken. Op ‘Old Revolt’ horen we de klaagzang “rock-‘n-roll has been and gone”, maar Blacklevel Embassy logenstraft hun eigen teksten direct met dit album. Niet eens nadenken, gewoon gelijk kopen.

Van de New Yorkse experimentele gitarist Alan Licht hadden we al een tijdje geen soloprojecten meer gehoord. Nu is bij Editions Mego een lp verschenen, waarmee hij zich luidruchtig en tegelijk virtuoos weer van zich laat horen. ‘Four Yeras Older’ presenteert twee ontwikkelingsstadia van hetzelfde gitaarstuk, dat Licht de afgelopen jaren heeft gespeeld. Kant A van de lp laat een live-registratie horen van het debuut van het gitaarstuk. Dat wil zeggen: tweederde van het oorspronkelijke stuk, zoals hij dat in 2008 in The Electric Possible in Washington ten gehore bracht. ‘Four Years Earlier’, zoals het stuk in live-uitvoering is genoemd, gaat van start als een niet aflatende stroom van venijnig piepende en knarsende geluiden, overgaand in een gordijn van elektrisch geluid, waarin vaag nog verschuivingen in toonhoogte herkenbaar zijn. Na een passage waarin het geluid wat wegzakt (technisch probleempje?) worden verschillende loopjes op de snaren herkenbaar; kleine lijnen die door de enorme distortion tot een korrelig, gruizig, maar vloeiend geluidsgeheel verdichten. De andere lp-zijde laat de studio-opname ‘Four Years Later’ uit 2012 horen als het resultaat van een proces dat het stuk in de tijd heeft doorgemaakt. Het geluid is meer rechttoe-rechtaan, zuiverder, waardoor ook beter te volgen is wat Licht doet. Ook hier zorgt de zware vervorming van het gitaarspel voor een aanhoudend geluid dat als een drone cirkelt boven de virtuoze loopjes. Als Licht de distortion wat terugneemt, zijn de razendsnel gespeelde, minimalistische lijntjes hoorbaar, waar menig metalgitarist geil van wordt. Vervolgens gaat het stuk weer over in een zwaar, log, vervormd brommend geluid om te eindigen in een lange drone. Alsof deze stukken, van respectievelijk zo’n twintig en vijftien minuten, op zich al niet indrukwekkend genoeg zijn: beide zijn in een keer opgenomen, zonder overdubs.

De stroom heruitgaven van het werk van Hans-Joachim Roedelius blijft voortduren. Niet dat we dat erg vinden. Bureau B kiest elke keer voor platen uit ’s mans omvangrijke oeuvre die minder bekend zijn of die nauwelijks zijn te vinden. Deze keer kan iedereen (opnieuw) kennis maken met zijn achtste soloalbum, oorspronkelijk verschenen in 1982. Roedelius had net de opnames voor ‘Curiosum’ van Cluster achter de rug. Dat had zo zijn invloed op het maken van ‘Offene Tueren’, dat iets avant-gardistischer klinkt dan zijn voorgangers. Hij grijpt weliswaar terug naar de basis die hij had gelegd met zijn serie ‘Selbstportrait’, minimale, onaf lijkende miniaturen die het midden houden tussen ambient en new age. Hij breekt die echter open, waardoor heel subtiele, bijna dansbare elementen opduiken alsook deuntjes die in een geflipte circusshow niet uit de toon zouden vallen. Het lijkt alsof Roedelius in een humoristische bui was waarin alles kon en mocht. Als we dat aftoetsen aan zijn vijfde soloalbum ‘Selbstportrait III: Reise Durch Arcadien’, merken we dat de muziek die hierop prijkt, zich veel meer op de achtergrond houdt. De acht stukken zijn weliswaar soms ietwat frivool, maar dwingen tot mediteren, sporen ons aan om rust te zoeken. Het zijn muzikale sketches die Roedelius thuis opnam, ideeën die hij niet wilde kwijt geraken. Hij liet ze echter telkens een beetje onaf. ‘Offene Tueren’, met heel wat kerkorgel, is sacraler en neigt ietwat naar prog, terwijl dit zelfportret veeleer vintage Roedelius blijkt te zijn.

Op het ogenblik dat u deze recensie onder ogen krijgt, zijn de weergoden waarschijnlijk eindelijk iets beter geluimd wakker geworden. Op het moment van het schrijven van dit stukje is van enige positieve temperaturen echter nog geen sprake. De paasklokken komen bijna vanonder de wijde rokken van de nieuwe paus gefladderd, maar van enige zon of warmte is nog niets te bespeuren. Integendeel, sneeuwtapijten en gure noordoostenwind zijn nog steeds ons deel. Een zomers plaatje zou velen onder u wellicht plezieren. Ons niet, ook niet in de zomer trouwens, dus laten we het Australische trio Ascetic ons humeur lekker verder verpesten en aanpassen aan de gure buitentemperaturen. ‘Self Initiation’ is hun debuut. De plaat grijpt gretig terug in de tijd toen dark wave, cold wave en andere treurige deuntjes hoogtij vierden. De stem is donker en galmt een eind weg, de drums tikken traag, de drummer heeft weer geen zin of levenslust. De gitaar en de bas kronkelen van ellende en samen roepen ze de sfeer op die Joy Division tot hogepriesters maakten. Ascetic verwijst eigenlijk vooral naar het niet dansbare gedeelte van de Factory-catalogus. ‘Uroboros (Up From Eden)’ bijvoorbeeld begint met drums zoals die op het debuut ‘Always Now’ van Section 25 waren te horen. De stem is een mengeling van Ian Curtis en Michael Gira, wiens band Swans overduidelijk van grote invloed is in opener ‘Pharmacy’. Fijn aan de negen songs is vooral dat de plaat, al klinkt ze duister en grijpt ze terug in de tijd, geen seconde verveelt en ook absoluut niet gedateerd klinkt.

Naar onze onbescheiden mening beschikt David Sylvian over één van de mooiste stemmen uit de recente popgeschiedenis, waarbij hij moeiteloos tot hetzelfde niveau als Bryan Ferry (Roxy Music) en Paul Buchanan (The Blue Nile) kan worden gerekend. Op ‘Wandermüde’ is Sylvians stem echter volledig afwezig. Dat is goed om weten voor fans die vooral zweren bij het vroege solowerk van Sylvian en dus albums als ‘Brilliant Trees’ (1984) en ‘Secrets Of The Beehive’ (’87) waarop een prominente rol was weggelegd voor ’s mans fluwelen stem. Tegelijkertijd was Sylvian ook al in die beginjaren van zijn solocarrière niet te beroerd om onbevangen het experiment op te zoeken. Zo maakte hij al in 1985 samen met onder meer Holger Czukay (Can) en Robert Fripp) (King Crimson) de proto-ambientplaat ‘Alchemy – An Index Of Possibilities’. En ook later zou hij dat met deze twee blijven doen. ‘Blemish’ uit 2003 was een artistiek keerpunt: Sylvian koos nu volop voor abstracte geluidssculpturen en avant-garde. Zijn stem verdween nu steeds vaker naar het achterplan. Die lijn werd zes jaar later verder gezet op ‘Manafon’. Dat werd hem niet door alle (oude) fans in dank afgenomen, maar het hielp hem wél om bruggen te bouwen naar een jongere generatie muzikale vernieuwers als Christian Fennesz, Burnt Friedman en zo ook Stephan Mathieu. Voor ‘Wandermüde’ ging Mathieu aan de slag met het instrumentale bronmateriaal van ‘Blemish’ en het resultaat daarvan zijn zeven behoorlijk donkere electro-akoestische drones. Die zijn in niets te vergelijken met wat te vinden is op ‘The Good Son Vs. The Only Daughter – The Blemish Remixes’. Mathieu hanteert de microscopische scalpel en gaat bijgevolg in de diepte van ‘Blemish’. Hierdoor staat ‘Wandermüde’ volledig op zichzelf en had Sylvian zelfs niet vermeld hoeven worden.
‘Amplified Gesture’ verscheen al in 2009 als bonus bij de luxe-editie van ‘Manafon’, maar is nu ook als aparte dvd verkrijgbaar. Extra materiaal zoals een extra hoofdstuk moet er voor zorgen dat de fan nogmaals met duur verdiende centen over de brug komt. Ook hier is de naam Sylvian op de cover enigszins misleidend want ‘Amplified Gesture’ focust op en vertelt het verhaal van een internationaal gezelschap experimentele en improvisatiemuzikanten waarvan Keith Rowe, John Butcher, Otomo Yoshihide en Evan Parker er maar enkele zijn. Deze en anderen komen allemaal uitgebreid aan het woord en dat biedt meer dan een verhelderend inzicht in deze markante scene. En belangrijker: het licht ook een flinke tip op van de sluier van het eigenzinnige en rotgetalenteerde talent waarmee Sylvian zich telkens weer weet te omringen. Sylvian zelf ten slotte staat in een bonusfilmpje stil bij de totstandkoming van ‘Blemish’ en vooral ‘Manafon’. Enige oplettendheid hier is dus aangewezen. Niettemin een fascinerende duik in een grotendeels onontgonnen gebleven vijver.

Postrock: vrijwel iedere band de het maakt geeft aan liever niet met dat genre omschreven te worden. Toch maken al die bands gewoon dat: postrock. Als de nummers rond de tien minuten en volledig instrumentaal zijn. Als ze langzaam opbouwend een dromerige wereld neerzetten en vervolgens crescendo oplopen tot een ontploffende climax -ja, dan is dat postrock en dat is dan ook wat The Shaking Sensations maken. Dit vijftal uit Denemarken komt daar gelukkig wel gewoon voor uit en daar is niets mis mee, want ze behoren zeker niet tot de minderen in het genre en op deze plaat komen ze goed voor de dag. Zelfs als men niet geheel in de stemming is voor dit soort muziek, verandert dat al snel bij opener ‘Rocket Summer’, waarna het moeilijk is zich los te scheuren van de licht verslavende muziek die de rest van het album volgt. De gitaarpartijen waaieren fijn uit en de dubbele drumbezetting zorgt ervoor dat de nummers nergens te iel worden. De Denen weten op deze plaat een mooie balans te vinden tussen hoopvol dagdromen en weg zwijmelen in nostalgische melancholie. Er zit een zekere emo-kwaliteit in de muziek, in de stijl van American Football of Joan Of Arc. ‘Start Stop Worrying’ is geen wereldplaat en zal niemand schokken, maar voor de liefhebbers is dit zeker een aanrader en voor degenen die onbekend zijn met het genre een fijne binnenkomst.