GC #115

Uit Genève, Zwitserland komt het trio The Black Widow’s Project. Zanger en gitarist Al Castro richtte de band in 2010 op samen met drummer Math Sink. Na een helse zoektocht naar een vaste bassist vonden ze uiteindelijk Raph Despas en werd een eerste ep (‘Benefit Of The Doubt’) opgenomen. Daarop volgt nu een eerste langspeler die alle gezichten van de Zwitsers wil etaleren. En dat is een beetje jammer, want daardoor verliest de plaat elke vorm van coherentie. Bovendien bevindt de band zich voortdurend tussen wal en schip, of in muzikale termen: tussen oubollige crossover en hardrock, en hier en daar de betere stoner en grunge. Opener ‘Ha Ha Ha Uh’ is een prima song, die weliswaar heel erg werd geïnspireerd door Queens Of The Stone Age. Gelukkig op een positieve manier, wat niet over de volgende song, ‘Devil’s Waiting For Us To Fail’, kan worden gezegd. Daarna volgen drie songs die een mindere versie van Soundgarden brengen, om met ‘These Little Pricks’ in het vaarwater van Rage Against The Machine te belanden. En daarna gaat het eigenlijk alsmaar verder bergaf, hoe hard het trio ook probeert om telkens andere wegen in te slaan. Naar het einde toe bijvoorbeeld proberen ze met ‘Night’s Damp’ een Black Sabbath-riffje te mengen met The Stooges en southern rock, maar slagen daar geenszins in. Het gros van de liedjes is gewoon doorsnee hardrock van het derde knoopsgat, waar we absoluut niets mee kunnen. Alleen de opener van de plaat is echt de moeite.

Het hoesje van ‘Resorts & Ruins’ toont een vakantieoord, bijna idyllisch met een fel blauwe lucht, een turquoise zee en een kleurrijk strand. Maar op de tracklist zie ik verwarrend het nummer ‘Varosha (Disco Debris)’ staan. Varosha is de naam van een verlaten toeristenverblijf – een spookstad – in Famagusta in het noordelijke deel van Cyprus. In 1974 viel Turkije daar binnen, evacuatie volgde.
Die gebeurtenis valt samen met de eerste herinnering van Yannis Kyriakides. Hij bezocht Varosha opnieuw in 2008 en de herinnering aan vroeger viel samen met zijn bezoek. Het zien van de vervallen façades van de hotels confronteerde hem met een stilgezette tijd en het beeld van het geheugen zelf. Ook het stuk klinkt verlaten, het ontvouwt zich traag vol met gekraak van elektronica, flarden van stemmen en Turkse popmuziek uit de jaren 1970. Als luisteraar word ik door een stem door het stuk geleid, heen en weer geslingerd tussen samples en elektronica. De muziek trekt voorbij en eist op sommige punten al mijn aandacht op. Zo ook in het driedelige ‘Covertures’ waarin het geluid van een luidruchtige menigte is gecombineerd met een bewerking van Claudio Monteverdi’s opera ‘L’Incoronazione Die Poppea’. Een weerspannig stuk: het ene moment aangenaam rustig, het andere treffend intens. ‘Varosha (Disco Debris)’ gaat over herinnering. Hoewel dat misschien niet opvallend aanwezig is tijdens mijn eerste luisterbeurt, verlang ik terug naar het stuk. Als ik een paar dagen later over straat loop komen er flarden van Turkse popmuziek in mij op. Muziek die ik nog nooit in zijn geheel heb gehoord, maar die ik enkel gefragmenteerd gepresenteerd heb gekregen in het werk van Kyriakides. ‘Resorts & Ruins’ is een plaat gevuld met muzikale herinneringen, toevluchtsoorden en ruïnen die ik wil blijven bezoeken.

De vijfendertigste verjaardag van dit fel gezochte album werd niet afgewacht, maar dat stoort ons niet. Hoog tijd om ons origineel vinylexemplaar uit 1985 wat rust te gunnen, en te genieten van het genereuze bonusmateriaal (tien compilatiebijdragen) op deze gelimiteerde cdheruitgave. Voor Human Flesh eiste enig lid Alain Neffe het uiterste geduld van zijn invités die hem muziek, teksten, stemmen of geluiden stuurden. Het ingezonden materiaal bleef soms letterlijk jarenlang onaangeroerd eer het uiteindelijk werd (her)gebruikt in een Human Flesh track. Natuurlijk rekruteerde Neffe in eerste instantie vooral in eigen Insane huis (Pseudo Code, Bene Gesserit, Cortex, M.A.L. en vele anderen), maar hij vond evengoed Armeense dichters, Joodse harpmuziek en een helpende hand van tapevrienden als Merzbow of Debbie Jaffe (Viscera en Master/Slave Relationship). De stem van deze laatste op ‘Every Ill Man’ zorgt trouwens voor een pikzwart hoogtepunt. De werkwijze van Human Flesh staat natuurlijk garant voor variatie, maar toch heeft dit album onmiskenbaar een Insane-smoel: de combinatie van speelsheid en minimalisme, elektronische en akoestische instrumenten, verschillende meertalige stemmen, industriële grauwheid en humor, enzovoort. Ongeacht jouw persoonlijke voorkeuren en vooroordelen, valt er dus op ‘The 35th Human Attempt’ heel wat avontuurlijke muziek te ontdekken. Ook dank aan ontwerper Jan Van den Broeke omdat hij de zeer sterke originele hoes in eer gehouden heeft in zijn 2013 versie.

Er hangt iets in de lucht in het Noorden van Europa, of zal het de omgeving zijn die invloed heeft op de muziek die door haar bewoners wordt gemaakt? De fjorden, eindeloze wouden, het noorderlicht, de middernachtzon en de mythologie, het is er vaak donker en koud, met een weerbeeld dat langzaam voorgoed onze kant opkomt. Svarte Greiner (Erik K. Skodvin) uit Noorwegen – inmiddels verkast naar elders – weet er alles van. Hij werd bekend met het duoproject Deaf Center dat in 2005 de ambienthit ‘Pale Ravine’ (2005) maakte, inmiddels een klassieker die destijds Type Records definitief in de schijnwerpers zette. Solo is Skodvin nadien actiever als Svarte Greiner geweest en maakte keer op keer wonderschone platen. Wie zwicht er niet voor zijn lange drones vol akoestiek en elektronica, die zowel vreemd als somber klinken en een sfeer oproepen die net zoals het Noorse landschap zich niet in zinnen laat vangen? De unheimliche schoonheid doen velen het hoofd buigen. En ook ‘Black Tie’ krijgt een mooie plek in de kast naast de rest, een release die voor het eerst op Skodvins eigen Miasmah-label verschijnt. In twee uitgesponnen tracks van twintig minuten leidt Svarte Greiner de weg door schimmige passages waar het niet pluis is. In de verte is dreiging op komst, snaren resoneren en strijkers zwellen langzaam aan. Ingetogen en intens dwalen we na een climax verder op een golf van trage ruis en erupties om pardoes in het tweede deel van de tocht te belanden. Ook die beleving is prachtig donker en er gebeurt van alles. En als de stilte valt na de ronduit epische zes laatste minuten van de plaat, willen we maar een ding en dat is terug. Terug naar de langgerekte onbevolkte gebieden die gebukt gaan onder bossen, nevel, neerslag, wind, vuurreuzen en sagen over schikgodinnen. We buigen het hoofd andermaal. Klasse.

Dominick Martin wordt wel de stilste man in het drum ’n bass circuit genoemd. Onder de naam Calibre brengt hij sinds 2001 platen uit, maar doet dat zonder website. Al het nieuws wordt verspreid via de radio, magazines of bevriende dj’s. Martin is dus duidelijk een verlegen artiest. Toch heeft hij de stap genomen mee te werken aan een editie van FabricLive, de compilatie-albums van de bekende Engelse club Fabric, gemixt door succesvolle dj’s. Calibre’s geluid is leeg, diep en erg Brits. Jarenlang heeft hij zijn sound verfijnd, net zo lang tot hij met volle tevredenheid met zijn muziek naar buiten durfde te treden. Misschien daarom dat Calibre met FabricLive nu pas zijn eerste remix cd aandurft. In een interview op de site van Fabric geeft hij toe dat hij zelfs een beetje bezorgd is over de reacties. FabricLive 68 is zoals een goede drum ’n bass plaat hoort te zijn: veel verschillende stemmingen en sferen die naadloos in elkaar overgaan, met de constante drum- en baspartijen die de bekende thuishaven vormen. Die kunnen de zorgen van Calibre deels wegnemen, maar op sommige punten is de plaat wel wat eentonig. Echter: de ene drum ’n bass is de andere niet. Calibre is geen Black Sun Empire of Nosia, artiesten die opbouwen naar een climax. Calibre hoort bij de Britse dj’s die de rechte lijn in hun nummers volgen. Als een auto die over een kilometerslange weg rijdt, constant op dezelfde snelheid. De beat staat centraal, andere geluiden zijn bijzaak. Diepe bassen laten heel het lichaam trillen en dringen door tot de botten. Dat heeft Martin op FabricLive68 sterk naar voren gebracht. Hij laat horen waar de Britse drum ’n bass bekend om staat en voor bewierookt wordt. En daar mag Calibre heus wel een beetje voor juichen.

Bloemen als inspiratiebron. Bloemen op de hoes. Bloemen als tracktitels. En dan: het geluid van een neerstortende metalen plaat. Zijn er twee nationaliteiten denkbaar die vanzelfsprekender zijn voor een samenwerking dan een Argentijn en een Fin? Anla Courtis (Reynols) en Uton laten Trans- Atlantisch duizend bloemen bloeien. Ruwweg kunnen we stellen dat Finland voor een dreuntapijt zorgt dat vervolgens bezaaid wordt met echo’s van concrete geluiden uit Argentinië. Omdat Courtis zich vooral op een schroothoop lijkt te concentreren, heeft het geheel een metalig feedbackrandje, dat lezers met een stamboom meteen aan het werk van Organum zal doen denken. Maar dat de makers van meer markten thuis zijn wordt bewezen door het invoegen van hartslagen en het bewateren van planten. We waren zo vooruitziend om ‘Flokka Kur’ bij nacht en ontij te beluisteren, en de totale afwezigheid van omgevingsgeluiden deed deze cd perfect resoneren met de metalen plaat in ons hoofd.

BPitch Control is terug. Deze keer beperkt het label zich niet tot de Berlijnse dansvloer. Met ‘Where The Wind Blows’ toont Ellen Allien dat ze zich bewust is van de afgelopen keuzes, het einde van een technotijdperk, en nu een meer diverser pallet wilt aanbieden. Oud en nieuw, allen hun blik op de toekomst gericht. Er is het indrukwekkende, dreigende op afgestorven breakbeats gedragen ballad ‘Feel The Fall’ van de immer droevige Dillon en Telefon Tel Aviv, het heerlijke tegendraads danspoppareltje ‘Siamese Twins By Choice’ van Eating Snow, het fantastische ‘The Movement Song’ van het Joy Wellboy. En dat is nog maar het begin. Tomas Barford werpt zijn WhoMadeWho-verleden van zich af en ook al hengelt hij nog steeds naar een rijk synthesizerverleden, ‘Sullen Fire’ flirt met de jaren 1970 en John Carpenter-synths. Amirale verlaat even de Crosstown Rebel-stal en imponeert met zomerse house op ‘No Strings’. Maar ook de oudere rotten zoals Chaim, Aérea Negrot en Jahcoozi maken indruk. Zelfs Apparat komt eventjes mee nieuwe wind inblazen. Het blijft koffiedik kijken, maar iets verklapt dat BPitch Control binnenkort weer over ieders lippen gaat.

Bert Dockx (Flying Horseman) heeft goed begrepen dat de beste manier om gehoord te worden simpelweg keihard doorwerken is. En Dockx heeft duidelijk het momentum van een vliegwiel vast: ‘I/II’ is zijn vierde plaat sinds begin 2012. Dans Dans is natuurlijk ook het project van Fred Lyenn Jacques (bekend van uitstekende releases onder eigen naam, met bijvoorbeeld Marc Ribot op tweede gitaar en bassist in de liveband van Mark Lanegan) en Steven Cassiers (Dez Mona, Jack Van Pol en General Mindy).
Nog meer dan debuut ‘Dans Dans’ is ‘I/II’ een lyrische plaat. Vanaf de eerste frase van opener ‘Au Hasard’ (een eigen compositie van Dockx, volledig in de lijn van ‘Waterpoort’) valt onze frank: Bert Dockx is geen gitarist, maar een verteller. De band neemt ook meer zijn tijd voor de opbouw. Op ‘Dans Dans’ waren de originele composities doorgaans een aanloopje naar een virtoos freaky coda. Op deze ‘I/II’ wordt er meer gedoseerd, en zijn er eindeloos veel tussenniveaus. Het trio neemt zijn tijd om thema’s uit te diepen, stevig in het bos van de improvisatie te verdwalen en vervolgens de minutieus opgebouwde spanning met een verlossende climax te bezweren. Niet noodzakelijk in die volgorde overigens.
Sommige stukken zijn zelfs zonder complexen climaxloos. Zo wordt Tom Waits‘ ‘Yesterday Is Here’ in een zwaar vertraagde versie omgespit, met een hoofdrol voor de ritmesectie: zelden klonk een boem-tsjak zo droog, uitgebeend en dwingend. Bij Bowie’s ‘Some Are’ (een miniatuurtje uit de ‘Low’ sessies dat pas begin jaren 1990 tevoorschijn kwam) zit het experiment vooral in de klankkleur: diepe bassen en schriele hoge tonen – koptelefoonmateriaal, dus. Maar laat al ons gezeik over verhalende gitaarlijnen en lyriek vooral niet de indruk wekken dat Dans Dans niet punk meer zou zijn. Vaak genoeg geven ze er nog een allesverschroeiende lap op. Zo klinkt het van Ornette Coleman geleende ‘Mothers Of The Veil’ alsof Lightning Bolt en die ouwe Ornette vechtend van een lange en steile trap vallen: extra punten voor de waanzin-synth van Lyenn. Ook ferm: ‘Meditation (On A Pair Of Wire Cutters)’ van Charles Mingus, waarop de ritmesectie een kubistische voodoo-groove neerpoot, en Dockx zeer grondig loos gaat.
Door zijn lengte (elf tracks op vier kanten vinyl) duurt ‘I/II’ langer om te doorgronden dan het debuut, maar wie zijn tijd neemt, wordt beloond met een luisterervaring die eten en drinken tegelijkertijd is. Benieuwd hoe de plaat zich naar een live situatie laat vertalen, want op het podium is Dans Dans doorgaans helemaal onnavolgbaar. Spannende tijden!

Brendan Perry en Lisa Gerrard zijn momenteel zonder enige gêne het ijzer aan het smeden terwijl het heet is. We kunnen ze geen ongelijk geven natuurlijk. Eerst was er een jarenlange stilte, die pas medio 2012 na niet minder dan zestien jaar werd doorbroken met een nieuw album, ‘Anastasis’. Een uitstekende, maar tegelijkertijd weinig verrassende plaat waarop het duo de indruk niet echt kon wegmoffelen dat ze elk apart aan de nummers hadden gewerkt. Nadat hun relatie op de klippen was gelopen, bleek ook de chemische interactie tussen het voormalige koppel wat te zijn bekoeld. Nadien volgden massa’s concerten op niet minder dan vier continenten, met bejubelde tussenstops in onder andere Brussel en Utrecht. Die succesvolle concertreeks rolt nog steeds door, met steeds grotere zalen en festivals op de kalender. Omdat albums nauwelijks nog geld opbrengen (ook al werden er ondertussen meer dan 150.000 verkocht van ‘Anastasis’), zijn optredens voor vele artiesten de laatste bron van inkomsten geworden. Wanneer de vraag van het publiek, dat in het geval van Dead Can Dance sinds 2005 op zijn honger heeft moeten zitten, groot is én blijft, dan is het natuurlijk niet verstandig om het niet op zijn wenken te bedienen. Vandaar ook deze liveregistratie, die niet geheel toevallig in drie formaten de wereld wordt ingestuurd: een ingekorte versie als bonus bij de reguliere cd, een drie albums tellende vinylbox en een dubbele, meer dan 90 minuten durende livecd. ‘In Concert’ grijpt in grote mate terug naar nieuw werk, al ontbreken klassiekers als ‘Rakim’, ‘Sanvean’ of ‘Ubiquitous Mr. Lovegrove’ uiteraard niet. ‘Song To The Siren’ van wijlen Tim Buckley dat ooit nog een adembenemende vertolking kreeg door Liz Fraser (Cocteau Twins) met This Mortal Coil wordt hier door Perry op een aangrijpende manier naar zijn hand gezet. ‘In Concert’ is nog méér dan ‘Anastasis’ louter snoepgoed voor de devote fans. Als document of introductie voor de noviet heeft dit namelijk veel te weinig gewicht.

En daar is dan het eerste album van Dave Sumner alias Function en toch is de in (uiteraard) Berlijn woonachtige Amerikaan al zo’n twintig jaar verdienstelijk actief in technokringen. Als Portion Reform samen maakte hij samen met technolegende Regis kille, machinale techno op het eveneens legendarische Downwards. In diezelfde jaren 1990 verschenen er talloze 12inches van Sumners hand als Function op Synewave en Infrastructure New York. In de nieuwe eeuw sloeg hij samen met Female, Silent Servant en Regis de handen ineen en een nieuw platform kwam tot leven: Sandwell District. Het label, collectief en deejay/live-project (bestiert door Regis en Function), veroverde de wereld, om begin 2012 de missie als voltooid te verklaren en het einde van Sandwell District was een feit. Function zal weer wat vrije tijd hebben gehad, wat resulteert in ‘Incubation’, uitgebracht op het almachtige Ostgut Ton. De stevige techno is door hem nimmer verloochend en ook dit ‘debuut’ zit vol met onderkoelde kickdrums, een vlakke kadans, en alles voelt zwaar, donker en stuwend. Toegegeven, de digitale productie maakt het geheel net even te glad, maar wie Sleeparchive en Jeff Mills een warm hart toedraagt, zal veteraan Function een prettig welkom heten.

Het is moeilijk om een band af te vallen omwille van de experimenteerdrift. Bands die zich album op album herhalen, zijn er al genoeg. Als we dus een band hebben die zich elk album lijkt te willen vernieuwen, moeten we dat koesteren. Nauw bij de borst houden, hoe moeilijk dat soms ook is omdat de keuzes niet geheel aansluiten bij onze verwachtingen of hoop. The Men is zo’n band. Na op ‘Leave Home’ en ‘Open Your Heart’ de betere rafelranden van de postpunk, hardcore en indierock te hebben bewandeld, werpt de band uit New York zich op het vierde album in de contreien van Drive-By Truckers. Niet dat de indierock geheel verdwenen is; ‘New Moon’ klinkt eerder alsof Sebadoh of Dinosaur Jr. een countryrock album in elkaar hebben gedraaid. In theorie een mooie combinatie en in praktijk ook zeer wel uitvoerbaar, maar (nog) niet door The Men op deze ‘New Moon’. Daar blijft het veelal steken in een leuk idee, maar mist het de lijn en uitwerking van de voorgaande albums. Een nummer als ‘Birdsong’ -met zijn tergende mondharmonicawerk een dieptepunt niet alleen op deze plaat, maar in hun gehele discografie- ligt mijlen verwijderd van de betoverende psychedelische noiserocktrip van ‘Super Moon’ en het gejaagde indierockanthem ‘Electric’ dat direct op dit acht minuten durend hoogtepunt volgt. The Men zoals we hadden gehoopt de hele plaat te horen versus The Men zoals we – zelfs in onze grootste angstdromen – nooit hadden verwacht de band te horen. Maar in ieder geval durven de Amerikanen zich te vernieuwen met elk album weer, dus dat geeft hoop voor de toekomst, zij het nu wel bevend. 

Het zal wel een uiting zijn van toenemende verzuring, ouderdom of zelfs mentale achteruitgang, maar persoonlijk ben ik er wel klaar mee. Een keer eerder al heb ik de gehele jaren 1980 doorlopen en doorstaan. Al was die eerste ronde wel grotendeels in de onwetendheid van de zorgeloze kinderjaren,  een tweede keer had wat mij betreft achterwege kunnen blijven. Getuige de revivalgolf waar ook Fiction op mee surft, zijn er echter de nodige bands die daar anders over denken. De vijf Britten van Fiction hebben zich voor ‘The Big Other’ in ieder geval goed laten inspireren door bands als XTC, Talking Heads en een beetje Brian Ferry. Toegegeven, de betere kant van de jaren 1980 pop en postpunk die ook bij ondergetekende  in de kast staat. De Britten voegen daar dan zelf nog een laag Afrobeat  – op zich ook geen vreemde eend in de jaren 1980 – toe, waarmee het kwintet zich schaart tussen Foals en Vampire Weekend. En nee, ook dat is geen verkeerd gezelschap. ‘The Big Other’ is dan ook geenszins een slechte plaat, hooguit wat clichématig, maar wel op een aanstekelijke en pakkende manier. De vraag is dan ook hoeveel goede platen met een vergelijkbare insteek je in de kast wilt hebben staan. Is het antwoord niet gelijk het mijne, dan heb je aan deze plaat een zeer degelijke aanwinst.

Ventura is een Zwitsers trio dat al sinds 2003 aan de weg timmert. Zo nu en dan verschijnt er nieuw werk.’Ultima Necat’is hun derde langspeler en kijkt net als zijn voorgangers vooral nostalgisch terug op de hardere noiserock van de jaren 1990. Gelukkig voor ons kopiëren ze niet zomaar klakkeloos een of andere band, maar proberen met die ingrediënten iets eigens in elkaar te knutselen. ‘Corinne’ en ‘Very Elephant Man’ knipogen naar Superchunk, al is de gitaarstorm hier soms wat heftiger. ‘Amputee’ is een meer epische song waarin de gitaren minutenlang alle kanten mogen op gieren, het midden houdend tussen Shellac en Sonic Youth. Op de eerste helft van de plaat is de invloed van Steve Albini duidelijk, al zijn de Venturasongs iets minder kaal en wiskundig opgebouwd. De zang van gitarist Philippe Henchoze, die solo ook werk uitbrengt onder de naam The Sinal Drivers, doet wat denken aan Chris Brokaw (Come, Codeine), in een iets minder neerslachtige bui weliswaar. Het geheel klinkt donker en steviger dan het voorgaande werk. Iets waar David Yow (The Jesus Lizard, Scratch Acid, Qui) wel eens de hand in zou kunnen hebben gehad. Ventura heeft een splitsingle gemaakt met Yow en is met hem op toer geweest als backing band. Het heeft de Zwitsers, die live met een extra gitarist op de proppen komen, deugd gedaan. Daardoor klinken ze coherenter en meer gefocust dan ooit. Waar bij een eerste luisterbeurt er een paar mindere nummers op dit ‘Ultima Necat’ lijken te staan (‘Little Wolf’, ‘Body language’), is dat na wat verdieping geenszins meer het geval. Integendeel. ‘Nothing Else Mattered’ stipuleren ze zelf met een kwinkslag.

Medio jaren 1980 werd in het afgelegen plaatsje Buffalo Mercury Rev opgericht, enkele jaren voor de geboorte van Trevor Powers, het creatieve brein achter Youth Lagoon. Twee zaken die geheel los van elkaar staan, zij het dat gedurende de volle vijftig minuten die het tweede album van de jongste, ‘Wondrous Bughouse’, de gedachte voortdurend uitgaan naar ‘Yerself Is Steam’, het debuut van de oudste. Een zelfde onbevangenheid in compositie en arrangementen, wars van bestaande conventies. Voor de opvolger van ‘The Year Of Hibernation’ kreeg Powers de beschikking over een ware studio, waar hij meteen een legioen aan bevriende muzikanten liet intrekken. Een geheel andere aanpak dus dan bij het debuut, waar vooral in eenzaamheid in een huis-, tuin -en keukenstudio aan was gewerkt. Andere methode, dus andere uitkomst. Lo-fi maakt plaats voor grootse bombast, wijdde productie en volle arrangementen, maar de naïeve inventiviteit en speelse vrijheid van een doorgewinterde home-recorder is mee de studio ingenomen. Onbevangen psychedelische pop is het eindresultaat, maar niet altijd even geslaagd. Voornaamste ergernis is de eeuwige echo waarin alles weg galmt. Geen succes, en zeker geen noodzaak, legt dit een laag van geneuzel en gefingeerde huisnijverheid over ‘Wonderous Bughouse’. Het past binnen de dromerige kinderwereld die Powers bouwt, net als zijn kinderlijke zangstem, maar kan op den duur wel gaan vervelen en verhult niet dat niet alle nummers op ‘Wondrous Bughouse’ de spanning en verrassing van het debuut hebben. 

De grenzen tussen verschillende genres vervagen voortdurend. Beïnvloed door de muziek die muzikanten in hun jeugd hoorden of die zij nu voorgeschoteld krijgen, vinden er voortdurende kruisbestuivingen plaats. Ook tussen ogenschijnlijke uitersten, zoals R&B, commerciële pop, indiepop en undergroundgeluiden. De eerste veelal gemaakt om (gemakkelijk) te behagen, de tweede met meer wrijving en diepgang gericht op een duwtje uit de comfort zone. The xx haalt een groot deel van de inspiratie uit R&B. Echo’s van Top40 uit de jaren 1980 vormden de basis voor veel chillwave projecten. Het zusje van BeyoncéSolange– duikt in de duistere zijde van new wave en eerder genoemde chillwave om haar R&B op ‘True’ wrijving te geven. Bij die laatste sluit Dungeonesse het beste aan. Dit duo uit Baltimore bestaande uit Jenn Wasner (de breekbare en scherp treffende stem van Wye Oak) en producer Jon Ehrens (The Art Department) heeft de degens gekruist met als doel de door hun geliefde Top40 uit hun jeugd te reproduceren. Het resultaat: een plaat vol potentiële radiohits, maar niet zonder te ontsporen en ook niet plat geperfectioneerd. En juist dat maakt ‘Dungeonesse’ een enorm sterke plaat. De breekbaarheid van Wasner blijft overeind, ook al neemt zij in haar zanglijnen nu voorbeeld aan de tremolo’s van Witney Houston, ze vreest niet om nu en dan naast de toon te zitten. En hoewel de arrangementen duidelijk het popformaat volgen, wordt alle ruimte die er is om er vanaf te wijken ook direct genomen. Een enkele keer trekken er zelfs shoegaze elementen voorbij. Daardoor wellicht te moeilijk en avontuurlijk voor de mainstream luisteraar, maar voor iedereen daarbuiten is dit een fijn uitstapje naar het (gelukkig nooit te) veilige midden. 

Huis Van Vertrouwen Kranky laat in deze eerste periode van 2013 opnieuw geen steken vallen. Zo is er nieuw werk van Benoît Pioulard en verschenen ook twee niet meer verkrijgbare albums van Grouper op vinyl. Alsof dat moois nog niet genoeg is, verschijnt ook een nieuw album van Pan American. Dat is al vijftien jaar de artiestennaam van Mark Nelson, ook bekend van zijn vroegere werk bij Labradford, een band die sinds 2001 niet meer actief is. Pan American ontstond omdat Mark Nelson zijn fascinatie voor dub en techno wilde verwerken in zijn muziek. Voor deze nieuwe plaat trok hij percussionist Steven Hess (Locrian, Innode, Cleared en Haptic) aan. ‘Cloud Room, Glass Room’ ontstond toen het duo in 2011 door Europa toerde. Ze kregen op bas ook nog hulp van Labradford-bassist Bobby Donne. Het resultaat is een donkere dronetrip vol organische klanken. En altijd klinken er op de achtergrond heerlijke dubby technoklanken. Hoogtepunt van het album is voor ons ‘Relays’. Het begin van dat nummer is nog vrij rustig, maar langzaam nemen de dubklanken het over. Langzaam worden er telkens laagjes nieuwe klanken toegevoegd, andere verdwijnen naar de achtergrond. Het effect is in ons hoofd behoorlijk extatisch. Zeker toen we de track opnieuw en opnieuw via de koptelefoon tot ons namen. Maar de rest van de nummers, die trouwens haast naadloos in elkaar overvloeien, zijn nooit minder dan de moeite. Luister bijvoorbeeld maar eens naar de streepjes drum-‘n-bass in ‘Glass Room In The Airport’. Koptelefoonplaat par excellence.