GC #115

Zero Absolu is een band die in Frankrijk enige bekendheid geniet. Ene Nak richtte de band, of beter gezegd project, op in 2006 en is inmiddels aan zijn derde volwaardige album toe, twee ep’s niet meegerekend. De vorige plaat, uit 2011, geeft met zijn titel al een beetje aan dat Nak geen zin heeft om opwekkende muziek te maken. ‘Dans Les Bras De Morphée’ is al net zo’n mooie titel als ‘Du Vide Au Néant’. Nostalgie, melancholie en woede zijn de onderliggende thema’s die telkens opnieuw opduiken. De sfeer is donker en de muziek, waarop heel wat wordt gezongen of geschreeuwd, gaat van ingetogen tot woest uithalend. Zero Absolu gebruikt daarvoor de typische ingrediënten van de postrock maar voegt hier en daar eigen elementen toe waardoor de plaat niet alleen afwisselend is geworden, maar ook de aandacht weet vast te houden. Is een nummer als ‘Home Sick Home’ rustig en ingetogen postrock, het is net als openingsnummer ‘First Step’ behoorlijk misleidend. De kalmte raakt alsmaar meer in de verdrukking. De plaat bouwt in zijn geheel langzaam op en er duiken alsmaar meer elementen uit de postmetal op, zodat halfweg ‘After Her’, ‘Vertigos & Confusions’ (bijna klinkend als het legendarische God Machine) en ‘Lord Of The Unconscious’ een soort van apotheose wordt bereikt. Daarna neemt Nak ietwat gas terug, maar al snel komt postmetal weer voluit om de hoek kijken, tot het einde van de plaat toe. Uiteindelijk gaan we het net op, we hebben deze plaat alleen digitaal, en komen te weten dat Nak het enige bandlid is van dit project. De man heeft alles in zijn eentje in elkaar geknutseld en presenteert een album dat uit de koker van een hele groep muzikanten lijkt te komen. ‘Autømn’ toont aan dat postrock na Mogwai nog steeds levensvatbaar is, en zelfs tot hele mooie resultaten kan leiden.

Trends zijn niet besteed aan de vier mannen die Night Marchers vormen. Absoluut niet. Zelfs het uitbrengen van een plaat heeft bij deze heren geen haast. ‘Allez Allez’ ligt al sinds begin 2009 klaar en wachtte gewoon op een of andere onverlaat die zin had om het album ook daadwerkelijk uit te brengen. Het kan de houding zijn van zelfs de kleinere platenlabels, maar net zo goed de attitude van de bende die John Reis voor deze band rond zich verzamelde. Aan het curriculum ligt het alvast niet. Reis zat eerder bij Drive Like Jehu, Rocket From The Crypt, The Sultans en Hot Snakes. Twee andere Hot Snakes (gitarist Gar Wood en drummer Jason Kourkounis, ook Delta 72) kwamen hem vervoegen, en het vierde mannetje (bassist Tommy Kitsos) speelde bij het Canadese afbraakbandje CPC Gangbangs. Twaalf liedjes hebben de heren bij elkaar gesprokkeld, die een beetje de som vormen van hun vorige bands, aangevuld met wat The Saints-invloeden. De kwaliteit van de liedjes wisselt, net als bij het debuut ‘See You In Magic’ uit 2008. Meestal zijn het wel degelijke garagerockers, met hier en daar wat soulvolle blazers (‘Big In Germany’) of een stevige meebruller (‘Fisting The Fan Base’, ‘I Wear The Horns’, ‘Tropical Depression’). ‘Thar She Blows’ is voor ons het meest opvallende nummer, net omdat het zich door zijn snellere ritme en mooie bas, onderscheidt van de rest. Op een podium in een donker punkhol is deze band ongetwijfeld niet te missen. Op cd missen de meeste nummers net dat beetje extra.

Een nieuw album met Dirk Ivens en Marc Verhaeghen als The Klinik leek lange tijd zo onwaarschijnlijk dat we er eerlijk gezegd niet meer in geloofden. Hun laatste gemeenschappelijke wapenfeit in de studio,‘Time’, dateert immers al van 1991. Muzikale meningsverschillen en botsende karakters leidden destijds tot een breuk; hardnekkige gezondheidsproblemen van Verhaeghen zorgden er vervolgens voor dat de plannen om opnieuw samen muziek te maken, ingegeven door enkele uitverkochte grote reünieconcerten in 2003, op de lange baan werden geschoven. Maar kijk, meer dan twee decennia later presenteren ze dan toch negen nieuwe nummers, waarvan twee instrumentale. Tweeëntwintig jaar is lang en in de muziekwereld zelfs een eeuwigheid. Sinds ‘Time’ is er namelijk zo veel muzikaal water naar de zee gestroomd enerzijds; en zijn het aantal artiesten die het unieke geluid van The Klinik massaal hebben gekopieerd anderzijds niet meer op een hand te tellen. Komt dus de onvermijdelijke kwestie van het referentiekader op de proppen. Hou je ‘Eat Your Heart Out’ tegen het licht van genrebepalende albums als ‘Sabotage’ (1985), ‘Plague’ (’87) of ‘Face To Face’ (’88) of moet je The Klinik anno 2013 vergelijken met wat er op de frontlinie van industrial, electro en EBM sindsdien allemaal gepasseerd is ? Wat mogen we bijgevolg (niet meer) verwachten en wat is er veranderd ? Weg zijn jammer genoeg de typische grimmige en onheilspellende sfeer en de klaroen van Verhaeghen, toch twee karakteristieke kenmerken waarmee The Klinik zich destijds (en nog altijd) wist te onderscheiden. De stem van Ivens zit bovendien nauwelijks bewerkt in de mix en neigt bij momenten meer naar het natuurlijke timbre waarvan hij zich bedient bij Absolute Body Control. Compositorisch is ook niet alles even overtuigend – zeker niet in vergelijking met ouder werk. ‘Eat Your Heart Out’ bevat geen materiaal dat kan wedijveren met pakweg ‘Sick In Your Mind’ of ‘Moving Hands’. Toch blijkt het heilige vuur niet helemaal te zijn verdwenen. Opener ‘Nothing You Can Do’, ‘We Are One’ en vooral ‘Stay’ ademen de koude angstsfeer uit van weleer, niet in het minst door de aanwezigheid van de vertrouwde, minimalistische, in delay gedrenkte sequences. Leg die nummers naast het materiaal van hedendaagse populaire bands als VNV Nation en we realiseren ons in een flits dat The Klinik een degelijk album heeft afgeleverd. ‘Eat Your Heart Out’ vraagt tijd, een open geest en een eerlijk referentiekader. De initiële ontgoocheling verdwijnt na verloop van tijd en is waarschijnlijk te wijten aan de (te) hoge verwachtingen die eraan voorafgingen.

Laat ik maar direct beginnen om te zeggen dat het geweldig is dat deze twee albums, met muziek van rond 1980, opnieuw verkrijgbaar zijn. The 49 Americans zijn ooit in 2002 in Japan op cd uitgebracht en de eerste digitale versie van ‘Slow Music’ dateert ook al weer uit 1995. Beide albums worden vooral bevolkt door leden van het London Musicians Collective, een club muzikanten waarbij improvisatie, avontuur en plezier hoog in het vaandel stonden. Centrale figuur bij deze twee uitgaven is saxofonist Lol Coxhill (1932-2012), die vooral bekend is geworden als gastspeler en door zijn solo improvisaties. Hier horen we hem in twee verschillende andere rollen. The 49 Americans was een bont gezelschap bijeen gebracht door Andrew Brenner (alias Giblet). Ze brachten ooit vlak na elkaar drie langspelers en een single uit. Waar samen 83 songs opstonden. Belangrijkste leden waren Steve Beresford, David Toop, Peter Cusack en Coxhill zelf. Maar ook Viv Albertine (Slits) en Vivien Goldman zijn regelmatig te horen. In de oorspronkelijk hoestekst van ‘We Know Nonsense’ wordt gesproken over “brand new pop classics” en “Every style they lay their hands on is enhanced by their unhibited charm”. Wat hier aan toe te voegen? Op deze heruitgave staan 40 (!) vrolijke en charmante liedjes die qua stijl uiteenlopen van disco tot rock-’n-roll. Alles ademt een heerlijke luchtigheid uit met her en der een vleugje Britse humor. Je wordt er vooral blijmoedig van, zelfs als Coxhill met zijn dwarse getoeter, in ‘Move Around All Day’, de boel loopt te verstieren. ‘Slow Music’ is een totaal ander project. Morgan Fisher (hij zat in Spooky Tooth en was de man achter het invloedrijke album ‘Miniatures’) pioniert hier met elektronica en tapeloops. Terwijl Coxhill op een ingetogen manier saxofoon speelt. Het resultaat is een serie adembenemende oefeningen in minimale muziek die de ene keer ambient klinken, dan weer repetitief of eindigen in een machtige drone. Interessant is ook het experimenteren met carillonklanken, ruim dertig jaar eerder dan Pantha Du Prince! Als bonustrack is een kwartierlange ambient improvisatie toegevoegd waarop onder andere Gavin Bryars te horen is. Dit hele album had integraal uitgevoerd moeten worden op het onlangs gehouden World Minimal Music Festival!

Mount Moriah is het geesteskind van Heather McEntire (Bellafea) en Jenks Miller (Horseback), afkomstig uit North Carolina. In hun andere groepen verkennen ze respectievelijk postpunk en psychedelische rock. Hier kiezen ze voor een veel traditionelere aanpak. De muziek is diep geworteld in alternatieve country en folk. Muziek die bij een breed publiek de laatste jaren terug aanslaat. Vraag is dan ook of de band met dit tweede album ook buiten hun thuisland zal aanslaan. McEntire heeft alleszins een weemoedige stem die kan ontroeren en ook met de songs is weinig mis. Die zijn mooi geconstrueerd en beschikken over de nodige details om het album meer dan één luisterbeurt te gunnen. Absoluut. Zowel tekstueel als muzikaal schemert er soms een spatje rauwheid door. En waarom zijn we dan toch niet zo enthousiast? De band houdt het allemaal iets te braaf naar onze zin. Het mag van ons allemaal net iets rauwer klinken. Zoals ze doen in de uitmuntende song ‘Miracle Temple Holiness’. Als het album voorbij is, verdwijnt het echter ook weer. Er blijft iets te weinig kleven aan de ribben. Een twijfelgeval dus. Maar liefhebbers van bands als Cowboy Junkies kunnen er hun voordeel mee doen.

Lapalux is de artiestennaam van Stuart Howard, een vijfentwintigjarige producer van het platteland van Essex die de afgelopen tijd snel naam heeft gemaakt. Zijn zuigende, hypnotiserende en melancholieke tracks houden het midden tussen ambient, dubstep en soul, een bijzondere maar naar blijkt pakkende combinatie. Het verwijt van geliktheid ligt al snel op de loer bij het soort vocalen dat Lapalux voorbij laat komen (weggestopt in de beats, sensueel, repetitief en volgestopt met galm), bij de uiterst relaxte, aan dub en hiphop gedrenkte beats, bij de ietwat ranzige synthlijntjes, en met de slim opgebouwde en toegankelijke liedjes – maar niets is minder waar. De spanning wordt er goed gedoseerd en raak in gehouden, de elektronica gaat vaak en heftig freaky tekeer, en de metertjes maken overuren in het rood – allemaal dingen die nieuwe muziek er leuker op maken. ‘Nostalchick’ ligt dicht bij glad en glitter, maar nog net aan de kant van het avontuur en de ontdekking. Of het album (en wat Lapalux verder doet) is gewoon een stapje verder dan we denken.

‘Ain’t it funky now’, schreeuwde James Brown eind jaren zestig uit. Wist hij veel dat een bende blanke nerds veertig jaar later zijn muzikale nalatenschap zou plunderen en deze doorspekken met stevige gitaren. Dat hoogst aanstekelijke dansgeluid werd punkfunk gedoopt, en een decennium later houdt !!! stand als enige voortrekker, tenzij u die terugkeer van The Rapture vorig jaar wél geslaagd vond. !!!, een prettig gestoord zestal uit Californië, kon ons in het verleden vooral op een podium bekoren. Op plaat kwamen ze niet verder dan wat halve ideeën, de albums deden vaak denken aan veredelde improvisatiesessies. Hier brengt ‘Thr!!!er’ verandering in. Met zo een titel ben je haast verplicht om een energieke, pittige (pop)plaat af te leveren, en dit is dan ook het geval. De fraai afgewerkte nummers zijn in elkaar gestoken met oog voor detail. Luister maar naar de subtiele saxofoon in ‘Get That Rhythm Right’, of het handgeklap in ‘Californiyeah’. !!! structureerde de chaos, en koos al eens voor een ingehouden spanning, zoals op ‘Careful’. Dit betekent niet dat de dynamiek en de opwinding van weleer verdwenen zijn; de groove is nog steeds heilig en de pompende baslijnen blijven aan zet. Het stomende ‘Slyd’ vormt hier het mooiste bewijs van, dat meer dan vier minutenlang strijd levert als een opgefokte, in het nauw gedreven stier. Wij vragen ons af wat Mr. Dynamite hier zou van vinden. Wellicht zou hij maar al te graag zijn blinkende torero schoentjes aanbinden.

Een release op het Gruenrekorder label gewijd aan het geluid van insecten – dat leverde in mijn hoofd een mooie release op. De releases op Gruenrekorder schurken meestal dicht tegen onverdunde field-recordings aan, terwijl de interventies die zijn uitgevoerd door de ‘artiest’ (meestal degene die de registratie doet) vaak op een abstracter compositioneel niveau liggen – dat wil zeggen, niet in de eerste plaats door middel van geluidsbewerkingssoftware in het geluid zelf ingrijpen maar vaak juist door de montage en appositionering van de opnames een compositionele structuur aanbrengen. Dat is hier op deze cd van David Rothenberg (die naast de clarinet een veelheid aan riet-instrumenten bespeelt) niet het geval. Rothenberg heeft verschillende boeken geschreven waarin hij de geluidswereld van de niet-menselijke species als instigator beschouwt van de menselijke drang tot muziekmaken. Eerst over vogels, vervolgens walvissen (waarbij ook een cd is verschenen), en nu dan insecten. Het boek over de insecten is het meest recent, en deze cd lijkt te beogen om deze theorie een beetje te veraanschouwelijken onder meer door middel van voorbeelden van hoe Rothenberg een ‘muzikale dialoog’ aangaat (“intersoortelijk musiceren” of iets dergelijks in vakjargon) met een zwerm Cicadas. Daarbij wordt hij nog vergezeld van zijn zoon die één of andere app op de iPad hanteert. Dit is dan nog tenminste één van drie (uit totaal 16 stukken die op de cd staan) waar er daadwerkelijk sprake is van veld-opnamen; als ik het goed begrijp is op de overige 13 opnames het geluid van de insecten ofwel bewerkt ofwel met synthetische middelen nagebootst, overigens op een wijze die nauwelijks te verwarren is met “the real thing” – met het echte geluid van Cicadas die brullen. Veel liever grijp ik dan terug naar de opnames van Tucker Martine op Sublime Frequencies van louter insectenopnames in Zui-Oost Azië – luisterend daarnaar wordt alleen maar duidelijk dat het ervaren van een synthese met onze ecologische context geen activistische houding vordert maar eerder een diep contemplatieve: zulke muziek zullen wij nou eenmaal zelf nooit kunnen maken.

Sinds 2006 stierven zowat zestigduizend mensen nadat de Mexicaanse overheid de strijd aanbond met de drugskartels. Een regelrechte oorlog is het geworden, tussen de drugsbaronnen enerzijds en de overheid, politie en militairen anderzijds. Zoals het meestal loopt in dergelijke gewelddadige conflicten, is het vooral de burgerbevolking die het grootste slachtoffer is. Israel Martinez, Mexicaan van geboorte (°1979), is in zijn thuisland een gewaardeerd kunstenaar, die zich met allerlei kunstuitingen onledig houdt. Wij kennen de man echter vooral door zijn muzikale werk, dat zich situeert tussen field recordings, electro-akoestische muziek en elektronica. Hij houdt van experimenten en dat konden we reeds merken aan de releases die bij ons verschenen op Sub Rosa en Aagoo. Voor ‘The Minutes’, waaraan hij werkte tussen 2011 en 2012, probeert Martinez de onzekerheid, de onrust, de zorg om een maatschappij die stilaan ten onder gaat aan bruut geweld, in een soort soundscape te vatten. Hij creëert een bij ogenblikken heel verontrustend klankentapijt met bewerkte en verwerkte geluiden die een eerder onaangename sfeer uitstralen. De cd begint nog enigszins lieflijk met wat vogelgekwetter maar al snel krijgen we te maken met overstuurde en angstaanjagende geluiden die neigen naar industrial. De verloedering, het aanzien van lege straten en dito speelpleinen, in de steek gelaten huizen, buurten waar behalve zwerfhonden niemand meer komt: het is dagelijkse realiteit in de Mexicaanse grootsteden. Martinez weet die beelden wonderwel te vatten, weer te geven, zonder dat we effectief beelden krijgen voorgeschoteld, al zou dat perfect kunnen en passen.

Het lijstje bands waarmee we Phil Manley kunnen associëren is lang, heel lang. Zo is hij één van de oprichters van elektronische post-rockers Trans Am en was hij actief bij progrockers The Fucking Champs en Oneida. Daarnaast deed hij al heel wat productiewerk. Onder andere voor Wooden Shjips, Barn Owl en The Fresh & Onlys. Naast al die activiteiten startte hij een paar jaar geleden nog dit nieuwe muzikale project. Het titelloze debuut dat in 2011 verscheen, speelde hij met behulp van synths, gitaar en bas volledig alleen in. Voor de liveshows trok hij drummer Jon Theodore (eerste drummer van The Mars Volta) aan. Samen werkten ze aan deze plaat. Eentje voor liefhebbers van krautrock die overgoten wordt met een soms lekker psychedelische progrocksaus. De tracks op dit album vloeien allemaal naadloos in elkaar over. Starten doet de plaat nog met het rustige ‘Sunrise’. Vanaf het openbarstende ‘Fireball’ lijkt de trein definitief vertrokken. Even houdt hij nog halt in ‘Life Experience’ om dan te arriveren in het hoogtepunt van de plaat, ‘Mind’s Eye’. Vijf en een halve minuut heerlijke gekte. Dit album roept bij ons referenties op aan Beak. Afgelopen najaar zagen we die band rond Geoff Barrow (Portishead) nog een weergaloos concert spelen op het Kortrijkse Sonic City Festival. Aanrader voor de liefhebbers!

Vorig jaar brachten Jon Porras en Evan Caminiti, het tweetal dat Barn Owl vormt, beiden sterke solo albums uit. Die hebben duidelijk hun weerslag gehad op ‘V’. De dronegitaren vormen nog steeds een belangrijk element, maar worden steeds onherkenbaarder door de vele effecten. In opener ‘Void Redux’, dat bijna tegen ambient techno aan zit, wordt ook direct duidelijk dat Porras en Caminiti het gebruik van synthesizers steeds meer durven te omarmen en dat ze niet meer de gitaarpuristen van weleer zijn. Ook in ‘The Long Shadow’ is dit het geval. Een nummer dat zijn naam eer aan doet, alsof langzaam de ochtendschemering wordt opgelicht door een opkomende zon in een enorme vlakte, waar zich de schaduw van een onmetelijke berg oneindig uit strekt. Barn Owl bezit de kwaliteit met enkele lang uitgesponnen tonen een complete wereld te fabriceren waarin de luisteraar zich tijdloos en zonder lichaam waant – een puur en naakt bestaan. In ‘Against the Night’ klinkt een Chromatics-nostalgie door in de gitaarpartijen, omgeven door gruizige ambient die doet denken aan Svart1. Het stereospel met geluid zorgt voor dynamische sfeerwisselingen die tegelijk beangstigen en geruststellen. Tenminste, als de luisteraar zich over durft te geven. Dit laatste is sowieso een belangrijke factor in het waarderen van deze muziek, welke het beste te beluisteren is via koptelefoon of nog beter: live in een donkere ruimte. Want zelfs met de ogen dicht ziet men een architectuur van landschappen, zoals in ‘Blood Echo’, dat perfect zou dienen als soundtrack voor het eerste bezoek aan Mars. De overweldigende indrukken, de verwondering -het geluid wordt steeds verder opgebouwd tot het hart er van over loopt. De heren weten de juiste balans tussen leegte en ruimte te vinden. Er is geen sprake van overbelasting, maar van de perfecte ingrediënten om geduldig tot het ultieme recept te komen. Dit is meditatie, dit is zuivering van de ziel, dit is wedergeboorte. En dan moet afsluiter ‘The Opulent Decline’, met ruim 17 minuten het magnum opus van deze plaat, nog komen. Barn Owl neemt je hier langzaam mee naar een vroege herinnering van ons universum. Na tien minuten komt een lichte beat in het nummer, gevolgd door percussie en vervreemdende klanken. We luisteren en worden auditief toeschouwer van het nog prille begin van de aarde, die nog maar net bevolkt wordt door leven. Dit is het ontstaan van soorten. Absoluut jaarlijstmateriaal.